Latest Posts

‘De Weg naar Boven’ door Bas Visscher

Alles om me heen is wit. Mijn doel voor vandaag, de Pavé hut, ligt ergens in de mist verscholen. De sneeuwvlokken dwarrelen naar beneden. Ik ben nat en koud. Het enige geluid dat ik hoor is mijn eigen gehijg en het neerdalen van mijn stokken en schoenen. Mijn gedachten nemen de vrije loop en gaan rond in cirkels, telkens terugkomend bij vragen, onderwerpen of mensen waar ik al zo vaak aan heb gedacht. Het gaat over van alles en nog wat, van autoproblemen tot nieuwe liefdes. Het is ongestructureerd, opkomend en verdwijnend, irritant herhalend en het hoort vooral bij urenlang door een leeg berglandschap ploegen.

‘ Ik ben moe!!!’, schreeuw ik naar beneden. Mijn handen verdwijnen voor de zoveelste keer in de pofzak, in de hoop meer grip op de rots te krijgen. De zon brandt op Rocher Maubert. Onder me staan Ruby en Fieke, de Nederlandse vriendinnen die al jaren geleden Amsterdam-Oost hebben ingeruild voor het leven in de bergen. Ik hang in Namaste (7A+), een van de meer klassieke routes in dit gebied. Het klimmen is voor mij uitdagend en mijn onderarmen zijn al leeg van de eerdere routes vandaag. Maar toch probeer ik mezelf nogmaals te pushen om zo goed mogelijk te blijven klimmen. Mijn volledige bewustzijn is gericht op de structuur van de wand boven me. Ik probeer de weg van de minste weerstand te ontdekken, als een code die ontcijferd moet worden. Hoe ga ik in vredesnaam dit laatste stuk overwinnen terwijl ik me al zo gaar voel? Of Fieke en Ruby iets terugroepen registreer ik eigenlijk niet eens.

Voet voor voet ga ik verder door de diepe poeder. Vanmorgen vertrok ik bij mijn busje, met het doel om te trainen en minstens 1 of 2 uur sneller te zijn dan de aangegeven 5 uur die voor de route naar de Pavé hut staat.  Ik passeerde een groep van 5 toerskiers, die nog een vrolijke groepsfoto maakten in de regen. Zij leken onderweg naar de Refuge Adèle Planchard. Het waren de laatste mensen die ik tegen kwam. Naarmate ik hoger kwam veranderde regen in sneeuw, en verdween het pad onder een dikke witte laag sneeuw. Nu ben ik mezelf aan voortploeteren door de poeder, de structuurloze sneeuw die diep in mijn schoenen naar binnen dringt en mijn sokken nat maakt. Ik ben mijn voornemen om sneller te zijn dan de gidsjestijd al lang uit het oog verloren en ik vraag mezelf steeds meer af of ik überhaupt in de hut ga aankomen.

‘ Het laatste stuk zijn een aantal jeté’s’, vertelde Ruby me voordat ik aan de route begon. ‘ Dyno’s’? , vraag ik, niet zo comfortabel in het Frans als ik graag zou willen. ‘ Nee, dat niet, maar het zijn grote bewegingen.’ Met die woorden in gedachten zet ik mijn hele lijf op spanning en maak een moeilijke traverse naar links, net onder de finale van de route. Mijn hartslag is hoog en ik heb dorst. Dan de eerste grote beweging. Gelukkig vinden mijn vingers net houvast achter de rots en blijf ik ternauwernood hangen. Pffff. Heb ik het nog in me om de laatste meters af te leggen zonder te vallen?

Ik besluit om te draaien. Het sporen door de poeder is bijna niet meer te doen en de helling wordt steil. Bijna niemand weet dat ik hier ben en ik heb geen bereik met mijn telefoon. Plus dat de hut nog niet in zicht is. Ik begin naar het dal af te dalen en het rillen start. F*ckin koud, waarom heb ik niet meer kleren meegenomen? Alles is nat. Mijn gedachten gaan steeds meer richting zelfmedelijden en de waarom-vraag, de o zo vertrouwde vraag als ik het zwaar heb, komt weer boven.

Dan klip ik het topanker van Namaste. En sla ik de schuifdeur van mijn camper achter me dicht als ik terug ben van de wandeling naar de Pavé hut. Het is klaar. Een gevoel van rust overheerst, van even niets meer hoeven, of misschien zelfs een gevoel van tijdelijke tevredenheid. Is dit dan waar ik het voor doe? De uitdaging aangaan, het diep vermoeiende proces van het sporten en daarna het genieten van de rust? Misschien. Hoe dieper de fysieke inspanning, des te intenser de mentale ervaring. Elke keer opnieuw, of het nou aan de rots is of in de sneeuw.

Mezelf daaraan blootstellen voelt paradoxaal, want het afzien en het risico is lang niet altijd leuk. Maar toch ga ik steeds weer opnieuw. Waarom dan toch? Lastig te zeggen. Maar voor mij is het zeker dat sporten in de bergen of hangen aan de klimrotsen iets geeft dat bijzonder is. Maar ook iets is dat tegenstrijdig kan zijn met mijn eigen gevoelens. En toch uiteindelijk altijd weer heel erg de moeite waard is. Ik weet niet of ik er ooit genoeg van krijg. Misschien wel. Maar tot die tijd blijf ik terugkomen.

Op de site van Bas kun je verhalen vinden over zijn klimavonturen (van alpinisme in Chamonix tot sportklimmen in Russan en tradklimmen in Ettringen) en expedities (Pakistan, Alaska). Hij reist momenteel door Europa met zijn bus vol klimspullen, bereidt een volgende expeditie voor en onderzoekt de mogelijkheid van een leven in Frankrijk. Wordt hij binnenkort onze valleigenoot…?

Waar Trauma Woont


Een paar weken geleden schetste mijn psycholoog een brein op een whiteboard en tekende daarin een rondje. In dat rondje woonde volgens hem mijn trauma. Hij schreef er ‘limbisch systeem’ boven. Ik had zelf wel eens over trauma gesproken in de context van het ongeluk, maar dacht toen aan het soort huis-tuin-en-keuken trauma’s waar iedereen wel een beetje mee rondliep. Moeilijke gebeurtenissen waar je zeg maar wel overheen komt met behulp van wat tijd. Dat ik werkelijk ‘getraumatiseerd’ zou kunnen zijn was best een verassing.

Wat ik inmiddels van mijn psycholoog heb begrepen is het volgende: in het geval van trauma slaat het brein een ernstige gebeurtenis verkeerd op. Die stopt de enge herinnering niet bij alle andere herinneringen in het grote archief van de cortex, maar in het limbische systeem (het rondje). Het limbische systeem staat in verbinding met het lichaam en bezit tevens hét alarmsysteem van ons wezen. De ratio heeft er geen toegang. Omdat die enge herinnering hier nestelt, gebeuren er soms gekke dingen. Als er zich namelijk een (volstrekt veilige) situatie voordoet die slechts een klein beetje lijkt op de enge herinnering, gaan alle alarmbellen af en maakt het lichaam zich klaar om te vechten of vluchten. Voordat je dus ook maar vaag denkt aan een eventuele link tussen het kleine gebeuren en de grote verschrikkelijke gebeurtenis, gaat het hele lichaam door het dolle in een poging een gigantisch maar totaal absent gevaar het hoofd te bieden.

Voor een wat duidelijkere uitleg staat het internet natuurlijk vol; ik vond zelf dit filmpje (Nederlands) en dit filmpje (Engels) fijn om te kijken.

Aan de hand van deze informatie begrijp ik eindelijk waarom ik soms zo extreem reageer en waarom mijn strategieën om daarmee om te gaan zo weinig hebben uitgehaald. Waarom mijn hart bijvoorbeeld ontembaar begint te kloppen wanneer ik aan de wand hang en een vogel voorbij zie vliegen, een vliegtuig of een takje. Een brute beweging van de arm van mijn tochtgenoot kan eigenlijk al wel genoeg zijn, een geluid, een enkele blik in de leegte. Het ongeluk woont namelijk in mijn limbisch systeem en vertelt mijn lichaam, en mijzelf, dat ik weg moet. Nu. Meteen.

Het fijne aan het labeltje ‘trauma’ is de therapie die ermee gepaard gaat en het feit dat er dus een oplossing voor blijkt te zijn. De ernstige gebeurtenis kan in principe, in stukjes, uiteindelijk toch naar de cortex gestuurd worden, bij de andere herinneringen, waar íe hoort. Ik begon zelf namelijk te vermoeden dat het bergbeklimmen gewoon niet meer kon. Het lukte me niet meer. Er waren alleen nog maar monsters en demonen en ik was het, ondanks mijn liefde voor de bergen, van ze aan het verliezen.

Huiswerk

Omdat het limbische systeem (waar mijn trauma woont) en mijn lichaam buiten mijn denken om samenwerken, wil mijn psycholoog dat ik eerst leer om mijn gevoelens, al mijn gevoelens, mijn bewustzijn in te dwingen. Hij zegt dat ik mijn cortex eerst moet loslaten op de ‘gemakkelijke’ emoties, voordat ik die naar die ene grote, moeilijke, kan sturen. Daarom moet ik gedurende de dag lokaliseren waar in mijn lichaam (buik, borst, keel…) ik wát voel (geluk, verdriet, angst, walging en woede).

De Therapie

Wat we vervolgens in de sessies zullen doen, is het neutraliseren van mijn herinnering aan het ongeluk, mits ik het goed heb begrepen. Ik zal gedetailleerd over de scène praten en hij zal me telkens onderbreken, waardoor hij mijn persoonlijke superenge scenario opbreekt in normale, ongeladen stukjes en deze kunnen worden overgebracht naar het grote archief. 

Nu heb ik nog een ander ongeluk gehad (het eerste ongeluk, mijn eigen val), wat in theorie een beetje resideert naast mijn andere trauma in mijn lymbisch systeem. Welk we precies gaan aanvallen is nog even de vraag. Soms werkt het beter (wederom, als ik het juist begrepen heb) om het ‘makkelijkere’ trauma op te lossen, wat zijn uitwerking heeft op het ‘moeilijkere’ trauma, waardoor je niet persé zo diep hoeft te duiken in het laatste.

Bijleren

Er is een hoop dat ik niet werkelijk begrijp, omdat ik het brein nog lang niet goed ken, over trauma nauwelijks gelezen heb en aan het begin sta van mijn eigen therapie. Wat hierboven geschreven staat is slechts wat ik van mijn (Franse) psycholoog begrepen heb. Ik zal dingen corrigeren zodra ik zelf bijleer, aarzel echter niet om correcties (of interessante weetjes) te plaatsen in het commentaar, mocht je daar uiteraard toe gemotiveerd zijn.

Middenin het dorp



In La Vachette gebeurt momenteel van alles waar dorpsbewoners het gepassioneerd wel of niet mee eens zijn, daarom zie ik ze meer dan ooit in groepjes tussen de huizen. Het grootste evenement heeft betrekking op een stukje gemeentegrond. Net na de kerk splitst de hoofdweg van het dorp in tweeën; de ene tak loopt richting Névache en is levensgevaarlijk voor kinderen en katten, de andere loopt langs een rij kleurrijke huizen, de herberg en een fontein. Hier blijft het een stuk rustiger. Alhoewel je er geen tweejarige met houten loopfiets op zou laten spelen, vind ik er geregeld oudere dorpsgenoten die maar een heel klein stapje opzijzetten voor een passerende auto.

Het stuk gemeentegrond ligt op een steenworp afstand van deze weg. Middenin het dorp, aan het water, momenteel in de zon vanaf een uur of tien ‘s ochtends, met een prachtige boom in het midden zou het ’t perfecte dorpsplein kunnen worden. Een schommel en wat bankjes, gras voor de honden om in te poepen waar iedereen boos over zou kunnen worden, een hekje langs de rivier en een terrein voor Jeu de Boules, zo zien we het voor ons. Met name nu jonge gezinnen zich installeren en al drie (en een halve) baby’s zich klaarstomen voor hun houten loopfiets, om binnenkort dagelijks aan onze buurt van hangende opa’s en oma’s te laten zien hoe lief en groot ze worden.


Ze willen er een parkeerplaats van maken.

La Vachette hoort bij de commune van Val-des-Près, het derde dorp richting Névache, op zo’n tien kilometer afstand. Daar woont de burgemeester en worden de beslissingen genomen. Het is duidelijk dat de burgemeester geen Pétanque speelt met de anderen of baby’s groot laat groeien vlak naast de Dodekippenkattenweg. Je moet praktisch zijn als burgemeester en het is waar dat er parkeerplaatsen ontbreken, met name wanneer Parijs, Lyon of Marseille komt uitwaaien in de vallei. Dat er net buiten het dorp genoeg (communaal!) terrein is om al het blik op te vangen is niet relevant wanneer er binnen het dorp zo’n mooi stukje terrein, lekker centraal, geasfalteerd zou kunnen worden.  

Mijn eigen mening is vrij duidelijk. Daarom snel ik het huis uit wanneer ik zo’n groepje zie of hoor praten en voeg ik me bij het cirkeltje, met een hand in mijn zij, voeten net wat wijd uit elkaar en een meeknikkend hoofd. Thibault schrijft ondertussen een brief aan de burgemeester. We hebben weliswaar nog geen peuter op een loopfiets maar wel een dikke kat en vinden daarbij dat de gemeenschap van La Vachette een echt dorpsplein verdient.

De eerste keer dat ik Petanque speelde in het dorp, zomer 2019, vlak naast het stukje gemeentegrond.

Dit is spleetklimmen



Een tijdje terug schreef ik over sportklimmen: klimmen over een rotswand langs een lijn met haken.

Voor klimmers heeft die rots een reeks treetjes en greepjes waar ze allerlei namen voor hebben. Een grote greep noemen ze bijvoorbeeld een bak, een randje heet een reglette in het Frans en een klein gat heet een pocket in het Engels. 

Bij spleetklimmen klim je net zoals bij sportklimmen over een rotswand naar boven, maar langs (of in) een spleet. Je klimt niet persé van greep naar greep en van tree naar tree, maar wurmt je voeten en handen (of vingers of hele lichaamsdelen) in de spleet. Het is een wereld apart. Technieken zijn nodig die je als sportklimmer niet persé beheerst. Je kan dus, na jaren van sportklimmen, compleet beginner zijn in spleetklimmen.

Allereerst maar weer een filmpje: Hazel Findlay in een heel moeilijke spleet in Utah.

Noor


Het spleetklimmen draait om de breedte van de scheur. Afhankelijk van de ruimte tussen de twee wanden klem je er een deel van je lichaam in vast. Dat kan een stel vingers zijn, je vlakke hand, je vuist of als je het maar gek genoeg wilt, je hele bovenlichaam. Ondertussen klem je er ook je voeten in vast, je knie of je hele onderlichaam. Je zou volledig door een spleet verslonden kunnen worden. Maar meestal begin je toch wel met een bescheiden hand- en voetverklemming (de Engelsen hebben het over jammen: hand jam, fist jam, knee jam etc.).

Die verklemmingen vereisen best wel techniek, omdat je het passende lichaamsdeel op de juiste manier moet verklemmen, wil je er vervolgens aan kunnen hangen. Dat vergt enerzijds kennis en beheersing van het verklemmen zelf, en anderzijds een hoop ervaring. Spleten zien er immers allemaal anders uit, ze lopen alle kanten op en variëren telkens in wijdte. Om snel de juiste verklemming te vinden moet je het toch wel een paar keer gedaan hebben.

Voor de aspirant spleetklimmers onder ons zijn de filmpjes van de Wide Boyz leuk om kijken, daarin worden de klemtechnieken helder uitgelegd.


Afgelopen week gingen Thibault en ik op een kleine spleetklimstage en daar was ook Bas Visscher: een spleetklimmer met de ervaring en kennis om ons de hele bedoeling correct aan te leren. Naast heel gezellig (ik herhaal héél gezellig, want Bas is héél gezellig) was het ook lastig. Spleetklimmen voelt, met name in het begin, als systematisch wanhopig ledematen achter een stuk rots klemmen. Waar ervaren spleetklimmers zich als klittenband in de scheur haken, leg ik de verkeerde verklemmingen op de verkeerde plekken of voel simpelweg niet hoe mijn ledemaat geacht wordt in de spleet te blijven hangen onder belasting van mijn lichaamsgewicht. Op de sporadisch solide jam na verbruik ik al mijn (wils-)kracht razendsnel om toch maar een soort van in de wand te blijven.

Het doet ook nog eens best wel pijn.

Ik zou het omschrijven als pijnlijk en wanhopig.


En toch heb ik een enorme drang om het spleetklimmen te beheersen. Het ziet er niet alleen bijzonder mooi en natuurlijk uit wanneer iemand als Bas door een scheur ‘wandelt’, maar het voelt ook, occasioneel, als iets heel krachtigs en efficiënts. Het volgen van een scheur in een rots is dwingend en logisch. Waar routeopeners hun routes verzinnen op basis van verschillende kenmerken van een rotswand (die greepjes en treetjes waar ik het eerder over had), kan er omtrent een spleet niet zoveel worden verzonnen. De natuur geeft de hele uitdaging in die enkele spleet.


Wat in dit verhaal natuurlijk ontbreekt (zoals jullie klimmers ongetwijfeld al hebben opgemerkt) is de wijze waarop deze spleten worden afgezekerd. Spleten zijn bij uitstek geschikt om ‘zelf’ af te zekeren, dat wil zeggen: zonder boorhaken. Bij aankomst in een spleetklimgebied zit er dus niets menselijks in de muur, behalve misschien wat ledematen van onervaren spleetklimmers zoals ik.

Omdat ik zelf nog in het stadium van ‘poging tot beheersing van verklemtechniek’ verkeer, laat ik het afzekeren van de spleten nog even over voor de volgende blog. Dat is namelijk best ingewikkeld en interessant genoeg voor een eigen verhaal.

Bas, bedankt voor de tips, de foto’s en motivatie, zonder jou waren Thib en ik wanstaltig slechte spleetklimmers gebleven (het gaat inmiddels iets beter). Wat hoop ik op een dag het niveau te bereiken om samen wat bescheiden (berg?)scheuren aan te vallen. Ik zal er hard aan werken.

En Noor, mijn andere voorbeeld, guerrière, wat ben ik blij dat onze paden zich bij toeval zo even hebben gekruist en ik je heb mogen leren kennen.


Bas

Hieronder een fimpje van hoe het dus moet, Bas die klimt. Kijk hoe mooi!

Er was eens


De buurjongen zag er niet zo goed uit toen hij ons terras opliep, ruim een jaar geleden. De lente schoot overal uit de grond, maar het was net uit met zijn vriendin, hij was nog overtuigd van het feit dat ze de liefde van zijn leven was en Covid had de afstand tussen Wuhan en La Vachette vreemd genoeg overbrugd. Macron deed het land op slot en daarmee ook de herberg in het dorpscentrum, die onze buurjongen vlak voor de winter had overgenomen. Een sympathiek gebouwtje met een klein houten terras aan het water.

Ik had hem subtiel duidelijk gemaakt dat het interieur van zijn herberg misschien wat gedateerd was. Hij was echter kok en had niets met interieur, noch met booking.com, voicemailberichten of publiciteit. Waar hij warm voor liep, waren verse groenten, wilde knoflook en kastanjes, morieljes bij zijn risotto, melk van de koeien van Prorel en bier van brasserie Col de Lauteret, alcohol die hij zelf op smaak bracht met mélèze of besjes of wijn met citroen, aangeschoten klanten of vrienden en kaartspellen tot laat in de avond.

Het vale interieur veranderde niet gedurende die twee lege maanden in lockdown, zelfs de plastic kerstman bleef hangen. Tijd om het ding van het plafon te trekken was er genoeg, méér dan, maar hij wist niet wat komen zou en werd er moedeloos van.

De zomer die volgde bleek gek genoeg explosief. Stedelingen wilden allemaal naar de bergen. Naar de Vallée de la Clarée, waar een frisse bergbries woei en het virus gewoon even niet zo belangrijk meer was. De herberg zat vol, gasten hielden van zijn risotto, ik zag hem sprinten over de markt van Briançon met mondkapje en zijn rugzak vol prei. De kerstman hing nog steeds aan het dak, maar de buurjongen klaagde zowaar dat hij vrijwel geen tijd meer voor zichzelf had. Het ging dus goed. Hij kon de eerste klap van Covid financieel gezien opvangen en vond zelfs een leuk nieuw vriendinnetje.

Die herfst ging alles weer op slot.

Omdat hij van de overheid een substantiële financiële bijdrage kreeg kon hij zijn herberg aanhouden, maar de stoelen in de salon stonden op hun kop op de lange houten tafels en de lelijke cd-speler in de hoek haperde slechts voor ons. Hij maakte zoveel crème de marron en confiture de coing dat we na elke borrel, waarvoor we een viertal stoelen van de tafels hadden gehaald die we erna weer terugzetten, een glazen pot van hem meekregen.

Begin november leende hij zijn herberg uit aan een groep vrijwilligers en médecins du monde die hielpen bij de veilige oversteek van immigranten. Daar waren sommigen van het dorp niet persé heel blij mee; het kon hem niets schelen. Hij voelde zich op zijn minst nuttig. Maar toen zijn gasten hun verblijfplaats voor lief begonnen te nemen en het gebouwtje aan het water dikwijls smerig achterlieten, sloot hij de deur voor hen.

Die deur zou niet meer echt opengaan. Er was nog even sprake van een tweede financiële bijdrage van de overheid, maar daar kwam de buurjongen niet voor in aanmerking.

Het is begin mei 2021 en hij heeft het niet gered. Zijn relatie gelukkig wel, maar het duo vertrekt tot ons verdriet uit de vallei. Een groot afscheidsfeest waarin gezamenlijk het fiasco wordt verdronken zit er uiteraard niet in, maar misschien nodigt hij een schamel gezelschap uit waarmee we van zijn overdadige voorraad citroenwijn kunnen profiteren voordat een nieuwe, onzekere etappe begint.

Ik wens de nieuwe eigenaren van de herberg veel, veel succes toe.

Poëet



Je was om vijf uur ’s nachts vertrokken. Ik zette mezelf die namiddag achter de keukentafel, half vier, met koffie en een studieboek, mijn handen nog onder het pof van het klimmen. De bomen onderaan de rotsen hadden vol bloesem gezeten, een gordijn van roze bloesem waarachter mijn vriendinnetje omhoog had geprobeerd te klimmen. Het kwartsiet was oranje en geel geweest, de lucht strakblauw. Toen ik haar had laten zakken had ik gezegd dat ik wist wat ik wilde worden: poëet. ‘In dat geval word ik ‘de vreugde’, had ze geantwoord.

Ik las drie woorden over chromosomen en dacht toen aan jou. Als je om vijf uur was vertrokken hadden jullie, Jon en jij, uiterlijk om tien uur bovenaan het couloir gestaan. Hoogstens om elf uur. Over het couloir zelf hadden jullie nooit langer dan een uur gedaan. Na een siësta in de lentezon had je vast bedacht mij even een berichtje te sturen, een berichtje dat ik niet in mijn telefoon had staan. Ik belde je maar je nam niet op, las weer over chromosomen maar de woorden kwamen niet meer binnen.

Vier uur. Ik belde Jon, die had zijn telefoon uitstaan. Er was geen groene auto die kwam aanrijden, of ik nou door het raam keek of vanaf het balkon, geen getril van mijn telefoon. Ik stuurde een berichtje waarop geen antwoord kwam en kon mijn gedachten niet meer in het gareel houden. Wat was er gebeurd? Een losgeschoten rappel? Een blessure? De één op de ander gevallen? Een lawine? Ik zag je dood, ik zag je gewond, maar ik zag jullie ook met biertjes in de hand op het terras bij een vriend, je telefoon zachtjes trillend in de groene auto.

Lea nam niet op. Ik had haar niet bezorgd willen maken maar was zelf te bezorgd.

Half vijf. Ik keek op het internet of er geen reddingsacties in de Écrins waren uitgevoerd en las over een dag in maart toen de CRS maar liefst vijf keer de helikopter van stal had moeten halen. Een gebroken enkel, een knie, een uitputting etc. Je nam nog steeds niet op. Het boek van de chromosomen lag open op tafel en ik liep rondjes door het huis.

Vijf uur. Ik wilde maar één ding en dat was lachen over mijn eigen stomme zorgen, je in mijn armen sluiten en zeggen dat je een grote debiel was. Ik wilde je kussen op je gezicht en je blauwe ogen en je rusteloze tengere lichaam samenknijpen uit woede en opluchting, ik wilde op zijn minst drie rusteloze, tengere kinderen van je en gelijk maar een nieuwe koelkast uitzoeken waar we alle zes in zouden passen, inclusief Tigrou. Ik wilde je vertellen over mijn eigen stomme bloesem van die dag en als ik dat niet zou kunnen, dan zou alles instorten. Ik zou niet stoer zijn. Je zat in mijn toekomst, ik wilde je in mijn toekomst, jíj, ik hield van je.

En daar stonden jullie plotseling. Jon en jij, grijnzend op het balkon, jouw voorhoofd verbrand. ‘Hij was zijn pickel verloren op de heenweg’, zei Jon lachend. ‘Jouw pickel, trouwens, die hij had geleend. We hebben die dus lopen zoeken nadat we terugkwamen uit het couloir. Of nou ja, híj heeft die lopen zoeken, gedurende een uur of twee in de sneeuw. Ik heb zelf ondertussen schaakspelletjes gespeeld op mijn telefoon. Daarom was de batterij leeg. Hij hing trouwens in een boom, je pickel.’

Die avond in bed zei ik tegen je dat ik poëet wilde worden en toen zei je ‘dat is een mooi beroep maar dan moet je wel gedichten schrijven’ en toen zei ik ‘nou dat ga ik dan maar doen’ en toen vielen we in slaap.


Dit is dus sportklimmen

Tenen in rubberschoentjes op heel kleine treetjes, het lichaam vastgeplakt aan de rots, diezelfde rots soms op slechts een centimeter van de neus, salamanders die geschrokken wegschieten voor het gevaarte dat omhoogklimt, vingers gesloten om grepen, voeten die losschieten, armen van de Hulk, magnesiumpoeder op het gezicht en dan die fameuze vlucht naar beneden: Sportklimmen. Het seizoen is weer begonnen.

Voor de niet-klimmer-lezers van mijn blog geef ik vandaag een heel korte uitleg van het sportklimmen (ik dacht, daar is het misschien tijd voor).

Het idee achter sportklimmen is dat je op eigen kracht een rotswand omhoogklimt. In zo’n rotswand zit een route (door iemand bedacht) die is uitgestippeld met haken (ijzeren ringen die voor altijd in de rots zitten). Je neemt een touw mee, een zekerpartner en setjes (zie hieronder) en volgt de route in de rots tot je valt (of niet).




Als je valt, zit je gelukkig aan het touw. Hoe ver je valt, hangt af van je afstand tot de laatste haak. Dit kan bijna niets zijn (als je precies op de hoogte van je laatste haak bent) of iets meer dan het dubbele van de afstand die je boven je haak uitklimt (zie Voorklimmen op Eier Schaal). Als je een dynamische zekeraar hebt die ook nog eens goed oplet (populaire wezens onderaan een rots) is een verre val helemaal niet erg: je komt gewoon wat lager terecht. Maar spannend kan het soms wel worden.




Om een beter idee van sportklimmen te krijgen, zouden jullie op YouTube kunnen kijken naar een van deze grote klimsterren (inclusief hippe muziekjes, dat is belangrijk):

Margo Hayes : https://www.youtube.com/watch?v=49hU8qns6WY (deze is lekker kort)
Julia Chanourdie : https://www.youtube.com/watch?v=muDT1CW6PEc&t=211s
Adam Ondra : https://www.youtube.com/watch?v=f55Rm0wDy5k
Seb Bouin : https://www.youtube.com/watch?v=to-JaZjx3GA&t=513s

(Dit zijn overigens topatleten in héél moeilijke routes. Sportklimmen kan ook lijken op de beklimming van oma’s keukentrapje.)

Wat is nu zo leuk aan het sportklimmen?

Dat je op heel mooie plekken komt, de hele dag dicht bij de natuur blijft (geplakt tegen de rots) en in moeilijke routes zowel fysiek als mentaal alles uit de kast moet halen om boven te komen. Een passage in een route presenteert zich vaak als een puzzel. Los je die op via je intuïtie? Op basis van je kracht en souplesse? Of via je ervaring? Hoe meer je klimt, hoe sneller je zulke puzzels leert oplossen. En hoe sterker je bent, hoe langer je erover kan doen (al die tijd hang je immers aan de rots en dat vraagt nogal wat van je vingers en armen). Soms probeer je een route wel twintig keer voordat je eindelijk bedacht hebt hoe je het ding het beste uit kan klimmen, of voordat je lichaam de bewegingen eindelijk correct integreert. 

En dan plotseling: Wat zit je ver boven je laatste haak! Beheers je de angst en durf je door te klimmen? Zit je zo in de route dat je überhaupt geen angst voelt? Of laat je jezelf vroegtijdig vallen?  

In welke mate je klimmen spannend vindt hangt een beetje af van je aanleg (google Alex Honnold, iemand met een bijzonder brein) en opvoeding/omgeving (neem ik aan… interessant… volgens mij worden meisjes hier nog wel eens door achternagezeten…), je manier van omgaan met angst en gedachten (google Hazel Findlay, héél interessant), je ervaring (hoe meer je valt, hoe minder spannend het blijkt) en toch ook wel een beetje je entourage (hoe meer tijd je spendeert met vallers, hoe makkelijker het wordt om zelf ook de val te accepteren). Het leerproces is in elk geval interessant en levert daarbij buitengewoon bruikbaar gereedschap op voor het normale leven.

Mocht je een keer langs een land met rotsen komen en verleidt worden door deze (vreemde maar coole?) verticale uitdaging, ga dan eens op stap met een klimgids. Die hangt het touw voor je bovenin de rots waardoor er van vallen nauwelijks sprake is (zie toprope in Klimmen op Eier Schaal) en je gewoon kunt genieten van de beweging van het klimmen zelf. Het is leuk. Geloof me.




Fieke in een route in Rodellar
Klimei in Chamonix (fotocredits Matt Groom). Tegenwoordig klimmen we overigens mét plastic modeverschijnsel. Minder sexy maar goed voor het hoofd in geval van nood.

Roddelgeneratie


De hangjongeren van La Vachette zijn per stuk zo’n zeventig jaar oud. Tijdens de donkerste maanden van de winter ontmoeten ze elkaar voor het systematisch wegvegen van elke sneeuwvlok die het aandurft om hun oprit te vervuilen. Tip van de overbuurman: neem binnen vast even een flinke slok cognac, daar krijg je het warm van.

Nu de lente aanbreekt loopt het hele dorp van huis naar huis niet voor de sneeuw, maar voor de gezelligheid. Om de boormachine van de ene te lenen of de printer van de andere, om even te helpen met het sjouwen van een zak aarde of de laatste roddels op de rails te zetten. Vooral dat laatste neemt tijd in beslag.

Omdat ze er allen sinds decennia wonen, is de niet zo heel geheime kist vol interessante weetjes oneindig diep. Na een korte warming-up van luchtig gebabbel over het weer of corona, komt de buurman aan bod, de skileraar die een zoon heeft die aan zijn derde vrouw is begonnen en die hij net als zijn eerste twee al dreigt te verliezen omdat, nou ja, hij is er nooit en hij is ook niet aardig. De huisbazin van het appartement aan het dorpsplein komt misschien zelf weer in het dorp wonen maar hopelijk toch niet want haar hond poept alle dorpspaden vol, en de bejaarde op de hoek is nogal een vrek. Haar hele familie trouwens. Het gebouw aan de overkant is overigens van de kleine boer aan de weg naar Val-des-Près (niet te vertrouwen) maar de kerel die er momenteel woont, betaalt al zeven maanden zijn huur niet. En de knappe oude berggids aan het water neemt zo nu en dan een gast van de gîte mee naar bed.

La Vachette is een prachtdorp. De oude generatie is springlevend en heeft de ballen van petanque al afgestoft voor de eerste ronde van het jaar.

Veel van de dorpen in de omgeving lopen daarentegen leeg zodra een tussenseizoen zich aandient. Ze hebben hun ziel definitief verloren: enorme boerenhuizen met gesloten luiken, geen hond die op het pad poept. Stedelingen met glimmende auto’s komen slechts nu en dan een week hun vakantiestekje warmhouden of stoppen het vol met Airbnb in het hoogseizoen. Zelfs de meest bouwvallige barakken worden voor hoge prijzen opgekocht, soms eventjes via het internet. Leeftijdsgenoten die denken aan het kopen van een huis kunnen in onze vallei niet meer terecht, daar is het allemaal te duur voor geworden.

Als de roddelgeneratie La Vachette verlaat voor een plekje daarboven, hoop ik dat hun kinderen of kleinkinderen terug naar het dorp trekken, of dat hun huizen op de één of andere manier in handen vallen van gezinnetjes die over elkaars problemen praten met de buren. Het is ongelofelijk leuk om een paar jaar in een Frans bergdorp te wonen waar Franse bergbewoners dag in dag uit aanwezig zijn.

Maar we moeten wel een klein beetje oppassen met de persoonlijke details die we na zo’n cognac met de buurman delen, want binnen een half uur zijn ze allemaal op de hoogte.

Die middag in het zonnetje


Ruim vijf jaar geleden zat ik op een terras in het zomerse centrum van Chamonix met een Nederlandse jongeman die me gedurende drie jaar had opgeleid bij de Amsterdamse Studenten Alpen Club: Jeroen Boomsma. Hij was op visite in het bergdorp, ik woonde er net. Mijn leven ging van bar naar berg en weer terug naar de bar en ik had een hele stiekeme, absurde, onrealistische droom die ik absoluut met niemand deelde omdat ‘ie te belachelijk was om hardop uit te spreken. Maar toen, die middag, in het zonnetje, zei ik toch tegen Jeroen dat ik eigenlijk wel berggids wilde worden. En hij zei toen: ‘je kan het’.

De dag van het examen

Het probleem was, zoals jullie inmiddels wel weten, dat ik nog nooit had geskied en dat je onder andere een groot ski-examen moet halen om in de opleiding te kunnen komen. Uiteraard heb ik alles onderschat, anders begin je er niet aan. Mijn leven was op zijn zachtst gezegd nogal uitdagend, de afgelopen vijf jaar. Ik voelde me geregeld hopeloos verloren tussen de vele jongens die opgegroeid waren met ski’s aan hun voeten, zo niet op klim- of bergschoenen.

Maar vooruit, het was ook fantastisch.

Het examen afgelopen woensdag vond plaats in bakken met verse sneeuw. Zoveel sneeuw hadden we in Briançon de hele winter lang niet gezien. Tijdens de beklimming vroeg ik me logischerwijs af of ik dat wel kon, skiën in zoveel sneeuw. Ik was nummer 136.

Mijn eerste genoteerde afdaling begon goed, maar op nog geen twee meter van de jury viel ik. Poef.

Wat er tijdens de tweede genoteerde afdaling gebeurde, weet ik niet zo goed. Ik was doodzenuwachtig want ik wist dat ik niet alleen geen enkele fout meer kon maken, maar ook nog eens héél goed moest skiën om mijn val te compenseren. Er zaten veel grote hobbels in het terrein en elk van hen zou me katapulteren. Maar het leek wel alsof de bergen het terrein vlak voor mijn ski’s gladstreken. Ik maakte grote bochten en was zo beneden.

En toen stond mijn naam die avond op de lijst en had ik alle technische examens van de ENSA gehaald.

De Droom

Als Jeroen me die zomerse dag op het terras in Chamonix iets anders had gezegd dat ‘je kan het’, had ik waarschijnlijk nooit dit pad in durven slaan. Als ik de steun niet had gehad van hem en mijn allerlievelingssuperfamilie (die arme ouders van me, ik heb jullie er wel wat mee aangedaan), Fieke en familie, Kim (en zo leuke vriend), Marcel, Thibault (L), mijn lieve Briançon- en CRET-vriendjes en vriendinnetjes en de Vier Magische Opleiders (!!), Willemijn en Jan, Dick (zo vaak spookten je woorden door mijn hoofd), de bloglezers, het legaatfonds van de NKBV en Tigrou, dan had ik het nooit volgehouden.

De toekomst ziet er nu als volgt uit: In juni vindt de ‘bergweek’ van de ENSA plaats. Daarin gaan we op pad met gidsen die ons beoordelen op onze voortgang in de bergen. In principe vallen hier nauwelijks kandidaten meer bij af, en mocht het nou allemaal niet zo lekker gaan, dan behoud je in elk geval de resultaten van de technische examens. In september volgt de eerste zomerstage als aspirant gids, in december een winterstage en mocht ik die nou allebei afronden, dan mag ik al aan het werk als klimgids en wandelgids. De hele opleiding duurt drie jaar.

Er is echter een kleine uitdaging, een parallelle reis die ik moet ondernemen, een vraagstuk dat ik moet oplossen. Het ongeluk heeft me flink getraumatiseerd en de bergen hebben een inmiddels zichtbare donkere kant die ik nog steeds moet leren accepteren. Mijn liefde voor hen is onveranderlijk groot, maar het objectieve gevaar accepteer ik maar moeilijk. Ik weet nog niet waar mijn grenzen liggen en zeker niet of die corresponderen met de ENSA. Ik moet dus bedenken wat ik precies wil, kan, ik moet keuzes leren maken en nee leren zeggen (eventueel onder groepsdruk).

Komende drie maanden zal ik veel door de bergen trekken en tegelijkertijd professionele hulp zoeken om mezelf zo goed mogelijk voor te bereiden op wat eventueel komen gaat. Mocht het interessant genoeg blijken, dan zal ik jullie op de hoogte houden. Wie weet heeft iemand er iets aan. Daarnaast moet ik toch ook weer een beetje geld verdienen (kan iemand Covid in een dikke doos op een stoffige plank in een verschrikkelijk labyrint zetten?), mijn studie weer oppakken en Thibault ondersteunen in zijn voorbereiding op de zomerexamens. Het wordt nog eens wat.

Maar nu eerst weer met een ijsje op de plastic opblaaskrokodil in een zwembad, want ik heb de examens gehaald en hoef ze dus nooit, nooit, nooit meer over te doen.



Eventjes geen oordeel van de ENSA meer.