Latest Posts

Sneeuw

We hadden allemaal een passie die haaks stond op het humeur van moeder natuur. We wilden sneeuw om er met een grote grijns overheen te glijden, maar de lucht bleef helderblauw. Soms zagen we weerberichten vol zware wolken met ladingen sneeuw, maar die bleven hangen achter de kaders van het computerscherm, terwijl de zon zich elke morgen enthousiast in de hemel nestelde. De laag sneeuw die resteerde, stamde nog uit november en zag blauw van passerende skiërs.

Echter, afgelopen vrijdag dansten de auto’s plotseling van de weg, de greppel in, onder een laag sneeuw. Ik was op pad met Ben. We tuften voorzichtig langs de slachtoffers in zijn grote oude bus, met vier wielen die soms grip op de weg verloren. Alles en iedereen droeg een wit hoedje, en overal dwarrelde het.

Op aanraden van Fieke bezochten we het skistation van Serre Eyraud. Met een beetje moeite onderscheidde we de kantine onderaan de pistes als een berg sneeuw met glazen deuren. We klopten onze schoenen uit en keken om de hoek van de deur; een groep koffiedrinkers en kaartspelers rondom een plastic tafel hief verbaast het hoofd. Een van hen stond op en zei: ‘Vanwege het lawinegevaar hebben we de bovenste pistes moeten sluiten, als jullie willen mogen jullie skiën op de ondersten.’

We keken naar buiten, waar het niet meer sneeuwde, maar regende. In plaats van een liftpas bestelde we een kop koffie en namen plaats aan onze eigen plastic tafel. Ze verkochten zakjes chips en snoep. Aan de muren hingen foto’s van jeugdteams en lokale kampioenen. Ik moest denken aan sportkantines in Nederland, waar lokale supporters naar binnen liepen voor het middagbiertje, en had skiën nog nooit als zodanig gezien. Hier was skiën geen Goretexgelegenheid in glimmende eieren vol internationaal geld en gedrogeerde seizoenarbeiders, hier was het gewoon wat men deed. De lokale sport. Tosti’s in de rust, overenthousiaste vaders, ons kent ons.

Toen we opstonden werd ik aangesproken door een klein oud mannetje in pisteuroutfit. ‘Fiets jij toevallig?’
Ik wist niet of ik het wel goed verstaan had. ‘Ja…? Als in… Niet nu, maar…’
‘Ah! Jij hebt mijn lam gered! Jij fietste langs mijn boerderij! Ik wist dat jij het was, ik herkende je stem!’
Het was de boer van het lam dat ik half in de wereld had zien uitsteken. ‘Maar u bent het! De boer!’

De boer was pisteur, de pisteur was boer. Ik vroeg hem hoe het ging met het lam, hij antwoordde dat een roedel wolven vijftig leden van zijn kudde had opgegeten. Omdat hij niet veel meer dan vijftig schapen had, zag ik het lot van mijn lam somber in.

We betaalden onze koffie en liepen door zompige sneeuw terug naar de bus. De regen werd weer sneeuw, en in een vlaag van optimisme of naïviteit begonnen we aan de klim terug naar Briançon, die halverwege stagneerde omdat we, samen met zo’n vijftigtal andere voertuigen, verrast werden door de voorspelde sneeuwstorm van de vrijdagavond en het niet voor elkaar kregen om nog vooruit te komen. Een paar sneeuwkettingen bracht ons tot aan de col vlak voor Briançon, waar het verkeer tot stilstand kwam en voorlopig ook niet meer zou bewegen. Ik wachtte op vrijwilligers die langs zouden komen met erwtensoep en dekentjes, wat nooit gebeurde, zelf niet na drie uur.

Toen we eindelijk mijn parkeerplaats opreden, stond ze niet meer vol met auto’s, maar met bobbels van sneeuw waaruit zijspiegels staken.

De volgende dag sleepten we de bus weer over glibberige wegen naar het skiressort, waar zoveel verse sneeuw lag dat we moeder natuur al juichend en verzuipend bedankten. Ze vond het uiteindelijk toch leuk om ons te zien skiën, zo leek het.

Il neige

Ik vind het maar koud

Watervalklimmen zou ik leuk moeten vinden. Gisteren viel ik flauw van de pijn in mijn vingers terwijl ze opwarmden van een ijskoude lengte. De wereld draaide en kreeg bewegelijke zwarte vlekken, even later hing ik ontspannen in het relais. De jongens waarmee ik klom begeleidden me uit de waterval en gaven me even later, terwijl we naar huis reden, het harde commentaar dat ik de verantwoordelijkheid over mijn eigen lichaam moest nemen. Ik had niet zo koud moeten worden en me vooral moeten verzetten tegen de pijn. Als ik berggids wilde worden, dan…

Ik was echter niet flauwgevallen omdat ik die optie prettiger vond dan het verbijten van de pijn, maar omdat mijn lichaam even was vergeten om bloed naar mijn brein te sturen. De ervaring was overweldigend en het effect van hun opmerking zo mogelijk nog heftiger: Ik kon namelijk heus wel tegen pijn. Zelfs al was ik een meisje in een waterval (zie hier dan toch, het meisjescomplex). Ik heb toevallig een slechte circulatie in mijn handen en voeten (wouw, en dat heeft nog met vrouw-zijn temaken ook, heb het toch even opgezocht) en verbijt alles wat er te verbijten valt, kortom, ik wens die jongens al mijn misselijkmakende pijnlijke hot aches toe, plus een hoop menstruatiepijn en bevallingen en dergelijke.

Vandaag stond ik op zonder gevoel in de toppen van mijn grote tenen. De eerste tien minuten van mijn dag spendeerde ik zodoende aan een koffie en het overdenken van mijn toekomst. Ik trok een drietal conclusies: Allereerst, in een wereld waar ijs lekker warm is en je een helm draagt vanwege vallende kokosnoten, zou ik watervalklimmen fan-tas-tisch vinden, maar in deze onvruchtbare stervenskoude mensonvriendelijke variant vind ik het niet leuk. En dat mag best. Ten tweede, dat ik een keertje flauwval in een waterval betekend niet dat ik geen berggids kan worden. En tot slotte, het meisjescomplex moet de deur uit. Vanaf nu is er alleen nog maar sprake van verblindende womanpower. Pas op, daar klimt een woman.

Ik heb de nagels van mijn dooie tenen roodgelakt en de hele dag gespendeerd in kleine boetiekjes, dichtbij de verwarming van de boekhandel en onder de schapenwol van een reeks fluffige winterjassen. Het was een dag vol comfort. In de outdoor winkel vond ik warme sokken op batterij van 150 euro en een prachtig mooie blauwe donsjas van zo’n duizend geplukte ganzenbuikjes, misschien, als ik een rijke vent aan de haak sla, keer ik nog eens terug naar de watervallen in een cocon van dure warmte en vind ik het nog leuk ook.

Een eend in de CRET

Woensdag hing ik gedeprimeerd, bijna huilend aan de paddenstoellift. Ze hadden gezegd dat het beter ging, maar dat ging het niet. Ik begreep het nog steeds niet. Tijdens de videoanalyse die avond zag ik mijn silhouet en ik leek nog het meest op een eend, dus gleed ik de volgende dag kwakend over de pistes, in mijn roze skibroek, ver achter de jongens.

Een week later brachten ze ons naar La Grave, waar ik samen met een leraar en een andere eend de troep verloor en daarom ongepland praktisch privéles had. Pal naast La Meije, een aanéénschakeling van afdalingen van zo’n 2000 meter. In La Grave vielen de kwartjes. We gleden over de gletsjer, door couloirs, langs rotswanden, tussen bomen en ik was onvermoeibaar, niet omdat ik beresterk was, maar omdat ik het begreep. De avond viel teleurstellend vroeg.

Ik heb misschien nog steeds, een beetje, het silhouet van een eend en de leraren hebben me nog zo, zo, zoveel te leren, maar skiën kan ik tegenwoordig. De examens in maart zijn niet belachelijk meer. Ik (de eend) ben (is) er klaar voor.

Je suis le pilote

Vorig jaar kon ik Lionel, een van de leraren van de CRET, niet verstaan. Hij gebruikte veel verschillende ski-technische termen voor hetzelfde fenomeen (de perfecte bocht is zowel functioneel als poëtisch) en sprak daaromheen een onbegrijpelijk soort Frans. Ik vermeed hem bewust en onbewust, enerzijds omdat zijn correcties op mijn afdaling net zo goed hadden kunnen gaan over het weer, anderzijds omdat hij zich ontfermde over de snelle skiërs met bewijsdrang en ik zelf vooral werd aangetrokken door een ander setje leraren, twee vaderfiguren die me met een bezorgde glimlach uit de sneeuw trokken als ik er weer eens op zijn kop in lag.

Het eerste wat Lionel dit jaar over me zei was: Ze heeft op z’n minst Frans geleerd. En hij had gelijk, want vandaag raakte ik verzeilt in het groepje van Lionel en ervoer ik het merkwaardige fenomeen van het ‘iemand verstaan die, de laatste keer dat je hem ontmoette, onverstaanbaar was’: alsof het geluid plotseling was aangezet. Hij zei ons dat we zelf achter het stuur van onze ski’s moesten gaan zitten (vous êtes le pilote! Le capitaine! Le conducteur!) en ik vond dat leuk om te horen, want vorig jaar had ik deze tekening gemaakt:

_DSC0141

(Wat hij vooral bedoelde was dat je niet overgeleverd mag zijn aan de grillen van het terrein, maar actief de gang van je ski’s moet bepalen doormiddel van een eindeloos aantal technieken én door voorin je schoenen te hangen.)

Lionel zei me in de loop van de ochtend dat ik duidelijk progressie had gemaakt, en ik vroeg me verwildert af wat dat betekende: Zit ik dan nu een soort van op niveau? Ik volgde een groep die te snel voor me ging, over terrein dat mijn balans verstoorde, en de oude sensatie van de CRET (hemelse goedheid waar ben ik mee bezig) was volop aanwezig. Toen ik even later twee meter van een sneeuwwand afstortte en plat op mijn bast op de piste terecht kwam, opende ik verward mijn ogen en zag dat iemand me had gevolgd: Nico lag vlak naast me, in een vreemde positie, zonder te bewegen. Ze hielpen mij terug op de been en trillend zag ik aan hoe het bloed uit de neus van Nico stroomde. Hij kreunde van de pijn, wist niet wie of waar hij was en werd al snel in een banaan afgevoerd.

Ik had het spoor van Lionel niet kunnen volgen en Nico was me in mijn traject gevolgd. Niemand zei me dat zijn val mijn schuld was, maar zo voelde het wel. Ik bleef trillen tot aan de middagpauze en ontkwam niet aan het gevoel dat ik roekeloos was geweest, dat ik niet had moeten proberen om Lionel te volgen, wat onmiskenbaar de bedoeling van de oefening was geweest maar wat blijkbaar nog niet voor mij was weggelegd.

Terwijl het lichaam van Nico gescand en geanalyseerd werd, volgden wij weer de oefeningen en instructies van Lionel, ik nog steeds trillend, en toen gebeurde er iets geks: Terwijl hij iedereen corrigeerde zei hij slechts dat ik het goed deed. Langzaam begon ik te beseffen dat ik het dus waarschijnlijk goed deed, wat haast niet mogelijk was, maar toen we aan het einde van de dag van de pistes wegliepen zei hij het nog een keer, en hij zei zelfs dit: Als ik skiede zoals vandaag op de examens van de ENSA, dan zou ik ze ruim passeren.

Je hebt geen idee wat die opmerking met mij deed.

Nico werd gebeld en was aanspreekbaar, maar de uitslag van het onderzoek was nog niet binnen.

’s Avonds zat ik op de bank en voelde de impact die mijn eigen val op mijn lichaam had gehad. De spieren in mijn nek en rug deden zeer. Ik strekte mezelf uit en dacht twee dingen: Dat ik net zo goed Nico had kunnen zijn en andersom, en dus van geluk mocht spreken dat ik hier enigszins gekreukeld op de bank lag, en dat ik eindelijk had leren skiën.

(Nico hing twee dagen later al weer vrolijk aan de rotsen, met gescheurde knieband en al).

De accordeonspeler

Ruim drie jaar geleden ontmoette ik een waanzinnig interessante jongen die leefde in een oude ambulance en, begin winter, warmte zocht bij het chalet dat ik deelde met een gezelschap gelukszoekers dat bestond uit Fransen, Spanjaarden, Argentijnen, drie honden en een baal wiet.

Hij had gereisd en sprak over rituelen, aliens en meditatie, speelde Spaanse gitaar en accordeon op straat, was gevormd tot beeldend kunstenaar in Barcelona (en schilderde prachtig, maar vond schilderen niet persé interessant), sprak vier talen en wilde berggids worden. Ik begreep hem niet zou hem nooit volledig begrijpen. Zelfs al werd hij mijn eerste vriendje.

Ik had net een paar pisteschoenen en -ski’s aangeschaft en sleepte ze op onbehoorlijke wijze heen en weer door het skigebied, toen hij voorbijvloog en ze afkeurde, want piste-skiën was niet iets wat je deed (niet over het algemeen en met name niet als aspirant gids). De mysterieuze jongen die ik zojuist had leren kennen was Catalaans, zoals Killian Jornett, had vroeger geracet en was dun als een stokje, hij vloog naar boven en naar beneden en dat was blijkbaar iets dat ik moest leren. Ik werd verliefd op ski-rando en op hem.

In die eerste periode, die zich grotendeels afspeelde tussen de bergen en zijn ambulance in, zei hij twee dingen die blijvend indruk op me maakten: Het principe achter de wereld is liefde (daar kwam een hoop uitleg bij kijken) en ik was een gereïncarneerde Boeddha. Hij was niet het type dat me complimenteerde, maar voor mij bleek dit ene compliment genoeg voor drie jaar relatie, want het Boeddhisme voelde altijd ver weg terwijl ik het zo graag dichtbij wilde hebben, en hij zag het plotseling ìn mij.

Ik keek tegen hem op maar vond hem tegelijkertijd, die eerste paar weken, toch niet goed genoeg voor mij. Want ik had het ideaal van een Mister Darcy, en ook nog eens een fysiek ideaal, en ook nog eens een idee van wie ik aan mijn ouders kon introduceren. Hij was een vagebond. Ik moest daar overheen komen en dat deed ik erg succesvol.

En ik volgde op een mythisch Catalaans meisje dat zijn liefde niet had kunnen beantwoorden omdat er een diep spirituele Mexicaan op haar wachtte, aan de andere kant van de wereld; het had een wereldreis gekost om zijn gebroken hart te helen. Ik ontmoette haar na twee jaar en had nog nooit zoiets gezien. Ze was moeder aarde op een oude scooter in een traditioneel Catalaans dorpje. Rustig, vriendelijk en totaal ongrijpbaar. Ik had geen schijn van kans.

Maar toch bleven we samen. Hij en ik waren beide makkelijke mensen die er muisstil voor kozen om samen door het leven te blijven gaan, bijna gemakzuchtig, alsof het nu eenmaal gewoon zo was. En tegelijkertijd, hoe was het mogelijk, was onze relatie extreem. We zagen elkaar nooit, of we zagen elkaar constant van nog geen halve meter afstand (denk: ambulance). We braken elkaars hart genadeloos hard en vergaten daarop vrij snel weer hoeveel we van elkaar hielden. Ik werd verliefd op iemand anders, hij trok zich terug met zijn skischoen, en even later vonden we elkaar weer.

En wat was het bijzonder. Wat zijn mijn herinneringen mooi en vreemd en warm.

Hij was in mijn ogen een magisch product van Catalonië en de natuur rondom zijn geboorteplaats; de blauwe stroompjes, roze zonsopgangen, oranje rotswanden en bleke groene vergezichten, en tegelijkertijd was hij een knettergestoorde uitvinder, theatraal en onmogelijk om mee te converseren, hilarisch, koppig, onvoorspelbaar, gierig en toch meegaand, een bijzonder geduldig skileraar, hij nam me mee op ontdekking in de Pyreneeën en in de zigeunermuziek, klarinet, bloedmooie zangeressen en hij hield maar niet op over aliens, schepte een band tussen mij en de grond, mij en mijn lichaam, deed alles voor me, genas me, was intelligent en rationeel wanneer het hem uit kwam, en hoewel hij ontzettend vrij was in zijn denken, veroordeelde hij anderen die niet zo dachten. Altijd.

En ik was een kameleon die van kleur verschoot zonder ooit iets aan emoties te communiceren.

Had ik maar leren communiceren. Van het begin af aan.

De accordeonspeler en ik zijn al voor een lange tijd wel én niet bij elkaar, en ik moet erover schrijven, en ik moet het publiceren, want anders heb ik het gevoel dat ik niet verder kom en niet verder kan schrijven. Hij houdt me nu eenmaal bezig en het voelt stompzinnig om hem te omzeilen via blogs over de afwas en een stel vreemde Fransen. Maar het voelt eveneens als een inbreuk op zijn privacy om wel over ons te schrijven.

Ik moet daarbij zeggen dat hij inmiddels zo verweven is met mijn eigen persoon en realiteit, dat ik ook weer niet helemaal meer aan kan voelen waar de grens tussen mijn en zijn privéleven precies loopt.

En dus schrijf ik toch. Over mìjn liefde (je zou zeggen dat ’t geen kwaad kan). Ik houd op zo’n diepe, fundamentele, onoverkomelijke wijze van hem dat ik een leven zonder hem, als puntje bij paaltje komt, nauwelijks serieus kan nemen. Maar ik weet dat liefde geen reden is om persé bij iemand te blijven. Hij is uniek, maar een relatie met een artiest van zijn kaliber is, naast mysterieus en interessant, verre van eenvoudig, en komt blijkbaar met een offer op mijn eigen persoonlijkheid dat ik tot nu toe niet heb weten te vermijden.

Het liefst bouw ik een ruimteschip en zoek ik een leuke alien voor hem uit, en voor mij desnoods ook, zodat we op passende wijze aan een nieuw hoofdstuk kunnen beginnen. Maar zodra ik de onderdelen bij elkaar raap begin ik toch te twijfelen. Hij is tenslotte toch mijn accordeonspeler.

_DSC9313

Vegen en dweilen

Het verhaal ging, als ik het me enigszins goed herinner, ongeveer zo: Een man vroeg zijn meester (of was het God?) om verlichting en deze zei: Ga vanaf nu elke dag de vloeren van dit gebouw vegen en dweilen en dan vind je verlichting. De verteller sprak toen we net waren opgestegen naar de Aiguille du Midi, en daarom beeld ik me nu het liftstation in, een groot, stenen gebouw op de top van een 3600 meter hoge berg.

Zonder te weten waar of wanneer hij dan precies verlichting zou vinden, veegde en dweilde de man, en dit was niet zomaar een man, hij was bescheiden, geduldig en vol vertrouwen, zodat hij bleef vegen en dweilen, met overgave en concentratie, week na week, maand na maand, jaar na jaar.

En toen vond hij verlichting.

Zo ongeveer honderd keer per dag denk ik aan hem. Het voelt alsof hij, onzichtbaar, het restaurant aan het vegen en dweilen is, terwijl ik glas na glas na glas in de vaatwasser stop. En dan denk ik en voel ik: Wat hij kan, kan ik ook. Of laat ik het zo zeggen: Ik kan met overgave en concentratie glazen in de vaatwasser stoppen, ik zou het kunnen, ik probeer het. Alhoewel ik 80% van de tijd onbewust geleid wordt door onzinnige gedachten en een klein beetje frustratie, en 17% van de tijd bewust, is er drie procent waarin ik alleen maar, en vol overgave, doe wat ik aan het doen ben. Een kwartier.

En dit kwartier maakt mijn dagen in de afwas toch een succes.

Afwassen in de kerstvakantie

Ik heb een baantje als afwasser in een restaurant op hoogte. ’s Ochtends om zes uur gaat mijn alarm, ongeveer een uur later stijg ik op met kartonnen dozen vol producten en jonge seizoenarbeiders in een klein ei vol sigarettenrook. Dan geven ze me koffie en een croissant, en daarna honderden en nog eens honderden vuile glazen die ik in het sop gooi en daarna in de machine schuif. Ze hoeven me niet veel uit te leggen; afwassen kan ik al.

Na een maand lang solliciteren op tijdelijke functies in Briançon, mijn enige optie in verband met de CRET, bleek afwassen het hoogst haalbare. Dus zette ik mijn ego opzij en tekende het contract.

Maar zo eenvoudig is het niet.

Het zoontje van de baas, een modieus kereltje van amper 18 jaar, staat achter de bar en ik ben zijn afwasser (toen ik begon als serveerster leerde hij waarschijnlijk fietsen). Ik ben ieders afwasser; die van al mijn collega’s en al onze gasten. Ik heb ja en oké tot mijn beschikking en duw ondertussen het rek vol glazen in de machine, opnieuw en opnieuw en opnieuw. Ze zijn erg blij met me, want ik ben een goede afwasser. Ik ben een goede afwasser.

Het is afzien. In de ochtend houdt mijn van nature lichte gemoed nog wel stand, maar dan is het plotseling zo druk dat iedereen op spanning staat en mijn afwassen belangrijk wordt, dan weet ik niet meer welke kant ik mijn gedachten op moet sturen en schud ik mijn hoofd, meerdere malen, het rek vol glazen in de machine, wat is er van me geworden, kijk me nou. Mijn ego is te groot voor het afwashok en ik haat dat.

Nog een paar duizend glazen en dan ben ik er wel klaar mee. Officieel gelukkig ook; mijn les nederigheid duurt veertien dagen en ik zit al op dag vijf. Voordat ik het weet stap ik dat ei uit en resteert me slechts een weg omhoog.

Een eerste week in Briançon

Misschien heb ik uiteindelijk toch geluk gehad of was mijn intuïtie juist: Briançon toont zich zoals gehoopt en verwacht. Frans, sociaal en normaal. Mijn appartement geeft toegang tot een vriendengroep van oud-bewoners en aanhang die het hele jaar door in de stad wonen. Ik hoef alleen maar mijn bed uit om met ze in contact te komen. Ze kloppen spontaan aan, zadelen ons op met een leuke hond (Funky, een dikke border collie), drinken wijn in de avond en laten uitnodigingen achter voor kerstmarken en raclette.

Ik kan de gekte van Chamonix nog steeds niet geheel van me afschudden door mijn zombiegeoriënteerde, recent gedumpte en dus huilende, wijn- en Netflix-afhankelijke bedgenoot die het geluid van slurpende (nagesynchroniseerde) vampiers tot onze woonkamer toelaat vanaf het moment dat ze zelf het daglicht ziet, maar een stevig paar oordoppen, gegoogle naar het ‘overkomen van een gebroken hart’ en een dosis geduld voldoen als tijdelijke oplossing; daarna neemt het seizoenbestaan het ongetwijfeld over.

En ik heb al kunnen vaststellen dat de gestoorde kant van het seizoenbestaan gewoon in Serre Chevalier te vinden is. Ook hier struikel je over lallende Denen, weten Engelse bartenders niet wat ‘un demi’ is, doen locals hun beklag over hun fysieke staat in de morgen na een nacht vol harddrugs en verliezen mensen zich levenslang in de meedogenloze verleiding van het grote, warme niets dat onderaan de pistes op ze wacht.

Echter, ondanks de goede verschillen en vertrouwde gelijkenissen met Chamonix, mis ik mijn vreemde stadje. Ik mis de pistes, vergezichten en de verhaallijnen die door de hele vallei lagen en waar ik zo achteloos overheen skiede. Le Tour, Les Bossons, Adria, Marcel, gekloot op mijn ski’s en gekte in Chambre Neuf, ik mis het allemaal. Het nest dat nooit écht een nest wilde worden doet zich in de herinnering toch voor als een warme plek vol takjes en dons, lieve mensen die plotseling erg ver weg voelen. En precies hierom is het zo’n goede beslissing geweest om Chamonix te verlaten: Zodat ik mijn vreemde stadje weer kan waarderen.

_DSC9341

Deborah

Bora en ik koelen af. Zij doet er in de kou zo’n tien minuten over, ik ruim veertig.

We staan hier op de parkeerplaats van Chantemerle tot de wegen weer tevoorschijn komen. De winter bepaald. Misschien komen we pas weer weg in de lente; dan zijn Bora en ik beide niet meer dezelfde.

Ik zie in haar achteruitkijkspiegel dat mijn wangen hun razernij verloren hebben. Ik kom terug op temperatuur terwijl Bora wel weer klaar is om op te starten. Nee, zeg ik, je hebt geen winterbanden. We blijven hier.

Vlak voor aankomst in Chantemerle sloeg ik drie keer af. De hellingproef. Het stoplicht sprong op rood en weer op groen en weer op rood en de blikken staart van boze auto’s werd langer en langer. Toen ik eindelijk in beweging kwam ben ik maar gewoon gaan rijden. Door rood.

Bora hoorde me vandaag voor het eerst zingen. Eerst was ik te nerveus om iets anders dan rijden te doen – neus kriebelen, radio, verwarming – maar nu zong ik, en ik klonk anders in de auto, misschien omdat ze zachtjes met me mee gromde.

Briançon ligt in de sneeuw. De pistes van Serre Chevalier ook, maar als je er wil skiën, dan moet je zelf omhoog. De liften worden pas wakker als de toeristen dat worden en Chantemerle, het dorp naast het skigebied, is nog steeds uitgestorven.

Behalve de parkeerplaats, want daar staan Bora en ik. Tot de wegen weer tevoorschijn komen.

Paulownia Hout

Mijn waanzinnig stabiele, volwassen, nieuwe leven was erg moeilijk te vinden, onbetaalbaar en duidelijk nog even niet voor mij bedoeld. Dus pak ik het seizoenbestaan weer op, alsof ik nooit iets anders gewild heb. Ik zal werken in een bar, slapen in een hoogslaper vlak boven een feestliefhebbende Belgse en tot ieders teleurstelling – inclusief de mijne –wederom bewijzen dat ik zelf geen feestbeest ben.

Toch voelt het potentieel van mijn leven in Briançon anders dan in Chamonix. De kloof tussen het hoogseizoen en laagseizoen is minder groot en de mensen die ik ontmoet zijn doorgaans geen seizoenarbeiders. Het straatbeeld is eindeloos gevarieerd. Er zijn échte ouderen en échte armen, jonge moeders en voetballiefhebbers, hangjongeren, alcoholisten, niet-glanzende honden en niet-zo-perfecte gezinnetjes, alternatievelingen met wollen mutsen en piercings, zakenmannen, muzikanten, immigranten en dat vooral: méér kleur. Geen samengeklonterde Zweedse twintigers in Goretexpak (ik weet dat het Goretexpak vaak in mijn blog wordt genoemd, maar het zegt in mijn hoofd nu eenmaal alles) en geen hoofdstraat waar je blikken of waardering vangt met iets duurs aan je voeten of op je rug. Het oude centrum van Briançon is misschien zo toeristisch als dat van Chamonix, maar ze verkopen er wierook, zeep, oorbellen, Nepalese broeken, ansichtkaarten en een hoop crêpes met Nutella. Geen pakjes van Chanel.

Ik weet niet wat dit veranderde straatbeeld me precies zal brengen, naast de illusie wat meer in contact met de realiteit te staan op mijn weg naar de supermarkt en terug. Want mijn leven zal zich grotendeels afspelen op de pistes van Serre Chevalier, waar ik de komende vier maanden op twee planken van carbon, glasvezel en Paulowniahout zo hard mogelijk omhoog en omlaag zal proberen te gaan. Of ik nu ski in de bubbel van Chamonix of daarbuiten, het maakt eigenlijk niets uit.

En toch maakt het wél uit. Ik heb geen idee op welke manier, in elk geval niet op de waanzinnig stabiele of volwassen manier, maar het maakt uit. Er is een potentieel en ik zal er ongetwijfeld achter komen hoe dat zich zal manifesteren in mijn dagelijks leven.