De camping
Tijdens de confinement gingen Thibault en ik af en toe stiekem de hort op. Niet ver, misschien een kilometer of drie verder dan we mochten gaan, in het gezelschap van de occasionele wolf, langs krakende boomstammen en smeltende sneeuwvelden van een winterseizoen dat met een flop ten einde liep. Vooral toen bevriende artsen en verpleegsters zeiden dat er in het ziekenhuis maar weinig te doen was omdat de epidemie zich (gelukkig) niet bijzonder interesseerde in onze kleine bergstad, werd het moeilijk om de verlaten paden van onze stille omgeving te weerstaan. Het meest dominante geluid kwam, zoals ik al een keer had geschreven, van politiewagens. Aanvankelijk plukten ze slechts immigranten uit de bosjes, nu zochten ze eveneens illegale wandelaars met frauduleuze papiertjes om boetes van 135 euro uit te schrijven. Het aantal politiewagens dat zich dagelijks door onze smalle dorpen wurmde was indrukwekkend, het leek wel alsof we op elk moment dreigden uit te breken. Onze geheime wandeling liep daarom voornamelijk uit het zicht, we leerden alle geitenpaatjes van de omgeving kennen. Een zo’n pad …



