Latest Posts

Bochtjes

Het is mooi weer. Elk begin van de dag knalt een helderblauwe hemel door het kelderraam. De pistes zijn er nog, spierwit als ze aftekenen tegen de lucht, ze zijn er nog, nog wel. Het aantal toeristen lijkt daarentegen gehalveerd, met name in Le Tour. Ik heb de hellingen soms voor me alleen zoals in het begin van het seizoen. Op mijn werk draaien we avond aan avond een absurde omzet, alsof ieder die nog rest in het dorp naar dat kleine bruine hol toetrekt. Maar de pistes zijn rustig. Chamonix is bijna van ons.

Het eind van het seizoen is in zicht en gister remde ik mijn eerste zwarte pistes af. De zon had de hele dag op de sneeuw gestaan en het in zware hopen op de helling achtergelaten. Ik gleed over verijsde hobbels tot ik vaart minderde in zo’n hoop en kon vervolgens bijna fatsoenlijk bochtjes draaien. Ik kwam meteen tot de conclusie dat als ik hier beter in wilde worden, ik sneller moest leren mijn ski’s van links naar rechts te gooien.
Dezelfde conclusie trok ik drie dagen eerder na mijn eerste off piste avontuur op de hellingen achter de pistes van Le Tour. Mijn huisgenootje had bedacht dat ik het wel aankon en ik had bedacht dat ik het zonder zijn motie van vertrouwen nooit zou ondernemen, en dus volgde ik hem ver van de pistes, ver van mijn achtertuin, ver van wat ik kende. Alhoewel dit zijn speelterrein was en hij me niet langs afgronden zou loodsen, vond ik die eerste paar vrije bewegingen een groot avontuur. De sneeuw was goed en ik kon vallen wat ik wilde, maar de hellingen waren veel steiler dan ik gewend was en er waren bomen. Die bomen. Die zaten me dwars.
Af en toe stond ik op het punt een bocht te maken en leek ik te zijn vergeten hoe dat moest. Ik wist dat het een intuïtieve aangelegenheid was, maar om me in het niets te storten zonder begeleiding van mijn ratio…
Dus dan stond ik daar op dezelfde manier als bovenaan de heuvel op mijn eerste blauwe piste. DOE HET. DOE HET. En daar ging ik.

Nu moet ik die bochtjes nog sneller maken. Bochtjes oefenen, daar lijkt dit hele seizoen op aan te komen.

In mijn dromen was ik al drie keer in twintig minuten de Mont Blanc afgeskied. In mijn nachtmerries was ik nog loyaal aan de pizzapunt op de groene piste. Deze tussengelegen situatie stemt me gunstig. Soms voel ik me nog steeds niet thuis in de skiwereld, alsof het woord debutant is getatoeëerd op mijn voorhoofd en mijn ski’s ongepaste extensies aan mijn voeten vormen, omgeven door seizoenarbeiders die me aan alle kanten voorbij skiën en de baby’s van Argentière die me laten realiseren hoe groot mijn achterstand is. Maar dat is een imagodeuk die voor dit hele project al gemaakt was. Het leed van de beginner. Andere keren denk ik: Verdomme, dit heb ik in een seizoen bereikt en niet alleen dat, eigenlijk vooral: Ik heb dit seizoen bereikt; ik leef in Chamonix en ik ben in het proces van leren skiën en dat is hoe mijn bestaan er nu uitziet.
Lekker bezig, Ruby.

Het skiën is nog steeds mijn favoriete nieuwe hobby. Ik kijk uit naar elke dag van de staart van het seizoen en hoop op nog een beetje bonussneeuw zodat ik met mijn vriendjes mee op tocht kan.
Maar het blauw van de lucht en het felle schijnen van de zon maakt me verliefd als een kikker en als de lente eenmaal daar is… tjilp ik luidkeels met de vogeltjes mee.

Lief Lijfje van me

Ik heb een gesprek met mijn lichaam gehad.

Er was op voorhand sprake van miscommunicatie; zij ging er vanuit dat ik bepaalde subtiele signalen wel op zou vangen, ik heb gezegd dat ze sommige dingen nu eenmaal helder moet uitspreken zodat ik kan weten waar ik aan toe ben.
Ik zei haar vrij bot dat het wel mooi was geweest met de malaise en dat ze zich wat weerbaarder moest maken tegen de Chamoniaanse ontberingen.
Toen zei ze: Als jij slaapt en gezond eet, dan heb ik geen reden om moeilijk te doen.
We raakten in een ingewikkelde discussie over wat dan slapen (ik zei, 7 uur per nacht, zij zei, als je moe bent) en gezond eten (hier was ze onuitstaanbaar onduidelijk) was. Uiteindelijk beloofde ik haar op zijn minst mijn best te doen om zoveel mogelijk slaap, groente en fruit tot me te nemen, zoveel als dat mijn bestaansritme hier toe zou laten, en met die laatste opmerking barste de bom.
Jij verkiest altijd het bestaansritme boven mij, zei ze. Dat is dom, zei ze, want zonder mij bestaat dat bestaansritme van jou niet eens!
Daar had ze een punt.
Ik beloofde haar dan maar ook kritisch naar mijn bestaansritme te kijken, maar er knaagde wel iets. Waarom is dat nu opeens zo’n groot probleem? Ik heb wel vaker fratsen uitgehaald – slechte ritmes, alcoholische fases, uitputtingsslagen – maar dat is nooit een reden geweest om me binnen één jaargetijde vier keer onder uit te schoppen. Ze was altijd zo sterk!

Ja, zei ze, en nu een keer niet. Simpel als dat.
(Ik hoorde een beetje een vraag om medelijden weerklinken in haar woorden, maar ik was boos dus ik heb het haar niet gegeven).

En ik had nog zulke grote plannen met haar. Er liggen trainingsschema’s klaar, en bergen, avonturen, alles gebaseerd op haar oude, vertrouwde kracht. Want ze kon het, eens kon ze het.
Ik vroeg haar of we dan konden afspreken dat 1. Zij beter zou door communiceren als haar weerstand begon te zakken, zodat ik haar tijdig rust kon geven (met de belofte dat ik überhaupt wat rustiger zou zijn), en dat 2. Ze haar eigen afweersystemen zou controleren, en met name die rond de keel want die is keer op keer schrikbarend disfunctioneel gebleken.


Oef.
Ik heb haar nooit zo pissig gezien. Ik wist op zich wel dat alles rond die keel een gevoelig puntje was, maar deze reactie was me toch wel absurd.
OK, zei ze, disfunctioneel hé!? Ik zal jou eens laten zien wat disfunctioneel is!!
En toen beroofde ze me van mijn stem.

Einde gesprek.

Ik realiseer me nu, nu ik al twee dagen met niemand kan praten, hoe verdomde afhankelijk ik van haar ben en dat ik geen keuze heb dan me naar haar grillen te voegen. Ik heb haar een brief geschreven en ik hoop dat ze me uiteindelijk vergeeft, misschien wel dusdanig dat ik gezond de lente in kan, al durf ik dat bijna niet hardop uit te spreken. Dit is de brief:

Lichaam,

Na twee erg stille dagen, dagen van reflectie en bezinking, wil ik je iets zeggen dat in ons gesprek van zaterdag niet aan de orde is gekomen, maar wat wel belangrijk is. Ik ben me eigenlijk nu pas bewust hoe belangrijk het is.
Ik heb je nodig, lichaam.
Ik heb je nodig om te praten en voor alle mooie dingen die ik hier kan doen. Ik heb je nodig om te zingen – het was zo mooi om dat weer voor een weekje te kunnen – en om ook maar een fractie van mijn leven hier op de rails te houden. Ik heb je nodig, lichaam, ik heb het nodig je te zien dansen, die voeten op dat ritme, die armen in de lucht. Ik heb je nodig om lief te hebben, maar als ik anderen lief wil hebben moet ik eerst jou lief hebben.
Ik heb je lief, lichaam.
En ik zal me daar naar gedragen.

Liefs, Ruby.

PS Mag ik nu mijn stem terug?

Kimberley Perrin

Chalet Ruby – Amsterdam :   994 km
Casa Kim – Amsterdam:         979 km
Chalet Ruby – Casa Kim:         61.4 km

Dus Ruby is mijn buurmeisje.

We hadden het hier over afstand, nu de tijdseenheid.

Auto:
61.4 km
Als je een auto hebt, kom je er in principe wel
$$$$$$$$$$$

Liften:   
Geluk of niet!

Trein: 
2h 09 minuten
Na achten geen treinen
Sneeuw … treinen komen vast te zitten
$$$

Ski:
½ La Haute Route Chamonix – Zermatt (afslaan in Arolla)
4 dagen skien met overnachtingen in:
Cabane Albert Premier
Cabane de Monfort
Cabane de Dix
Cabane des Vignettes

Fiets:
55.5km
1620m stijging
720m daling

Lopen:
Heel veel mogelijkheden ….

Maar alsnog, Ruby en ik zijn buurmeisjes. Ik kan de Mont Blanc zien als ik in de bergen ben, en dan zie ik Ruby.

Wat doet een afstand van 61.4 km met je…
Een Amsterdammer raakt sowieso in paniek. Met 61.4 km ben je buiten de ring, en dus ergens verdwaald op het platteland.

Vertel je aan een gemiddelde seizoensarbeider uit Chamonix dat je uit Sion komt, dan weet niemand waar je het over hebt. Oké het kan liggen aan het feit dat ze buitenlands zijn. Voor de meeste van de saisonniers houdt de wereld gewoon op na Argentière, want daar stop de bus. Je kunt met de trein naar Vallorcine (en dan verder richting Zwitserland), maar daarvoor moet je betalen en die gaat maar één keer per uur. Voor de meesten is er totaal geen reden om verder te gaan, naast dat je het risico nooit meer terug te kunnen of in het ravijn te vallen, is Chamonix 180 graden de andere kant op. Chamonix Mont-Blanc. Daar gebeurt het. Daar is de Mont Blanc, Les Drus, Aiguille Verte … daar is het geld. In dat dal, vertienvoudigd het bewonersaantal in de winter, van 10.000 naar 100.000. Daar zijn alle toeristen die Ruby dronken voert. Daar moet je zijn.

Als je je aan mij vraagt is Chamonix een andere wereld. Oké je bent al in een ander land met een andere munteenheid. Daarbij komt nog eens dat je 1000 meter hoger bent. Toch is het verschil frappanter dan alleen dit. Alles is chamonix is extremer. Er is méér, hoger, steiler, smaller, bekender, drukker, meer toerisme, meer arbeiders, meer nationaliteiten, meer alcohol, meer vette toeren, méér en nog eens meer.

Ruby zou zich niet kunnen voorstellen om bij mij te komen wonen en ik niet bij haar. Waarom? Ondanks dat de plekkeuze voor ons beider intuitief was, heeft het nu betekenis voor ons. We stellen ons nog steeds wel eens vragen over de verschillende normen en waarden die gelden in elke nieuwe werelden waarin we verzeild raken (en dat zijn er nogal wat), maar de grote vraagtekens zijn al opgelost. We hebben een huis, een baan, en mensen die we langzaam aan zeker vrienden zijn gaan noemen. We stellen ons allebei niet meer vragen over het bus- of treintijden, we weten de supermarkt te vinden, we kennen de namen van de bergen om ons heen, je kan langzaamaan mee praten over col de… pointe de … la longue voie dans la vallée de…l’arête de .. en vooral een hele waslijst aan tochten!!

We zitten allebei goed waar we zijn. Ja in het nu en hier. Wat er gaat komen weten we niet. Ik ben benieuwd. Maar wat ik zeker weet is ‘Buurvrouw la Blanche, ik zie je snel weer!!’

wouss
Wous&ruby

Cheapshots en het Spaceship

Ik heb een nieuwe collega. Hij is aangenomen om ieders gemoed wat vrolijker te maken. Hij lacht namelijk. Heel hard als het heel grappig is en hard als het grappig is.
Ik kende hem van het zomerseizoen. Voornamelijk als de trailrunner en het voedselbeest dat bij de receptie werkte.
Gebruikte borden van het terras of restaurant moeten naar de plonge (het afwashok) gebracht worden en de looproute loopt precies langs het bureau van de receptie. Je voelde altijd zijn blik gericht op de mogelijke resten, op de stukken brownie of vlees of brood die hij vervolgens stiekem in de plonge naar binnen werkte. Ik kon eerst niet geloven dat hij werkelijk aan de haal ging met andermans overblijfselen, maar hij koos ze zorgvuldig en na verloop van tijd vond ik het groteske verspilling dat niemand dat nog goede eten at behalve hij.
Ik begon in die periode ook met trailrunnen en had altijd honger. Dus het was een feestje in de plonge.

Hij heeft met twee vrienden een hut in Argentière gevonden en woont daar op de één of andere manier, in elk geval zonder huur te betalen, en ik kan me herinneren dat ze iets met isolatie hebben gedaan om de winter door te komen. Ik moet dat zien.
Het is geen grotmens, het is een heel fatsoenlijk ogende jongen met een passie voor fotograferen en een talent om net buiten de regeltjes te leven.

Zijn auto is kapot omdat hij ermee in de vangrail van Les Praz is gereden (toen er drie lifters bij hem op de achterbank zaten) en dus komt hij de laatste paar dagen met zijn motor naar werk. Daarom ga ik de laatste paar dagen met de motor naar huis.
Midden in de nacht vliegen we over de besneeuwde slingerweggetjes naar Le Tour. Sneeuwvlokken die als een razendsnel sterrenstelsel langs ons schieten. Ik heb hem gevraagd of zijn motor al een naam heeft, hij zei nee maar ik mocht er één bedenken, en nu heet ze Spaceship.
De kou bijt mijn benen en handen eraf, wankel loop ik ’s nachts over het pad naar het chalet.

Het werkt om een lach achter de bar te hebben. Als het management naar huis is, sneaken we de keuken van het hotel in op zoek naar mandarijnen en snickers, of ijs en chocoladesaus, en hij weet van álles waar het ligt. Eten maakt iedereen blij.
Als de zooi na de après-ski nauwelijks te overzien is lopen wij als een malle op te ruimen en besluit hij een cheapshot te maken (een goedkoop shotje dat je gebruikt om gasten aan je bar te houden) van blauwe liquor en groene kiwisiroop, dat hij met precisie van een scheikundige in elkaar knutselt en met ernst van een professor door ons laat testen. Hij weet niets van alcohol maar wel van kleur, en als er maar genoeg zoete troep in zit vinden we het allemaal fantastisch.

Mijn nieuwe collega.
Ik ben zo blij met hem.

Fortuinlijke Landing

Ik had bezoek hier.
Zij heeft over de amandelcroissantjes geschreven. Nu ga ik over haar schrijven.

Zo’n 22 jaar geleden werd ik bij haar in de wieg gedumpt, dat scheelde mijn ouders een oppas en betekende voor mij een fortuinlijke landing. Rond ons achtste levensjaar beschoten we elkaar met witte, schuimige besjes door ze in plastic pijpen te stoppen en heel hard richting de ander te blazen. We maakten hutten van doeken en tekenden honderden kleine krijten weggetjes op de straat.
Met twaalf fietsen we samen naar het hockeyveld.
In de zesde rende ik vijf minuten voor het scheikunde tentamen door de gangen van het college om haar te vinden voor de uitleg van die ene opgave welk trucje zeker getest zou worden.

Ze is intelligent. Doet de moeilijkste studie in Delft. En met name, ze doet wat ze zelf wil. Dat heeft ze altijd al gedaan en dat heb ik altijd met eindeloze bewondering gade geslagen. Iedereen ontpopt zich uiteindelijk toch in zekere zin als speelbal van alle anderen, maar zij lijkt daar al sinds jongs af aan los van te staan. Van elk van haar ondernemingen, van kopje koffie drinken tot feestjes in Amsterdam, weet je zeker dat zij zelf de uiteindelijke motivatie is geweest.
Ze heeft onvoorwaardelijk zelfvertrouwen, niet de arrogante variant maar de solide. Ze kiest zichzelf.
En ik geloof dat dat de reden is waarom er een fascinerende rust om haar heen hangt. Alsof ze altijd met een boek op de bank zit.
Misschien zou ze hier zelf niet mee instemmen, maar ik schrijf dit verhaal vanuit mijn perspectief en niet het hare.
Jammer dan.

Het was bijzonder haar een week dichtbij te hebben en tegelijkertijd weet ik zeker dat ik haar mijn leven lang dichtbij me zal houden.

Altijd.

Mis je graag

Emigreren is weg zijn. Ver weg zijn. Emigreren is je vrienden en familie niet in je dagelijks leven hebben. Misschien digitaal, maar dat is anders. Dat telt niet, want dat voel ik niet.

Het is niet erg.

Missen heeft iets goeds want het zegt dat er iets van waarde is. Er is een succesverhaal in je leven. Die mensen, als alles misgaat zijn de mensen die je mist nog altijd het succesverhaal van de tijd waarin je bij ze was.
Het is je historie die zegt: Hé, je bent niet alleen (want je bent alleen en je voelt dat).

Missen, missen, ik heb er nu al te veel over nagedacht, twijfel al aan de betekenis ervan. Missen wordt zo erg bepaald door diegene die je mist dat missen als woord alleen bijna leeg is. Het heeft het gezicht en de handen en de lach van diegene die je mist. Je mist niet in het algemeen. Missen zonder iets of iemand, ik weet niet of dat bestaat.

Missen is zo iets charmants en kleins, het is de uberverhalenmaker, de dieptegever op ieniemienie momenten. Je stoot je teen zoals hij ooit zijn teen stootte en dan opeens springt je hele lichaam in de ‘shit ik mis hem’ modus.
Het heeft een eigen ritme, een eigen timing, ik kan iemand voor maanden vergeten en dan opeens popt ze terug in mijn wezen, klabbaam, waar is ze, waarom is ze niet hier.

Waarom is ze niet hier.

Missen zegt tegen me; verdorie Ruby, laat eens wat van je horen.
Ik hou veel van die Nederlanders.
Héél veel.

Het is niet erg.
Ik mis graag.

Tromgeroffel

Ik sta bij het busstation en de wind trekt aan mijn haren en kleren, de rafels van mijn broek, mijn schoenveters. We eindigen bijna twee haltes verder zonder in de bus te stappen. Het is bitterkoud. Ondanks de zaterdag, de dag waarop mensen komen en gaan en de pistes relatief verlaten zijn, is het druk op straat. Mijn bus laat lang op zich wachten en ik spring en loop heen en weer om warm te blijven.
Een groep bezopen toeristen komt het café uit. Ik laat ze passeren, volg ze met mijn ogen en zie een meisje inzakken. Languit op de stoep totdat mijn bus komt, omringt door iedereen behalve zij met wie ze was, want die plassen tegen de schutting of leunen tegen de lantaarnpaal.

De bussen van de vallei komen te laat als het veel gesneeuwd heeft of er reden is om massaal van de piste af te komen – de sluittijd van het liftstation.
Grote groepen dronken toeristen zijn het dit keer.
Ik stap in en manoeuvreer me tussen de Engelse skiërs en anekdotes. Ver na de bushalte stopt de chauffeur om iemand eruit te gooien, die zodra hij op vaste grond staat alle alcoholische ellende op kotst. Tot euforie van de rest.

Het is half twaalf ’s avonds. De bus rijdt weg van haar laatste halte en ik begin de wandeling van Argentière naar Le Tour. Tussen bomen en huizen, het pikkendonker, de wind in vlagen langs me heen als kleine hapgrage monsters. De bergen zijn zichtbaar door het wit van de sneeuw dat nog net door de nacht verschijnt. Sterren.
De stijging van de weg houdt me warm.
Halverwege heb ik het normale leven achtergelaten en wandel ik door mijn eigen gedachten. Ik ben ook een beetje dronken. Niet als de Engelsen, niet als mijn collega’s, maar het dronken dat ik word van twee biertjes.
Ik ben door het dolle heen.
Het is zo mooi dat ik eindelijk weer kan schrijven. Eindelijk. Razendsnel, elke stap twee regels.
Ik dans, want niemand ziet me toch.
Ik ben in leven, ik kan zingen want mijn stem is niet meer aan gort, ik heb weer genoeg marche om moe te worden.
De wind trekt en trekt alsof het verandering in mijn binnenste teweeg wil brengen. Doe het maar, denk ik, verander maar, dat doe me goed.

Ik ben iemand anders als ik bij het chalet aankom. De Fransen en Spanjaarden zijn allen nog wakker en dronken a mort, met lege flessen wijn en bier op tafel en zijzelf ook, of onder de bank, of uit het raam. Ik krijg shotjes wodka en wordt meegesleurd terug naar Argentière, ik schreeuw dat ik wil schrijven – moet schrijven – maar dat zegt ze niets, naar een verlaten kroeg waar ik een derde biertje met grenadinesiroop drink en een verbazingwekkend diep, Franstalig gesprek met mijn Argentijnse huisgenootje voer. Rond drie uur ’s nachts dwaal ik door de hoofdstraat op zoek naar de Fransen die miraculeus zijn verdwenen. De wind kruipt wederom agressief door mijn kleren en haren.
Maar het heeft iets bizar teders.

De jongen die ons naar huis rijdt kotst vijf minuten later de keuken onder.

Ik staar naar het haardvuur vanaf de bank in de woonkamer en voel me zachtjes terug in de realiteit landen. Met gesloten ogen luister ik naar het gebeuk van de windvlagen die als tromgeroffel door het knisperen van het haardvuur klinken. Drie lichamen liggen uitgeteld om me heen. Ik daal af naar de kelder, kruip in bed en val in slaap.

Iglo’s, bacillen, vliegende honden, honderden euro’s en een diploma

Soms leef je dagen waarvan je weet dat ze groots je eigen historie ingaan.
Deze weken zijn zo geladen dat ik er altijd een sterk gevoel aan over zal houden.
I got my ass wipped, ik ben op mijn bek gegaan, ik ben verslagen. Ik had het idee dat ik wel kon blijven aanmodderen met de bacillen en ik verbaas me bijna over de feitelijkheid van hun overwinning. Als zij werkelijk sterker zijn, dan doe je daar dus niets aan.
Mijn leven is er desondanks niet vervelender op geworden.
Gebonden aan mijn bed sla ik de komst van ladingen sneeuw en een achttal extra Fransozen in mijn huis gade. Fieke klopt aan en mengt zich in de huiselijke chaos, zo natuurlijk dat ik me haar naderende afwezigheid onmogelijk kan invoelen. De Fransen maken een iglo in de achtertuin, een gigantische, ze bouwen er een tweede iglo naast en verbinden ze met een gang. En dat alles houdt het voldoende om er op een avond met het hele huis in te kaasfonduen.
Ik ben daar niet bij, want ik draai de dagen van mijn terugkomst op het werk, daar waar de bom is gebarsten en beterschap is beloofd. De keelmalaise houdt aan en ik droom van de dag waarop ik weer kan zingen.
’s Middags slaap ik bij in een poging om de destructie van het nachtwerk te compenseren. Tijdens een sessie dagdromen zie ik opeens iets langs het kelderraam vallen. En nog iets. En nog iets.
Later hoor ik dat een Fransoos van het balkon in de poedersneeuw is gesprongen (het is een serieus balkon, ’s zomers zou dat suïcidaal zijn). Een andere Fransoos heeft een achterwaartse salto gemaakt en daarna hebben ze de honden naar beneden gegooid.
Op een avond komt dat allemaal langs mijn werk om bier te drinken. Omdat het leven nu eenmaal bizarre toeren maakt, vinden ze vierhonderd euro op de stoep voor het café en gaan ze in één beweging naar een restaurant. Pizza en Amaretto, hoor ik later.
Op de laatste dag van het verblijf van Fiekje wordt ze gebeld met het nieuws ze dat ze geslaagd is voor haar diploma verpleegkunde. Met drie achten. Haar solide prestatie staat in zulk grappig contrast met de fratsen van het leven in Le Tour dat ik er bijna met mijn kop niet bij kan. Vliegende honden rijmen slecht met jarenlange studies en stages in ziekenhuizen. Ik ben apentrots.
De iglo’s in de achtertuin glinsteren in de zon. Ik heb een verkeerde keuze gemaakt door een fulltime baan te nemen en ik kan me er niet direct uit manoeuvreren, maar het levert me een goede dosis inzicht op wat betreft de indeling van alle miljoenen dagen die nog komen gaan.
Dit seizoen heeft de charme van een probeersel. Ik mag de uitkomst wel.

Voor Pampus

Het is vier uur. Om half vijf sta ik op het rooster. Ik zit aan de grote houten tafel in de hoek van het café en ben plotseling zo moe dat ik mijn hoofd nauwelijks meer zelf kan dragen. De helft van mijn collega´s wandelt ziek om me heen. Het heerst niet eventjes, het heerst al sinds de start van het seizoen. De hele bus kucht. Ik weet nog dat mijn oud huisgenootje zei dat ze niet wilde blijven voor de winter omdat ze wist dat ze van november tot april ziek zou zijn. Nee joh, dacht ik, dan doe je gewoon een dikke jas aan.
Zes dikke jassen zouden deze beesten nog niet buiten kunnen houden.

Ik verklaar in het wilde weg dat ik ermee ga kappen. Ik trek het niet meer. De baan is teveel en te intens en de vlijmscherpe conflicten die ook al vanaf het begin van het seizoen spelen kruipen als weerzin door mijn hele lichaam.

Ik breng mezelf naar beneden, trek mijn werkkleding aan, draai het bolletje van mijn piercing af, gooi mijn haar in een staart en staar mezelf aan in de spiegel van het personeelstoilet. Je bent gek, Ruby, je bent volslagen gek.

Als ik weer boven kom is het feest al begonnen. De ene bestelling wordt gedaan voor de andere voltooit is en mijn collega’s zijn verdwenen in hun eigen wereld aan routinehandelingen. Mijn baas komt even achter de bar om extra wisselgeld in de kassa te doen en omdat ik weet dat ik er normaal gesproken te terughoudend voor zou zijn, gebruik ik mijn vermoeidheid en emoties om op hem af te stevenen en te vragen om een één op één gesprek. You busy now? – Reageert hij. Fuck, denk ik, dat is wel heel snel. Ik weet niet eens wat ik wil zeggen.
Vijf minuten later zit ik tegenover hem in een klein muf kantoortje en hoor ik mezelf ratelen alsof iemand een plug uit een verdorven hokje van mijn brein heeft getrokken. Ik zeg alles wat me dwars zit en betrek iedereen in mijn spontane veldslag. Verbazingwekkend genoeg blijkt hij overal van op de hoogte en geeft hij me in alles gelijk. Hij beloofd maatregelen en beterschap en ik vertrouw hem daarin. Een last valt van me af.

De après-ski is relatief rustig, maar vlak na het stoppen van de band komen plotseling hordes mensen binnen. Om half tien kan ik pas naar beneden om te eten. Ze zijn de keuken al aan het opruimen en ik zie meteen dat het personeelseten weggegooid is. ‘We don’t really have leftovers’, zegt mijn chef me.
Ik barst bijna in huilen uit.
Een indicatie van mijn gesteldheid.

’s Nachts rijdt een collega me terug naar Le Tour. De volgende ochtend hoef ik maar eventjes mijn bed uit om te weten dat ik er officieel aflig. Alweer. Ik heb twee dagen vrij en spendeer ze beiden onder de dekens, terwijl het weer buiten onvoorstelbaar mooi is en ik Fieke op bezoek heb. Gelukkig kan zij de hort op met mijn huisgenootjes en hoef ik me geen zorgen om haar entertainment te maken.
Ik slaap veel en ril veel en zweet veel. Als het lukt kijk ik een film of schrijf ik. Mijn gedachten maken vreemde toeren, maar het is fijn om weer even met ze alleen te zijn. Ik realiseer me dat ik iets moet veranderen om dit seizoen met fatsoen af te sluiten, een sterker lichaam of een verminderde last. Het is geen keuze.

Fieke de Goede

Vroeger wandelde ik braaf op bergpaadjes. Ik skiede op pistes. Maar sinds ik lid werd van de ASAC is de bergwereld oneindig veel groter en interessanter geworden. Rotswanden bleken beklimbaar en plots verliet ik de wandelpaden om de mooiste topjes op te klauteren. Omdat een tourskicursus er telkens niet van kwam bleef ik helaas nog altijd wel gebonden aan de pistes. Vanuit de lift staarde ik naar elk topje om me heen, dromend over hoe het zou zijn om daar omhoog te zwoegen en door de poeder naar beneden te zweven.

Twee jaar geleden was ik op wintersport met mijn familie. Mijn broer is de grootste skifanaat die ik ken en was de gehele week door het dolle heen. Ik ook, maar toch niet helemaal. Iets ontbrak. Ik bleef hem maar vertellen over mijn zomerse alpine avonturen, over hoe fantastisch het is om af te zien, kapot te gaan. Ik wilde tourskiën en niet anders. M’n broer vond dat ik me maar aanstelde. Afzien..

Ook dit jaar ging mijn plan om op tourskicursus te gaan niet door. Ik kreeg namelijk de kans om met een paar fantastische mensen te gaan ijsklimmen. Een prima alternatief. Een week lang hebben we ons uitgeleefd op brakke watervallen in Oostenrijk. Toen de rest terugkeerde naar Nederland stapte ik in de trein naar Chamonix.

Op avontuur met Ruby.

Nog slechts een half jaar geleden was ik niet echt fan van Chamonix – veel te toeristisch. Sinds Ruby zich echter in de Mont Blanc vallei heeft gesetteld, heb ik de schoonheid van het massief om Chamonix heen ontdekt. De bergen zijn zo imponerend dat mijn hart bij de eerste aanblik vanaf de snelweg al als een dolle tekeer gaat. Ik heb ontdekt dat alles wat je in de bergen maar zou willen doen, hier mogelijk is. Tijdens eerdere bezoekjes afgelopen jaar heb ik al bizarre avonturen beleefd met Ruby – sprookjes en de dansende spookjes, herfstzonnetje – en ik wist dat deze week minstens zo goed zou worden. Geen plannen, wat we ook zouden gaan doen, het zou goed zijn. Chamonix biedt mogelijkheden.

Ruby had bij een huisgenoot – Adria – laten vallen dat ik dolgraag wil tourskiën. Ik werd spontaan uitgenodigd om mee te gaan op tocht. Eerst stond er een gigantische tour op de planning, steigend vanuit Argentiere, ergens de Chardonnet over, dan Col du Tour en skiënd terug tot in de achtertuin van het Chalet. Precies daar waar ik mijn eerst zelfstandige alpine tocht heb gemaakt – met Ruby – de gletsjer af skiën..
Het sneeuwde en stormde de dagen ervoor en het plan viel in het water.
Later kreeg ik echter bericht van Adria. ‘We’ll do a bit of ski touring tomorrow but much shorter than that what was planned because of the avalance risk. If you want to come you’ll need to come to the shop (de skiverhuur in Chamonix waar Adria werkt) and get your touring skis!’ ‘Souds awesome! I’ll come straight away!’

In de skiverhuur realiseerde ik me dat ik geen flauw benul had van wat ik eigenlijk ging doen. Ik wist niets van de ski’s, de vellen, de loop en ski-stand van de ski’s. Geen idee van de piep, het tassenpakken voor een tourski tocht, het routeverloop. Ik voelde me een idioot en snapte even niet meer waarom zo kon dromen over iets waarvan ik de inhoud niet kende.
Maar ik begreep al snel weer wat het was, die droom.
Ik wilde zelf de berg op komen. Ik wilde het verdienen om door de poeder naar beneden te roetsjen en afgepeigerd maar volledig voldaan neer te ploffen op de bank in het Chalet met de Spanjaarden. Ik wist dat dat me blij zou maken.

IMG_0816Op pad gingen we, Adria en ik onder begeleiding van Marcel – een bevriende spanjaard die al zoveel ervaring heeft dat hij hoopt binnenkort met zijn opleiding tot berggids te beginnen. Een goed stel om mijn eerste tocht mee te maken. Ik kreeg uitgelegd hoe ik mijn vellen op mijn ski’s moest binden en daar gingen we. Eerst vond ik ze maar in de weg zitten die lange zware latten. Maar ik raakte eraan gewend en steeg steeds gemakkelijker omhoog door het besneeuwde bos.
Heerlijk.
Ik was door het dolle heen. Het was zó fijn om daar te zijn, om op de ski’s te staan en tegelijkertijd de wereld om me heen in me op te nemen. Hoe dunner het bos werd, hoe zichtbaarder de gigantische bergen werden. Ik genoot van de zon die na al die dagen storm volop scheen, ik genoot van het aanzicht van de imposante bergen, ik genoot van het Spaanse gezelschap. Ik voelde me goed en raakte vertrouwd met mijn ski’s. We stegen boven het bos uit en gingen weides over die werden omringd door rauwe rotswanden. Mijn gedachten dwaalden af. Niets leek er meer toen te doen. Het leven was weer een spel. Dat is wat de bergen met me doen. Ze maken me gelukkig, rustig, euforisch..

Even werd ik opgeschrikt door een stel tourskiërs die ons in razend tempo passeerden – het bleek de beste skiër van de hele wereld te zijn, ene Kilian Jornet met wat aanhang. Toen ik hun smalle skietjes zag besefte ik dat de ski’s van Marcel die ik maar raar smal had gevonden, toch niet zo oldschool en hippie waren als ik dacht. Stiekem waren ze veel functioneler dan de brede zware ski’s van Adria en mij. Ik hoopte maar dat ik tijdens de afdaling profijt zou hebben van mijn brede ski’s. Want hoewel ik de pistes prima naar beneden kom ben ik nog niet zo’n ster in off-piste skiën.
Ergens kneep ik hem een beetje..

Op de top besloot Marcel het couloir rechts naar beneden te nemen. Aan het begin smal en stijl, daarna steeds breder en vlakker aflopend. Ik dacht dat het goed moest komen. De jongens vlogen naar beneden. Pas toen het mijn beurt was zag ik dat ik eerst een sprong van zo’n meter moest maken en daarna meteen een bocht zou moeten maken. Mijn hart sloeg over en mijn benen leken van pap. Ik moest lachen om mezelf en stiekem wilde ik een beetje huilen. Hier had ik zolang van gedroomd, en nu stond ik hier.. Ik durfde niet en ik wilde niet.. Maar er was geen ontkomen aan.
Ik ging en liet me na elk bocht in de poeder vallen in de hoop dat ik op die manier mijn kniebanden zou sparen. Toen het couloir breder en minder stijl werd, durfde ik het aan twee bochtjes achter elkaar te maken en uiteindelijk liet ik mijn ski’s vaart maken. Eenmaal bij de Spanjaarden waren mijn benen zo verzuurd dat ik niets meer kon en me in de sneeuw moest laten vallen.
‘C’etait bon, ton premiere descente?’ antwoorde ik met ‘horrible, mais super’!!

Ik voelde me steeds meer thuis in de poeder en sjeesde jodelend achter de jongens aan. Gedurende het laatste stuk door het bos over smalle paadjes was ik weer helemaal in mijn element en we hadden dikke pret.
We dronken een bier in La Buet en namen nog een tweede. Dronken van blijdschap, vermoeidheid en alcohol stapten we uiteindelijk het treintje in, terug naar de warmte van het huis.

Net buiten Chamonix, in Le Tour, ligt de uitvalbasis van Ruby. Het is al benoemd in eerdere gastblogs, meerdere keren; het huis, de Spanjaarden de Fransozen…  Het is er fantastisch. Al het moois wat zich in het chalet afspeelt en de sfeer die er hangt, zouden echter niet zo fijn en mooi zijn als dit chalet op een andere plek stond. De bergen, het bergleven, het maakt alles compleet.
Na een dag buitenspelen wordt je gevoerd met Spaans eten, gekkigheid en liefde. Ik snap heel goed dat Ruby verliefd is geworden op dit leven, op de mensen, op het huis. Maar vooral ook op de bergen.

Ik wil hier blijven.

IMG_0807