Latest Posts

Verandering

Ooh bergen, stomme bergen, ik heb jullie nodig want mijn perspectief is aan gort. De verandering die zich altijd stiekem in mijn wereld heeft verscholen toont zich plotseling met overgave. Mensen verdwijnen op alle mogelijke manieren, ik verdwijn zelf. We hebben ons leven massaal te dicht bij de kaars gezet en zijn te bedwelmd om erop te kunnen reflecteren. Ik althans.
Bij jullie was er niets dat kon veranderen. Ik mis dat. Geef me alleen de diepte. Of alleen de hoogte. Laat me even wat lucht inademen. Toon me de kleuren in een flits. Laat jullie geluiden klinken, die van de wind of het water of mijn voeten in een ritme op jullie bodem. Geef me alleen dat gevoel van bij jullie in de buurt zijn, want als dat door mijn lichaam stroomt is er geen sprake meer van perspectief. Dan maakt het ook niet uit dat ‘t nu aan gort is.

Ziekenhuizen en Alpine Plannen

Ik ben er nog steeds niet vanaf. Mijn bil is op wat gêne na genezen en mijn hoofd denkt zoals het altijd heeft gedaan. Maar mijn enkel weigert dienst.
In de pees van mijn enkel zit een scheurtje. Dat scheurtje kan gehecht worden. Ik ben gewend om antwoorden van artsen te krijgen, maar ze stellen me vragen. Hoeveel last heb je? Zou je er mee kunnen leven?

De operatie gapt zes maanden van dit jaar. Gips, loopgips, revalidatie. Daarvoor een wachttijd van drie tot zes maanden.
Gisteren besloot ik definitief naar Grenoble te gaan vanwege haar ligging tussen de bergen. Misschien verleg ik mijn passie van het beklimmen naar het afbeelden van de toppen. Vraag ik iemand een kruk en een ezel naar een heide te dragen, klim ik zelf op een muildier, penselen in mijn tas.

Hoeveel last heb je? Zou je er mee kunnen leven?

Ik heb lang geleden geleerd flexibel te zijn. Om mijn geluk af te stemmen op alle mogelijke kaders. Kimberley vertelde me hoe veranderlijk kaders zijn, die van de wereld, die van ons denken, alles altijd in beweging. Ik concludeerde dat ik meester in anticiperen moest worden en van mijn geluk een elastiek moest maken. Ik zou inmiddels met veel ‘kunnen leven’. Zowel met een enkel in huidige staat, als met een tergend traject van nagenoeg een jaar. Die laatste vraag is de vraag niet.
Hoeveel last heb ik? Op een schaal van 1 tot 10: weet ik veel. Kan ik doen wat ik wil doen? Eerlijk waar, geen idee.

Tot voor kort was mijn lichaam immer in staat tot genezing, al dan niet met hulp van fysiotherapeuten of gips . Ik heb nooit een ander eindpunt gehad. Verkoudheden gaan over, botbreuken helen, pukkels verdwijnen (ik ben een geluksvogel met een luxeprobleem). Het idee van ‘genoegen nemen met minder’ is me vreemd, wat betreft mijn fysieke functioneren. Ongefixt rondlopen kan geen eindstadium zijn. Nu wordt dit me wel voorgelegd.

Het enige wat ik dacht tijdens het gesprek met de arts was: Dude, ik wil gewoon dat die shit het doet. Als mijn moeder erbij was geweest, had ze dat in nette verwoordingen kunnen uitleggen. Het enige dat ik deed was lief knikken en zeggen dat ik er twee weken over na zou denken.

Nu zit ik thuis en denk ik na. Last, wat is last? Ik kan pijnvrij een dag draaien. Ik kan hardlopen; eerst een beetje door de pijn heen, dan gaat het prima, volgende ochtend is de enkel wat dikker, gevoeliger. Boulderen gaat, maar vertaalt zich ook naar de ochtend. Een lange dag in de horeca, idem. Het gaat, alles gaat, maar ik wantrouw het branden van mijn enkel als ik ‘s avonds in bed lig, en ik wantrouw de pijnscheut als ik roekeloos een trap af ren. Wat met ijsklimmen, trailrunnen en voorklimvallen? Wat met de Traverse van de Aillefroide of Sialouze, de herkansing van de Aigneaux, de Migot op de Chardonnet, die stomme Mt. Blanc eindelijk eens, de Biancograat of de Traverse van de K2 naar de Everest? Hoe kan ik de komende twee weken inschatten of ik teveel ‘last’ heb voor de bergen?

Een klein pijntje kan een hel worden tijdens een alpine tocht. Het kan ook verdwijnen.

Kansberekening?

Mijn hele zomerseizoen is naar de klote als ik over drie maanden voor een operatie ingepland wordt.
Mijn zomer- en winterseizoen is naar de klote als tijdens de zomer blijkt dat ik de operatie toch nodig heb.
Niets is naar de klote als mijn enkel niet zo erg naar de klote blijkt te zijn.

Is mijn enkel naar de klote?

Komende twee weken ga ik de bergen simuleren. Ik moet ergens op en af rennen, ergens mijn stijgijzers in zetten, ergens die pees twaalf uur achtereen belasten. Onderwijl heb ik genoeg tijd om aan beide scenario’s een positieve draai te geven. Met de operatie in gedachten zal ik googelen naar de huurprijs van een muilezel en fantaseren hoe ik in een enkele zomer uitgroei tot een befaamde portretschilder van bergmassieven. Mocht ik niet voor de operatie kiezen, dan zal ik floreren als een bom van optimisme, als vertegenwoordiger van de kracht van de gebroken pees. Mijn geluk is een elastiekje.

Winter in de Mas

-met Jeroen, Lieke, Fieke, Kim, Roel en Ruby

De ochtenden in de Ardeche waren koud. Een enkele vroege uitstap toonde het vorst op de auto’s en onze adem in de lucht. Meestal gingen we niet vroeg op pad. We sliepen en ontwaakten naar wens van onze lichamen. Dan scheen de zon al zo fel dat we ons realiseerden hoe krachteloos ze was geworden gedurende de maanden in Nederland. We ontbeten met croissantjes, koffie en thee, stokbrood, kaas, yoghurt, muesli en ananas.
De avonden waren ook koud. Voordat het huis onze warmte vasthield zaten we onder donsjassen en dekens of vlakbij het haardvuur. We aten pasta met kastanjes of zalm en spinazie, ravioli met pittige tomatensaus, curry met rijst. We lazen of spraken, rookten of dronken, tikte vertraagde essays en keken een film. Dikke sokken aan onze voeten.
In de middagzon was het warm. Soms zo warm dat onze hemden en broeken als teveel voelden. ’s Nachts was de temperatuur afhankelijk van ons slapen en onze gedachten. De vogels die snel slaap vatten hadden nergens last van. Diegene die geteisterd werden door verwerking of verandering probeerden dwangmatig elk ledemaat onder de dekens te houden.

Mas des Oiseaux

Mas des Oisaux. Zo heet het huisje waarin we onze winterpauze hielden. Ontwaken na een heenreis richting het onbekende, volbracht in het donker, is altijd memorabel. Alsof het gebied losstaat van de afstand die is afgelegd; lange kilometers voor Roel, WC’s en benzinelucht. Nee, iemand had ons in de kraag gepakt en gedurende een moment van gesloten ogen in de lichte, geelgroene omgeving van Zuid-Frankrijk gezet. De bosjes prikten en de bomen droegen amandelen. Het land was heuvelachtig en het gras was droog. Een paar stappen uit de schaduw van de opgeknapte ruïne gaf de zon voldoende kans om ons stadswezen te laten verdampen. Ze drukte tegen onze oogleden en maakte ons tegelijk licht als veertjes.
Eigen VogelhuisOveral in de omgeving lagen ruïnes. Kleine en grote, vervallen en begroeid, sommigen opgeknapt als die van Roel zijn familie. Grote beige stenen en rechthoekige vormen, vriendelijke verjaarde onderkomens, net als de prikbosjes en de amandelbomen en het geelgroene kleurenpalet. De eerste dagen reden we langs een klein stenen gebouwtje dat opgeslokt werd door een boom. Het begin van een sprookje, het liet me de rest van de week niet meer los.

De Mercedes van de ouders van Roel werd de zevende man van ons gezelschap. Hij reed zelf. Trillende stoeltjes als de strepen werden overschreden, gepiep als de voorganger naderde, verwarmde billen als het koud was, knopjes als de verveling toesloeg. We klommen op verschillende locaties langs de rivier, op minstens een halfuur rijden van Mas des Oiseaux.  Bochten en bochten, Franse landweggetjes naar nog meer Franse landweggetjes. Snowy kachelde er vrolijk achteraan.

Rivier

Jeroen in Chaulet

Het klimmen was prachtig, onvergetelijk, kalm. Ieder volgde zijn eigen lijn. Soms was er wat teleurstelling, andere keren euforie. Maar het geheel was weinig beladen. Alsof de zon ook dwingende gedachten van presteren of progressie verdampte. We waren misschien een keer geen apen, we waren vogeltjes en de rots was onze lucht. Het water kabbelde meters onder ons naar plekken die we niet kenden. De heuvels verdwenen achter andere heuvels. De lucht was felblauw. De dorpen van Aubenas verborgen ridders en jonkvrouwen, verhaallijnen en romantiek. Een grote brug in de avondzon. Een eindeloze oever. We hadden geen keus dan hier te zijn en te zijn en te zijn.


Aubenas

Viering van Oud en Nieuw bracht ons tijdelijk in de beschaving van Montpellier. Met Franse vrienden van Roel – Gillou en Bua – aten we Pizza in een verborgen steegje, ver van het schorem dat zich op de pleinen verzamelde. Fieke dronk Ricard, de rest dronk wijn of cola. De vierkante pizza’s vulden de tafels als een spelletje Tetris. We spraken Frans en Nederlands.
Het Nieuwjaar werd beklonken in een Irish Pub, tussen tientallen dronken nationaliteiten en jolige Ieren. We deden een kort dansje, spraken wat lieve woorden, keken verdwaasd om ons heen en besloten terug te keren naar de vogelboerderij. Een Nieuwjaarswandeling door de straten van Montpellier. Roel, Gillou en Bua verdwenen in de krochten van een Franse club, de rest klom in de Mercedes en liet zich naar huis rijden door Jeroen.

WousinboomHet dagelijks leven in de Mas had voor ieder een eigen uitwerking. Alle winterbewoners waren tijdelijk uit een betekenisvolle periode gerukt. We bespraken weinig, reflecteerden nog minder, misschien had het temaken met de zon en de stilte die ons denkvermogen verlamde en ons overliet aan de ervaring. Ik kan dus niet zeggen wat de Mas deed voor diegene die op het punt stond om zich aan te melden voor Artsen Zonder Grenzen of zich te storten op een nieuwe carrière, diegene die herstelde van Afrika of Sion, diegene die tevergeefs zocht naar een mooie baan.
Liekeklimt


Voor mijzelf betekende het verblijf nagenoeg alles.
Ik werd geconfronteerd met de reden achter elke grote beslissing die ik de afgelopen jaren had genomen.
De eeuwenoude droom naar een eigen vogelboerderij kreeg een soort proefrealiteit. De adrenaline van het stadsleven had me even laten vergeten hoe diep je kon ademen, hoe ver je kon kijken. Nu liep ik over de veranda van het oude stenen huis, langs de wilde begroeiing van de tuin van de Ardeche. Ik dacht niets, maar ik droomde alles, en wist de rest zeker.

Gillou en Bua hadden ons uitgenodigd om bij hen te komen eten. Bua wilde een eigen Thaise restaurant en kon ons gebruiken als proefkonijnen. Ze kookte plakkerige rijst die we met onze handen mochten pakken, sausjes die onze wangen liet branden, vlees en vis en groente in alle kleuren op grote schalen. Wij kwamen direct van de rots en hadden Ardeche onder onze nagels en in onze haren. We zaten tussen opa en oma, Gillou’s broer en zijn vriendin. Het jonge dochtertje Kita met de grote bruine ogen klom zo nu en dan over oma heen. Frans en Nederlands vloog over tafel en ieder ging er op eigen wijze mee om. Fieke flirtte met opa, Jeroen converseerde met Kita. Na het Thias kwam de alcohol, na de alcohol het gegiechel, na het gegiechel de lange weg terug naar huis. We hadden een avond mogen doorbrengen in het gezelschap van een ontzettend mooie Franse familie.

Oranje


In Nederland wachtte een grijze winter. Die realiteit leek lachwekkend, met name wanneer we na een lange dag klimmen terugliepen door het oranje licht van een ondergaande zon, in de auto tegen elkaar aan kropen en door de ruiten van de slingerende Mercedes duizend verschillende kleuren wolken zagen. Mas des Oiseaux, de vogelboerderij. Zaterdag vlogen Jeroen en Lieke terug naar Amsterdam, Kim en Roel naar Sion en Fieke en ik naar Grenoble. Volgend jaar vliegen we terug.

Studeren

Het nieuwe universiteitsgebouw van de Uva heeft een hoop ramen. De lijnen van de muren en de trappen en de daken zijn allen recht. Als de zon schijnt en je zo’n mooie wintermiddag door het gebouw dwaalt, stap je opeens het licht in. Soms lang genoeg om ervan doordrongen te raken. Je knijpt je ogen samen, ziet even niets, voelt alleen duizend dromen zacht ontwaken.
Ik was zojuist even tussen de bergen. Kroop mijn tent uit omdat ik voelde dat er buiten iets gaande was. Koele lucht raakte alle plekken die mijn slaapzak warm had gehouden. De zon bewoog omhoog, achter rijen pieken vandaan, ze zei ‘zie me, Ruby’. En ik kon niet anders, want in korte tijd was ze overal.

22 jaar emotie

Ik heb nog veel niet gevoeld.

Geen verlies en geen rouw. Mijn opa’s kende ik niet of nauwelijks, mijn oma’s hadden een lang leven.

Ik ben nog nooit wanhopig geweest. Er waren altijd uitwegen.

Ik ken paniek van mijn val, blinde paniek, een totaal irrationele toestand. Dus die kan ik afstrepen.
Maar het vallen ging te snel om bang te zijn, bang moet ik nog worden. Alpine zal me wel helpen. Al denk ik dat bergen niet half zo eng zijn als mensen.

Een mens met kwade bedoelingen.

Door de val weet ik hoe het is om de zorg voor mezelf uit handen te moeten geven. Misschien voelde ik me bijna machteloos, maar slechts het beginnetje ervan. Machteloosheid in ziekte, nee. Machteloosheid in relatie tot mensen waar ik van houd, die ken ik wel een beetje, maar tegen de tijd dat ik kinderen heb zal  ik – denk ik – pas inzien hoever machteloosheid kan reiken. Dan pas zal ik weten wat verantwoordelijkheid is, en zorg, en ook angst. God verhoede verlies en rouw.
Maar ook zal ik weten hoe het is om wel die zorg te voelen. Die liefde. Die verantwoordelijkheid. Ik zal een totaal ander begrip van trots krijgen.

Maar ik sla stappen over. Ik ben nog nooit verliefd geweest – als ik de perikelen in mijn puberteit daar mag laten. Ik begrijp relaties door in een wereld te leven waarin het nagenoeg het  hoogste doel is; elke film, elk boek, elke dag. Maar in feite is het een concept waar ik geen enkele notie van heb.

Ik ken geen eenzaamheid. Lyon zal me er les in geven. Ik heb gemist, tot op zekere hoogte. Weer is daar Lyon.

Ik weet niet hoe het is om fundamenteel niet begrepen te worden, of niet geaccepteerd te worden op basis van zaken waar ik niets aan kan doen. En ook niet hoe het is om te falen met grote consequenties, of mensen onherstelbaar teleur te stellen. Ik ben nog niet geconfronteerd met expliciet onrecht of leed, en ik weet niet onder welke noemer de emotie die zoiets opwekt valt, maar ik kijk er weinig naar uit.

Honger, nee. Afwijzing, ja. Ondraagbare pijn, nee. Vriendschap, ja. Uitzichtloos, machtig, vernederd, nee. Getresst, misplaatst, verward, gelukkig: ja. Schuld, als in, écht schuld, nee. Spijt ban ik uit. Enzovoort.

Ik vind het een intrigerend idee dat ik veel van deze emoties, en nog zoveel andere, complexer, of zo onbekend voor mij dat ik ze niet eens kan indenken, op een zeker moment zal ervaren. Nog veel vreemder vind ik het idee dat de manier waarop ik mezelf nu in gedachten heb, het wezen, het construct, ontstaan is buiten al het bovenstaande om; maar dat ik al die emoties niet alvast kan incalculeren.

Pas op die momenten dat ze me overkomen, zullen ze me vormen.

Aan de ene kant voel ik me een onbenul zonder levenservaring, alhoewel ik misschien mijn basis aan ervaringen onderschat. Aan de andere kant voel ik me een geluksvogel die op een zeker moment haar vleugels zal verliezen. Maar het meest nog voel ik nieuwsgierigheid naar het mens dat ik zal worden – over vijf jaar, tien jaar, of vijftig jaar.

Ongefundeerd

Er zijn wel duizend redenen voor elke keuze die je maakt. Mooie en lelijke redenen, vergezochte en relevante redenen, goede en verkeerde redenen. En je maakt duizenden keuzes; ook die zijn mooi en lelijk, vergezocht en relevant, goed en verkeerd. Het verhaal dat je leven opmaakt bestaat uit duizenden keuzes maal duizenden redenen, en geeft zo een miljoenenmaal mogelijkheid om er een sprookje, dan wel een hel in te lezen. Structuur of chaos. Romantiek of willekeur.

In de ‘hoezo ga je naar Lyon…?’ fase zie ik het spectrum van redenen zich kleuren bij elk gesprek dat ik voer. Soms zeg ik ‘de bergen, kijk die dingen, ik kan niet anders’, andere keren zeg ik dat ik de keuze ooit gemaakt heb en de reden slechts daarin besloten ligt.
Ik vertel mensen van mijn eerdere willekeurige gang naar steden. Rotterdam, Amsterdam, beide ongefundeerd. Terwijl ik praat zie ik dan een levensloop voor me; van stad naar stad, ingegeven als door een hogere macht, nu Lyon, straks Beijing, dan Los Angeles en daarna Rome.
Of ik vertel ze van de twee massieven, aan de ene kant Chamonix, en aan de andere kant de Écrins. Ik teken beiden in de lucht en wijs naar Grenoble en Lyon, en dan omschrijf ik de keuzestrijd die afgelopen zomer plaatsvond. Ik vertel ze van mijn stop in Grenoble, na een treinreis van zes uur aan één. Op een late, warme avond, toen duizend zielen  zich druk om me heen bewogen en het gewicht van mijn tas door mijn rug probeerde te breken. Toen ik honger en het warm had, het meisje van de ticketservice arrogant was en ik de vertrekplaats van mijn bus niet kon vinden.
Of ik vertel ze van het tijdschrift dat ik op de camping vond, uit 1997. Lyon et les Alpes was het coveritem.
Of ik vertel ze van het grote Franse landhuis met kippen, moestuin en herbergplan en omschrijf Lyon als een tussenstap, omdat ik nog niet klaar ben om de stad achter me te laten, maar wel het gevoel heb dat ik stappen maak in mijn grote droom.
Of ik vertel ze dat ik Frans wil leren, misschien een jaar lang, zodat ik uiteindelijk een Franstalige master kan volgen.
Of ik vertel ze dat Nederland plat is, en het hier regent.
Of ik vertel ze dat ik nooit heb gedacht aan een toekomst in Nederland en geen idee zou hebben wat ik hier zou moeten doen. Een master en dan de koers van het geen-baan-vinden volgen. Settelen en mijn tijd uitzitten. Ik vind niets zo beangstigend als dat.

Er zijn mooie en lelijke, vergezochte en relevante, goede en verkeerde redenen voor mijn vertrek naar Lyon.
Lyon is een keuze tussen mooie en lelijke, vergezochte en relevante, goede en verkeerde keuzes.
Maar ik ga. Zij het een sprookje of een hel, structuur of chaos, romantiek of willekeur.

Doe voorzichtig

Ik schrijf niet zoveel op het moment. Dat komt omdat elk onderwerp dat ik aansnijd, telkens leidt tot allerlei zware kwesties. Wie ben ik en wat doe ik en wat zou ik moeten doen. Mijn nu zit tijdelijk verweven in de problematiek van een heel leven, maar alleen  omdat mijn denken in een bepaalde modus is gesprongen. Voor mij is het vermakelijk, de stukken die ik schrijf lijden eronder.

Modus Lyon. Het was eerst tamelijk onschuldig, meer als een traag naderende droom, zo traag dat ik hem niet kon zien bewegen. Als ik nu een nieuwe jaaragenda zou kopen, zou de verhuizing op een van de eerste pagina’s komen. Ik schrok me de pleuris toen mijn baas laatst zei ‘dus je neemt ontslag’, als reactie op de vage uiteenzetting van mijn plannen aan het eind van een werkdag. Ik krabbelde nog wat terug, zei dat ik niet zeker wist of ik mijn bachelor wel zou halen en dus weg kon gaan. Op weg naar huis was ik overstuur.

Naarmate de winter vordert zullen dat soort concrete zaken steeds meer op poppen. Ik moet er even aan wennen. De transitie van Lyon als plan, naar Lyon als realiteit voelt alsof ik een mannetje in mijn hoofd heb gecreëerd, dat nu via mijn oren naar buiten is gekropen en volstrekt autonoom mijn leven aan het bewerken is. Hé jij daar, wil ik roepen, doe je voorzichtig?

Maar het is oké. Het maakt me een waarderend wezen, elke stap die ik zet door de straten van Amsterdam is van goud. Ik ben een affectiespons, ik slurp vriendschappelijke momenten op alsof ik er van moet leven. Ik heb een passie voor het nu. Alhoewel mijn gedachten als een bok verspringen tussen duizend levenskwesties, ben ik meer zenmonnik dan ooit.  Ik wou dat ik een bandopname kon maken van al dat zich afspeelt in mijn hoofd, want het zou productieve materie zijn voor een ‘ik’ dat er niet middenin zit.

Nog om en nabij drie maanden. In december rond ik drie vakken af, draai ik wat feestdagen, hoop ik een week in een warm land te klimmen en neem ik een eerste kijk in de stad van mijn toekomst. In januari volg ik het laatste vak van mijn bachelor en zullen al die concrete zaken aan de orde van de dag zijn. In februari vlieg ik uit.

Regenbroek

Ik sta in de metro, met vingers geklemd om de paal. Boven en onder grijpen andere handen. Het is spits en het ruikt naar natte mens. De pijpen van mijn regenbroek slepen over de grond als ik mijn balans zoek tussen andermans voetstappen. We staan te dicht op elkaar. Ik zie poriën en ongemak, trek me terug in mijn sjaal.

Het naderen van 2015 brengt me buiten mezelf. Telkens op een klein afstandje, nu in de metro, straks op het perron, dan weer in de collegezaal. Lyon ligt stil in mijn toekomst. Ik klamp me vast aan momenten die elkaar willekeurig opvolgen, het ene na het andere. Het Amsterdamse tegoed wordt schaarser met de dag.
Ik houd zoveel van mijn vrienden dat ik me afvraag of ik niet juist afstand moet nemen, in plaats van het krampachtig waarderen dat ik nu doe. Ik twijfel of ik mijn familie zo ver wil hebben.

Nu juist heb ik het zijn in de bergen nodig om te bepalen wat belangrijk voor me is. Om hun me te laten realiseren dat zìj belangrijk voor me zijn. Het lukt me om me tussen hun flanken te fantaseren, maar dat levert me vooral begrip op, geen steun. Ik snap hoe ik me daar voelde, maar ik voel het nu niet. Ik zou er eigenlijk voor een paar dagen heen moeten, de zon zien zakken achter één of ander massief.

Het is donker en de regen maakt de straten glimmend, en de passanten, en mijn regenbroek. Ik trek hem uit. Ik wil niet dat de pijpen nog langer over de grond slepen. Mensen fietsen voorbij, ze kijken terwijl ik mijn schoenen weer aantrek. De professor noemt het later ‘de eerste echte herfstdag’ in een lofrede over onze opkomst. Die vergeet ik niet meer.

De zomer was een bevestiging. Ik liep door de velden aan de overkant van La Meije, Goethe achter me aan. Het is een van de herinneringen waar ik mijn keuze op baseer.
Maar het definitieve plan legt de hunkering lam, die al drie jaar mijn constante stadse metgezel is. De bergen hebben gewonnen, Amsterdam heeft verloren. Nu het spel over is komt alles feitelijk over en zijn de bergen even uit gratie voor wat ze aanrichten. Sympathie voor het verliezende team.

Na college loop ik naar huis.

Kapitein

Het flitst en het dondert. Ik loop heen en weer achter de bar van Monk en zie het resultaat van noodweer binnendruppelen. Kleurrijke maar zeiknatte figuren, alles behalve verslagen, eerder opgelucht of trots dat ze zo mans zijn geweest om de fiets te pakken.
Het Ij licht tientallen keren op. Schijnwerpers voor het onrustige water en de bewegelijke begroeiing op de kade. Het is laat op de avond. Voor een keer zijn de duizenden gele vierkantjes aan de overkant secundair; plassen schitteren op de stenen van de parkeerplaats, gebogen bomen betrapt op hun zwakte. De regen klinkt in de zaal, niet in het getik van druppels, maar in het ritme van de vloed die met krachtige vlagen op het dak stort.

Een vrouw loopt binnen. Ik praat tegen een rondje van bleek hoofd, de rest verbergt ze achter een huls van plastic waar de storm nog vanaf druppelt. Ik vraag haar hoe ze het heeft overleeft en ze zegt me dat het even spannend was of het pontje wel zou gaan. Zij gaat boulderen, mijn fantasie is aangewakkerd.

De kapitein van het Oostpontje staat wijdbeens achter het roer, zijn handen op spanning en zijn wenkbrauwen gefronst. Contact met het vaste land is verloren. Golven slaan stuk op het dek of grijpen fietsen mee de Amsterdamse diepte in. De pont kantelt van links naar recht, met de neus uit koers en de achterkant tollend tussen Azartplein en de kade van het G-sus terrein. Forenzen staan samengeplakt in een hoek van de boot en houden elkaar in balans. Net als de kapitein de controle lijkt te hervinden, doemt pont Ij-plein op uit het donker, in de greep van een reusachtige golf. De kapitein stuurt wild naar links, maar de pont is traag en oud en slachtoffer van zijn eigen golven. Bliksem belicht de overmacht van de storm en de kapitein beseft het. Hij ziet het blauwwitte staal op zich afkomen en vraagt zich in een flits af wie hij aan boord heeft. Als laatste noodgreep gooit hij het roer om, de pont kantelt vervaarlijk, de forenzen houden vast aan elkaar of de reling en voor me staat iemand die om een La Chouffe vraagt.

Ik spoel het glas, schuif het onder de tap en laat het bier gecontroleerd stijgen. De klant heeft rode wangen van inspanning, ik stel een vraag en krijg een antwoord dat me ontgaat. In mijn ooghoeken trekken flitsen over het water.

Hoe zou het met die arme kapitein zijn?

Het Donker van de Herfst

Het koste me vandaag zeker acht uur om wakker te worden. Ik kwam uit bed rond een uur of zeven, en pas bij het vooruitzicht naar een sloot koffie (zoals mijn moeder dat zegt, ik weet niet of dat echt een uitdrukking is) in de namiddag voelde ik een koppeling met de realiteit. Het meest scherpzinnige dat gedurende dit loze tijdsbestek in me opkwam, was de vraag naar het waarom achter mijn terneergeslagen wezen, maar ik was te duf om naar antwoorden te zoeken. Nu dat er weer geluid tot me doordringt, iets moois in de ogen van passanten leeft en kleurrijke toekomstbeelden mijn gedachten bereiken, zie ik geen heil meer in het beantwoorden van die vraag. Verkeerde been uit bed, volgende keer het juiste kiezen.

Er is iets vreemds aan de hand. De bladeren van de bomen kleuren en fladderen bruin en geel door de lucht. De wind zoeft door takken en drijft gekamde haren uit elkaar. Kinderen dragen gekleurde plastic laarsjes. Ik wou dat ik een eigen kind had om gekleurde laarsjes aan te trekken, want het voelt heel toepasselijk om dat nu te doen.
Nog iets anders; het is nog geen zes uur, de koffie raast door mijn lichaam (ik heb de gewoonte van mijn moeder overgenomen om voor kwantiteit te gaan wat koffie betreft) en de sfeer in mijn kamer betrekt. De kleuren vervagen. Letters en woorden van mijn artikelen kan ik niet onderscheiden zonder voorovergebogen achter mijn bureau te zitten, als een in elkaar gedoken en steen geworden dichter, met een potlood krampachtig in mijn hand. De muren zijn volgehangen en mijn bed draagt stapels kussens en knuffels, maar toch is het kil. Pas nu besef ik me dat het schemert buiten.

Ik stap in sloffen en kruip in vesten, oren verborgen achter een wollen muts. De verwarming ratelt. Rondom mijn kaarsen wakkert een cirkel van kleur. Klassieke muziek klinkt uit de kamers van huisgenootjes. Ik denk aan sprookjes en herbergen, kleine mannetjes met ronde bril en wijsheid in groeven rond de ogen. Iedereen trekt langs mijn geest; vrienden, familie, verloren kennissen, zelfs de trieste gezichten uit de krant van vanmorgen.

Als ik morgenochtend de dekens van me afsla, ril ik van de kou. Op de tast naar de lichtknop, struikelen over twee verkeerde benen. De zoete stroop in de havermout passeert smaakpapillen geniepig en Amsterdam Oost verschijnt niet aan me tijdens mijn fietstocht naar college. De reflectie in de ruiten van het café waarin ik koffie drink toont een terneergeslagen wezen, en ik vraag me even af waarom. Maar als ik wakker word, opgeschrokken door het tikken van de druppels tegen het raam, dan gloei ik van warmte en glimlach ik van genegenheid.

Er is iets vreemds aan de hand.