Latest Posts

Strevens

Het oude Thea en Centraal verleidden ons dik twee jaar geleden om klimmen in ons dagelijks leven op te nemen. Zonder gegronde motivatie bevond ik me met een groep meisjes wekelijks tussen routes, tot ook de activiteit van de sport zelf aansloeg. Elk half jaar stegen we een niveau, met als grote doorbraak de stap naar de 6jes. De ambities op de grote klimmersschaal werkten motiverend en verslavend, omdat de beloning aanbleef. Inmiddels is de wand een stuk stugger en moet ik harder werken.

Desondanks ligt de nadruk minder dan ooit op het bereiken van het volgende niveau. Mijn motivatie is vrijwel gereduceerd tot het meest intense van het klimmen: klimmen zelf. Controle. Begrijpen, verdwijnen en overwinnen, daar gelaten wat het precies is dat ik wil overwinnen. Natuurlijk ben ik zo menselijk om blij te zijn als ik een voor mij uitdagende route onsight, presteren is me lang niet vreemd en ook mijn ego is nog geen zwijgen opgelegd. Daarbij blijft de klimmersschaal een mooie graatmeter van techniek en kracht en enzovoort, en geeft het de enige manier om “Controle. Begrijpen, verdwijnen en overwinnen…” te verwoorden in de praktijk. Ik zou graag zeggen, ‘vandaag ga ik aan mijn verdwijnen werken’, maar ik geloof dat ik dan mijn klimbuddies verlies.

Toch staat dat alles in geen verhouding tot wat ik voel als ik werkelijk aan zo’n wand hang. Mijn alpienambitie is niet meer gelimiteerd te worden door mijn eigen kunnen (of onkunde; een oneindig streven omdat de bergen altijd in een grotere uitdaging kunnen voorzien, en tevens een aandoenlijk streven omdat ik nog zo aan het begin sta) en ik geloof dat mijn klimambitie hetzelfde karakter heeft gekregen (wederom oneindig en aandoenlijk). Ik wil controle. Begrijpen, verdwijnen en overwinnen.

Nu, omdat ik schrijf over de praktijk en niet blijf dwalen in onduidelijke sentimenten, geef ik toch een concreet doel aan de hand van de grote klimmersschaal. Zoals ik al aangaf is de wand stug en kan ik alleen maar juist anticiperen door zelf nog stugger te zijn. Ik wil stugger zijn dan een 7a. Dat is mijn project.

Het niet in de nacht

Na een verjaardag op de camping lieten we ons afzetten in de buurt bij Obergurgel. De twee jongens en ik waren onzeker over de aanlooproute, die zich bevond aan de andere zijde van de rivier en begon bij het dorp. Het was donker. We wisten en zagen niet waar het dorp begon of eindigde en haalde ons een extra uur aanloop op de hals.

Aanvankelijk waren we van plan bij de hut te bivakkeren. Ik was nog vermoeid van een eerdere tocht en moest wennen aan het idee dat het donker was opdat het nacht zou worden, en niet vanwege het vroege opstaan. Mijn zaklamp liet me slechts een paar meter van het pad zien, en wat daarbuiten viel kon variëren van bossen tot verlaten pretparken, dodelijke dieptes tot dorpspleinen bij nacht.
Soms passeerden we een waterval. Ongeacht hoe klein die was, was het geluid indrukwekkend, en zo werd alles dat buiten het zicht de zintuigen prikkelde een indruk op zich.
We wisten dat de hut te ver was om die nacht te bereiken. Ik spoorde mijn benen aan alsof het vermoeide paarden aan een koets waren, en probeerde ze ook als zodanig te ervaren; iets waar ik medelijden mee had maar dat gewoon zijn werk moest doen. De afspraak om vanaf 12 uur scherp te zijn op een plek waar we konden bivakkeren voelde als verlossend.
Tegen half 1 liepen we nog steeds, over een smal pad dat ons geen hoogtemeters gaf, zonder enig idee wat er nog aan gebied of pretparken zou komen. Links verdween mijn licht in de diepte, rechts stuitte het op een wand van gras. We namen genoegen met een schuin rotsig vlak op twintig meter afstand van een waterval.

Normaal is een slaapplek in te richten. Dan grens ik hem in gedachten af aan de hand van de bosjes op de camping, andere tenten, bomen. Ik richt hem in met mijn spullen, al is het slechts een bivakzak: Ik weet waar de bivakzak zich toe verhoudt en voel me thuis in zijn setting.
Dit keer leken we buiten elke context te zijn gestapt. Ik kon mijn slaapplek niet inrichten, want ik wist niet meer waar ik vandaan kwam en waar ik heenging. Ik zag alleen maar stukjes schuine wand, ik hoorde dingen die ik niet kon inschatten en ik bevond me zelfs in een illegaal tijdsbestek, waarin ik eigenlijk al had moeten slapen op 500 meter hoger dan ik me bevond. Alles wat ik neerlegde leek in het niet te vallen. Ik nam mijn rugzak van mijn rug en zodra ik hem losliet was die van me ontvreemd, eigendom van een wereld waarin ik niet was. Wij drieën, we bestonden niet. Of we bestonden in het oog van de waterval, het baken dat de hele nacht lang zachtjes aanwezig was.

Net wakker

                            Net wakker

De zon wekte ons. Ik richtte me op in mijn slaapzak en keek in de breedte van een dal. Zover ik kon kijken groeide lichtgroen gras, een speciaal soort dat ons bestaan weer bevestigde. Ik zag mijn rugzak liggen, en het touw, en de jongens, onder de indruk van de omgeving. De waterval lag uit het zicht, waardoor ik me enigszins verraadden voelde: Het was immers het enige dat over ons had kunnen waken die nacht en als ik hem niet zag, zag hij mij ook niet. Maar ik was vergevingsgezind door de andere onthullingen, die van de kleuren, het uitgestrekte, de toppen, de diepte, de blauwe hemel en de felle zon. We raapten onze spullen bij elkaar en liepen terug naar het pad, dan lichtbruin bleek, en tot diep in het dal zichtbaar was.

We faalden de tocht die we wilden maken. De graat was te lang en de tijd was te kort, het zelfvertrouwen te weinig en de vermoeidheid te groot. Op de terugweg kwamen we langs pretparken en dorpspleinen, geen van allen reëel, en bleken we ’s nachts een hele mooie tocht te hebben afgelegd.
Ik spoorde nog eenmaal de paarden aan en reed samen met de jongens het iets van Obergurgel weer binnen.

Wielrennen

Ik kan dus niet zomaar even gaan fietsen.

Het wielerwereldje heeft alles wat ik verwacht van een nieuw wereldje, wat iedereen verwacht, en ik ga dan ook niet in herhaling treden over outfits, goeroes, jargon, sexy topmannen, bekende evenementen, bekende pijntjes en onuitgesproken regels. Pezige oude mannetjes zeggen geen Fietsheil, de vrouwenkleding is godsgruwelijk lelijk en dunne bandjes op grote keien is kut. Daarmee basta.

Toch kan ik het niet laten twee dingen te noemen.

Ik ga altijd met de trein, van mijn ouders in Heemstede naar Amsterdam, en kijk nooit onafgebroken naar de omgeving. Voor het eerst, sinds ik de afstand heb gefietst, zit er een volledige geografische connectie van de twee plekken in mijn hoofd. Ik kan als het ware voelen waar het ene ten opzichte van het andere ligt.
De ligging van Amsterdam is een openbaring. Wat een water! Wat een weilanden, wat een schapen! Ik maak de kaart met elke tocht gedetailleerder, logischer en gekleurder.
Wat blijkt, ik moet drastisch mijn begrip van de Nederlander aanpassen. Muiderberg en Naarden zijn dorpen uit kinderboeken, met kleine huisjes in smalle straatjes, waar ongetwijfeld sinterklaas over de daken struint. Ik snap best dat maar een handjevol mensen in zo’n dorpskern woont, maar als zo dichtbij de boel zo consequent zo anders, zo landelijk en ouderwets is, hoe woont dan de rest van Nederland? Wat ken ik allemaal niet? Wie zijn jullie?

Dan nog iets van een heel ander kaliber. Ik vreet de hele dag lang alles op dat zich als voedsel aandient. Ik dwing mezelf niets in huis te nemen, want ik geniet maximaal een uur van wat ik in mijn keukenkastje leg. Brood, eieren, yoghurt, appels. Weg!
Ik denk dat ik op die toeren veel verbrand, maar hoeveel precies? Straks moet ik gaan fietsen om mijn voedingspatroon aan te kunnen: zie hier het ontstaan van een vicieuze cirkel. Ik weet precies wat ik moet eten als hockeyer of als sportklimmer, en als loper of passief mormel op de bank. In de Alpen is het eten wat je eten kunt. Maar wat is de gezonde balans voor een wielrenner in een gewoon dagelijks leven? Specifiek deze wielrenner? Chocoladepepernoten alsjeblieft?

Zomaar even gaan fietsen is dus niet wat hier gaande is. Zodra ik op de fiets stap wordt ik een hongerige ontdekkingsreiziger in mijn eigen streek. En dan laat ik al die andere zaken binnen het wielerwereldje dus nog rusten.

Cafédans

Zij kwam eerst binnen. Ze liep naar de bar en vroeg mijn collega of ze hier kon werken. Hij wees haar op de grote tafel in de hoek en zij nestelde zich daar; tas op de bank, laptop op tafel, kopje thee in bestelling.

Buiten zat een jongeman aan een cappuchino. Hij kwam binnen en legde even een hand op haar dikke buik. Ze zaten lang zwijgend naast elkaar, zij tikkend en wrijvend in haar ogen, hij verzonken in een boek. Ik liep langs en hij zei het volgende: She is working very hard and she needs something that makes her feel strong. Do you have something like that?
Ze moest erom lachen en gaf hem een kus. Ik bracht een broodje tonijn, en weer even later een taart.

Tegen de avond pakte hij haar hand en trok haar van de bank. Daar dansten ze, eventjes. Vervolgens rekende hij af bij mijn collega, stopte zij haar laptop terug in haar tas, en liepen ze samen de deur uit. Thank you!, riepen ze na.

Nee, jullie bedankt, dacht ik.

Een luie avonturier

Ik kwam uit de bergen. Ik trof mijn leven aan; fysiek, in huis en papieren en mensen, en in tijd. In planning. Na een dag vond ik ook de constructie van mezelf terug, als een soort gangenstelsel dat een tijd gesloten was geweest. Na twee dagen doorliep ik het weer blindelings.

Toch hadden de bergen effect gehad. Waar ik eerdere jaren rouwig was geweest om het verlies van de mooie omgeving, het vertrek uit de hoogte,  kon ik dit keer slechts dankbaar zijn dat ik een wereld achter de hand had die me met zekerheid gelukkig kon maken. Hoeveel mensen konden dat nou zeggen?

Daarbij had ik veel nagedacht en gebouwd aan een levenshouding die de hele hier/daar, niet –berg/berg  problematiek incorporeerde bij het gelukkig worden. Zoals Kim ooit met zichzelf heeft afgesproken ook in Nederland op reis te zijn, wilde ik hier een avonturier blijven. Ik wist dat de dagelijkse sleur me met stinkende open armen zou ontvangen, maar ik zou haar aankunnen met mijn creatieve avontuurlijkheid.

Dus ik doorliep mijn vertrouwde gangenstelsel blindelings, wetende dat ik een wereld achter de hand had die me met zekerheid gelukkig kon maken, terwijl ik met creatieve avontuurlijkheid vocht tegen de stinkende greep van de dagelijkse sleur en daarmee dus ook tegen mijn vertrouwde gangenstelsel (ervan uitgaande dat mijn vertrouwde gangenstelsel het gevolg is van de dagelijkse sleur zoals die ooit was en altijd zal zijn; wat is schrijven toch heerlijk).

Toen werd het zo ingewikkeld en vermoeiend dat ik besloot gewoon maar terug naar de bergen te willen. Ik ben een luie avonturier.

IMG_3760(1)wm

(Regien op de Piz Tschierva)

Asacweek 2013

Zaterdagmiddag kwam ik aan in Zell am Ziller. De Asaccamping stond die dag in de Sahara, met klompen gesmolten Haribobeertjes en dampende vrienden geforceerd op een klein stukje schaduw. Een warm welkom. We hadden nog een dag te spenderen, zo’n typische dag waarop je passief wordt van mogelijkheden, vanwege hun plotselinge aanwezigheid maar ook de tergende hitte die gevoelsmatig alles onmogelijk maakt. Ik eindigde in de schaduw van het terras naast het zwembad. Flo had me haar topo geleend en ik bekeek hem met de ogen van iemand die net terug kwam van cursus, en langzaamaan de leergierigheid omzette in een gierende honger naar tochten, tochten en nog meer tochten. Zo begon mijn Asacweek.

Planning

Het voelde voor het bestuur als ‘onze’ Asacweek. We claimden niet zozeer de regie, maar waanden ons gastheer van het mooiste feestje van het jaar. Langzaamaan werd duidelijk wie deelnamen, mensen druppelde binnen van verscheidene (hoge) uithoeken van Europa en hadden vaak al een verhaal. C1’s, C2’s, C3’s, tochten, beklimmingen.
Ondertussen begon de week gedaante te krijgen. Het bestuur zou een BBQ organiseren; sommigen hadden elke minuut met tochten ingeplant, anderen bezochten klimgebieden, derden werden geteisterd door hitte of hardnekkige chillmodussen. Er ontstonden formaties die ik van tevoren nooit had kunnen bedenken, met Maartje (vriendinnetje van Roel) als doorgewinterde kameleon en het drietal Joost, Nick en Patrick dat elke dag op een andere groep hun stempel drukte. De nieuwe lichting was ruim vertegenwoordigd met de Wildboyz, en een aantal loslopende dames.
Ida, Kim, Fieke en ik planden een huttentocht.

Huttentocht

De eerste en enige tocht die ik op de Asaccamping zou maken liep van de Furtschaglhaus naar de Edelrauthütte en ging via de Grosser Moseler en de Hochfeiler. Dinsdagavond liepen Ida, Kim, Fieke en ik aan vanaf de Sleggeis Stausee, later dan we wilden door een heftige discussie met het verdorven campinghoofd. Het weer liet ons in de steek op een half uur van het Furtschaglhaus en dwong ons tot een sprint naar boven. Hagel teisterden onze blote armen, donder en bliksem onze geest. Het was niet koud, maar het was spannend, en de hut kwam als een geruststelling. Onze tassen en kleding droop na in het drooghok terwijl wij ons opgelucht meldden bij de waard.
In de gemeenschappelijke ruimte troffen we Regien, Timo en Menno. Ze waren eerder die dag vertrokken en hadden soortgelijke plannen. Alleen wilden zij de Hochfeiler in een tien uur durende tocht via de Oostgraat beklimmen, wat aanvankelijk ook ons plan was geweest maar we uiteindelijk als boven ons niveau hadden afgedaan en verruilden voor een F-tour.

De volgende morgen waren de C3’ers al verdwenen en trokken wij in onze droge kleding de Grosser Moseler op. De lucht was grijs en de top lag in de mist. We moesten even slikken bij het zien van het couloir dat onze route behelsde, het eerste moment dat ik me bewust werd van de afwezigheid van een gids en de verantwoordelijkheid die daarmee gepaard ging. We stonden er alleen voor.
De rotsen lagen onder een dun laagje sneeuw. Paarsje bloementjes stonden stijf onder een laag kleine kristalletjes. De vlaggetjes waren lang uit zicht, net als het dal, de top en alles dat zich drie meter verder dan ons bevond. Na het couloir stegen we over een puinhelling die tot de hemel had kunnen doorlopen, was het niet dat we vanuit onze ooghoeken een steenman zagen die we dankbaar tegemoet traden. Voor het eerst zagen we de sporen van Regien en haar vrienden en kregen we steun van een boel meer steenmannen.

Tot onze grote verbazing verschenen plotseling drie schimmen in de mist, wanhopig opzoek naar hun route: Regien , Timo en Menno. Ze kwamen van de top en waren schijnbaar aan de verkeerde kant afgedaald, waardoor ze de overschrijding waren misgelopen en zich tot steile sneeuwwandjes hadden veroordeelt. Met zeven liepen we naar boven en troffen we het kruis. Zoiets had ik nog nooit gezien; het kruis was gigantisch en bedekt met scherpe, witgrijze ijspegels die zich agressief in de mist aftekenden.
De overschrijding liep via een graat die zich verborg in de wolken en alleen te vinden was met werkend kompas en een kaart. De route vanaf daar had een logisch verloop, maar was berenlang en deed ons halverwege al moedeloos naar de hut verlangen. De omgeving beloonde ons rijkelijk met mooie uitzichten, een waterbronnetje en een stralend blauwe lucht.

De dag daarop besloten Regien, Fieke en ik spontaan de Oostgraat van de Hochfeiler te beklimmen. Omdat de gebruikelijke afdaling uitkwam in een Italiaans dal moesten we dezelfde dag nog kilometers lopen, stijgend en dalend, om terug bij de Stausee te komen. Voor dit verhaal, zie Oostgraat.

Eeuwige Jagtgrunde

We waren uitgeput. De afgelegde meters van de tocht vertaalden zich naar onze spieren en liet ons de volgende morgen weinig méér willen dan niets. Dus klommen we in de auto en reden we naar de eeuwige Jagtgrunde, waar de omgeving mooi genoeg was om een excuus te vormen voor onze wens niets te willen (louter daar te zijn). De meesten Asaccers hadden hetzelfde plan.
Een lage, brede rivier liep onderlangs de weg richting het zuiden en had aan beide oevers platte stenen en bosjes, struiken en bomen. De rotsen stonden in een klein massief aan de overkant, op voorgrond van grasvelden, bossen en uiteindelijk bergen. We stroopten onze broekspijpen op en liepen voorzichtig naar de overkant, met in onze handen boeken, telefoons en meer spul dat niet in het water mocht vallen. Daar bereidde een aantal halfslachtig een route voor en streek de rest definitief neer.

We waren aapjes. Klimmen vormde niet meer onze motivatie of ons doel, slechts nog de context. We zaten in onze zwembroek of BH op onze eigen rots, met een boek of goed gesprek om handen. Zij die de hitte niet trokken koelden af in de schaduw of namen een heldhaftige duik in het ijskoude water. De jongens bouwden een dam en leken wel meer op hun plek dan ooit, met spierkracht en fanatisme dat naadloos overging in de natuur. Rots – water -Asacjongen.
Ik heb nog nooit zoveel gelukkige mensen bij elkaar gezien. En dat ik om veel van hen ook zoveel gaf maakte dat ik niet zo goed wist wat ik met mijn eigen geluk aanmoest. Mijn nuchtere grapjes baten niet en dus zat ik daar, een beetje aangedaan te wezen op mijn eigen rots.

Méér avontuur

De Asac is een bijzondere vereniging met bijzondere mensen. Niet alléén Joost, Patrick en Nick, maar eigenlijk elke ziel die er aanwezig was gedroeg zich uitzonderlijk. Je riep dat je iets wilde doen en er was altijd wel iemand voor in. Als je besloot een halve marathon te rennen op het heetst van de dag hadden gekken nog animo getoond. En als de verschillende gekken elkaar nog nooit hadden gesproken was dat geen probleem, gekzijn schept bij voorbaat een band. Dus hoorde ik telkens als ik terug kwam op de camping over nieuwe avonturen.

Zo waren Flo, Maartje, Hannah, Joost en Patrick gaan wandelen en overnachten in de bergen. Wat daar precies is gebeurt weten alleen zij, maar iets met sterrenhemels en je moeder.

Roel en Nick waren op pad geweest in een multipitch en soleerden per ongeluk de eerste paar lengtes. Roel maakte daarna nog een voorklimval van een meter of twintig en Nick scheurde zo dramatisch uit zijn broek dat íedereen het moest zien.

Een paar dagen daarop nam Roel, papaRoel, Oskar en Max mee in een multipitch, wat voor beide partijen een nieuwe ervaring was. Roel nam voor het eerst de instructeurrol aan en Oskar en Max klommen voor het eerst meerdere touwlengtes uit. Uit dankbaarheid deden de laatste twee Roel een potje berenhoning cadeau.

En wederom Roel ging op pad met onze voorzitster, die een mooie multipitch klommen maar na afloop af moesten dalen via een puinhelling, vermoeid en op nauwe klimschoentjes.

Ondertussen gingen Anna en Mirjam op pad naar meertjes en uitzichten, en vond het grootste avontuur plaats rondom de auto van Jacob Jan, die liever afsloeg dan reed en koppelen van minder belang vond.

Dit is een redelijk schrale collectie van avonturen waar veel namen en gebeurtenissen in ontbreken, dus comment en schrijf wat een niet vergeten dient te worden!

Een laatste avontuur beleefden Maartje, Fieke, Anna, Oskar, Ivar, gebroeders Holthuis, Martijn en ik op de verjaardag van Daan. Het begon bij de fietsverhuur in het dorp en verliep via de Gerlospas naar een idyllisch meertje hoog in de bergen. Onder temperaturen die al oncomfortabel in de schaduw waren geweest gaf niemand op bij de zesde, zevende, achtste verfoeide bocht die uitzicht gaf op een nieuwe kansloze stijging (alhoewel zo nu en dan wat onethische termen over het wegdek vlogen). Voor dit verhaal, zie Drie-Negen.

De BBQ

De locatie van de BBQ aan het eind van de week liet zich gemakkelijk vinden aan de hand van het riviertje dat langs de camping stroomde. We namen een pad dat achter het dorp afliep naar een brede, droge rivierbedding van kleine grijze stenen, waar het riviertje als van haar territorium verdreven langs stroomde. Aan het eind van de bedding lagen biertjes in het water. De vlag hing hoog boven een stenen dam. In het midden zag ik de Saccers rond een vuurtje, naast kisten met spiesjes, burgers en vegetarische plakkaten, en Nicks knoflooksaus. Een grote emmer was gevuld met een mixdrankje van sprite, vruchten en wodka, waar mensen zo nu en dan hun beker mee vulden of aan het eind van de avond gigantisch dronken op werden. Niet alleen de Asac was aanwezig; ook de Tsac en wat anderen snoepten mee van onze jaarlijkse BBQ. Ik was te druk met eten ronselen en gesprekken voeren om te zien dat ons dal zich vulde met donkere wolken en anderen verleidde om verontruste blikken naar de hemel te werpen. Tegen de tijd dat het donker inviel lichtte ons kampement op. Flitsen. Een wind zette aan tot Leon uiteindelijk riep: “En nu gaan! Weg!”

We gooiden het eten in dozen, trokken jassen aan en renden kriskras door elkaar om spullen terug naar boven te krijgen. Een aantal bleven stoïcijns zitten. Ik hielp wat sjouwen en voelde onderweg dat de wind weer was gaan liggen. De hemel vertoonde daarentegen een ongekend schouwspel. Het flitste en flitste en flitste. Soms bleef het gewoon even licht, omdat het donker niet de tijd kreeg donker te zijn. In elk naastgelegen dal woekerde een storm, maar op vreemde wijze overbrugden ze de bergen niet. Ik bleef een tijdje versteld omhoog kijken, overweldigd door het staaltje natuur dat geruisloos tewerk ging. Na een half uur op mijn rug naar de lucht te hebben gestaard voelde ik druppels op mijn gezicht. Ons dal was overstag: Dit keer stonden zelfs de stoïcijnen op. Onder zware regenval liepen we terug naar de camping, halverwege schuilend onder een dakje en melig door de drank, het ridicule van de zware regenval (zware regenval heeft altijd iets ridicuuls) en de indruk die het licht op ons had achtergelaten.

Terreur

Misschien lag het aan het weer, misschien ook aan de dronken Tsaccers, maar vanaf dat moment begon de terreur. Onze vlag bleek gestolen, en het kon niet in een slechter keelgat schieten. Ongenadig ondankbaar, die profiteurs. De Tsaccers doken midden in de nacht het zwembad in, waarna de campingbaas zijn huis uit kwam om te zeggen dat het hem allemaal niet zoveel interesseerde wat wij uitspookte, maar het zwembad ‘s nachts gereinigd werd met chemische middelen. De Tsaccers dropen af naar hun tent.
Wij liepen vervolgens naar hun kamp om hun pikels in bomen te hangen, touwen via auto’s, door putten, langs prullenbakken, door regenpijpen, over de camping te binden en tenten te behangen met WCpapier. Terwijl ik met veel moeite een egel in Max zijn tent probeerde te lokken werd Max zelf aangevallen door een woedende Nijsaccer die het niet kon waarderen dat zijn auto onderdeel was van de touwketen. Hij werd op het nippertje gered.

Overvloed

De Asacweek…Ik kan met geen mogelijkheid recht doen aan alle mensen en gebeurtenissen deze week, waardoor dit verslag hoe dan ook aan alle kanten mankeert. Ik hoop dat de Asaccers die aanwezig waren me kunnen helpen de gaten te vullen en dat de rest een gedegen indicatie krijgt van hoezeer we ons hebben vermaakt. Ik wil natuurlijk mijn lieve bestuursgenootjes bedanken voor wat ‘onze’ Asacweek was en ben nog nooit zo’n trots Asaccer geweest als na deze week.

Geschreven in Grossglockner

Je doet en je droomt en opeens is het daar, in alle voorgenomen intensiteit; soms in stilte als iets dat ontraceerbaar door je lichaam suist, soms uitbundig. Als je uitlegt waarom, verzand je in een hopeloze opsomming, want slechts zelden is er één oorzaak aan te wijzen. Je denkt: Shit, ik heb het. Wanhopig zoek je naar handvaten om het aan vast te houden, maar wanneer het aanhoud en je over het eerste schokmoment heen bent (je komt wat tot rust), besef je je twee dingen. Allereerst dat je het niet vast kan houden, dat is immers niet de aard van het beestje – welk tijdelijkheid is. Ten tweede, aangenomen dat de intensiteit en tijdelijkheid vast liggen en daarmee onbeïnvloedbaar zijn, weet je dat je er beter maar in mee kan gaan. Het voelen suizen, uitbundig zijn. En er later als een héél mooi moment op reflecteren.

La Fête

Vooraf
Het idee van La Fête was strikt gezien al ontstaan voor ons bestuursjaar. Het was een project dat typerend is voor de energie van nieuwe besturen: We gaan alles doen en we doen het goed en groots!
Pas in de maanden voor de zomer werd het idee een plan en reserveerden we een datum bij Monk. Omdat we wisten dat de terugkomst uit de bergen niet pijnloos zou verlopen, moest het feest de heimwee keren in iets moois. ‘Terug wanen’. De gedachte was dat iedereen zou helpen organiseren. Een feest voor en door klimmers.
Dus gingen we op pad, beklommen we bergen en rotsen en vormden we hetgeen waar we ons in terug gingen wanen. En bij thuiskomst wilden we natuurlijk alles behalve het organiseren van een feest.

Het eind van het bestuursjaar bleek druk. De overdracht, de ALV’s, de verandering in statuten en de nieuwe leden schreven onze agenda tjokvol. La Fête bleef lange tijd bestaan uit een datum en een naam, tot de tijd maar genoeg ging dringen en we besloten tot organisatie over te gaan. We hadden het kunnen laten voor wat het was, maar zo’n oude wens nestelt zich diep genoeg om ondanks de matige omstandigheden een soort vanzelfsprekendheid te laten bestaat omtrent de realisatie ervan. We moeten het nu echt doen. De tijd dringt.

Daarbij had Regien een lezing geregeld van twee alpinerende Belgen en ging dat een groot deel van La Fête vormen. Dus belde ik Monk op drie weken voorhand en spraken we alles door.

Organisatie
Vanaf dat moment deed ik maar wat; een beetje babbelen over licht en geluid, regels in de hal, promotie leek me vooral belangrijk. Ik raakte thuis in de wereld van Facebook, mailde mensen, vroeg ze hun vrienden mee te nemen en benadrukte keer op keer dat het écht een tof feest zou worden. Soms geloofde ik het.

Mijn naam raakte onlosmakelijk verbonden met La Fête. Mensen vroegen hoe het met mijn feest ging. ‘Het is niet mijn feest!! Het is ons feest!’ In die kreet schuilde al het wantrouwen in een geslaagd einde. Ik wilde mijn naam niet verbinden met zo’n wankel instituut. Daarbij was het ook werkelijk niet mijn feest en werd het me duidelijk dat de gedachte van La Fête niet over viel te brengen. Voor en door klimmers: Klimmers zijn al stug met betrekking tot hun eigen komst; laat staan als je ze tot organiseren probeert te porren.
Ik liet de laatste dagen anderen posten en mailen en merkte soms tot mijn genoegen dat het los van mij begon te leven. Ondertussen vroeg ik mezelf steeds vaker waarom ik nog tijd stak in La Fête en balanceerde constant tussen ‘feesten slagen alleen wanneer je erin blijft geloven, zeker wanneer het je eigenlijk niet meer interesseert’ en ‘fuck dat’.

Zaterdag 28
De dag van La Fête brak aan en de zon scheen. Roel was manusje van alles, loste gestress rond DJs op en bracht licht, geluid en verstand van alles. Monk werd omgebouwd en overal liepen helpende handen rond. We aten pasta uit een grote plastic bak en bliezen ballonnen op alsof ons kleine nichtje honderd was geworden. Voor achten nog kwamen de eerste gasten binnen en toen konden we er niet meer onderuit: La Fête.

Om kwart over acht werd me duidelijk dat het feest niet de gewenste omvang zou behalen en werd ik verbijsterd door alle afwezigheid. Doordat de ruimte bij lange na niet vol kwam leek het feest inderdaad georganiseerd voor het kleine nichtje, en dat idee raakte ik de avond lang niet meer kwijt. ‘Tel je zegeningen’, was ieders spreuk, ‘kijk naar wie er zijn!!’. Zo werkte het voor mij niet: ik had medelijden met diegenen die wel waren gekomen door de schitterende afwezigheid van diegene die niet waren gekomen, kortom, een feest kan alleen slagen als of niemand komt, of iedereen komt.

Gelukkig begreep ik mijn eigen subjectiviteit als organisator en wist ik dat de avond nu eenmaal daar was, en ik weinig andere keus had dan ervan te genieten. De Belgen hielden een mooie lezing en het feit dat ze een vliegtuig een vlieger noemden was werkelijk een triomf; misschien wel het mooiste moment van de avond. Hun filmpjes brachten onze kop op hol en voor het eerst had ik door dat anderen dachten aan hun zomerse avonturen, samen waren en het naar hun zin hadden. La Fête had haar doel bereikt.

De leegte echter bleef me herinneren aan de loze tijd die ik in La Fête had gestopt en maakte het tot een evenement dat ik zelf zou ridiculiseren. De lezing liet me inzien waaraan ik mijn tijd had moeten besteden. Concreet voelde het alsof ik mezelf vanaf de zomer had verloochend en zelfs LaChouffe kon me niet van die gedachte afzetten. Als bedankje kreeg ik van Kim en Fieke een kaart van Chamonix en bij het zien ervan, wetende dat de wereld erin maar al te concreet en mogelijk is, brak ik.

Hasj, drank, lachgas en emoties voerden ons door een fascinerende avond. Ik zag Fieke kampen met dezelfde sentimenten, en Kim had het, zo hoorde ik achteraf, soms moeilijk gehad. We hadden nooit van de Barre af moeten komen.
Het feest sloot met een massale danssessie op Afrikaanse muziek en voor een half uur was alles perfect.

Achteraf
De organisator is een egoïst. Voldoet het feest niet aan het plaatje dat in zijn willekeurige brein vorm heeft gekregen, dan is er iets mis met het feest en wordt er voorbij gegaan aan de waarde van het vermaak van de gasten. Nu kun je je afvragen of ‘het vermaak van de gasten’ werkelijk een motivatie is geweest als onderwijl blijkt dat het feest voelt als falen, terwijl iedereen rondloopt met een grote lach op het gezicht.
Een geest heeft de capaciteit tot magische werkelijkheden te komen, en hoe magischer de intentie groeit, hoe lachwekkender de geobjectiveerde realiteit zich toont. Dansende mensen zijn ridicuul, lezingen worden gegeven door stervelingen, gasten worden moe en gaan naar huis voordat de klok drie uur slaat.

Ik was de hele avond omringt door mensen waar ik ontzettend veel van houd en schaam me bijna voor het gebrek aan blijdschap dat ik heb getoond. Ik was immers met hun, ik was met jullie, met mijn bestuur en mijn klimvrienden. Iedereen die heeft geholpen, Roel, pastamakers, promoters, ballonnenkopers, Sam & Tim, Monk, bedankt.

La Fête was vet.

Nooit meer organiseer ik een feest en op een dag hoef ik me niet meer ‘terug te wanen’, omdat ik terug ben.

Deurtje

Het is alsof iemand een deurtje in mijn denken heeft opengezet. Niet alleen kruipt er licht naar binnen dat me alles net iets anders doet voorkomen, maar ook kan ik naar buiten en dingen bedenken die voorheen voor mij niet bestonden. En alhoewel ik soms heel graag iemand bij de hand zou willen pakken en mijn ontdekking zou willen tonen, maar weet dat ik teleurgesteld zou raken doordat hij of zij zo snel loslaat of door mijn eigen onvermogen hen te leiden, heb ik het bijzonder naar mijn zin in mijn eigen hoofd. Een geestelijk feestje.

Verhuizen

De spullen gaan in dozen en de dozen in de auto. De auto gaat weg en daar rijd het spul in een bundel van me vandaan. Wat zou ik kunnen noemen, als iemand me vroeg een lijst te maken? Wat zou ik missen?
Ik til een bed, bureau, boeken, schoenen en kleding, ik til het allemaal naar boven over zes trappen. Ik moet denken aan de Alpen waar het gewicht van mijn tas, mijn ene tas, het gewicht van mijn broeken alleen niet had kunnen benaderen. Ondanks dat ik niemand in het trappenhuis tegenkom voel ik me beschaamd.

Later, als ik een vrije plek op mijn bed heb gevonden en midden tussen stapels dingen zit, besef ik me dat het niet zozeer schaamte is, maar benauwing, bijna angst, om al die spullen de rest van mijn leven mee te moeten slepen.  Moet ik ze verzorgen? Zijn ze mijn verantwoordelijkheid? Kan ik ze laten, als ik wil gaan?

De schilderijen komen aan de muur, de boeken gaan in de kast en de kleding wordt opgevouwen of om een hanger gelegd. Meerdere keren verander ik de opstelling en op de één of andere manier staat alles na een vierde keer op de plek waar het hoort. Ik ben genesteld.
Ik denk aan de bundel die een paar uur geleden over de snelweg reed. Niets was iets waard, de auto had een greppel in kunnen rijden en ik was slecht een ondefinieerbare eenheid materiaal verloren. Pas in deze setting, waar er logica bestaat tussen mij en elk ding, en tussen mij en het geheel, bezit het zoveel waarde dat ik lamp voor lamp en sjaal voor sjaal uit de greppel had gevist. Ik voel me thuis. Potentieel overal.

Ik moet concluderen dat het misschien het streven waard is om die bundel zo klein mogelijk te houden. Dat ik uiteindelijk met een pen en een blocnote, misschien op juiste afstand van elkaar, mijn thuis kan vormen. Zover ben ik duidelijk nog niet.