Ze geven haar mee

Ik heb gezien dat hij knap is, maar kan nu niet kijken, want ik mag mijn hoofd niet bewegen. En al zou ik mogen bewegen, dan zou dat niet kunnen, want er zit een berg plastic om mijn nek.

Ze hebben me geparkeerd op een bed in de gang van het ziekenhuis in Sion. Naast me breekt de helikopterpiloot constructies af, rode voorwerpen waarin ik heb gevlogen. Meer weet ik niet, meer zie ik niet.
Soms duikt een hoofd op in mijn gezichtsveld en zegt of vraagt het dingen. Zuster één, zuster twee. Arts één, arts twee. Est-ce qu’elle parle Françias? Do you speak French? Est-ce que vous avez douleur? How is your head? Do you have pain? No?
De redders nemen afscheid. Good luck with your accident.
Ongeluk? Ik denk aan auto’s over fietsers en thee over baby’s. Neergestorte vliegtuigen en poep in de broek van een zindelijk kind.

Ik zucht.
Dus.
Het ziekenhuis.

Van gang naar IC

De kleuren komen overeen met wat ik verwachtte. Beigegrijze vierkantjes vormen het plafon, en de muren zijn witachtig, net als alle zusters en dokters.
Wat ik voel is maar een beetje. Ik voel me een beetje ongemakkelijk; mijn vingers liggen onder de deken in elkaar gefrummeld. Ik voel me een beetje nieuwsgierig. Ik voel me een beetje alleen en een beetje verzorgd. Ik voel me een beetje zielig en een beetje beschaamd.
Ze laten me lang wachten. Eerst was ik maximaal urgent, het middelpunt, en nu lig ik op de gang. De pijn in mijn bil voelt alsof mijn huid een wespennest heeft ingesloten.

Links boven me hangt een digitale klok met rode cijfers. 1600. Het vorige tijdstip was na drieën, vlak nadat we kozen voor de snelle afdaling. Dat hebben ze rap gedaan; nooit meer zal ik zo snel van een gletsjer in civilisatie raken. Mijn lichaam is nog koud van de sneeuw.

Zonder iets verklarends rijden ze me een ruimte binnen en lopen zwijgend weg. Ik hoor een vrouw met raspende stem rechts naast me, achter een gordijn, in gesprek met haar artsen. Mon mari, waar is hij, is hij al hier?

Een zuster legt een brede band om mijn linkerarm, een knijper om mijn linkervinger en koppelt slangen aan mijn rechterhand. Ze loopt weg.
Een zuster vraagt me naar mijn gegevens en heeft moeite om ‘de witte’ en ‘sibogastraat’ correct op te schrijven. Ze lacht veel. Ze heeft rode sproeten en een tatoeage op haar arm. Ze loopt weg.
Zes zusters en verplegers kleden me in minder dan een minuut uit tot op mijn thermokleding. De ene houdt mijn nek stil, de ander knutselt aan mijn gordel – waarvan ik de aanwezigheid was vergeten – , een derde probeert mijn bergschoenen pijnloos van mijn voeten te trekken en de anderen nemen elk een kledingstuk voor hun verantwoordelijkheid. Na drie dagen inspanning in dezelfde kleding zal ik wel stinken. Ze voelen mijn koude vingers en tenen en leggen een verwarmde deken over me heen. En ze lopen weg.

Ik wou dat ik kon volgen wat die vrouw hiernaast mankeert. Ze is het enige blijvende in dit universum.
Een arts komt naast me staan en laat me het ongeluk doornemen. Ze controleert mijn lichaam, van mijn hoofd tot mijn tenen, en schrijft op haar formuliertjes.
We first want to know if there is something with your neck, so we take you to the MRI. We have to wait until they have a place for you, ok? Are you ok? Do you have pain?
Ik heb een vaag vermoeden dat me niets mankeert. Niets echts, niets buiten een geschiedenis van een val van twintig meter. Ik sla pijnstillers af, om een beetje in het reine te komen met de toestand om me heen. Om aan hun te tonen dat ze het misschien rustig aan moeten doen met hun MRI’s en slangetjes. Maar als ze wegloopt heb ik spijt, mijn bil danst van pijn.

Ik begin één van de zusters te onderscheiden als mijn zuster, alhoewel ze niet sympathiek is en haar ogen spreken van hectiek.  Zij staat het vaakst aan mijn bed. De band om mijn arm is actief en blaast zichzelf om de zoveel tijd op, tot mijn vingers om adem schreeuwen. In schokjes loopt de druk weg. Dit is bizarre, denk ik. Nog steeds ril ik van de kou. Ik ben uitgeschakeld, zo immens overgeleverd aan onbekende processen dat het geen zin heeft om een wens of wil te vormen. Ik krijg het niet eens voor elkaar om te reflecteren op de val. De realiteit sijpelt binnen als een vage verplichting tot denken. Alles wat ik voel is maar een beetje. Een beetje verlaten, nu.

Van CT naar slaapzaal

Een zuster loopt langs mijn bed, naar het hoofdeinde, en wandelt met me de deuren uit. Ze rijdt me door een dolhof van verschillende plafons, allemaal weer van een andere tint wit. Bocht naar links, bocht naar rechts. Ik land in een kamer met onbeduidende uitvindingen die in mijn ooghoeken nog vreemdere vormen aannemen. Met vier man tillen ze me van het bed op iets anders. Mijn nek wordt zorgvuldig vastgehouden en beschermd.
When I tell you to breath in, then breath in and hold your breath. You understand? Keep your eyes closed.  Ik begrijp niet waarom mijn ademhaling relevant is. Mijn bil is relevant, dat kan ik ze wel vertellen.
Iedereen verdwijnt, ikzelf in een witte plastic buis. Een elektronisch stemmetje commandeert me zacht om in te ademen.
Doordat ik mijn ogen gesloten moet houden weet ik niet of ik de buis al uit ben. Ik hoor stappen, maar durf niet te kijken.
Ok, we are now going to give you a fluid that can feel a little bit hot in your body. It is so that we make the contrast bigger. So you might feel it.  Haar accent is fantastisch, zo mooi. Ze pakken mijn hand en knutselen er iets aan. Opeens stroomt een golf warmte mijn lichaam door, naar elke uithoek, elke cel, langs mijn oogleden en enkels en nekvel. Het is bloedheet. Holyshit. En weer verdwijnen zij en verdwijn ik.

Ik heb inmiddels door dat ik een klein taakje ben binnen een werkdag van veel verschillende mensen. Ik ben de scan van de ene, de administratie van de ander en het raadsel van de laatste. Nadat ik terug ben gekoerierd naast de vrouw met de raspende stem laten ze me weer lang alleen.
Ik ben het taakje van mezelf. De tijden die ik moet wachten veroordelen me tot denken, er is niets anders dat ik kan doen, maar ik heb niets om specifiek over te denken. Mijn denken lijkt wel leeg, ik kan nergens op aanhaken. Alle gedachten die ik aan het normale leven wijdt komen in deze context volslagen ridicuul over. De val wil ik niet vaker afspelen. Invullingen van of zorgen over de komende dagen voelen zinloos zolang ik niets weet. Mijn denken is leeg. Er is alleen een gevoel, een beetje een gevoel van totale overweldiging. Maar dat is zo nieuw dat ik ook daar niet zinnig over kan denken. Toch glijden tranen langs mijn wangen.

De arts staat met de uitslag naast mijn bed. Ze vertelt me dat mijn nek en bil er goed uit zien, maar dat ze lucht in mijn borstholte hebben gevonden en niet weten waar dat vandaan komt. Misschien van de klap van de val, misschien van een geschrokken inademing tijdens het vallen, in elk geval moet het daar niet wezen.
Huh, denk ik. Uit welke blauwe hemel komt dit. Ik heb geen last van mijn borstholte. Wat een onzinnige aandoening. Mijn bil spat nagenoeg uit elkaar, maar nee, de aandacht gaat uit naar iets dat alleen waarneembaar is op een scan.
So, we are going to keep you here tonight and if necessary, take you to surgery tomorrow. Until we know what is there, you cannot eat, I’m sorry.
Ik ben in de war. Hoezo niks aan mijn bil? En niet eten? Ik heb vanaf vanmorgen zes uur niets constructiefs gegeten, en ondertussen wél twee zinloze gendarmes van de Purtscheller beklommen. Ik ga dit niet trekken. Ik ga niet slapen vannacht.
Ze ziet dat ik geschrokken ben. Is there anything I can do for you?
Yes, I do am a bit thirsty.
Oh, I’m sorry, you can also not drink. Because, we don’t know where it is coming from. I will let them give you something that makes you feel less thirsty.

En weer lig ik daar een tijd alleen. Maar nu is het anders. Mijn verpleegster heeft het plastic van mijn nek gehaald, en dus zie ik voor het eerst de ruimte waar ik al uren in lig. Ik zie de kleur van het gordijn van de inmiddels verdwenen mevrouw. Ik zie een aanrecht met een kraan en handenwasvoorschriften in het Frans. Ik til mijn hoofd op en zie de deuren waar ze me in en uit hebben gereden. De band, die weer om mijn arm gebonden zit en zich af en toe opblaast, en het knijpertje om mijn vinger lopen via draden naar apparaten links in de kamer. Een scherm toont gekleurde lijntjes. Ik herken meteen het lijntje van mijn hartslag. Maar de andere kan ik niet plaatsen.
Eerst probeer ik mijn hartslag te beïnvloeden, maar ik merk dat het lijntje ondanks mijn toeren het ritme aanhoudt. Een ander lijntje blijft ook stoïcijns golven, maar het gele lijntje is wisselvallig en lijkt op me te reageren. Ik houd mijn adem in en ontdek de connectie. Dit is leuk.

Mijn verpleegster vraagt of ik niet mijn ouders wil bellen. Daar heeft ze best een punt. Ik probeer het eerst met de mobiel van Dorien, die ze op het laatste moment voor de helikopter wegvloog in mijn zak heeft gestoken, en bedenk tijdens het overgaan hoe ik dit ga formuleren. Mijn vader neemt op, de verbinding is slecht.
Hooi pap, met Ruby. Hooi. Niet schrikken, het gaat goed met me, maar ik lig wel een beetje in het ziekenhuis.
Ja, nee, ik ben gevallen. Maar het gaat goed, er is niets ergs.
Pap?
De tweede keer bel ik met de telefoon van het ziekenhuis en neemt mijn moeder op. Ze klinkt heel rustig, opvallend rustig, en ik vertel het verhaal tussen duizend zinnen van ‘het gaat goed’. Ik dacht haar te moeten kalmeren, maar zij kalmeert mij. Was ik onrustig dan?.

Dorien en Menno. Zullen ze al in het dal zijn?

Mijn verpleegster wordt eindelijk ontslagen van haar hectische werkdag, en ik ben blij voor haar. Een andere verpleegster rijdt een gigantisch ziekenhuisbed naast me en met hulp word ik over getild. Ik land in kussens, onder dikke dekens, en grinnik om het comfort dat me opeens ten dele valt. Dat is lang geleden. De zwerver krijgt een bed; mijn bil doet even minder pijn.
De verpleegster legt een grote plastic tas met mijn spullen aan mijn voeteneinde en duwt me door het ziekenhuis. Het is nog vreemder dan eerst, in dit bed-bed. Ik voel me weer ongemakkelijk worden. Haal me hier weg, dit is overdreven. Ik heb een officieus gekrenkte bil, dat is alles. Komt daar mijn gene vandaag, nu ik zo openbaar onder de dekens lig, gevloerd en overgeleverd?

De afdeling van Chirurgie is knalgeel.

Nacht

Ik lig. De tijd is me een beetje ontgaan. Naast me, achter het gordijn,ligt een roggelende oude vrouw. Ik hoor haar praten met de verpleegsters en geef haar een willekeurig uiterlijk. Vervolgens bedenk ik me dat ze misschien niet eens oud is. Ik heb alleen haar stem.

Aan mijn bed komen twee nieuwe verpleegsters. Ze zijn beide lief. Via sms weet ik dat Menno en Dorien op weg zijn, alhoewel het bezoekersuur versteken is. En weer, weer is er zo’n loos tijdsbestek waarin ik opgescheept zit met niet-denken. Slapen doe ik ook niet. Sneller dan ik verwacht staan mijn tochtgenootjes aan mijn bed. Ik ben me sterk bewust van hoezeer zij geschrokken moeten zijn en voel me, zonder nobel te willen zijn, oprecht blij dat ik diegene ben die zowel de fout heeft gemaakt als in het ziekenhuis ligt. We nemen alles door, vol verbazing en een beetje hilariteit, vol what the fack. Het wordt een eerste reflectie van vele. Ik merk een vreemd vermogen op om er een willekeurige draai aan te geven, zonder de waarheid teniet te doen. Nu wordt de basis van een verhaal gelegd, vanaf nu krijgt het feit ‘de val’ steeds meer woorden en emoties, steeds meer wending en kleur, reflectie en mening, fictie en realiteit.

Menno en Dorien vertrekken en ik word achtergelaten met de nacht. De vrouw naast me blijft roggelen.

Nu moet ik slapen.

Ik lig op mijn rug en mijn bil brandt tussen mijn lichaam en het bed. Ik draai op mijn linkerzij, maar de zwaartekracht drukt mijn bil pijnlijk op mijn andere bil. Een draai op mijn buik lost niets op, want weer drukt de zwaartekracht mijn bil op mijn lichaam. Shit, moet ik dan op mijn rechterzij gaan liggen? Op de bil? Met omslachtige bewegingen draai ik langzaam linksom. Warempel, het werkt. De bil vind steun op het bed, terwijl mijn lichaamsgewicht zich spreid over de oppervlakte.
Maar dan slaap ik nog niet. Ik heb honger, denk ik. Maar heel eventjes.

Twee uur later wekt de zuster me, en ik besef me dat ik meteen in slaap ben gevallen. Ze stopt een koud apparaat in mijn oor, zet een knijper op mijn vinger, legt een band om mijn arm en schijnt een lichtje in mijn ogen.
Twee uur later wekt ze me weer. En twee uur later weer, en weer. Ik speel gedisciplineerd in op haar handelingen door mijn hand uit te steken, dan weer mijn hoofd te draaien en mijn arm op te tillen. Telkens val ik in slaap haast nog voor ze deur uit is.
De laatste keer is het licht en blijf ik wakker.

Ik staar voor me uit. Ja, Ruby, wat nu?:
Ik sms Fieke. Mijn schrijfboekje ligt op een kastje, naast een ouderwetse telefoon en een knop om het bed of de verduistering aan te sturen. Ik murmel wat op papier, maar ga al snel door met voor me uit staren. De zwaarte van de vorige dag is verdwenen, en dat voel ik nu pas, want nooit was het expliciet aanwezig. Slechts vaag in alles wat ik een beetje voelde.
Nu ben ik een toerist in het ziekenhuis van Sion en aanschouw ik de gang van zaken die wisselend op mij van toepassing zijn. Op het moment gebeurt er alleen niet zo veel.

De vrouw naast me krijgt haar ontbijt. Ik ruik koffie en hoor toast kraken. Ze heeft slechts iets met haar been, zie ik door een kier die is ontstaan tussen de gordijnen. En ze is inderdaad oud.

Een jonge arts komt aan mijn bed en zegt me dadelijk onder nieuwe scans te leggen. Alsof het gedurende de nacht minder druk in het ziekenhuis is geworden, wordt ik snel daarop de deur uitgereden richting nieuwe kleine kamertjes met grote apparatuur. Het went niet, dat rijden in dat bed, ik kruip het liefst met kop en al onder de dekens.
Terug in mijn kamer blijkt de oude vrouw verdwenen. De lucht is weg, deelt de arts me een uur later mee. Ik mag bewegen en eten en plassen. Ik voel me ongedeerd en nog steeds wat gegeneerd. Die lucht ervoer ik meer als het probleem van de artsen dan het probleem van mij, maar goed, ik ben gezond.
Op een karretje serveert een tweetal me ontbijt. Thee en koffie, toast en jam en een plastic bekertje met chocolademousse. Dorien en Menno hebben me wat chocola achtergelaten, dat in kruimels op het bed valt en ik er niet uitgekrabd krijg. De lakens zijn zo wit. Even later komt het duo met cordon bleu en gebakken aardappels, sla en fruit op siroop. Mijn stemming wordt steeds beter, want de situatie is absurd: ’s ochtends om elf uur avondeten in een spierwit bed.

En dan.
Ze rijden een meisje binnen van rond mijn leeftijd. Het gordijn is volledig naar achtergetrokken, dus we delen de ruimte in meer dan geluid. Ze is ziek. Niet een beetje, ik heb geen idee wat, maar haar ogen zien grauw en haar spraak klinkt traag, haar hele sfeer is ziek. Ze belt haar moeder, tot zover reikt mijn Frans. Haar vriend stapt binnen. Godverdomme, denk ik. Shit, shit, shit. Mijn hoofd stroomt vol en maakt een volledige inhaalslag op de vorige dag. Ik lig in het ziekenhuis omdat ik mijn leven riskeer voor mijn plezier en mankeer geen fuck, en naast me ligt dat zieke meisje. Ik schaam me, zo erg dat ik hoop dat of zij, of ik naar een andere kamer moet. Niet lang daarna wordt ze weggereden. Ik haat mezelf.

Opstaan en weglopen

De wervelwind in mijn hoofd gaat liggen. Eigenlijk vrij snel. Het ziekenhuis en vooral mijzelf daarin vraagt mijn aandacht. Ik vergeet het meisje niet, maar stel mijn gedachten aan haar effectief uit. Later zal ze het gezicht worden van alle gene die ik heb gevoeld gedurende mijn verblijf in Sion.

Een verpleegster komt me uitleggen dat ik in feite alles mag, en die middag gewoon naar huis kan. Ze vertrekt en ik sla mijn slag, denk ik althans. Ik richt mezelf op en voel hoe elke cel van mijn bovenlichaam in tienvoud zichzelf draagt. Jesus. Meteen zak ik terug op bed. Ik ben echt, onmiskenbaar, een eind naar beneden gedonderd.
Het lukt me uit bed te kruipen door overal op af te steunen. Als ik eenmaal sta verbaas ik me over het feit dat ik blijf staan. Ik voel aan mijn bil. Gigantisch. Ik zet een stap en besef me weer dat mijn enkel gebrast is, maar net als mijn bil in een groot ziekenhuis haar relevantie verliest. Strompel, sleep, steunend naar het washok.
Vanuit de spiegel kijkt een onwijs normaal meisje terug. Ik ga wat dichterbij staan, en nog steeds zie ik normaal. Maar, onmiskenbaar, met een rechter megabil. Die linkerbil, die gaat een minderwaardigheidscomplex ontwikkelen.
Het is een groot gedoe om te plassen, vrouwen kunnen beter geen gehavende billen ontwikkelen, maar ik ben opgelucht. Alles komt goed. Ik waggel terug naar mijn bed en zak in de kussens, mijn hoofd dankbaar.

Ik weet niet zo goed waar ik nog op moet wachten. Het meisje wordt weer de kamer ingereden en dit keer ben ik erop voorbereid. Rond het middaguur komen Menno en Dorien aan mijn bed zitten en wachten we samen op niets. De dokter stapt binnen, kijkt naar mijn enkel en wil haar onder de röntgen hebben. Ze is toch relevant. Go enkel. Maar zo gezond als ik blijk, is (of lijkt, weet ik pas later) zij ook.
De foto is het laatste taakje dat ik vorm voor het ziekenhuis van Sion. De dokter geeft me formulieren mee voor mijn huisarts en verzekering. En een cd. Een cd met mijn lichaam erop, doorzichtig, met geheimzinnige lucht in mijn borstholte, een gezonde bil en een gezonde enkel. Met de cd in mijn handen loop ik langzaam de kamer uit. Ik zwaai naar het zieke meisje en fluister good luck bij volslagen gebrek aan beter, terwijl ik geen idee heb waarvoor ze geluk nodig heeft en twijfel of ik het wil weten.

Ik heb mijn gezonde lichaam op cd. Ik neem haar mee. Ze geven haar mee. Ik mag weg.

Niets van het ziekenhuis herken ik op mijn uittocht, maar ik kijk ook niet naar het dak wanneer ik naar buiten schuifel. Mijn hoofd deint mee met mijn bewegingen. Mijn bil steekt naar achter alsof ze heimwee heeft naar witte ruimtes. De zon verlicht mijn zware lichaam. Kijk me gaan, denk ik. Kijk me gaan, gekreukt, maar zo levend.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s