Het vertrekken van de bus
Ik ga naar Zwitserland. De bus vertrekt om zeven uur. Mijn hele dag draait om dat tijdstip. De tijd ervoor heeft geen waarde, wat ik er ook mee doe. Ik pak mijn tassen in en leg mijn paspoort klaar. Drie keer verzeker ik mezelf ervan dat ik de boel bij elkaar heb. En dan wacht me een dag. Ik rommel en lees wat, scharrel over het internet, het maakt allemaal niet uit. Het idee van de naderende operatie schopt me het huis uit, langs het Flevopark en het water, als een laatste hardloopsessie voor de executie van mijn mobiliteit. Het gaat niet goed en niet slecht, alles verdwijnt in een groot doelloos niets en ik ben kampioen in het nu-leven. Thuis spring ik onder de douche en in mijn buskleding. Ik voel me een onderdeel van mijn bagage, een blond mensenhoofd dat erbovenuit steekt, wachtend op klokslag zeven uur. De tijd lijkt te groeien, alsof ze zich volvreet met elk miniem stukje dag. Een onzekere impuls brengt me ertoe mijn busticket vast uit te printen, mocht …
