Author: Ruby Elizabeth

Ritme

Aanvankelijk dacht ik dat Bruno de enige magiër in de omgeving was, maar na een nacht van zo’n twaalf uur en een levendige droom op het einde, weet ik dat ook Yann, mijn opleider, een dubbelleven leidt. Hij verscheen in mijn droom gekleed in een lange, vilten, paarse jas, een mager silhouet met een bruine hoed op het hoofd, zijn donkere hertenogen precies het donker van de nacht waarin hij rondliep. Zo kende ik Yann nog niet. Hij is al jarenlang een van de vier opleiders van de CRET, diegene die ik het minst heb gesproken omdat hij altijd binnen zo’n tien seconden verdwijnt met de sterken onder ons. Hij skiet alsof skiërs bestaan in het besneeuwde woud, snel, licht en soepel als een horde elegante dieren dat het open veld traverseert. Niemand weet precies wat hij technisch gezien met zijn ski’s doet. Dat er magie rondom heerst verbaast me daarom niet. Misschien had ik hem al eerder voor magiër aan kunnen zien. Want ook zijn karakter is markant. Hij houdt zich op de achtergrond …

Hemelse Modder

Het huis waarin ik opgroeide was doormidden gedeeld. Boven woonde oma Sienie, een pittige oude dame en tevens de moeder van mijn vader, en beneden woonde wij, in het prachtige, warme, krakende labyrint van mijn jeugd. In het deel van oma stonden zware houten meubelen, cactussen, een piano, een enorme witleren hoekbank en een televisie op luid (zo luid dat we het nieuws beneden beter konden volgen dan zijzelf daarboven: ouderdom). En twee olifantenslagtanden zo groot als wijzelf bewaakten de toegang tot haar woonkamer. Tweede kerstdag was oma de chef en aten we aan haar ronde tafel, waar vaak ook, in de vakanties, een enorme puzzel lag (ik herinner me niet meer of we die afbraken voor de gelegenheid, dat moet haast wel). Ze maakte dikke Surinaamse pinda kippensoep en hemelse modder, een dessert met slagroom, ananas, lange vingers en rum voor de volwassenen. Ik heb dat laatste recept gemaakt op mijn verjaardag voor mijn Franse vrienden en ze keken er vreemd naar. Een dot met slagroom, ananas en lange vingers die met een flats …

Sinaasappels

De weg naar het ziekenhuis is glad, steil en alleen voor auto’s. Telkens wanneer ik er afgelopen weken langs naar boven liep, dacht ik: Handig dat het ziekenhuis toch al in de bestemming ligt. Ook vroeg ik me af waarom ze het mortuarium precies langs die weg hadden geplaatst, alsof de dood slechts een paar passen van het ziekenhuis verwijdert ligt. Ik moest erheen voor mijn tanden. Vijf tanden hebben ze er gister uitgetrokken, vijf gapende gaten en wangen zo gezwollen als sinaasappels, die ik niet eens mag eten. Soep, yoghurt en aardappelpuree, dat stond er op het boodschappenlijstje van de jongen die me ophaalde uit het ziekenhuis. De laatste keer dat ik onder narcose ging, was voor de operatie aan mijn enkel. Een stukje bot was losgeraakt na mijn val in 2013, de eerste scène in de bergen waarin ik eigenlijk dood had moeten gaan. Maar toen was alles nog anders. Toen overleefden we nog alles, het tijdperk van elastiek. Gisteren werd ik wakker en vlogen de helikopters nog boven het ziekenhuis van Briançon, …

Achtentwintig

Een heel mooi verjaardagscadeau lag vijf december, zo rond een uur of elf, op het tapijt in de woonkamer. Ik gilde toen ik het zag. Fieke riep geschrokken, Ruby, wat is er, en ik schreeuwde, er ligt een dooie muis op het tapijt. Tigrou zat ernaast en keek ons afwisselend met grote ogen aan. Mijn vriendje heeft het beestje bij zijn staart gepakt en naar buiten gebracht. Zo bij de rivier van La Vachette ligt een grafje met een kruisje dat net boven de sneeuw uitsteekt (zij het in mijn verbeelding). Ik weet niet of Tigrou de muis al eerder had gevangen en voor mijn verjaardag heeft bewaard of dat hij die ochtend speciaal voor mij is gaan jagen. Het muizenprobleem was in elk geval al weken oud en hij moet ergens toch hebben begrepen dat we, als kat zijnde, niet louter voor ons plezier achter muizen aan gaan, maar ook voor ons baasje. Een ander mooi verjaardagscadeau klonk zo’n tien uur later door dezelfde woonkamer, een lied op de melodie van Bella Ciao, begeleid …

Bruno de Magiër

Het is maandagavond, half zeven, donker als in winter. Fieke heeft een afspraak in het oude centrum van Saint Chaffrey en ik ga met haar mee. Er is niemand in het dorp. Alleen wat vastgeplakte herfstbladeren op de natte vlakte van het plein lijken te wachten op, misschien, een wind om ze los te trekken en mee te nemen Maar in een winkeltje op de hoek branden de lichten en de kachel. Daar loopt Bruno heen en weer, verstopt achter rijen skischoenen, tussen, onder en boven rijen skischoenen, een oude, gezette man met een frons en het krullende grijze haar van een vriendelijke maar vermoeide winkelier. Nu moet je eerst iets weten over skischoenen. Die zijn hard en zeker niet gemaakt voor warme, zachte mensenvoeten. Een skischoen maakt een ‘tok tok’ geluid als je erop klopt met je knokkels of een ‘tik-tik tik-tik’ geluid als je erin loopt over het trottoir. Ze buigen niet en willen vooral niet met je mee, behalve als de sneeuw toevallig valt en de helling steil naar beneden loopt. Maar …

Stemmen en Plingels en Tokkels

De parkeerplaats voor het conservatorium staat vol, want er is een pianoconcert gaande op de begaande grond. Ik zie ze door het raam, de pianist en zijn publiek. Ik hoor ze door de muren. De noten klinken pling pling na elkaar, door de stilte van het luisterende publiek. Maar de gangen zijn leeg en het trappenhuis ook. Buiten is het donker, binnen knippert het licht aan met een paar seconden vertraging. Ik hoor mijn stappen op de trap en de lage stem van een volwassen leerling op de eerste verdieping, gegrepen in een toonladder, van hoog naar laag en steeds lager. La-la-la-la-laaa. De stem van zijn lerares klinkt een octaaf hoger, luid, foutloos en zelfverzekerd. Als ik de deur van de eerste verdieping open, hoor ik ook de piano die hen begeleid, en ik hoor het zachte getokkel op een gitaar door een leerling zoals ik, achter de deur van mijn leslokaal, naast de warme stem van mijn leraar. Omdat ik te vroeg ben, kan ik alleen maar luisteren. Ik zit stil op de koude …

Cyclus

De kleur wit is terug in mijn verhalen. Zelfs nu de Mélèze nog oranje is, schrijf ik al over wit. Wit op de bomen, wit op de grond en de kleine storm in mijn hart, die alles begraaft in het wit. Het is November en ik kom thuis. Ik kan niet goed omschrijven wat het met me doet, die komst van de winter. Te veel om niet onzinnig te klinken, het is maar sneeuw, zou je zeggen. Maar het haalt me overhoop en zet me terug op mijn plek, de wereld waar ik alleszins vandaan lijk te komen, wat geenszins waar is. Hoe is het mogelijk. De fanfare van het skiseizoen staat voor de deur. Felgekleurde ski’s en schoenen, bekende namen van gevaarlijke afdalingen, koude, huilende kinderen, lawaai van aanbiedingen en geld dat in vier maanden verdiend moet worden, auto’s, files, bochten die op een bepaalde manier gedraaid worden, ski ik goed of ski ik slecht, waarom ben ik moe, waarom ben ik niet moe, was ik niet snel genoeg gisteren, niet snel genoeg, nee, …

Gastblog door de logerende mama

Mama gaat naar Briançon! Eerst een standbeeld voor de medewerker van de Treinreiswinkel. Want nee mevrouw wilde absoluut in één dag met de trein naar haar dochter in Briançon en mevrouw wilde net zo absoluut, niet over Parijs’. Werkelijk alle dienstregelingen, van de snelste TGV tot het meest amechtige boemeltje, passeerden aan het bureau de revue, maar Parijs bleef als een grote spin in het web. ‘Nou ja, dan toch maar over Parijs, maar vooral niet te duur én met voldoende overstaptijd én aan het raam én op een redelijke tijd aankomen…..’ De man gaf geen krimp en uiteindelijk stond ik weer buiten met echt álle kaartjes (zelfs voor de Parijse metro), wat een held. Dus nu was het verder gewoon een kwestie van op de goede volgorde in de bijbehorende treinen klimmen, als daar tenminste dat Parijs niet was geweest. Nou heb ik een ander kind, dat heel goed is met Parijs. Hij kan zijn moeder vanuit zijn stoel precies vertellen welke borden ze moet volgen om van gare du Nord naar het gare …

Marktkoopvrouw

Florice is de flirt in de kraam schuin tegenover ons. Ik schat hem zo’n jaar of vijftig, met grijze lokken en een linker knipoog. Hij is niet te vertrouwen, die Florice. Noch zijn groenten. Op de markt staan producenten en doorverkopers. Doorverkopers herken je aan een te groot assortiment, ‘verschilt niet van de supermarkt’ zegt Thomas. Producenten staan er met hun eigen broccoli, aardappelen en pompoenen. Onze overbuurman ontbreekt het soms aan groenten, koopt ze dan in bij de Italianen op de hoek en zet ze voor een hogere prijs te koop in zijn eigen kraam. Het is zondag negen uur in Briançon. Ik sta achter een kraam gemaakt van bamboe, in de frituurdampen van ‘Les Saveurs des Îles’ (de smaken van de eilanden), van Samossa’s en Nems met garnalen, kip of groenten. Mijn klanten zijn met pensioen, want de romantici en uitslapers liggen nog op bed en komen twee uur later, en de gezinnen hebben eveneens tijd nodig om op te starten. Thomas frituurt ons koopwaar en legt het dan in bakken voor me. …

Kortjakje

Het is vrijdagavond en het donker is net gevallen. Ik slinger mijn gitaar aan de hals mee naar de Citroën AX, die geparkeerd staat op een stuk gras naast de Clarée in La Vachette. De achterbak gaat open wanneer ik voorzichtig aan het kleine touwtje trek dat uit het slot kruipt. Ik zet mezelf achter het stuur en trek ook aan de starter, en dan maak ik veel lawaai met mijn gaspedaal, want de AX start anders niet. Met name nu het kouder is. Voorzichtig draai ik haar een halve slag in de rondte, en dan rijd ik rustig mijn verlaten dorp door. Want het is stil op de Dodekippenkattenweg. En het is stil op De Verschrikkelijke Weg, tot aan Briançon, waar het eveneens stil is, van het oude centrum tot de dalende Chaussée tot mijn muziekschool. Niet uitgestorven, maar stil. Zoals in de bibliotheek. Mijn gitaarleraar komt uit Gap. Hij is een jaar of vijftig en heeft een klein brilletje en een kale kruin. Ik zit tegenover hem en laat ‘altijd is kortjakje ziek’ …