Latest Posts

Beelden

Ik verwachtte onbewust dat ik vooruit zou gaan door mijn streven uit te spreken en op te schrijven. Bij deze  heb ik het proces in gang gezet. Ik leun achterover en ik kijk toe hoe mijn spierkracht groeit.
Ik verwachtte even onbewust dat progressie kwam met de juiste intentie. Ik bedacht een nobel einddoel, zoiets als lichamelijke vrijheid, en ik trainde om daar te komen. Noch het einddoel noch de training biedt waar dan ook garantie voor.

Drie weken is een grap, in termen van training. Maar uren die aan klimmen worden besteedt stapelen zich als een razende op, zeker in gedachten. Wanneer de high van het resultaat uitblijft, na de zoveelste route in de zoveelste hal, komt het toch neer op ouderwetse discipline en vertrouwen in het ‘goed’ dat de tijd zal brengen. Franse woordjes leren in de hoop dat je het ooit verstaat. Stravinsky luisteren in de hoop dat je het ooit waardeert.

Nu zijn er twee processen gaande. Ik raak genadeloos verslaaft aan klimmen en voel me rusteloos wanneer ik een avond buiten de hal spendeer. En ik begin grote hekel aan training te krijgen. Het liefst zou ik gallend van de ene naar andere route huppelen om eindeloos te verzuren.

Het zijn de beelden van de rotsen in mijn hoofd, de routes en de uitzichten, die me in een training forceren. Het is de verleiding van de mogelijkheid. Als ik maar…dan zou ik misschien, op een dag, als een gewichtloos aapje langs de mooiste lijn, in de mooiste overhang, van het mooiste gebied kunnen klimmen.
Dus al het ‘verwachten’ en het ‘hekel hebben aan’ delft het onderspit. Ik zal discipline, vertrouwen, en een reëel geduld opbrengen. Geen sterke klimmer zonder sterke geest.

Hutspot

‘Hutspot’, zegt de aap met ziel.

Zaterdagochtend reden we naar België, pas om elf uur, omdat de rotsen glad en eng zouden zijn en we wilden wandelen als Yetiaanse padvinders. Vier klimmers, een klimmer in spé – allemaal vrouwen welteverstaan; dit in verband met vervelende halffeministische outdoreartikelen in de Next – en een aap met ziel liepen door modderige maïsvelden en bossen. De lucht vergezelde ons dreigend. Nog voor het donker inviel raakten we de weg kwijt en verzuchtte Anna tegen willekeurige Belgen dat ze verloren was. Mais monsieur, je suis perdu! Où est le…(jongens, wat is een kerk?)…eglise? Onze modderige stappers brachten ons op verboden erven, langs wilde honden van een aantrekkelijke boer, donkere bospaadjes die voorbij geheime genootschappen leidden, en tegen zessen pas bij de auto.

Als wilden stapten we de Chaveehut binnen, onze lievelingshut, ons stuk Alpen in de Ardennen, onze garantie op een warm ontvangst. Onze broekspijpen droegen de paden bij zich. We kleedden ons om en ploften neer bij de bar. Leffe Blond, wijn, Chimey, we dronken het, we kookten. We sliepen en sliepen niet. We werden gewekt door de regen en besloten toch de tocht naar de rotsen voor te bereiden.

Niets was een indicatie van iets. De gebiedjes en de dorpen en de stukken Maas lagen allemaal in onze herinnering; verspreid, versmolten en gehusseld. De geografische locaties vielen er niet uit af te leiden. Anna werd Koningin Keren, met Stragi als gouden lakei met regenlaarzen. Uiteindelijk vonden we Dave en konden we in alle rust onze slag slaan. Geen klimmer ging voor glad en eng. Wij wel.

We namen Superleerling Sam onder onze hoedde en gaven haar touwenuiteindes en ATC’s. We klommen voor en leerden haar echt klimmen kennen. Ze zei dat ze ons de achtknoop al had zien leggen en verbijsterde ons door hem in één keer in het touw te toveren. Ze hoefde het zekeren maar een enkele keer uitgelegd te krijgen en corrigeerde zichzelf voordat wij dat konden. Zonder zichtbare angst beklom ze de grauwe, vochtige rots, haar eerste routes buiten, en wanneer beiden voeten veilig op de grond landden, was ze louter blij.

In de zeikende regen haalden we de laatste toprope uit de wand. Het waren Alpine condities. De klimmer werd geïsoleerd door een muur van druppels en bestond eenzaam op hoogte. Handen waren bevroren, voeten niet te vertrouwen, tijd en ruimte slechts om door te komen, maar wat een vertrouwt en fijn gevoel om weer eens een nietig mens te kunnen zijn.

Stragi reed op de automaat naar huis, terwijl Fiek rekensommetjes maakten om de financiën rond het rijbewijs in orde te maken. We aten de laatste pepernoten, de laatste dropjes en de laatste broodjes met pindakaas. Halverwege maakte de chauffeur een snelle entree in een Belgische bebouwde kom, en de intense flits die daarop volgde deed ons hopen dat Belgische boetes nog steeds niet aankomen.
In Bussum scheidden de wegen van de vijf meisjes en de aap met ziel. Te laat bleek er een grote pan hutspot voor hen klaar te zijn gemaakt, die komende drie weken de koelkast van Anna’s vader zal vullen.

De aap met ziel wil weer met vijf dames in de auto.

De aap met ziel vraagt om hutspot.

Tijdgebonden gedachtes

Zoals wel vaker, is er weer een nieuwe gewenning in mijn denken ontstaan. Wanneer ik buiten het alledaagse denk, kan ik het niet voorkomen hetgeen wat ik denk naast mijn leeftijd te leggen. Ik vraag constant af hoe typisch mijn gedachten zijn. Als ik ze dan als te typisch classificeer verliezen ze drastisch aan waarde, of ga ik grondig opzoek naar onderdelen van de gedachtegang die tijdloos zijn.

‘Jonge’ gedachten kunnen waardevol zijn en soms juist prettig tegendraads, ‘oude’ gedachten kunnen misplaatst en giftig zijn voor iemand van mijn leeftijd, en veel gedachten label ik waarschijnlijk onterecht. In discussies met mijn ouders heb ik geloof en vertrouwen, terwijl zij (voorspelbaar) reëel en cynisch zijn. Ik struikel soms over hun gebrek aan avontuur, alsof mogelijkheden zich werkelijk na een bepaalde leeftijd niet meer voordoen, terwijl ik mijn wereld alleen maar handelbaar kan maken aan de hand van mogelijkheden.

Mijn nieuwe gewenning ondermijnt mijn geestelijke zelfvertrouwen. Alsof iedereen mijn specifieke gedachtes op een moment, vroeg of laat in de ontwikkeling van hun eigen denken, wel zal denken of heeft gedacht. Alsof ze weinig meer fundament dragen dan een indicatie van levensjaren.
En toch zal ik de in waarde gezakte gedachten bewaken alsof ze mijn ziel zijn. Ik hou van mijn waardeloze, fundamentloze geloof en vertrouwen, mijn irreële en kinderlijke zekerheid, want wanneer ik me niet laat afleiden door hun tijdgebonden karakter, doet het me een verdomd mooi leven leiden.

Frustratie

Als ik werkelijk naar mijn lichaam zou luisteren, zou ik niet meer mogen
schrijven of afwassen. Ik zou een stalen constructie om mijn middel moeten bouwen
waarop ik mijn onderarmen kan laten rusten.

Ik begin te twijfelen of luisteren naar mijn lichaam wel zo’n goed idee is. Onze
relatie gaat erop achteruit: wat een eigenwijs en traag stuk vlees is dat ding.
Ik ben uitgeklommen, verzuurd, voor ik überhaupt mijn warming up voorbij ben.

Misschien is het naïef om te denken dat ik mijn trainingswijsheden zelf kan verzinnen. Ik zie telkens de curve terug komen, die van 72 uur, met supercompensatie en golfjes die een stijgende oceaan vormen. Ik dobber in mijn bootje langs de dalende variant. Althans, dat is mijn angst, maar ik weet het niet.

Als dit project slechts om de uitdaging was gegaan, had ik nu heel veel doorzettingsvermogen moeten tonen. Het niet weten of ik het goede doe is nog meer
frustrerend dan die loden onderarmen. Gelukkig geniet ik van het klimmen en
vermaak ik me dol in de hal. Het zou me bijna niet meer interesseren.

Oudbestuur

Het 87ste is niet meer. We horen bij de clan van oudbesturen.

Nadat we waren gedechargeerd daalde een rust op me neer. Het waren niet de avonden die werden geofferd aan vergaderingen of activiteiten, die het gevoel van onrust teweeg brachten. Ik had nog ruim de tijd om te klimmen of mijn studie op de rails te houden. Het was echter de constante bezetting van de gedachten die me soms liet verzuchten dat het toch wel intens was, dat draaien van een bestuursjaar.

Sommigen hebben nog wat moeite met loslaten van het één of ander. Een denkwijze leer je immers niet gemakkelijk af. Maar ik wel, ik bevind me in het Walhalla van vrijblijvendheid, sinds het moment dat we officieel zijn overgedragen.

Het bestuur zien handelen en geen idee hebben waar het toe dient, rondlopen door de hal zonder ons aan iemand op te hoeven dringen, genieten van de lieve mensen om ons heen: dat zijn de geneugten van oudbestuur zijn. We kennen de vereniging tot in haar ziel (althans, de moderne variant ervan), maar hebben geen grote verantwoordelijkheid meer over haar welzijn. Er is geen mooiere positie denkbaar.

Ik heb veel te zeggen over het afgelopen jaar. Over de sprong in het diepe, waarin het 88ste nu spartelt, watertrappelt, zwemles krijgt. Het werkelijk leren kennen van bestuursmaten, en de hechte band die daarop ontstaat. De sociale structuren achter de vereniging in beeld krijgen. Een geschiedenis ontdekken. De honger naar revolutie van een stel twintigers, losgelaten op de ASAC. Verantwoordelijkheid, verwachtingen, successen en decepties, het hele rattenplan.

Er is echter één ding waar ik nu op in wil gaan.

Verdomme, dacht ik soms, waarom steek ik al die aandacht aan zoiets liefdadigs? Pas aan het eind van het jaar besefte ik me dat ik een schuld aan het vereffenen was. De ASAC bestaat uit tijd en aandacht van allemaal verschillende individuen, door tientallen jaren heen, ASACcers, een liefdadige kern. Onder die tijd en aandacht ben ik als klimmer groot gegroeid.
Ik was ze nogal wat verschuldigd.
Deze denkstap is kwalijk klein, en ik hoop dat ik niet al te serieus ben genomen in mijn relazen over het schamele leven van een bestuurslid.

Daarbij gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat het leven verre schamel was. We hebben genoten van onze tijdelijke heerschappij. Soms wilden we moorden plegen, maar ASAC hield ons met een reden zo bezig; we waren verslaaft aan de eenheid van uitgesproken figuren rondom bergen en wanden. En nog steeds, alleen nu vanuit een ander perspectief. We horen nu bij de clan van oudbesturen.

88ste, jullie zijn on fire.
Peuple, jullie zijn nog steeds mijn koningen en koninginnen.
ASAC, bedankt.

Awakenings

De wijn stond op tafel en de gitaar wisselde van speler. Al het licht kwam van twee kaarsen. We spraken over niets in het bijzonder en lachten veel om nog minder. De tijd ging voorbij zonder er deel van uit te maken.
Tot Awakenings ons erbij betrok. Alle zes sloegen met lichte tegenzin de jas om en stapten op de fiets. Wat, immers, is bij machte zo’n rustige, mooie avond te overtreffen?

We liepen het terrein van de Gashouder op en hoorden de techno. Mensen waren goed zichtbaar in het felle licht van de hal. Ze vormden kleine groepjes van overeenkomstige kledingstijlen en gedroegen zich uitgelaten. Zodra ze de zaal inliepen waren ze voorgoed verdwenen.

Sceptisch lieten wij ons naar binnen lokken. Meteen kreeg het geluid vat op ons, het dreunen, het volume, de sporadische melodietjes.

Flirten bestond niet. We hoefden ons niet van ons voortbestaan te verzekeren, want de toekomst lag niet verder dan de duur van een beat. We waren op een vreemde manier egoïstisch. Niet omdat we, zoals op andere feestjes, onze vrienden alleen lieten om op jacht te gaan en langs ze heen keken wanneer onze prooi schuin achter hen stond; flirten bestond immers niet. We spraken niet met elkaar. We waren egoïstisch op een sociale manier: Ik laat jou in je bubbel en jij mij in de mijne, en we gunnen elkaar onafgebroken techno.

Drie uur later stonden we er nog. Even dacht ik: wat als je deze hele massa, jong en energiek, op de been voor iets goed zou krijgen, zo gemakkelijk als voor Awakenings: wat zou het dan met ons worden?

Een nacht lang was er niets dan het grote dreunen. Muziek die op hoge snelheid en gelijke wijze door onze aderen stroomde, ons tot dansende lichamen maakten, en onze geesten dwong te groeperen in een tweede, magische realiteit. Een samenkomst van bubbels.
Was dit bij machte zo’n avond te overtreffen?

Tentamens

Na vijf minuten verloor ik elk vermogen me te concentreren. Ik zag de zinnen maar ik las ze niet. Ik wist waar ik de informatie in mijn brein had opgeslagen, maar ik kon er niet bij. Ik verdwaalde kansloos op bergpaden. Mijn gedachten vlogen van Nietzsche naar flanken, van topkruizen naar mijn eigen filosofieën, en van strakke blauwe hemels naar dit groteske falen. Het besef mondde uit in grote frustratie. Ik had de vragen kunnen beantwoorden, maar ik kon het niet.

Het tentamen was geen herkansing. Nooit heb ik een toets niet in de herkansing gehaald.
Nooit heb ik een essay kunnen verbeteren, omdat ik ze nooit heb opgestuurd of ingeleverd voor de deadline. Nooit heb ik alle stof voor een toets geleerd. Nooit heb ik me niet geschaamd voor de kwaliteit van mijn antwoorden, essays of mijn gedrag tegenover werkgroepdocenten.

Dit tentamen ging over stof die ik interessant vond. Maar dat is tot dusver geen reden geweest om stof te beheersen: Zodra kennis de sfeer van verplichting ademt verlies ik mijn vermogen me te concentreren. Tot de druk een bepaalde, absurde hoogte bereikt en ik als een getrainde spons wat grote lijnen opneem, diep in de nacht, wanneer de prullenbak redbullblikjes draagt en elke tik van de klok een represaille vormt.

Stel, ze sluiten me op in een lege witte ruimte om me een tentamen over bergen te laten maken, gunnen me een herkansing – maar alleen op de avond van mijn verjaardag, en laten naast wat essayvragen en een antwoordenformulier een willekeurige tekst van Nietzsche liggen: dan heb ik na het verstrijken van de 2 uren Nietzsche drie keer uitgelezen, maar geen vraag gemaakt.

Ik ben een grote idioot en wacht met smart op de periode waarin ik volwassen wordt, want dat schijnt te gebeuren. Er komt een tijd waarin ik kan lezen wat ik moet lezen, zonder het duivelse gevecht achter mijn bureau te hoeven afdraaien. Het zou me een hoop tijd schelen, en een boel meer opleveren.

Eat less, do more

Het klinkt als de lijfspreuk van een anorexiapatiënt. Eat less, do more. We hoorden hem langskomen in een kleine documentaire over een ijsklimmer, als deel van een lange zin met een reeks geboden. De man zocht in elk opzicht het uiterste op, als gevaarlijk middel om de essentie van zijn bestaan uit te breiden.

Deze woorden bleven hangen.

Eet minder, maar doe meer. De boodschap behoeft weinig uitleg en is magisch aantrekkelijk. Het doet me denken aan het lichaam van een sporter, als zijn project, als een beeldhouwwerk en een machine. Het aannemen van deze lijfspreuk zou leiden tot een bijzonder efficiënte machine, en dat op zich voelt al nastrevenswaardig. Alsof het lichaam er volmaakter van zou worden, los van uiterlijke kenmerken. Alsof het zich onafhankelijk en vrij over de aarde zou kunnen voortbewegen, in de meest optimale situatie.

Alhoewel we de spreuk voor de zomer als mantra hadden aangenomen, ging het er in de bergen significant anders aan toe. Eten moesten we zelf omhoog zeulen. We aten vaak uit één pan en hielden scherp de lepel van de ander in de gaten. Eten werd nagenoeg de doorslaggevende factor op een dag; niet omdat we een feestmaal wilden bereiden en ons imago van de kwaliteit zou afhangen, maar omdat we maar beperkte hoeveelheden beschikbaar hadden en moesten bedenken hoeveel we ons op basis daarvan konden inspannen. Eat more, so you can do more. Eten was nadenken en rantsoeneren. Light and fast, nog zo’n soepel Engels woordenpaar, dat onder jammerlijke omstandigheden evolueert in Light and less. De zomer bewees ons dat een lichaam zich niet onafhankelijk en vrij over de aarde kan voortbewegen. We waren mensen, en schokkend behoevende machines.

Maar doorgaans zijn we niet op tocht. Eten hier vormt geen extra gewicht en lijkt in de koelkast aan te groeien. Eat less, do more vindt pas aantrekkelijke grond in een overvloed aan beschikbare producten en kan ons pas dan van het mooie, illusoire streven naar een volmaakt lichaam voorzien- volmaakt in de betrekkelijke context van een sporter. Daarbuiten kan het slechts dienen als een gevaarlijk middel om bijvoorbeeld de essentie van ons bestaan uit te breiden, of als een meedogenloze veroordeling wegens bijzonder slechte omstandigheden.
Het is een luxe spreuk. Misschien pas magisch aantrekkelijk als we hetgeen dat we minder eten, eat less, geven aan diegene die het nodig hebben. Do more.

Liever, echter, val ik niet deze lijfspreuk af, en dat is geloof ik ook niet zozeer nodig. Zolang ik me blijf beseffen dat ik in de bevoorrechte positie leef om zo’n spreuk te kunnen hanteren valt me slechts nog te verwijten dat mijn do more op mijzelf gericht is, en niet op hulpbehoevende anderen.
Toch, onze efficiënte machines zijn een stuk minder belastend voor de wereld, waardoor de wereld ons, misschien, onze decadente motivatie wel kan vergeven. Dus:

Eat less. Do more.

Totale Destructie

Ik wist niet dat mijn rug en armen uit zoveel afzonderlijke spiertjes bestonden, en zeker niet dat ze zich zo konden uitspreken.

Ik heb het internet afgespeurd naar wijze adviezen omtrent klimmen en trainingsleer, maar hun overvloed deed hen teniet. Klimmers om me heen zijn weinig eenduidig. Intuïtief denk ik nog steeds: Hoe meer, hoe beter, maar nu mijn lichaam dat gaat tegenspreken moet ik wel een ander geloof aannemen.

Gezien haar schreeuw het meest dwingend is zal ik mijn lichaam tot mijn raadgever maken.

Deze week heeft me verbijsterd. Na een sessie projecten in Thea lag ik er twee dagen af en een avond Monk was desastreus voor de overgebleven dagen. Ik heb mezelf haast moeten vastbinden om die dagen waarop mijn brandende spieren me met klem aanraadden te herstellen, niet toch mooie routes in te stappen. Ik heb drie avonden gespendeerd aan de grepen van viertjes en vijfjes. Wat tergend irritant om anderen dan je projectjes te zien klimmen. Wat tergend irritant om op spierkracht te moeten wachten.

Dit was totale destructie. Ligt dat in lijn met ontwikkeling; een soort fluctuerend gedoe dat uiteindelijk tot verbetering leidt? Lichaam, wat zeg jij ervan?

Kun je het nog aan?

De Billen van een Klimmer

Ik betrap mezelf erop dat ik een haast technische visie loslaat op lichamen, zowel dat van vrouwen als van mannen. Mijn esthetische waardeoordeel gaat gepaard met een inschatting van klimvermogen, zelfs van het onbestemde lijf van mijn werkgroepdocent of van de kassamedewerkster van de Albert Heijn.

Niet alleen gaat mijn oordeel gepaard met aan klimmen verwant gedachtegoed, het wordt er ook door beïnvloed. Waar ik eerst jaloers was op lange dunne benen, kijk ik nu venijnig naar dunne middeltjes die contrasteren met buiten proportie grote schouderbreedtes. Ik weet welke capaciteit daaraan kleeft. En mijn spiegelbeeld reflecteert eerder de welvingen van spieren, dan de hoekige structuren van botten, alhoewel niets aan verhoudingen is verandert.

Verbazingwekkend is het geenszins. Al die zekeraars kijken naar al die klimmende lichamen – want wat is er meer te doen wanneer vrienden aan de andere kant van de hal klimmen – en wie niet bewust verbanden legt tussen hetgeen die ziet (lichaam) en hetgeen die ziet klimmen (klimniveau), zal dat onbewust wel doen. Het is er klimmers ook wel om te doen. Die shirtjes van getrainde vrouwen tonen vrijwel altijd de rug, soms met aandachtstrekkende gaten of touwtjes of dingen. Bij hockey waren de rokjes kort en lagen de benen bloot, bij klimmen zijn de shirtjes strak en ligt de rug bloot. Ik ben simpelweg slachtoffer van een heersend schoonheidsideaal binnen de omgeving waarin ik me vaak begeef.

Dat laat me overigens een andere link tussen lichamelijkheid, de twee sporten en mijn waardeoordeel leggen. Ooit was ik geconditioneerd de dikke billen van hockeyende mannen aantrekkelijk te vinden, maar nu heb ik slechts nog oog voor lange gespierde ruggen en spanwijdtes van absurd veel meters. Hoog in de voorklimwand hangen de meest bewonderenswaardige prestaties van moeder natuur.
Zo bevestigen mijn vriendinnetjes: Gespierde onderarmen met aderen en blijk van grenzeloze kracht doen nauwelijks meer onder voor een sixpack.

Ik vraag me af welke sporten nog zo’n lichaamscultuur hebben en welke lichamen mij potentieel zouden kunnen beroeren, wanneer ik me maar opgeef voor de sport die ze uitoefenen – denk aan acrobatiek, darten, paardrijden, sumoworstelen…?

Waarom, overigens, heerst er niet een gigantische billencultuur, juist bij klimmen? Die zijn toch vrij prominent aanwezig, zo in gordel gegoten, strak en hoog. Is dat omdat klimbillen geen indicatie van kwaliteit geven, zoals hockeybillen vertellen of iemand een goede sprinter is? Omdat ze slechts als loos gewicht heen en weer worden gezeuld?