Latest Posts

Knoopje

Een open gletsjerspleet was oncomfortabel, omdat het gapende gat een zuigende werking had op ons nieuwelingen, alsof we elk moment erin konden springen zonder dat we daar controle over hadden. Gedachteloos stappen we er nu overheen, blij dat we ze zien. De gletsjerspleten die zich verschuilen onder een dun laagje sneeuw, dat zijn diegene die ons zorgen baren.

De stenen in de sneeuw onder een steile wand; onbewust voelen we even aan onze helm.

We kennen het gevaar achter onschuldig ogende sneeuwveldjes. We weten van sneeuw en lawines. De balans in ons gevoel van comfort is in de loop der jaren getraind en afgepast. Zorgvuldig hebben gidsen bepaalde impulsen afgezwakt en aangesterkt.

Abseilen

Julien (gids) verbaasde me om zijn gedrag rondom afdalen tijdens  tochten op de Welnesscursus. Hij benadrukte keer op keer dat we snel moesten leren afklimmen en tevens zo ver mogelijk, zodat we ons pas wanneer echt nodig, keerden tot de rappel.
Wanneer een rappel in het zicht kwam voelde ik de sfeer betrekken. Welke rol wij ook hadden bij aankomst, zij het naklimmen of leiden, hij was nu de gids en wij allen idioten. Hij richtte de rappel in en dirigeerde onze handelingen. Gestrest liet hij zijn blik langs het touw gaan, dan weer naar de constructies, dan weer naar de gehaaste bewegingen van zijn handen. Hij was zo oncomfortabel. Ik begreep maar niet waarom.

De weken erna voelde ik dat ik zijn spanning had overgenomen. Er hing een doem rondom het abseilen die ik niet kon vatten, maar wel mijn gedachten en bewegingen krampachtiger maakten. Snel, snel, snel hier weg, alsof de combinatie van ATC, twee strengen touw en prussik functioneerde als een tijdbom. Ik checkte alles driedubbel.

Purtscheller Abseil

Tijdens het afdalen na de Purtscheller eveneens. We konden de instap niet vinden, tot drie keer toe, en besloten het brosse terrein achter ons te laten voordat de tijd ons parten zou spelen. Ik was opgewonden en zenuwachtig, want ik stond op het punt mijn eerste zelfgemaakte (zonder een ‘officiële’ prussikbende) abseil in te hangen. Zoeken naar een goede rots, zelf de prussik er omheen leggen, zelf het knoopje maken. Ik checkte alles driedubbel. Ik hing en ik viel.

Het knoopje? Maar hoe dan?
Ik kon het maar niet bedenken.
Ik liet de scene door mijn hoofd spoelen en zetten hem eindeloos stil op het beeld van de knoop. Wat in godsnaam was er mis met die knoop?

Ik weet nog dat ik me verbaasde over de eenvoud ervan, elke keer als we langs een abseil kwamen, drie jaar lang. Zowel over de eenvoud van de knoop onder in het abseiltouw, als de eenvoud van de knoop in de prussiks om het abseilpunt.
Ik had op de Purtscheller nog gevraagd aan de anderen; wat voor een knoop? Zaksteek. Maar in mijn hoofd en in de prussik had ik hem al gelegd – de strengen over elkaar, en wederom de strengen over elkaar, het simpelste dat in me opkwam. Wat de naam was van hetgeen dat ik legde drong niet tot me door. Simpel is simpel, het meest rechtdoorzee knoopje dat bestaat.

Dus wat was er mis met mijn knoopje?

Oud Wijf

Er ging een dag overheen, en een nacht. De volgende morgen lag ik met spinazie en Gordon Blue in een bed met witte lakens en kwam opeens een andere mogelijkheid bij me op: twee strengen bij elkaar, en daarin een zaksteek. Ik zakte door de grond, bloed steeg naar mijn wangen. Shit, shit, shit, dat was hem. Hoe de fack…Waarom…Hè? Waarom had ik dat niet gedaan? Waarom had ik dat niet gedaan?

Twee weken later kwamen Jeroen en Lieke (instructeurs) op bezoek en gaven een fruitmand en een reep Tony Chocolony. Met mijn ene bil op de stoel en de andere zwevend in de ruimte, besprak ik de Purtscheller aftocht met de rode mannetjes en de lieve verpleegsters. De rappel. Het besef van het knoopje.
Oh, je hebt een oud wijf gelegd!, gierde Jeroen. Nee nee, of ja, of waarschijnlijk, reageerde ik onverschillig.
Wat de heck is een oud wijf, dacht ik.
Ik wist wel van het onderscheid tussen de platte knoop en die andere, maar ik had me nooit beseft dat er een relevant verschil bestond tussen de twee. Misschien was het een keer tijdens een cursus langs gekomen, tegelijk met standplaatsbouw of abseilen, maar in zijn eenvoud bedolven onder de complexiteit van het andere.  Al die tijd was er een fundamenteel gat in mijn kennis geweest.

Keuzes

Sindsdien heb ik er, onvermijdelijk, veel over nagedacht.

Waarom ik geen zaksteek heb gelegd, is me een raadsel dat ik als dusdanig heb geaccepteerd.

Dat ik in plaats daarvan een oud wijf heb gelegd, kan ik mezelf vergeven. Eén van de eerste dingen die me duidelijk werd van het klimmen, was dat ik niet wist wat ik niet wist. Ik kon ervaring opdoen wat ik wilde, maar er zou altijd een duistere ruimte van onwetendheid blijven bestaan, als een soort objectief gevaar in mijzelf dat ik kon optellen bij vallende stenen en wankele seracs.
Ik had echter niet verwacht dat zoiets fundamenteels in mijn kennis zou ontbreken. Ik hoop immens dat mijn bouwwerk van ervaring weinig meer van dat soort grapjes verhult.

Wat ik mezelf niet kan vergeven, is dat ik tegen het advies van mijn gids in, ben gaan abseilen terwijl aflopen nog meters lang mogelijk was. Zijn discomfort tijdens de rappel heeft zich overtuigend gelegitimeerd en zelfs effectief in mijn handelen genesteld. En toch maakte ik die keuze, terwijl me anders geleerd is.

Ervaring

Alpien is (en nu gaan de ervaren alpinisten gniffelen) echt ontzettend moeilijk. We zijn nog steeds de nieuweling die angstig in een gletsjerspleet staren, of er juist overheen kaggelen omdat anders geleerd is; alleen is de selectie aan obstakels en stille gevaren inmiddels  gevarieerder.
Na drie jaar voel ik me op verschillende soorten terrein, in verschillende mate comfortabel, ingefluisterd door gidsen en mijn fysiek, mijn partners en mijn gemoed, de kleur van de lucht en nog honderd dingen.
Een deel doe ik simpelweg al wel goed. Ik maak doorgaans de juiste afwegingen en voel me op gepaste momenten niet op mijn gemak. Maar: Er is een onbepaalde ruimte, een duistere plek van verkeerde keuzes en gebrekkige kennis, of nog enger: van comfortabele niet-keuzes.

Abseilen zat in mijn range aan discomfort en toch mocht het niet tot een juiste keuze leiden. Eenvoudige knoopjes zaten niet in mijn range aan discomfort, waardoor ik klakkeloos in de prussik ging hangen, en de rest is geschiedenis.
Alpineren beslaat een immens bouwwerk aan bewuste en onbewuste handelingen binnen onvoorspelbaar en voorspelbaar terrein. Ervaring, wat een toverwoord. Er staat een legendarisch knoopje in mijn hoofd gebrand en hell no, die fout maak ik niet meer. Welke lering er verder uit te trekken; ik weet het niet, misschien die van geduld of immer weloverwogen keuzes, maar daarin bestaat een grens. Uiteindelijk willen we die bergen op.

Uiteindelijk wil ìk die bergen op, oude wijven of niet. Wat een machtige hobby, wat een lastige hobby.

Waarover nog meer

Het gaat over de autoritten richting de Alpen die brandstof genoeg hebben aan alleen onze adrenaline. Het gaat over kleuren, de kleuren van de bergen en van de opkomende of ondergaande zon, van de ogen van mijn klimpartner, het enige dat tussen lagen kleding van hem of haar zichtbaar is. Het gaat over de bibliotheek op stoffige planken achterin de eetzaal, met tijdschriften die uitkwamen ver voor ik geboren ben, Nederlandse en Duitse stationsromannetjes, een paar schunnige strippen, plaatjesboeken van C.A.F. en S.A.C. en informatieboeken over rappels en techniken in den (der? dem?) Alpen.

DSC02395Het gaat over de sokken van mijn ouders over de rand van het balkon van een berghut en touwen die absurd waardevol zijn als mijn vrienden eraan verbonden zitten. Het gaat over het verliezen van de weg en verfrommelde vochtige kaarten, over uren van verveling en het gegil van screaming barfies. Het gaat over sterke drank die als een razende naar onze kop stijgt en verlopen bergmonumenten met een leren huid en liters bier op houten bankjes, onaangeraakt, of juist verwoest door het bergleven. Het gaat over weerberichten, condities, teleurstelling, acceptatie en het vermogen nieuwe dromen te smeden. Het gaat over gelukspoppetjes die aan de gordel bungelen en over Bonopus.

Het gaat over poepen tussen de rotsen, melkpoeder en de verborgen schoonheid van gletsjerspleten. Het gaat over momenten waarin de wereld gekrompen is tot het wit van de sneeuw en mijn grote schoenen die één voor één in beeld verschijnen, tot het geluid van gehijg en trage, in herhaling gevallen gedachten. Het gaat over haren die niet meer uit de knoop gaan, gesmolten snickers, of bevroren snickers, of gesmolten en daarna bevroren snickers en het zoeken en vinden van de blik van mijn tochtgenoten als we net de top van de berg hebben bereikt.

Het gaat over een deuntje van Jeff Buckley na De Koeeen uur van 600 hoogtemeter stijgen en klote branders die niet aan willen. Het gaat over sigaretjes met uitzicht en onsamenhangende betogen over net gemaakte tochten, vol van adrenaline en en toen, en toen. Het gaat over ingegroeide teennagels, gestolen materiaal en weerzin. Het gaat over boekwerken van gedachten over het hier en daar, berggidsen en warme chocolademelk van zes euro. Het gaat over ontmoetingen met onbekende alpinisten, waar we uren mee spreken zonder iets te weten te komen over henzelf, slechts over zijn of haar beweging in de bergen. Het gaat over Bertha en haar soortgenootjes.

Het gaat over onmogelijke ochtenden. Het gaat over geuren van natte schoenen, getik van karabiners tegen elkaar of regen tegen tentzeilen, schaamteloze halfnaakte en dikke snurkers in het lager, en het gevoel van kriebelige dekens, pijnlijke vingers, en nieuwe niveaus van angst, euforie, daadkracht, zelfvertrouwen, teleurstelling, voldoening en geluk. Waarover nog meer?

Proxi

Het lijkt op een supermarkt, maar het is iets anders. Werknemers zien eruit als klussers, en het gebouw als geklust, niet gebouwd. Je struikelt over producten en waggelende kinderen. Ijsjes en Snickers halen ze uit grootverpakkingen en verkopen ze per stuk (not for resale, luidt de tekst op de papiertjes). Vergeelde bergmarmotknuffels en opgekrulde ansichtkaarten verdringen elkaar binnen wankele stellages. Grote, foute klassiekers staan op repeat van ’s ochtends vroeg tot sluitingstijd. Overal hangen geplastificeerde aanbiedingen in dezelfde kleurrijke lettertypes die je op de basisschool voor werkstukken gebruikte. De deals zijn verleidelijk, lachwekkend en zorgwekkend, met halve kippetjes en friet voor vijf euro, en meloenen zowel voor twee euro als voor vier euro  (als ze hun eigen acties niet goed bijhouden).

Voor de winkel ligt een plastic terras waar je als klant je boodschappen opeet en ondertussen bediend wordt door een lief en gestrest meisje met een laag decolleté. Het befaamde ontbijt (de ontbijtdeal, het Proxiontbijt) bestaat uit een donut, rozijnenbroodje, croissantje en/of chocoladecroissantje, en/of sinasappelsap of koffie (grand of espresso). Voor twee euro verzamel je vier producten, behalve als je sinasappelsap neemt, want die telt voor twee. De drankjes worden op je bonnetje geschreven, het bonnetje geef je af bij de drankjeshoek. De broodjes eet je samen met je yoghurt, appels of stokbrood (die je ook daar belegt) op het terras. Je koffie komt vaak laat, je sap belandt op de verkeerde tafel, maar als je een beetje scherp bent heb je toch echt een monsterlijk ontbijt.
Beschaafde mensen kiezen voor koffie, sinasappelsap en twee broodjes. Minder beschaafde mensen kiezen voor vier broodjes en eten ze allemaal op, en als ze net van tocht terugkomen, dan nemen ze twee keer vier broodjes.

Het dorp waarin de Proxi zo floreert, Ailefroide, geeft de winkel een kleurrijk gezelschap. De mogelijkheden van het Écrinsmassief brengt wandelaars, boulderaars, verschillende soorten klimmers en alpinisten bij elkaar. Je loopt onopvallend met volle gordels tussen de schappen en mengt naadloos tussen de klandizie als een touw over je schouders hangt. Boulderaars op Crocs in E9broeken zakken weg in hun stoelen. Alpinisten dumpen hun tassen met veel poespas naast de tafels en schuiven hun dure zonnebrillen in hun ongekamde haren. Elke morgen zie je dezelfde gezichten en  staart het elkaar aan vanachter grote stapels donuts en koffiekopjes. Wie weet, is er al een Proxiliefde ontstaan.

De andere winkel van Ailefroide, de Sherpa, heeft het ‘supermarkt met terras’ concept afgekeken en biedt nu ook gelegenheid om boodschappen meteen te nuttigen. Alleen dan luxe: onder een stevig dak, met een grote breedbeeld televisie, internet en een bar met ijzeren stoelen. Verse taartjes staan achter schone vitrines. De koffie komt met een glimlach en de ijsjes zitten netjes in een Olabox.
Stiekem gebruik je het internet, staar je naar de breedbeeld en werp je een blik op het gebak. Maar de Sherpa is de Proxi niet. Er loopt geen baas in verwassen spijkerbroek met een sigaret zware artikelen naar achteren te sjouwen. Er staat geen rij tot bij de ingang. Er zijn geen aanbiedingen die theoretisch niet kloppen maar als een trein lopen.
Je koopt er geen eten om de gezelligheid te onderhouden, en de eerste Sherpababy zal pas geboren worden wanneer al vele generaties Proxikinderen de Écrins onveilig maken. De Proxi is geen supermarkt. De Proxi is briljant.

ProxiontbijtProxiselfie
Proxigezelschap

Bloggen

Ik lees mijn eigen blog door en ik vraag me af in hoeverre ik het nog ben, die voorgaande teksten schreef. Ik twijfel of ik mijn eigen woorden interpreteer zoals ik ze toen bedoelde. Ik vraag me af of in die twijfel mijn ontwikkeling zit; als ik het verschil in interpretatie zou kunnen formuleren, dat ik zwart op wit zou hebben hoe ik ben veranderd in de afgelopen jaren.

2013-11-24 21.04.33Ik schrijf veel. Ik heb een reeks dagboeken vanaf mijn tiende tot mijn twintigste en in elk afzonderlijk staan de gedachteconstructies van dat moment.  Letterlijk constructies, ik was altijd aan het timmeren, vastleggen, aanpassen, organiseren. Mijn brein was een bouwpakket.  Nu richt ik nooit meer woorden zo strikt naar mezelf, maar formuleer ze toegankelijk voor andere mensen. Misschien ben ik door het schrijven van mijn blog wel toegankelijker gaan denken. Misschien is mijn brein gedisciplineerd in de structuur van mijn schrijven aan de buitenwereld.

Het kostte me moeite om mijn eerste paar blogs openbaar te maken. Ik was bang dat mensen mijn schrijfstijl niet zouden waarderen, en dat ligt best gevoelig. Want alhoewel een deel uit trucjes en mopjes bestaat, weergeeft mijn schrijfstijl ook de manier waarop ik mezelf kies te representeren. Zelfs los van de inhoud, of juist los van de inhoud.
Met de wetenschap dat ik als schrijver de tijd heb gekregen om elk woord zorgvuldig te kiezen, kan ik me niet verschuilen achter gedragingen van het moment, die binnen het echte leven makkelijk gerelativeerd worden. Gek doen door adrenaline, er niet uit zien omdat ik hard heb gefietst, niet uit mijn woorden komen omdat ik verlegen ben. Nee, de manier waarop ik schrijf is keihard hoe ik wil overkomen.

Maar het was een kwestie van wennen. Daarbij, niemand geeft commentaar wanneer iets slecht geschreven is of een vergezochte emotie weergeeft. Deden ze dat maar, dan leer ik nog wat.

Binnenstebuiten1Ik had minder problemen met het openbaar maken van de inhoud. Binnestebuiten had me laten wennen aan het idee dat mensen een inkijk kregen in mijn gevoelsleven. Ik heb zelfs een tijd gedacht dat het openbaar maken van al mijn gevoelens (laten we daar alsjeblieft een nieuw woord voor vinden) en ideeën me zou harden voor eventueel commentaar, alsof het naar buiten brengen van alle aspecten van het mij-zijn een volledige acceptatie vanuit mijn kant, van mijn eigen menselijkheden inhield.
Alhoewel ik nog steeds denk dat die methode voor sommige gevoelens en ideeën geldt, weet ik ook dat ik een heel scala aan Ruby-dingen simpelweg niet noem, hoe eerlijk ik ook denk te zijn. Dingen waarin ik écht nog geen zekerheid heb gevonden, in zoverre dat ik ze misschien zelf niet eens onderken, komen niet op mijn blog.
Datgene wat ik wel noem, vormt een selectie aan dingen waar ik zin had om over te schrijven. Ik schets een beeld van mezelf dat volledig steunt op mijn opwellingen. De grote kloof tussen de intentie van mijn woorden en jullie interpretatie blijft. Er zal vast een redelijke karakterschets mogelijk zijn op basis van mijn blogberichten, maar ik behoud een groot deel persoonlijkheid dat niet leesbaar is op WordPress.

Blogs verbazen me. En ze imponeren me. Samantha weeft wetenschappelijke artikelen door haar persoonlijke ervaringen en brengt het als een solide verhaal. Fieke durft ongenadig positie aan te nemen in grote wereldproblematiek. Kimberley publiceert haar gedachten zoals ze in haar hoofd op ploppen en ingekaderd zijn, en haar eerlijkheid shockeert me. Maar ik leer meer van haar dan van al mijn studieboeken bij elkaar.
Blogs, ik weet het niet, het zijn momentopnames, maar er zit ook iets eeuwigs in. Ze lijken verdomde op de echte wereld, maar verschillen er dramatisch van. En nog duizend woorden. Dit stuk schrijf ik binnen een nu dat straks niet meer is, en lees ik als ik niet meer ben wie ik nu ben. Ik ben benieuwd hoe ik het zal interpreteren.

Vuurwerkbanen

Voor het eerst ervaar ik mogelijkheden als een kwaad. Sinds ieder voor zijn eigen kiest, lopen onze paden als een vuurwerkbanen de ruimte in.

In onze vriendschap ligt besloten dat we elkaar de vrijheid gunnen, en daaruit volgt de verplichting dat we iets met onze eigen vrijheid doen. Want zodra we zelf onze gang niet gaan omwille van de ander, zal de ander de verplichting voelen ook zijn of haar gang niet te gaan omwille van onszelf. Waar vriendschap de ander opdraagt ons juist onze vrijheid te gunnen, kan die nu onze vriend niet meer zijn. We moeten dus wel ons eigen pad volgen, mocht onze vriendschap ons iets waard zijn.

Dus maken we vrijuit onze keuzes. We denken lang na en slaan links of rechtsaf. Tot we uitzoomen en slikken bij het zien van onze paden, die zich verder en verder uitstrekken.
De ruimte in: Europa, Afrika, Zuid-Amerika, Australië. De ruimte in: verpleegkunde, politiek, alpinisme, pedagogiek. De ruimte in: Daar waar de mogelijkheden het toelaten. Dat blijkt het hele spectrum van de wereld te behelzen en dat drijft ons uit elkaar.

Het is pech om te houden van mensen die uitvliegen. Maar laat het gemis ons niet invoelen hoe gehecht we aan elkaar zijn? Onze vrije koers leert ons dat onze vriendschap weerbarstig is. En, elke dag dat onze paden elkaar raken, elk moment dat we samen zijn, hebben we in alle vrijheid voor elkaar gekozen. Dan is de gedachte aan al die mogelijkheden zo slecht nog niet.

P1011646

Geroezemoes

IMG_8681(1)wmEen lange broek, een hemdje, een lang shirt, een trui, sokken en schoenen. Een jas.
De zon mag best blijven, maar doe me ook een wind. Kou die langs mijn gezicht strijkt en een weg zoekt langs mijn sjaal. Gele en rode bomen, blaadjes die het grijs van de straten warmer maken.

De hitte dwingt een korte broek af, maar ik zoek juist naar de bescherming van een lange broek. Naar iemand die over mijn rug wrijft om mijn rillen te stoppen. Geraas dat inbeukt op het huis, tijdens  lange, duistere nachten. Warme chocolademelk en kaarslicht, geroezemoes en dikke dekens.

Het probleem is; de belofte van deze warmte is vals. Ik voel haar op mijn huid, maar ze kruipt niet in mijn hoofd. Ik ben niet verliefd. De bergen zijn ver. Er valt niets te beloven, niets dat niet al geweest  is en als een betoverend verhaal in mijn herinnering leeft.

Dus nu zweet ik me rot, in kleding die niet past bij het weer, het weer dat niet past bij mijn gemoed. Ik wil de herfst. Geef mij maar de herfst.

Nazomer

De zon zakt achter de rechte lijnen van de flat van de buren. Kinderstemmen, altijd kinderstemmen. Gebrom van vliegtuigen en gekwetter van vogels. Soms zit er een duif in de dakgoot en krassen zijn poten met scherpe nagels over het metaal. Soms ruist een trein van of naar Muiderpoort. Soms suist de wind door één of meer van de negen bomen in het driehoekige plantsoen. Nooit zit een bewoner of kat op de bankjes, geen rat, muis of leven, en toch is het gras gemaaid en zijn de paden schoon. Vrouwen klinken door open ramen achter witte schotels. De lucht voelt zacht.

Welkom in het raamkozijn van Siboga 23.

De Volgende Broek

Hij moet rood zijn.

Ik weet het al voor langere tijd, en toch heb ik me laten verleiden door andere broeken. Andere kleuren.

De eerste alpine broek was een Fjällräven van stevige, donkergrijze stof. Niet rood nee, maar vooruit. Erg kleurengevoelig was ik in die tijd nog niet, dat kwam pas later, toen ik enigszins grip kreeg op de modestandaard binnen de bergketens. Gepusht door een verkoopster koos ik deze uit honderd anderen, want ze vond ’t wel een goeie voor alpine. Mwaah.
Ik kocht hem groot en hij was al vrij wijd bij de pijpen. Ik viel af in de bergen en werd een hiphopper met een kruis tot bij mijn knieën en schoenen die verdwenen onder lagen G1000.
Het wandelkarakter van de stof maakte de broek weinig soepel, en wijdbeense passen waren eigenlijk uitgesloten. Maar, ik was in de bergen.
Dus ik scheurde eruit, erg flatteus bij de bilnaad. Tot op de dag van vandaag vraag ik me af hoelang ik precies in mijn blote arie over de gletsjers én door de hut heb gestruind, en met name wie precies een blik heeft kunnen werpen op het tafereel dat bloot lag.

Zomer 2013 zag ik een beige broek met zwarte kniestukken in een alpine winkel in Oostenrijk. Mannenmodel, en ik had vrouwenbillen, maar in de kleine ruimte achter het gordijntje kwam dat besef niet helemaal uit de verf.
Het was weer geen rode broek, maar ik dacht dat ik ermee weg zou komen. Met een klein trauma van het jaar ervoor klauterde ik over grote rotsblokken van lange graten en voelde wederom hoe de spanning zich rond mijn billen opbouwde. Het zal toch niet.
Ik werd gespaard en stopte het ding bij thuiskomst in Amsterdam ongeschonden in de wasmachine. Echter, op mysterieuze wijze is de broek verdwenen. Ik weet niet waar, en ik weet niet hoe, maar ik weet wel dat ik hem niet meer in mijn kast heb liggen. Niemand in de klimhal heb ik erin kunnen betrappen.

Afgelopen zomer viel ik voor een knalblauwe Norronabroek. Nee, niet rood, maar ik dacht dat misschien de felheid van het blauw iets zou goedmaken.  En zo leek het bijna.
Ik voelde me megashiny in mijn opvallende kleur, boven de rotsen van Freyr, tijdens een eerste testronde. Waar de blauwe broek was, was ik. En net zo glamoureus schitterde ik op de dagen van La Grave, over wandelpaden van onbeduidende dorpen, tussen ongeïnteresseerde koeien en vergeten bewoners.
Maar bij de eerste echte gletsjersessie zette ik zo vol enthousiasme mijn stijgijzer in mijn pijp dat de helft van mijn rechteronderbeen opeens het daglicht zag. Even later verscheen ook mijn linkeronderbeen en toen had ik het wel gehad met het stoere model van de intens blauwe Norronabroek.

Ik denk dat het wel duidelijk is. Hij moet rood zijn.

Ik scan de kledingrekken van de winkels. Ik houd zorgvuldig het internet in de gaten, op zoek naar een rode alpine broek, maar het is lastig. Ze zijn niet rood genoeg. Hij moet zo rood zijn dat je er echt, echt, echt niet omheen kan. Knalrood. Niets anders.

Ik wil geen en zal geen alpine broek dragen tot ik hem heb gevonden, en dus ben ik genoodzaakt om de komende maanden in spijkerbroek te klimmen. Dus mocht iemand toevallig ergens een rode alpine broek te koop zien: Laat het me weten.

Het is belangrijk.

Barre Noire met Franjes

De drukte in de Glacier Blanc hut was niet te overzien. Een lawaaiige roes in een verhit vertrek. Het verbaasde me dat niemand bezweek aan de overgang van de koele stilte van buiten naar deze ruimte.
We zaten met de kaart op de grond, uitgelegd midden in het gangpad, gidsjes eromheen. Als
kinderen met blokken en treinstellen verzonken we in mogelijkheden, afgesloten van het rumoer. Ik denk dat toen het plan is ontstaan.

Plan Barre Noire. Achter het toilethok in secteur G van Ailefroide lag een klein veldje. Ondanks de incidentele geuren van ontlasting, vormden we daar onze enclave. In het midden stond een constructie van aan elkaar geknoopte tarps en zeiltjes, daaromheen dertig, veertig gekleurde bolletjes en driehoekjes, scheerlijnen in alle richtingen.
Een aantal alpinisten zat op plastic campingstoeltjes en kartonnetjes onder het centrale dak, terwijl Menno en ik overal spullen vandaan trokken. We draalden en waren laat – natuurlijk waren we laat. ’s Middags zouden we avondeten, maar we aten onze warme maaltijd met de rest. Terloops deden we onze plannen uit de doeken.

-Hebben jullie ijsboren?
-Hoezo?

Blank ijs.

We maakten blokken van drie tochten. De eerste tocht liep langs Roche Paillion naar Emile Pic en leidde ons door een eenvoudig couloir. We dachten de volgende dag, de tijd tussen aankomst bij de hut en nachtrust, te gebruiken om de andere tochten voor te bereiden. Dat het Barre Noire couloir pimpelpaars kon zien, met franjes aan de zijkant, kwam pas bij mij op tijdens de vragen die de alpinisten onder het centrale dak op ons afvuurden.
Het was geen ramp als we gewoon omhoog waren gelopen, en het couloir in onverwachte condities hadden aangetroffen. Waarschijnlijk hadden we dan onszelf voor de kop geslagen omdat de  ijsboren nog in het dal lagen en waren we iets makkelijks gaan doen aan de overkant. Het stuitte me meer tegen de borst dat ik er niet al in het dal over na had gedacht. De zoveelste confrontatie met gebrekkige ervaring.

Met eten voor drie dagen, bivakspullen en een stuk of tien ijsboren liepen we die avond tussen zeven en elf naar Refuge des Écrins. Een weggeschrokte klomp eten  golfde mee in onze magen. Het was al ruim donker toen we nat van het zweet, en koud van de koele avondlucht, stilletjes ons lager in slopen langs gepakte tassen en slapende alpinisten.
De volgende morgen beklommen we Roche Paillon zonder verdere moeilijkheden, en de dag erna Pic de Glacier Blanc (verslag volgt).
De middagen werden getekend door de klassieke mix van moeheid, verveling en euforie die traag door ons lichaam vloeide. Nodeloos bladerden we door boekjes, staarden we naar Spanjaarden en Italianen – die ons nooit teleurstelden met hun scènes op het terras  – en probeerden we zoveel mogelijk van het eten af te blijven.
Het meest memorabele moment kwam van een semi-elastisch meisje. Ze rolde haar yogamatje uit op het terras en gooide in verschillende posities haar in strakke legging gehulde billen omhoog (dan weer naar links, dan weer rechts). Dit tot groot genoegen van de  Italianen en Spanjaarden die als twintig nieuwsgierige apen op een rots duidelijk geen oog meer hadden voor de bergen om zich heen.

Maar ik vergat de bergen niet. Het Barre Noire Couloir lag net buiten het zicht, verscholen achter Barre Noire. Het had weer gigantisch gesneeuwd. De graat van de Barre wilden we na het couloir overschrijden. Ze zag compleet wit. Met de verrekijker onderscheidden we kleine voetstapjes in wat ‘the icy chimney’ zou moeten zijn, een drietje dat me beangstigde. Elke dag vroeg ik aan de waard of iemand het ding al had geklommen, maar voor zover ik hem begreep bleef iedereen met zijn poten van die route af. De woorden van de alpinisten onder de tarp klonken nog na. Franjes?

BarreNoire1

De nacht voor de tocht bivakkeerden we op het laagste plateautje tussen de gletsjer en de hut. Om half drie werkten we een pak prefab pannenkoeken weg. Ik kroop de tent uit, het stille donker in, dat zich uitspreidde over de gletsjer. Het  couloir dat als gidsjesvariant in mijn hoofd gebrand stond moest daar ergens zijn. Maar waar? Jesus, why…dacht ik. Waarom ik. Alsof de keuze ons overkomen was.

De mars over Glacier Blanc bracht me terug naar de heroïsche tocht van Fieke, Kim en mij, het jaar hiervoor. Was het onbezonnen om de Barre te beklimmen met de ervaring die we toen hadden? Het leek wel om het even, het meisje van toen, of het meisje van nu, op weg naar de Barre of de Barre Noir, dezelfde berusting, dezelfde lichte spanning, dezelfde aftocht naar iets duisters, iets onbekends.

Halverwege de gletjer staken we naar links en liepen naar de schim van het couloir. Wat treffen we aan? Blank ijs? Bij de eerste stijging haalden we de ijsboren van stal. De sneeuw was goed. Het couloir was te dichtbij om van de omgeving te onderscheiden, en alles leek nu couloir of niet couloir. De stenen randen verdwenen in het donker. Ik wist niet waar ik heen moest, maar stiefelde toch omhoog.
Tot mijn grote verbazing doemde een spoor op, een duidelijk spoor, veel dieper dan de hardheid van de sneeuw nu zou toelaten. De makers ervan hadden slechtere condities gehad. Ik volgde naar een grote randspleet. Vlak daarboven zag ik de stapjes zich voortzetten, het was bijna alsof ze verschenen, als trouwe wegwijzers in een magische missie. Ga hierheen.
Ik prikte mijn bijlen aan de andere kant van het gat en klom er overheen. Het stuk daarna was ijzig, even twijfelde ik of ik moest zekeren, maar nog voor ik het wist kwam ik weer in de harde sneeuw.
De voetstapjes bogen af naar links en volgden de rand van het couloir. Eindeloos. Beneden zag ik de koplamp van Menno. Daaronder verschenen nog twee lampjes. Over de gletsjer bewogen zo’n dertig in een keurige slinger. De Écrins kwam zachtjes tot leven.
Maar ik was niet met hun, ik was met mijn mythische voorgangers. Er was weinig variatie in beweging, het couloir was niets meer dan een hels en eentonig eind omhoog hannesen. Soms waren de stapjes zo oppervlakkig dat ik eigen moest trappen, en soms zo diep dat ik mijn kuiten kon laten rusten. Ik verloor ze nooit uit het oog en in ruil brachten ze me tot de uitloper van het couloir. Dat het nu minder stijl werd was nauwelijks te merken. Pas op de vlakte drong het tot me door dat we het couloir waren doorgekomen. Geen ijsboren. We hadden geluk gehad met perfecte en overzichtelijke condities. Zo nam ik afscheid van mijn voetstapjes.

BarreNoire2

Bij het verliezen van de couloirspanning verloor ik ook een groot deel van mijn energie. Doodmoe stond ik daar naast Menno, kijkend naar de zonsopgang en het  kleuren van de bergen tegenover ons.
De Barre stond doodstil naast ons. Ik fluisterde tegen Menno dat ik misschien te moe was voor de overschrijding. Of hij het goed vond om die te laten, met een prestatie al op zak? Hij vond het prima, en ik meende wat opluchting in zijn stem te horen. Geen ijzige chimney meer vandaag.

We liepen langs de rand van de col en werden meegesleept door de schoonheid van de morgen. Hierom doen we het, schoot regelmatig door mijn hoofd. Het ene dal links en het andere dal rechts, het ene onbekend en rauw, puntig, beangstigend, het andere vertrouwt en uitgestrekt, vol met verhalen en romantiek, de hut, de toppen.
De sneeuw had zich bedacht en werd poederig, waardoor de oversteek naar de normaalroute van de Barre een zware klus werd. Ik begon een beetje te schelden, eerst in mijn hoofd, daarna hardop. Onze weggetrapte sneeuw viel op een stroom, door het zonlicht op hun jassen gekleurde, klimmers richting de Barre. Ik slaakte een zachte kreet van geluk toen we eindelijk tussen hen in konden schuiven, uit de hel van de poedersneeuw, in een uitgekauwd  spoor dat niets weg had van de sprookjesachtige voetstapjes van die nacht.

BarreNoire3

Plan B leidde ons naar de Dome. We keken om ons heen en besloten snel terug te keren. De wind was ijzig koud en het couloir naar de achtergrond van onze gedachten verdwenen. In rap tempo zigzagden we door de opkomende “Dometoeristen”, onder Seracs en langs spleten, sommige stukken glijdend en andere met olifantenstappen. Vlak onder de Barre lag een gebied met lawineresten, die zich als gigantische witte blokken spreidden over een wit laken. We hadden er fantastisch verstoppertje kunnen spelen. Maar we gingen door over de gletsjer.
Onder Roche Faurio troffen we de yogamiep, zittend op haar tas, haast arrogant wakend over de gletsjer. Vrolijk fantaseerden we over wat haar was overkomen.

Onze blik ging regelmatig naar het couloir en ik was verbijsterd door haar verschijning. Serieus? Zaten we daarop vanmorgen? Het was  onfatsoenlijk lang en werd steiler naarmate we er rechter voor stonden.  We gloeiden van trots. Ik bedankte de voetstapjes.

We moesten nog afdalen naar Pré Madame Carle, de typische prijs die volgt  na elke laatste tocht vanuit de Refuge des Écrins. Ons eten was helemaal  op, en zo ook onze benen en onze motivatie. Maar shit, we hadden Barre Noire gedaan.

Pimpelpaars met franjes.

Als een vliegmachine

Ik ga zo snel! Ik ga zó snel!!

Op welke leeftijd word je op een fiets gezet? Is dat een jaar of drie, op iets roze’s met zijwieltjes en een grote toeter?
Ik kan me mijn eerste meters op een echte fiets nog herinneren. Het was met mijn buurmeisje. Samen pionierden wij  alles in onze kinderwereld, zoals dikke witte besjes schieten door smalle pvcbuizen en weggetjes krijten op de straat. Leren fietsen deden we als vanzelfsprekend naast elkaar, met onze vaders die ons aan onze bagagedragers in balans hielden tot ze dachten dat we zelf voort konden. Ga ik zelf? Pap!? Je gaat!! Je gaat!!

Ik ga!

Er zijn niet zoveel dingen die je (onbewust) iedere dag  vanaf je derde doet en óók haast ongemerkt voor lange tijd uit je latere leven kunt schrappen. Ademen, poepen en eten kun je niet drie maanden laten en zeker niet ongemerkt. Douchen wel, maar dat wordt snel vervelend, met onze culturele achtergrond.
Misschien een reis door een land zonder deuren of lampen om aan of uit te knippen, terrein dat om schoenen vraagt, of spiegels om in te kijken. Toch neemt fietsen een bijzonder plekje in; het is méér dan routinematig, maar minder dan bewust vermaak.

Iemand heeft me bovennatuurlijke kracht gegeven. Ik ga zo snel.

Maandenlang was ik te voet, struinend over de camping, bergen op en bergen af. Een dag verliep met de snelheid van het lopen.
Na thuiskomst wandelde ik langs het Amsterdams Rijnkanaal, om toch wat beweging in mijn lichaam te krijgen. Revalidatie.
Voor mijn vertrek naar de bergen was mijn fiets gestolen, of kwijtgeraakt of kapot gegaan, iets in het scala van rampspoeden dat een Amsterdamse fiets te voortduren krijgt. Op een optimistische middag sjokte ik, gedirigeerd door marktplaats, naar een achterafbuurtje in Amsterdam en testte een gestolen fiets van een vrolijke man. Maar mijn bil, de bil, Mevrouw Bil, zag het nog niet zitten.
Ik liep naar de winkel om de hoek, naar de studie op Roeterseiland, naar mijn werk in Noord. Ik liep en ik liep en ik liep.

8 september 2014. Ik leen Fiekes fiets, rijd hem de schuur uit en sla mijn been over het zadel. Mijn linkervoet zit al op de trapper, mijn rechtervoet haal ik voorzichtig om hoog. Het gaat. Ik trap zachtjes, maar ik schiet vooruit. De straat uit, door de Molukkenstraat, langs groente en fruit en mensenstromen. Over bruggen en langs water, ik schiet langs grijs en blauw en boze forenzen. Soms bomen, soms geuren, maar van dichtbij kan ik niets echt waarnemen want ik ben zo snel als iemand die op een fiets zit.

Ga ik zelf? Ik ga zelf. Ik ga zó snel.