Latest Posts

Ijzersterk

Ik doe geen concessies aan de kwaliteit van mijn leven
Niet door de zwakte van mijn geest
Niet voor kwantiteit
Niet voor anderen

Zolang ik vrij ben

Ik produceer waarde
Ik heb de wereld en ik heb de mensen
als voorwaarde, als bron, als doel
Maar ik alleen, ben de waardeproducent

Ik ben vrij

Ik ben het meest bijzondere dat ik heb
Ik ben mijn enige belangrijke prestatie
Ik doe geen concessies aan de kwaliteit van mijn leven
Niet door het idee van de maatschappij
Niet door de zwakte van mijn geest
Niet voor jou

Voorbereidingen en voorspellingen

De paklijst. Ik kan een hele vakantie in mijn alpienbroek rondlopen, maar ik wil het niet. Ik wil een spijkerbroek mee. Een normale BH. Sneakers. Ik wil conditioner omdat ik anders mijn haren molesteer, en een grote en een kleine bikini omdat ik krimp in de bergen. Ik wil mascara mee. Een zonnebril die eerder hip dan effectief is. Deodorant. Een fles factor 20 en niet alleen factor 50+, zodat ik nog een beetje kleur krijg. Een retrolegging. Twee Buffs. Verschillende kleuren stiften. Een klein olifantje dat me aan het thuisfront herinnert. Ik ben meer dan bereid om ijdelheid, gewoonte of luxe mee te zeulen. Zo blijkt, ik ben nog niet volledig barbaar geworden.

Het financiële overzicht. Ik heb 100 tot 150 euro om per week uit te geven. Dat is voor verblijf, vervoer, eten en loltrappen. Een slecht getroffen hut met helikopterchocolademelk kan me zo drie dagen eerder naar huis dwingen.
Hoeveel eten heb ik werkelijk nodig? Wat zijn toegestane uitspattingen? Ik moet bivakkeren en mezelf de verleiding van gemakken of groepsprocessen verbieden om binnen budget te blijven. ‘Het moment’ is fataal. Maar aan de andere kant: Wanneer de kwantiteit het van de kwaliteit dreigt te winnen, betaal ik wel het rondje Weizen. Dan maar wat dagen eerder terug.

De planning. Is er een betere planning dan geen planning? Wat doet een mens drie maanden in de Alpen? Ze na de tweede maand uitkotsen? Rot op met die nietigheid? Ik kan me twee scenario’s voorstellen: Het eerste, waarin ik blind word voor het verschil tussen bergen, de eentonigheid vervolgens het verkeerde keelgat binnenschiet, ik mijn biezen pak naar de zee en daar 100 tot 150 euro per week uitbesteed aan massages en Corona’s. En het tweede, waarin ik dermate één word met de omgeving dat ik zal denken zelf een rotsformatie te zijn.
Doodstil maar onvoorspelbaar bij aanraking, omringt door voedsel van weldoeners. Geld zal dan niet meer zo´n issue zijn.
Vooruit, Wellness, mijn ouders, de ASACweek; het avontuur is niet zo groot en ongepland als ik soms neig te denken. Mijn fantasie heeft de afgelopen maanden al veel plannen voor mij gemaakt. Er zijn wat bergen die ik perse wil beklimmen en toch redelijk gebonden zijn aan hun locatie (als ik me niet vergis). Alpineren en sportklimmen. Concrete plansessies maken drie maanden haast te kort. Waar al dat multipitchen, mountainbiken en wandelen tussen past – ik weet het niet.

Onze veiligheid. Mijn EHBO-set is compleet. Ik heb Betadine gekocht, en steristrips, en steriele gaasjes, en veiligheidspelden. Ik zou niet weten wat wanneer te gebruiken, en zeker niet wanneer iemand daar ligt of hangt. Maar ik weet wel raad met Ibuprofen en Paracetamol en Strepsils, dus mocht ik in een nare situatie terechtkomen, dan kan ik in elk geval vragen of iemand even zijn mik opent of zelf wat naar binnen werken.
En ik heb een grote rol sporttape, omdat mijn vader me zijn nare blarengenen heeft gegeven.

Het afscheid. Vriendinnetjes die op reis gingen, voor niet veel langer dan een maand, hebben afscheidsfeestjes gegeven. Ik ga drie maanden. Maar er zit een groot verschil tussen reizen en naar de Alpen gaan: In China loop je geen risico om het gros van je sociale scene tegen het lijf te lopen. Ik maak plannen voor mijn Alpendagen, tegelijkertijd met alle anderen. Het voelt alsof we samen gaan. Ik hoef niets uit te leggen, niets te motiveren, iedereen begrijpt dondersgoed waar ik mee bezig ben. Al zou ik het nooit in zijn volle emotionele waarde, in woorden kunnen vatten.
Er is dus weinig sprake van een afscheid. Ik probeer links en rechts nog wat af te spreken en draai laatste werkdagen alsof ik nog duizenden heb staan. Toch sluipt waardering voor Amsterdam onvermijdelijk mijn wezen binnen, en zoek ik manieren om mensen die ik achterlaat te laten weten hoe apenveel ik om ze geef. Ligt de charme van de bergen dan toch ergens tussen het gedoe van daar en hier zijn?

Het verhaal van de steenman

Ik ga niet terug naar het ontstaan van het gesteente, want daar weet ik niets vanaf. Wat ik wel weet, is dat er eens een best wel grote steen onderscheiden werd van alle andere best wel grote stenen, doordat het zaadje van een roze bloem in een windvlaag precies naast hem op de grond terecht kwam. De roze bloem werd toevallig net iets groter dan de andere bloemen en trok de aandacht van een meisje.

De steenman kreeg voeten

Het meisje droeg een hoedje van katoen en een tuinbroek van spijkerstof. Ze zwenkte heen en weer over het pad, van interessante modder naar interessante kever, van bloem naar mierenhoop naar rots. Haar ouders liepen een paar meter achter haar en soms waren zij ook interessant genoeg. Maar nu zag zij een roze bloem die net wat groter was dan alle andere bloemen en liep ze er in rechte lijn naar toe. Van het pad. Haar ouders volgde haar en besloten precies daar te gaan lunchen waar het meisje was gaan zitten: op een best wel grote steen.
Ze aten stokbrood met brie en staken soms het meisje een stuk brood toe. Zij nam een hap, trok de roze bloem uit de grond, nam weer een hap en stapte van de steen. Ze liep door het gras en vond een tweede steen, best wel groot, maar net iets kleiner dan de andere. De bloem en het brood legde ze in het gras, zodat ze de handen vrij had om de tweede steen op te pakken en terug te zeulen naar haar ouders. Daar schoof ze hem op de best wel grote steen.
‘Waar is je brood?’
Het meisje liep weer weg, vond het brood en de bloem, liep terug naar haar ouders en nam plaats bovenop de twee stenen. De bloem in haar rechterhand, het brood in de linker.

De steenman kreeg benen

Een man liep uren achtereen over hetzelfde smalle pad en stelde het plassen al zeker twintig minuten uit. Hij zag op tegen het afdoen van zijn rugzak, en des temeer tegen het weer opdoen. Zijn rug was bezweet en hij wist dat zijn tas nat en koud zou zijn. Ook besefte hij zich dat zijn planning krap was: Het weer zou omslaan en de kaart gaf hem nog 500 hoogtemeters.
Maar zijn blaas dwong hem van het pad. Hij liep tot twee best wel grote opgestapelde stenen en gooide zijn tas ernaast. Een paar meter verder deed hij zijn plasje.
Het was, nu hij toch van het pad was, verleidelijk om even te gaan zitten. Hij hurkte neer op de stenen en strekte zijn benen. Net niet comfortabel. Een eind verder vond hij een best wel grote steen, maar kleiner dan de andere twee. Hij nam hem onder zijn arm, liep terug, en zette hem bovenop. Een uur later hervatte hij zijn tocht, en behaalde een nieuw persoonlijk record in aantal hoogtemeters stijgen per uur. Net voor de donderbui klopte hij aan bij de hut.

Afbeelding

De steenman kreeg een romp

‘Jo, weet jij waar we zijn?’
‘Lopen we nog goed?’
‘Ja, nee, dat vraag ik, weet ik veel.’
‘Daar dan, daar is een steenman’.
‘Nee, man, daar is geen pad’
‘Ja, maar wel een steenman’.
‘Ga er heen dan’.
….
‘Hé, ik zie het pad!’
‘Waar?’
‘Daar!’
‘Oh…’
….
‘Wacht, we maken hem even wat groter’.

De steenman kreeg een hoofd

We waren vroeg die middag terug gekomen van een hoge top en zaten aan ons derde biertje. Onze koppen waren verbrand en onze sokken stonken. Al ons resterende geld ging op aan eten. Te moe om op te staan, te moe om te blijven zitten. We spraken over steenbokken en apen, en hoe de Alpen zouden zijn wanneer de steenbokken altijd al apen waren geweest. ‘Kijk daar, daar heb je er weer eentje!’, zei vader tegen kind terwijl de aap statig uitkeek over het dal.  De waard hield ons met een schuin oog in de gaten, alsof we snode plannen smeedden. Maar daar waren wij hélemaal niet meer toe in staat. Het werd donker.
Tegen tienen besloot de waard om aan te schuiven, wij dachten om ons het lager in te schoppen.
Maar hij sprak over andere zaken. Hij sprak van een steenman in het dal, op meters van het pad. Naar verluidt mistte deze al zo’n vijf jaar een hoofd. ‘Jullie’, zei hij in het Duits, ‘jullie zijn denk ik geschikt om die arme man op te zoeken, en eindelijk eens een hoofd te geven.’

Dus dat deden wij. We wachtten op de nacht en op de ochtend, pakten onze spullen en daalden af. Eenmaal in het gras zochten we en zochten we. ‘Steenman!?’ Geen gehoor. Geen steenman.
Tot één van ons een roze bloem zag, toevallig net iets groter dan de rest, en er in rechte lijn op af liep. Wat vond hij daar: Drie best wel grote stenen en één normale steen, opgestapeld, de steenman. We plaatsten een laatste steen bovenop, liepen terug naar het pad, het dal in, en naar huis.

Ik weet niets van het ontstaan van het gesteente, maar ik weet wel waaruit de steenman bestaat: Uit een verhaal.

Als het niet klopt

Er staat een meisje te wachten bij een bankje aan de straat. Ze staat er al een tijd, haar haren bruin en ogen nog bruiner. Voor jou. Haar schoenen gekozen. Voor jou.

Je bent vroeg vertrokken van huis maar hebt de afstand onderschat. Nu denk je, zal ze er nog staan? Hoe hard zal je moeten fietsen?
Je hebt muziek op. Muziek die je vader draaide in de studeerkamer en verstoord werd door jou kloppen. Of muziek die je opving in de winkel en krampachtig probeerde te onthouden. Door deze muziek alleen ben jij de hoofdpersoon. Je leven wordt een verhaal. Van hoger zie je jezelf om de hoek rijden, langs de groenteboer, langs de speeltuin, langs de flats en de bossen. Over een brug en onder een brug, de hele tijd op weg.

Ze zal je de fiets laten neerzetten en bij de hand pakken. Ze zal je zachtjes meetrekken over de straten en laten zien wat haar zo boeit. Haar stevige schoenen brengen jullie overal. Ze zal je wijzen op de zon en het gras en alles dat je al kent. Door haar zal je de kleding uittrekken en in het water springen. Door haar zal je midden op de straat liggen, ogen dicht. Door haar zal je slaap vatten als het koud is, en kou vatten als je niet weet waar ze is.

Maar nu, nu trap je zo hard en maak je zoveel vaart, dat je niet weet of je het kunt houden. Dat je weet dat je het niet kunt houden. Dat je niet kunt uitwijken als de auto blijft rijden. Dat je niet kunt bijsturen als de weg door een bocht loopt. Dat je niet kunt remmen als een sloot voor je opdoemt. Dat je valt, dat je bloed of dat je zwemt.

Het meisje zal wachten, maar uiteindelijk lopen. Alleen.

Terwijl je muziek nu nog draait en je jezelf nog ziet fietsen, terwijl je het mis ziet gaan, weet je één ding zeker: Dit verhaal klopt niet. Ik zit in het verkeerde verhaal.

Je zit in het verkeerde verhaal.

Het probleem van een boom

Als ik een boom teken, dan weet ik nooit zo goed wat ik met de blaadjes moet doen. Het zijn er namelijk zoveel. Als ik begin met één mooi blaadje, dan moet ik zo honderd mooie blaadjes tekenen. Mijn broer loste het wel eens op door allemaal krullen te tekenen, maar zijn boom toonde toch minder gelijkenis met een echte boom.
Ik  zou ook een winterboom kunnen tekenen, maar dan krijg ik een probleem met de takken. Want mijn takken beginnen altijd aan de verkeerde stam, en lopen heel vreemd over andere takken heen, of erdoorheen. Soms zijn ze te recht en soms veel te lang en dun, dat ik zeker weet dat zo’n tak in het echt allang  afgebroken zou zijn. Eigenlijk heb ik zo’n probleem ook met de wortels. Wanneer gaat een wortel de grond in?
Ik kan ook een boom tekenen door alleen de contouren te volgen. Maar ik moet dan,  om de boom minder een Hoofddorpboom te maken, nerven in de stam tekenen, want die maken de boom oud, levend en vriendelijk. Zo’n lievelingsboom in het bos, precies de boom die ik in gedachte heb als ik besluit een boom te tekenen. Het probleem is dan dat ik de rest van bos ook op de tekening moet zetten. En dan kan ik net zo goed honderd mooie blaadjes tekenen.

Eigenlijk ligt het probleem niet bij de blaadjes. En ook niet bij de takken, bij de wortels of bij de nerven van de boom. Ik moet helemaal geen boom willen tekenen.

Ik moet erin klimmen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Biertje

Ik stuur mijn ouders naar Ailefroide dit jaar. Ze gaan wandelen. Mijn vader gaat foto’s maken van gesteenten, zijn studie heeft zich een weg naar het heden gebaand.  In mijn gedachte waren het altijd de bloemetjes die de stoet ophielden, maar nu worden het dus de steentjes. Mijn moeder gaat een boekje lezen en weigeren stijgijzers te dragen.

Vooraf aan een tocht dwongen ze ons de voeten in te tapen. We kregen zonnebrand op onze neuzen en in onze nekken. Het begin van elke vakantie zocht ik een stok die niet van mijn zijde mocht wijken, hoe hinderlijk het ding ook zou worden.  Ik stopte stapels stenen in mijn rugzak, omdat die van die glimmertjes hadden. Ik liep achter mijn zus aan, in een windvlaag zweefde zij omhoog. Of ik bleef hangen bij mijn moeder. Ze droeg het stokbrood, de kaas en de jam, de jassen, de zonnebrillen en alles dat ons veilig hield. Mijn vader droeg het kompas en de kaarten, de hoogtemeter en boeken met plantjes en bloemetjes. Jaap stapte rustig naar boven.

Altijd de bossen eerst, en dan het lichtgroene, en dan de stenen met sneeuwvelden, tenzij we niet hoog genoeg gingen. Soms verlieten we het pad om iets dat de belofte op een uitzicht deed mee te pakken, of om op de foto te gaan met koeien. Mijn vader hoorde marmotten en wees in de verte, waar ik ze niet kon onderscheiden van het landschap. Of hij wees op – natuurlijk – een bloemetje, dat ik net zo mooi vond als de andere bloementjes, maar schijnbaar de verwijzing waard was. We liepen en rustten en liepen en rustten.

IMG_5684(1)wm

De toppen waren koud. In mijn herinnering zijn ze onlosmakelijk verbonden met het beeld van mijn moeder die de jassen uit haar rugzak haalt.

Maar de hut was een feest en zou altijd een feest blijven. Iedereen die ons op de heenweg had ingehaald zat daar al, en iedereen die wij hadden ingehaald zagen we neerploffen: Eerst de tassen af, met een zucht, en dan pas een blik naar de omgeving. We deden onze schoenen uit en bekeken de schade, die dwars door het tape heen ontstaan was. Ik hoorde Duits en Frans en Engels. Mijn vader en moeder namen een biertje en wij drie een cola, waarvoor we nauwelijks het geduld hadden, omdat we over de rotsen rondom de hut wilden banjeren.

Na afloop van een tocht bleken we toch te zijn verbrand. We hadden witte sokken zonder onze sokken te dragen. Suus haar armbandjes stonden in haar huid gegrift, Jaap had de print van een horloge.

Ik ben al in Ailefroide wanneer mijn vader en moeder daar aankomen. Ik weet niet of ik met alle alpineplannen lange tochten met hen kan maken, maar op zijn minst wil ik één wandeling. Het maakt me niet uit waarheen, als we maar eerst door het bos lopen, en dan door het lichtgroen, en dan door de stenen met sneeuwvelden. Ik denk niet dat mijn moeder mijn jas gaat dragen, en ook zeker niet gaat mijn vader de kaarten in zijn rugtas verbergen. Maar ik ga wel met ze neerploffen bij de hut. En dit keer drink ik een biertje met hen mee.

Routes

Ik wilde een 7a intikken. Nu wil ik dat niet meer. Ik kan slecht formuleren waarom, maar ik ben moe van het niveaugebeuren. Ik wil er niet meer de nadruk op leggen, ik voel dat het de reden waarom ik klim verdringt. Ik wil mijn klimmen reduceren tot mij en de route, of opblazen tot mijn mentaal en fysiek, de vrienden, de mooie lijn, de natuur, avontuur, daadkracht enzovoort.
Maar ik wil daar geen prestatieladder doorheen hebben lopen. Ik heb tien jaar lang op het hockeyveld (gedacht te) moeten presteren en precies daarom gefaald. Ik hoef me niet meer op dat terrein te begeven. Klimmen heeft de krachtige magie me volledig op te nemen om precies die activiteit die het is. Het sociale construct van klimniveau is misschien leuk als competitieve hobby ernaast, handig bij de verwijzing in een hal en interessant als vage richtlijn voor de training.  Niets meer dan dat.

Sinds ik dit alles heb vastgesteld moet ik er een aantal denkgewoontes uitrammen.  Het checken van de kaartjes van wat iemand klimt, bijvoorbeeld. Mijn gevoel van fitheid op een avond op voorhand correleren aan een potentieel klimniveau. Niet meer vragen: Wat klim je? Niet meer reageren in termen van 5a, 7c, 28x.
Als ik trots ben op een route, wil ik trots zijn op mijn eigen fysieke prestatie, en niet mijn prestatie op schaal. Het is lastig om mijn blijdschap op die manier te ontleden, maar ik denk dat het uiteindelijk meer oplevert dan welk ‘intikken van 7a’ dan ook.

‘Mam, zullen we de K2 opfietsen?’

Het zal niet de eerste keer zijn dat ik mijn moeder een ingrijpend voorstel doe. De laatste keer vroeg ik haar of ze samen met mij een huis in de Alpen wilde bouwen. Ik wacht nog steeds op een antwoord.

Maar nu, dit voorstel is iets anders van karakter. Mijn moeder is niet vies van een uitdaging, maar ik twijfel of ze de aard van de K2 kent, en wanneer ik haar inlicht is haar deelname, schat ik in, vrij onwaarschijnlijk.
Ik moet zeggen dat ik zelf ook mijn twijfels heb. De haalbaarheid van het voorstel hangt volledig af van de interpretatie ervan. De volgende drie opties kunnen worden onderscheiden:

1. De K2 opfietsen: We beginnen onderaan en fietsen het hele traject naar boven.
2. De K2 opfietsen: We gaan naar de voet van de K2, zoeken een zeer licht overhellend stuk, en fietsen daar een meter of twee naar boven.
3. De K2 op fietsen: We stappen een meter van de top op de fiets en fietsen de K2 op.

De gehele K2 opfietsen lijkt me een hachelijke onderneming, waarin komende jaren waarschijnlijk niemand zal slagen. Misschien heeft de wielercult al een tak van sport ontwikkeld die mountainbikers over besneeuwde paden laat crossen, maar ik twijfel of ze rotsplaten en ijswandjes in het repertoire hebben. Dat zou een hoop technische vooruitgang met betrekking tot dikke banden en stijgijzer-pickelsystemen vergen, en van zoiets heb ik nog niet gehoord. Daarbij, high altitude biking als sport lijkt me een magere aanhang hebben, maar misschien ben ik niet op de hoogte. In elk geval, zelfs niet in het meest optimistische scenario gaat het mijn moeder en mij lukken om de gehele K2 op te fietsen.

De K2 opfietsen zou de meest haalbare optie zijn, maar het karakter van het avontuur gaat daarmee drastisch verloren. Immers, wat heeft de K2 dan nog met de uitdaging te maken, naast het zijn van een geografische locatie? De uitdaging zou in dat geval in het opfietsen moeten liggen, maar mijn moeder en ik fietsen dagelijks al zoveel op. Bruggen, bijvoorbeeld. Sterker nog, we zouden een A4tje op de grond kunnen leggen en daarop kunnen fietsen. K2, A4, wat is het verschil.

Nee, onze kansen liggen bij de laatste optie: De K2 op fietsen. Zo vermijden we het hachelijke stuk van de 8610 meterlange cruise omhoog, maar houden we wel de uitdaging intact. Geheel vrij van problemen is deze benadering echter niet: Hoe krijgen we immers de fietsen omhoog, op een meter van de top? En niet te vergeten onszelf?

Ik sta voor een grote uitdaging.

Allereerst moet ik mijn moeder enthousiasmeren. Ik ben een optimist en heb groot vertrouwen in mijn moeders avontuurlijk hart, maar verwacht geen direct – ‘Tuurlijk, Liefie’ op de vraag  – ‘Mam, zullen we de K2 opfietsen?’
En ten tweede, de logistiek achter de onderneming valt niet eenvoudig uit te werken. Elke stap zal beroep doen op een uitzonderlijk niveau van denken in mogelijkheden. Zorgelijk – maar ik ga de uitdaging aan.

(met dank aan Marjette)

Aan de Wandel

Juni. Een maand, zo blijkt, om vrij in te vullen.

Ik heb mijn studie alweer verpest, dus begin juli moet ik terug naar Amsterdam voor een herkansing. Misschien geen groot kwaad, in een periode van drie maanden waarin ik mijn huishouden en vuile was op mijn rug meedraag.

Normaal wil ik alles, en kan niets. Nu wil ik nog steeds alles, maar blijkt dat ik geen idee heb wat dat alles allemaal is. Want de wereld van avontuur is immens groot en eigenlijk wil ik geen keuzes maken. Misschien trek ik mijn D-schoenen aan en wacht ik tot ze aan de wandel gaan.

Wat betreft bergbeklimmen is het in elk geval problematisch dat ik boeken lees van allerlei überalpinisten die me inspireren tot beklimmingen ver boven mijn niveau. De Pied-a-Terre heeft me nog niet kunnen voorzien van avonturenromans met lulhannisje in opleiding als hoofdpersoon (Deel III: Het tragische verlies van stijgijzer tijdens eerste PD+).
De routes die ik ken lopen over de Grande Jorrasses, Eiger en Annapurna. Toch mis ik de ballen van een jonge Kirkpatrick om me op een willekeurig flank omhoog te artieffen, en de Himalaya lijkt me fantastisch – maar daar ga ik pas aan wanneer ik besloten heb hoe dierbaar mijn tenen me zijn.

Ik moet overigens een ontdekking delen, waarschijnlijk bij elke klimmer al jaren bekend, maar op Google Earth kun je dus elke berg en elke route zien. Hij stribbelt een beetje tegen en geeft vaak een aanzienlijke omweg, maar ik heb routes ingeplant van Mont Blanc naar Piz Bernina, en Everest naar  K2, en zelfs van Mont Blanc naar Everest en Piz Bernina naar K2. Ik zou een rondje kunnen maken: Mont Blanc-K2-Everest-Piz Bernina. Geloof me, dan heb je echt een mooie avond.

In elk geval dobber ik rond een klimniveau waar ik dus niet over gelezen heb en dat ik wat betreft berginhoud barslecht ken. Ik ben weinig kritisch, omdat ik nagenoeg de hele Alpen nog te ontdekken heb.
Beperkingen in termen van ‘losse zooi’, ‘kuttoeristen’, ‘totaal afgelegen’ en ‘immer kloteweer’ ken ik nog niet. Wanneer een hut onbetaalbaar blijkt en de waard een paffende hondenlul, dan kom ik daar ter plekke achter. Ik moet het allemaal nog ervaren en mijn criteria kunnen vooralsnog niet vager; ‘Vette Shit’ (nader te definiëren als…?) met uitzicht op bergen.

Daarbij, de bergen zijn niet alles.

Fontaine Bleau, dat hele sprookje is me onbekend.

Ik heb nog nooit een fatsoenlijke multipitch gedaan, met zoveel lengtes dat ik ervoor op moest staan. Calanques?

Deep Water Solo. Lijkt me doodeng, vooral de gedachte aan witte plezierbootjes onder de crux, maar: het angstzweet wordt er toch weer afgespoeld.

Marokko, moet ik niet naar Marokko? Zei niet iemand dat?

Lake District! Lake District!

Een eenzame week in een wandelgebied, met een brander, een boekje, en een extra pen voor als de eerste leeg is. Een reis, een echte reis ergens heen. Fietsen, van Amsterdam naar Parijs, door heel Oost-Europa, met mijn moeder over de afsluitdijk. De mogelijkheden zijn belachelijk en verlammen mijn kiesvermogen, in zoverre dat het me eigenlijk worst zal wezen. Waarschijnlijk hangt alles af van geld, logistiek en klimbuddies, maar die gedachte is niet zo romantisch.

Dus: Ik trek mijn D-schoenen aan en wacht tot ze aan de wandel gaan. Zolang ik maar de eerste week van juli thuis ben om die herkansing te maken.

De Mug

Vroeger liet ik ’s nachts mijn raam open, maar toen ik in de Pijp kwam wonen leerde ik die gewoonte af. Er was altijd een dronkenman op straat die liederen zong met de bakstenen van mijn huis. Ruzies ontstaan in het café tegenover werden tot ver na middernacht uitgesproken. Auto’s bleven komen en gaan en ik vroeg me af waarheen, welke afstand binnen Amsterdam niet te fietsen viel. Het was altijd lawaai.
Hier op Siboga heerst rust. Nu het buiten warm is schuif ik mijn ramen open voor ik onder de dekens kruip en hoor ik hoogstens het gedender van een trein in de verte.

En het gewapper van een mug.

Eerst op afstand, nauwelijks te onderscheiden van stilte, en dan dichterbij. Ik voel een windvlaag langs mijn gezicht en de landing van vier minipootjes op mijn wang. Ik schud mijn hoofd om de mug af te schrikken. Het is weer stil.

Net wanneer mijn gedachtes door elkaar gaan lopen hoor ik het gewapper weer. Ik maai een aantal keer wild in de lucht om het beest knock-out te slaan, en weer is het stil.

Wapper wapper.
Ik krijg jeuk bij mijn elleboog en handpalm, en later op mijn pols. Wanneer heeft de mug mij gestoken? Ik voel agressie opkomen. Wat een achterbakse miniwezen, een beetje slinkse aanvallen plannen wanneer ik slaap vat? – ik pak je, mug, ik pak je.

Maar weegt het zorgvuldig beëindigen van zijn bestaan op tegen de comfort van het huidige doezelen; kan ik de mug negeren? Na een uur in halfbewuste toestand van ergernis en jeuk knip ik mijn licht aan, schuif mezelf rechtop in bed en zet me schrap met een dodelijk tijdschrift in mijn rechterhand.

Ik zie het beest op de muur.
Vijf centimeter ernaast zie ik zijn vriend.
Ik hoor het gezoem van een derde. Oh, dus zo werken jullie. Ik vraag me af of ik mijn huisgenootjes op moet trommelen om een gelijke strijd aan te gaan. Ik ben klaarwakker en haarscherp, maar na een eerste zwiep met het tijdschrift vluchten de muggen en zie ik ze niet meer terug. Ik sluit mijn raam, knip mijn licht uit en kruip met kop en al onder de deken.

De volgende morgen strompel ik mijn kamer uit, de armen jeukend over elkaar geslagen, en tref mijn bloedchagrijnige huisgenoot. ‘Raam open gehad?’

Muggen. De rust op Siboga is betrekkelijk.