Oranjerood

Gillou popt op, willekeurig, een aantal keer per dag. Als gevolg van gedachtegangen, via Fieke of Roel, Frankrijk of de bergen, auto’s of ongelukken. Soms speel ik herinneringen van afgelopen winter af en zie ik de ronde tafel waaromheen we met zijn familie en dochter de Thaise gerechten van zijn vrouw probeerden, het oranjerood van de Ardeche of het statische beeld van de eerste ontmoeting, toen hij ’s avonds aan de andere kant van de weg op ons wachtte en een lange zwarte jas droeg. Andere keren verbaas ik me over dood en niet-zijn. Ik huiver nu en dan om de fragiliteit van de hele bedoeling, niet alleen de zijne, iets fluistert ‘wie is de volgende’. Of ik denk, shit, ik moet hier nog iets mee. Maar vaak ook spoelen andere gedachten eroverheen.

Ik weet niet hoe je schrijft over doden, want ik heb het nog niet hoeven doen. Nu voel ik dat ik wel moet, dat ik niet kan schrijven over dagelijkse sores zonder dat ik aandacht heb geschonken aan het overlijden van Gillou. Misschien om het gemak te compenseren waarmee mijn bezigheden zich voortzetten nadat ik het nieuws had gehoord. Alsof er niets was veranderd in de wereld. Feit was; er was niets veranderd in de wereld. Niet in de mijne.

De herinnering aan Gillou had al een begin, middenstuk en einde. Zijn verhaal was afgerond en bestond naast alle andere verhalen.

Het vreemde is dat er middelen zijn om een verdriet te voelen. Als een goede auteur het verhaal van zijn begin en einde optekent, dan zou ik razend emotioneel worden. Ik vind dat stom, ik vind het stom dat alleen de wetenschap van zijn overlijden en zijn herinnering tezamen niet voldoende zijn om iets te voelen.  Het is alsof hij van mij niet de eer krijgt die hem toebehoort, tenzij er trucjes worden gebruikt.
Tegelijkertijd erger ik me aan het individuele project dat hij is geworden. Ik kan niets voor zijn familie betekenen, hoogstens wat woorden reserveren voor Fieke en Roel. Hoe ik verder tegenover hem sta is van totaal geen belang; het is mijn eigen ‘er iets mee moeten’ dat mijn gedachten aan hem karakteriseert.
Ik kan ook niet tegen Gillou zelf spreken, alhoewel het best mag zijn dat hij nog ergens is. Voor zijn familie is het ongetwijfeld mogelijk om zich tot hem te richten. Ik steek kaarsjes op voor mijn oma en dan is zij er ook. Maar zo’n aanwezigheid moet besloten liggen in de ervaring, en Gillou’s aanwezigheid voel ik niet. Ik kan dus niet spreken tegen Gillou en me op die manier verhouden tot zijn overlijden.

Er is niets dan de herinnering. Ik realiseer me dat ik verkeerd denk. Ik ben niet in de positie en niet in staat om te rouwen om zijn overlijden. Het zit hem slechts in die herinnering. Als ik me wil verhouden tot zijn dood, dan moet ik me verhouden tot die herinnering.  En die spreekt voor zich. Ik hoef niets daaromheen te fabriceren. Ik hoef niets daaraan toe te voegen, geen emotie of vraagstukken. De verandering die zijn overlijden voor mij teweeg heeft gebracht ligt slechts in het belang van het bewaren van die momenten, die anders misschien waren vervaagd. Precies zoals ze zijn.

En ze zijn prachtig. Ik durf ze niet te omschrijven omdat ik bang ben geen recht te doen aan wie Gillou was en hoe ik hem heb ervaren tijdens die drie dagen in Frankrijk. Maar het zit in mijn hoofd, rotsvast. Daar laat ik het. Dit is de manier.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s