All posts filed under: Blogs

La Vachette

Begin deze week betrok ik een appartement in La Vachette, Vallée de la Clarée, vlak bij Rosier. Het appartement ruikt nog naar renovatie, behalve als ik wierook aansteek, wat de geur van verf en vers hout voor een uur of twee overstemt. De kamers zijn licht en groot, de vloeren glanzen en de muren zijn nog leeg. Ik huur het voor zo’n twee jaar en word begin oktober vergezeld door Fieke, die op de pistes van Serre Chevalier voor haar pisteurexamen wil trainen. Tot zover een droom die uitkomt. Ondertussen werk ik voor een Nepalees restaurant waar ik licht uitgebuit word door een 78-jarige vrouw en haar 20 jaar jongere Nepalese echtgenoot. Ik trek mezelf langzaamaan financieel uit het slob door Pakhora’s en Momo’s te serveren, begeleid door luide mantra’s uit een oude stereo-installatie die zichzelf herhaalt, net als het echtpaar, en zelfs al heb ik er een hekel aan weer terug te moeten vallen op de horeca, mijn dagen zijn zo slecht nog niet. Er is altijd iets leuks te vinden in de interactie …

Felgekleurde bloem

Iemand zei me dat de dag voor het ongeluk de heetste ooit gemeten op die datum was geweest. Ook onze dag, de 27ste, was heet. Zo heet dat we eigenlijk om drie uur ’s nachts op hadden moeten staan; zo heet dat het ijs tussen de rotsten boven ons in het couloir wegsmolt; zo heet dat we twee levens verloren. Als de wetenschappers zeggen dat de wereld opwarmt, dan eet je misschien wat minder vlees. Als de bergen bovenop je kop instorten en je miraculeus doorleeft, in tegenstelling tot twee meisjes precies zoals jijzelf, dan dringt het pas tot je door wat die wetenschappers eigenlijk bedoelden. De wereld warmt op en de gevolgen zijn nu al niet te overzien. In het ondoordringbare, duistere woud van willekeur groeien felgekleurde bloemen. Dit exemplaar valt niet te negeren. Ik wil best toegeven dat ik sinds het ongeluk op zoek ben naar iets dat mijn eigen overleven goedpraat, een zoektocht die me gevoelig maakt voor bedoelingen, lessen, verborgen boodschappen. Dat de opwarming van de aarde me aan het hart …

Le Rosier

Tussen het dak en de muur hebben tientallen kolmezen een nestje gebouwd. Ze fluiten wat af, die beestjes. Alsof er altijd iets geregeld moet worden, alle dertig een andere mening, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Het huis dat me heeft opgevangen, is een huis van verloren zielen. Een oud, koud, krakend, stenen boerenhuis en tevens opvangcentrum voor gebroken harten en getroebleerde geesten; passanten bij wie het leven al heeft toegeslagen. Na een week in het tweede dorp van Vallée de la Clarée, Le Rosier, in de mezzanine van een bijzonder gezelschap, wist ik nog steeds niet wie er precies woonden. Maar er werd accordeon gespeeld op de bovenverdieping en vuur gemaakt in de openhaard; overal lagen briefjes met vriendelijke boodschappen (vrienden, ik kom terug over een week, amusez-vous bien) en tijd werd verdreven met boeken en spelletjes. Ik heb me zelden zo goed gevoeld in een huis en een omgeving. De vallei zit vol klimgebieden en klimmers, de gang puilt uit van klimmateriaal en de boekenkasten worden gevuld door topo’s. De drukte …

Een monster misschien

We vluchten. We zijn al op de vlucht voordat we onze voet de opdracht geven om een stap te zetten. We rennen en verstoppen ons achter klein geluk, oud geluk, elkaar, de natuur, pogingen om ongeluk te begrijpen, tijdverdrijf. We vluchten weg voor de realiteit, wat dat in ons geval ook mag wezen. Een monster misschien, een monster met gespreide kaken dat zit en wacht. Voor sommigen heet ‘ie leegte, absentie of bodemloos verdriet, voor anderen willekeur of zinloosheid. Mijn eigen monster is een angstaanjagende kleurrijke bol substantie waar ik geen raad mee weet, waar ik soms niet eens bij kan, waar ik dan maar naar staar wanneer ik niet vlucht. Sinds twee maanden ben ik bang voor de dood. Mijn trein schiet van de rails, mijn auto botst en mijn touw scheurt, bommen vallen en het klimaat verandert; nergens ben ik veilig. Want ik ben er nog. Ze zijn me wederom vergeten op te halen. Maar ook wanneer ik vlucht, ben ik bang. De dood aan de ene kant, het leven aan de andere …

Honderd kleine handjes

Dit is een blog aan jullie: De berichtjes-stuurders, de steunpillaarvriendinnen, de lieve onbekenden, de dappere lotgenoten, de onmisbare filosofen en mam en pap. Ik schreef in mijn laatste blog dat ik behoefte had aan een sterke hand die me in de kraag zou grijpen en terug op mijn poten zou zetten, en ging daarmee razendsnel voorbij aan de honderd kleine handjes die me hebben opgevangen voordat ik met een klap op de bodem terecht zou zijn gekomen. Dankzij jullie ben ik niet gebroken; ik ben nog heel. Er zijn inmiddels ruim zes weken gepasseerd sinds het ongeluk. Ik heb nog nooit zoiets verschrikkelijks meegemaakt, maar ook nog nooit zoveel liefde gezien. Liefde voor de meisjes die er niet meer zijn, allereerst, voor alles. Maar ook liefde voor en tussen nabestaanden, betrokkenen, vreemden, en, tot mijn dankbaarheid, voor mij. De steun die ik afgelopen weken heb ontvangen is nog steeds onmisbaar en neem ik de rest van mijn leven met me mee. Daarmee zal ik zelf een weg omhoog vinden en stel ik me tegelijkertijd gerust …

Opkrabbelen

Ik was bang om terug te keren naar Briançon en had er nog reden toe ook. Fieke zette me af bij mijn flat en zodra ze wegreed kwam ik – poef – op de bodem terecht. Daar bleef ik liggen, en daar lig ik nog steeds. Het is eigenlijk gewoon te moeilijk, alles bij elkaar. Afgelopen maand speelde zich af in de absurde nasleep van het ongeluk, een soort parallel universum waar men ons in de gaten hield en we zelf niet verder keken dan een paar uur vooruit, waar ik een tijdelijk doel vond in mijn eigen verdriet en het bizarre gegeven van het nog in leven zijn (en het dus in leven blijven). Maar nu ben ik in de realiteit afgezet en die is anders. Die is hard. Ik heb geen geld, geen vast adres en geen enkel idee van de toekomst. Het geschifte en onzekere pad dat ik in het verleden koos en dat me naar mijn huidige onmogelijke uitgangspositie heeft geleid, kon ik voorheen makkelijk aan, want ik had een mentale …

Open raam (Fenêtre Ouverte)

Thibault zegt vaak: La vie est vraiment n’importe quoi. Het leven gaat werkelijk nergens over. De logica is inderdaad ver te zoeken als je vriendinnetje doodvalt in een couloir, met name als zij diegene was die eindelijk wat richting in het leven bracht. Ik heb Thibault vaak tegenover me en dan denk ik: Sorry, maar ik heb ook geen fucking idee. Alles is al gezegd. Zo’n twintig keer per dag benadrukken ze dat er tijd overheen moet gaan, maar ik weet dat voor jou de tijd stilstaat sinds Elise viel. De tijd van Christine staat ook stil. En van Geneviève ook. Maar als ik later alleen ben, weg van het verstikkende verdriet van nabestaanden, dan weet ik één ding toch heel zeker: Het leven gaat niet nergens over. Toen ik me voorbereidde op de examens, s ’ochtends in de badkamer van een vriend, hoorde ik de vogels fluiten door het open raam. Daar zat logica in. Rust van het n’importe quoi. Ik vond het ook in de knuffel die mijn moeder me gaf op Schiphol …

Lola

Lola is de hond van de tuinman. Ze mocht aanvankelijk niet naar binnen. De kleden waren er te mooi voor, zo groot als hele huiskamers, met zachte kleuren en patronen van rozen en klavertjes vier. Maar toen overleed Céline en waren de kleden niet meer belangrijk. Belangrijk was de liefde, en Lola had direct begrepen dat al haar affectie maar naar één iemand moest: de moeder van Céline. Zodoende zag ik ze altijd samen. Afgelopen week was op alle mogelijke manieren ongelofelijk. Niets sloeg op iets dat ik eerder had meegemaakt. En het was niet alleen mijn realiteit die plotseling van kleur was veranderd; overal om me heen waren mensen verward, triest en zoekende. Hoe de ouders van Céline en Elise, de broers en zussen en vriendjes, zich door het dagelijkse gemis heen moeten slaan is me niet duidelijk. Mijn uitdaging is significant anders. Ik heb geen gapend gat dat zich overal in manifesteert, ik kan langzaamaan het leven weer oppakken zonder constant geconfronteerd te worden met de absentie van een van de meisjes. Schuldgevoel …

Onze mythes (Nos Mythes, nos versions)

We vertelden het verhaal voor de eerste keer in kleine, verwarde flarden aan elkaar. Daarna vroegen ze ons om een eerste verklaring in het ziekenhuis. De politie pakte er een notitieblok bij en wij huilden ons chronologisch door het ongeluk. Vervolgens vertelden we het aan vrienden en familie, en de volgende dag nog honderd keer, als een officiële verklaring, het einde van twee dochters of een zoektocht naar een schuldige – zij het de bergen. We merkten alle drie dat het verhaal een eigen leven ging leiden. Het nam een vorm aan in de hoofden van diegenen die luisterden, in de woorden van diegene die erover schreven, en zelfs in onze eigen herinnering leek het nog aan de gang. Eerst vertelde ik over de steenlawine die met groot geweld over me heen raasde en Céline drie meter boven mij uit de muur sloeg. Een verhaal later herinnerde ik me dat Céline tegen me aan was gevallen, waardoor ik mijn ogen opendeed en haar de diepte in zag gaan. De ochtend na het ongeluk zei ik …

Céline en Elise (Céline et Elise)

We gingen met zijn vijven op pad en jullie hebben een andere afslag genomen. Sindsdien weten we eigenlijk niet meer waar we zijn of heen moeten. De weg door de shock, het verdriet en de liefde is niet duidelijk. Hoe verder jullie raken, hoe meer jullie nodig zijn om ons allen weer terug op het pad te krijgen. Er wordt zoveel van jullie gehouden, ik zou het jullie niet eens duidelijk kunnen maken. We sliepen niet gisternacht en zullen ook vannacht niet slapen. Alleen ’s nachts lijken we tijd en ruimte te hebben om jullie miraculeus terug te halen. En dat terwijl we allemaal dondersgoed weten dat jullie eindbestemming lang bereikt is. Céline en Elise, ik heb niet geroepen maar nu roep ik toch. Met alle liefde en kracht die ik bezit. Kom terug. _______ Céline et Elise, Nous avons emprunté ce chemin à cinqs et vous avez pris une autre direction. Depuis, nous ne savons plus où nous sommes, ni où nous devons aller. Notre route à travers le choc, la tristesse et l’amour …