Latest Posts

Een monster misschien

We vluchten. We zijn al op de vlucht voordat we onze voet de opdracht geven om een stap te zetten. We rennen en verstoppen ons achter klein geluk, oud geluk, elkaar, de natuur, pogingen om ongeluk te begrijpen, tijdverdrijf.

We vluchten weg voor de realiteit, wat dat in ons geval ook mag wezen. Een monster misschien, een monster met gespreide kaken dat zit en wacht. Voor sommigen heet ‘ie leegte, absentie of bodemloos verdriet, voor anderen willekeur of zinloosheid.

Mijn eigen monster is een angstaanjagende kleurrijke bol substantie waar ik geen raad mee weet, waar ik soms niet eens bij kan, waar ik dan maar naar staar wanneer ik niet vlucht.

Sinds twee maanden ben ik bang voor de dood. Mijn trein schiet van de rails, mijn auto botst en mijn touw scheurt, bommen vallen en het klimaat verandert; nergens ben ik veilig. Want ik ben er nog. Ze zijn me wederom vergeten op te halen.

Maar ook wanneer ik vlucht, ben ik bang. De dood aan de ene kant, het leven aan de andere kant, ik lijk er als een kip zonder kop tussenin heen en weer te rennen. En toch ben ik niet verloren. Sterker nog, ik ben gedrevener dan ooit.

Misschien geld het voor iedereen, misschien voor mijzelf: Ik vermoed dat ik altijd in zekere mate aan het vluchten ben geweest, dat mijn realiteit vanaf mijn eerste gedachte dikwijls op een monster heeft geleken waar ik liever omheen loop, en de dood me al zachtjes bij de hand neemt sinds mijn geboorte.

Maar nu zijn beide eindes helder gedefinieerd. Ik kijk ze aan, recht in de ogen, naar links en naar rechts, en ik weet dat mijn positie bijzonder is: Ik heb de mogelijkheid om recht op het leven af te stevenen. Zonder excuus of omhaal. Mijn vlucht is over.

bol

Honderd kleine handjes

Dit is een blog aan jullie: De berichtjes-stuurders, de steunpillaarvriendinnen, de lieve onbekenden, de dappere lotgenoten, de onmisbare filosofen en mam en pap.

Ik schreef in mijn laatste blog dat ik behoefte had aan een sterke hand die me in de kraag zou grijpen en terug op mijn poten zou zetten, en ging daarmee razendsnel voorbij aan de honderd kleine handjes die me hebben opgevangen voordat ik met een klap op de bodem terecht zou zijn gekomen.

Dankzij jullie ben ik niet gebroken; ik ben nog heel.

Er zijn inmiddels ruim zes weken gepasseerd sinds het ongeluk. Ik heb nog nooit zoiets verschrikkelijks meegemaakt, maar ook nog nooit zoveel liefde gezien. Liefde voor de meisjes die er niet meer zijn, allereerst, voor alles. Maar ook liefde voor en tussen nabestaanden, betrokkenen, vreemden, en, tot mijn dankbaarheid, voor mij.

De steun die ik afgelopen weken heb ontvangen is nog steeds onmisbaar en neem ik de rest van mijn leven met me mee. Daarmee zal ik zelf een weg omhoog vinden en stel ik me tegelijkertijd gerust dat ook diegene die het diepst zijn geraakt, er bovenop komen. Mijn hart gaat, op mijn beurt, naar hun uit.

Honderd kleine handjes, aan jullie allemaal: Misschien beseffen jullie je niet hoezeer jullie mijn redder-in-nood zijn geweest, maar besef het jullie maar gewoon wél.

Jullie maken het verschil.

Zo, zo, zo erg bedankt.

Opkrabbelen

Ik was bang om terug te keren naar Briançon en had er nog reden toe ook. Fieke zette me af bij mijn flat en zodra ze wegreed kwam ik – poef – op de bodem terecht. Daar bleef ik liggen, en daar lig ik nog steeds.

Het is eigenlijk gewoon te moeilijk, alles bij elkaar. Afgelopen maand speelde zich af in de absurde nasleep van het ongeluk, een soort parallel universum waar men ons in de gaten hield en we zelf niet verder keken dan een paar uur vooruit, waar ik een tijdelijk doel vond in mijn eigen verdriet en het bizarre gegeven van het nog in leven zijn (en het dus in leven blijven).

Maar nu ben ik in de realiteit afgezet en die is anders. Die is hard. Ik heb geen geld, geen vast adres en geen enkel idee van de toekomst. Het geschifte en onzekere pad dat ik in het verleden koos en dat me naar mijn huidige onmogelijke uitgangspositie heeft geleid, kon ik voorheen makkelijk aan, want ik had een mentale buffer waar ik me al tien jaar lang over verbaas. Sinds het ongeluk verkeer ik in een totale filosofische crisis en is de mentale buffer absent. De rek is uit mijn denken, mijn eigen hutspot van een leven zegt me werkelijk niets.

De bodem.

Het punt met een bodem is dat je niet zozeer lager kunt. Je kunt er blijven rondhangen, misschien op zoek naar een klein deurtje waarboven ‘makkelijke uitweg’ geschreven staat (te onderscheiden van ‘definitieve uitweg’: de bodem is toch nog relatief), maar dat deurtje bestaat niet, en rondhangen op een plek waar je je nooit goed zal voelen heeft geen zin.

Dus wat dan? Wat heeft wél zin?

Languit op de bodem kan ik mijn ogen sluiten en de contouren van mijn oude liefdes terugvinden: de mensen, bergen, muziek, sensatie van vrijheid, het leven zelf. Maar zodra ik mijn ogen open en mezelf weer op de bodem terugvind word ik toch weer verlamd door de zinloosheid van het geheel boven me. Ik heb behoefte aan een sterke hand die me in de kraag grijpt en me terug op mijn pootjes zet, die een richting op wijst en zegt ‘daar is je paadje, Ruby, volg het maar’, maar ik weet dat ik het uiteindelijk zelf moet doen. Ik moet opkrabbelen. En gewoon maar ergens beginnen.

Er is alleen maar een weg omhoog.

_DSC9448

Open raam (Fenêtre Ouverte)

Thibault zegt vaak: La vie est vraiment n’importe quoi. Het leven gaat werkelijk nergens over.

De logica is inderdaad ver te zoeken als je vriendinnetje doodvalt in een couloir, met name als zij diegene was die eindelijk wat richting in het leven bracht.

Ik heb Thibault vaak tegenover me en dan denk ik: Sorry, maar ik heb ook geen fucking idee. Alles is al gezegd. Zo’n twintig keer per dag benadrukken ze dat er tijd overheen moet gaan, maar ik weet dat voor jou de tijd stilstaat sinds Elise viel. De tijd van Christine staat ook stil. En van Geneviève ook.

Maar als ik later alleen ben, weg van het verstikkende verdriet van nabestaanden, dan weet ik één ding toch heel zeker: Het leven gaat niet nergens over.

Toen ik me voorbereidde op de examens, s ’ochtends in de badkamer van een vriend, hoorde ik de vogels fluiten door het open raam. Daar zat logica in. Rust van het n’importe quoi. Ik vond het ook in de knuffel die mijn moeder me gaf op Schiphol en in het bos achter het huis in Heemstede.

Ik kan nog even niet bij Thibault aankloppen met een stelletje stomme vogels, maar die vogels zullen zich toch op een dag door het open raam manoeuvreren en zich met eigenwijze overtuigingskracht in zijn hart nestelen.

En dan zal op zijn minst die tijd weer gaan lopen.

____

Fenêtre Ouverte

Thibault dit souvent : La vie c’est vraiment n’importe quoi. La vie n’est vraiment rien.

La logique est en effet difficile à trouver si votre petite amie meurt devant vous en tombant dans un couloir, surtout si c’est elle qui a finalement donné un sens à votre vie.

Je vois souvent Thibault devant moi et je me dis aussi : Désolé, mais ça n’a aucune putin de logique pour moi non plus. Tout a déjà été dit. On me répète environ vingt fois par jour, que le temps doit passer, mais je sais que pour toi le temps s’est arrêté depuis la chute d’Elise. Le temps de Christine s’est également figer. Et de Geneviève aussi.

Mais quand je suis seul, que je m’éloigne de la tristesse étouffante qu’ont l’entourage des défunts, je sais une chose : la vie n’est rien.

Quand je me préparais pour les examens au matin dans la salle de bain d’un ami, j’ai entendu les oiseaux chanter à travers la fenêtre ouverte. Il y avait une logique dans cela. Du repos dans le n’importe quoi. Je l’ai également retrouvée dans le câlin que ma mère m’a fait à Schiphol et dans la forêt derrière la maison à Heemstede.

Je ne peux pas encore arriver chez Thibault avec un groupe d’oiseaux débiles, mais j’espère que ces oiseaux rentreront quand même un jour par sa fenêtre pour aller remplir son cœur.

Et c’est alors là que le temps se remettra à s’écouler

DSC_3147

Lola

Lola is de hond van de tuinman. Ze mocht aanvankelijk niet naar binnen. De kleden waren er te mooi voor, zo groot als hele huiskamers, met zachte kleuren en patronen van rozen en klavertjes vier. Maar toen overleed Céline en waren de kleden niet meer belangrijk. Belangrijk was de liefde, en Lola had direct begrepen dat al haar affectie maar naar één iemand moest: de moeder van Céline. Zodoende zag ik ze altijd samen.

Afgelopen week was op alle mogelijke manieren ongelofelijk. Niets sloeg op iets dat ik eerder had meegemaakt. En het was niet alleen mijn realiteit die plotseling van kleur was veranderd; overal om me heen waren mensen verward, triest en zoekende.

Hoe de ouders van Céline en Elise, de broers en zussen en vriendjes, zich door het dagelijkse gemis heen moeten slaan is me niet duidelijk. Mijn uitdaging is significant anders. Ik heb geen gapend gat dat zich overal in manifesteert, ik kan langzaamaan het leven weer oppakken zonder constant geconfronteerd te worden met de absentie van een van de meisjes. Schuldgevoel en trauma laten zich redelijk in een hoekje van het hoofd opbergen. Verlies niet.

De tuinman heeft Lola achtergelaten op het landgoed, waar ze een heel klein beetje van de pijn verzacht door kwispelend onder de tafel door te lopen en zich uit te strekken aan de voeten van de moeder van Céline. Het is Lola die blijft terwijl mijn leven weer vaart neemt en het is Lola die maakt dat ik er toch vertrouwen in heb dat, op een gegeven moment, door liefde en samenzijn, zelfs de moeder van Céline het verlies van haar dochter een plekje zal kunnen geven.

___________

Lola

Lola c’est le chien du jardinier. Au départ, elle n’était pas autorisée à entrer a l’interieur. Les tapis étaient trop beaux pour ça, tout aussi grands que le salons entier, avec des couleurs douces et des motifs de roses et de trèfles à quatre feuilles. Mais c’est alors que  Céline décéda et  les tapis perdirent leurs importances. L’importance c’était l’amour et Lola l’avait tout de suite compris, toute son affection ne pouvait qu’aller vers une seule personne : la mère de Céline. C’est ainsi que je les voyais toujours ensemble.

La semaine écoulée fut incroyable à tous points de vue. Il n’y a rien qui ressemble à quelque chose que j’ai déjà vécue. Ce n’était pas seulement ma réalité qui tout d’un coup avait changé de couleur; partout autour de moi les gens étaient confus, tristes et en quête.

Il m’est difficile de concevoir comment les parents de Céline et Elise, les frères et sœurs et les copains copines doivent faire face au manque quotidien. Mon défi a moi est significativement différent. Je n’ai pas un trou béant qui se manifeste tout le temps, je peux reprendre la vie tout doucement sans être constamment confrontée à l’absence d’une des filles. La culpabilité et le traumatisme peuvent se caser dans un coin de la tête. Mais pas la perte.  

Le jardinier a laissé Lola, sa chienne dans la propriété, où elle apaise un tout petit peu la douleur en agitant la queue sous la table et en s’étendant aux pieds de Christine, la mère de Céline. C’est Lola qui reste lorsque ma vie a moi reprend son cours et c’est Lola qui fait que je garde confiance que, à un moment donné, avec de l’amour et le vivre-ensemble, même la mère de Céline fera une petite place pour la perte de sa fille.

Onze mythes (Nos Mythes, nos versions)

We vertelden het verhaal voor de eerste keer in kleine, verwarde flarden aan elkaar. Daarna vroegen ze ons om een eerste verklaring in het ziekenhuis. De politie pakte er een notitieblok bij en wij huilden ons chronologisch door het ongeluk. Vervolgens vertelden we het aan vrienden en familie, en de volgende dag nog honderd keer, als een officiële verklaring, het einde van twee dochters of een zoektocht naar een schuldige – zij het de bergen.

We merkten alle drie dat het verhaal een eigen leven ging leiden. Het nam een vorm aan in de hoofden van diegenen die luisterden, in de woorden van diegene die erover schreven, en zelfs in onze eigen herinnering leek het nog aan de gang.

Eerst vertelde ik over de steenlawine die met groot geweld over me heen raasde en Céline drie meter boven mij uit de muur sloeg. Een verhaal later herinnerde ik me dat Céline tegen me aan was gevallen, waardoor ik mijn ogen opendeed en haar de diepte in zag gaan. De ochtend na het ongeluk zei ik dat ik er zeker van was dat Céline haar bewustzijn al had verloren toen ze mij gepasseerd was. Ik zei het en dacht er toen pas over na. Waarom? Was het de manier waarop ze viel? De stilte? Of meer mijn eigen wens dat ze haar val niet had doorgemaakt?

Sindsdien was er geen weg meer terug: Céline was buiten bewustzijn geweest, door één van de stenen geraakt op het hoofd of een eerste duikeling in het couloir.

De tweede ochtend na het ongeluk realiseerde ik me opeens dat ik extreem verbonden met haar was. Ik daalde weer af in de herinnering en vond mezelf terug bovenin het couloir, op het moment waarop haar noodlot mij raakte, en daar begon de mythe. Ze was namelijk bij me gebleven. Haar lichaam viel misschien duizend meter de diepte in, maar Céline was koppig en sterk genoeg om zich in haar val aan mij vast te grijpen, waar het leven door zou gaan en ze gewoon kon blijven lachen en alpineren.

En dat was precies waarom ik er niet aan had getwijfeld dat ze buiten bewustzijn de afgrond in was gevallen, want toen ik naar haar keek, keek ze simpelweg met mij mee. Ze was met me.

Hoe de mythes van Thomas, Thibault en mij zich zullen ontwikkelen is ongetwijfeld afhankelijk van onze capaciteit om de realiteit te verwerken, die zo hard en onbegrijpelijk is dat er nog wel wat tijd overheen zal gaan voor we werkelijk zonder de meisjes verder kunnen. Toch hoop ik op een vreemde manier dat Céline nog even blijft rondhangen. Dan voel ik me minder schuldig om zelf wel door te leven, gaan we gewoon samen naar het examen en kan ik me opbeuren met haar vrolijke, berg-liefhebbende aanwezigheid totdat ik er klaar voor ben om te accepteren dat ze er simpelweg niet meer is.

________

Nos Mythes, nos versions.

Nous avons raconté l’histoire pour la première fois, en petits fragments confus. Ensuite ils nous ont pris une première déclaration à l’hôpital. La police a pris un bloc-notes pendant que nous pleurions notre malheur chronologiquement.

Nous l’avons ensuite reraconté, d’abord pour présenter une déclaration officielle sur procès-verbaux, puis pour la famille et les amis, et le surlendemain encore cent fois. Reraconter la fin des deux filles, l’histoire évoluant sur la recherche du coupable – à savoir les montagnes ou nous-même.

Nous avons remarqué tous les trois que l’histoire allait mener sa propre vie. Elle prenait une forme différente dans l’esprit de ceux qui écoutaient, différente dans les mots de ceux qui l’écrivait et même différentes dans notre propre mémoire elle semblait encore se produire.

J’ai d’abord parlé de l’avalanche de pierres qui s’est abattue sur moi avec une grande violence et a éjecté Céline du mur, à trois mètres au-dessus de moi. Une version plus tard, je me suis souvenue que Céline m’est tombée dessus, après quoi j’ai ouvert les yeux et la voyais sombrer dans le vide. Le matin après l’accident j’ai dit que j’étais certaine que Céline avait déjà perdu connaissance lorsqu’elle m’avait dépassée. Je l’ai dit, puis seulement j’y ai réfléchi. Pourquoi ? Était-ce la façon dont elle est tombée ? Le silence ? Ou plus mon propre souhait qu’elle n’ait pas subie sa propre chute ?

Depuis, il n’y avait plus aucun retour possible : Céline était inconsciente, frappée par une des pierres sur la tête ou une première dégringolade dans le couloir.

Le deuxième matin après l’accident, j’ai soudain réalisé à quel point j’étais extrêmement liée à elle. Je sombrais à nouveau dans le souvenir et me suis retrouvé au sommet du couloir, au moment où son destin m’a frappé. C’est là que le mythe a commencé, que Céline s’est incruste en moi. Son corps a peut-être sombré mille mètres dans le vide, mais Céline fut têtue et assez forte pour se cramponner à moi dans sa chute, où la vie continuerait et où elle pourrait continuer à rire et faire de l’alpinisme. Et c’est précisément pourquoi je n’ai pas douté qu’elle était tombée étant inconsciente, car lorsque je l’ai regardé, elle regardait tout simplement avec moi. Elle était avec moi.

La façon dont les mythes de Thomas, Thibault et les miens vont se développer est sans aucun doute dépendant de notre capacité à gérer la réalité, qui est si difficile et incompréhensible qu’il nous faudra un certain temps avant de pouvoir réellement continuer à vivre sans les filles. J’espère quand même étrangement que Céline s’attarde avec moi un peu plus longtemps. Ensuite, je me sens moins coupable de continuer à vivre, nous allons juste à l’examen ensemble Céline, Thibault et moi et je peux me remonter le moral avec sa présence joyeuse d’amoureuse de la montagne jusqu’à ce que je sois prête à accepter qu’elle ne soit tout simplement plus là.

Céline en Elise (Céline et Elise)

We gingen met zijn vijven op pad en jullie hebben een andere afslag genomen. Sindsdien weten we eigenlijk niet meer waar we zijn of heen moeten. De weg door de shock, het verdriet en de liefde is niet duidelijk. Hoe verder jullie raken, hoe meer jullie nodig zijn om ons allen weer terug op het pad te krijgen.

Er wordt zoveel van jullie gehouden, ik zou het jullie niet eens duidelijk kunnen maken.

We sliepen niet gisternacht en zullen ook vannacht niet slapen. Alleen ’s nachts lijken we tijd en ruimte te hebben om jullie miraculeus terug te halen. En dat terwijl we allemaal dondersgoed weten dat jullie eindbestemming lang bereikt is.

Céline en Elise, ik heb niet geroepen maar nu roep ik toch. Met alle liefde en kracht die ik bezit. Kom terug.

_______

Céline et Elise,

Nous avons emprunté ce chemin à cinqs et vous avez pris une autre direction. Depuis, nous ne savons plus où nous sommes, ni où nous devons aller. Notre route à travers le choc, la tristesse et l’amour ne sont pas clairs. Plus vous irez loin, plus vous nous serez nécessaires pour nous remettre tous sur le droit chemin.

Les gens vous aiment tellement, je ne pourrais même pas l’expliquer clairement.

Nous n’avons pas dormi la nuit dernière et ne dormirons pas cette nuit. Ce n’est que la nuit que nous semblons avoir l’espace et le temps pour vous ramener miraculeusement. Et pourtant nous savons pertinemment bien que vous avez atteint le terminus depuis longtemps. 

Céline et Elise, je n’ai pas crié, mais maintenant je crie quand même. Avec tout l’amour et la force que je possède. Revenez.  

 

_DSC9415

Up. Down. En…up.

Ik zat in zo’n grote up (denk aan een gekleurde luchtballon in een zonovergoten landschap met schitterende rivieren en oeroude bomen) dat mijn eigen stapelbed en twee vechtende huisgenoten me weinig konden schelen. Mijn geest functioneerde op basis van dopamine en mijn lichaam luisterde naar mijn skileraren en mijzelf. De bergen deden zich  groot, mysterieus en waanzinnig voor (want ze zijn groot, mysterieus en waanzinnig!) en ik was een avonturier in mijn eigen bijzondere wereld.

Er zat dus een dalletje aan te komen. Dat het een dalletje was dat ik verschrikkelijk goed kende had ik echter niet verwacht.

De MCL van mijn rechterknie (precies die van vorig jaar) ligt weer in de kreukels. Niet omdat ‘ie nog zwak was, maar omdat ik wederom verkeerd gevallen ben. Grote pech voor de MCL. Weer strompel ik door het leven met een pijnlijke en stijve knie en een belangrijk examen in de nabije toekomst. Het voelt alsof de Goden grenzeloos van mijn lot van het afgelopen jaar hebben genoten en de soap nog een keer wilden afdraaien.

Maar er zijn een aantal grote verschillen: Ik ben inmiddels een expert en ik weet op basis van de pijn en de reactie van mijn knie dat dit slechts een eerste graad blessure is. Daarbij ben ik mentaal uitgerust voor het soort tegenslag (het gereedschap lag nog in de garage) en het belangrijkst: Ik zit op niveau wat betreft skiën. De hap die dit uit mijn trainingsschema zal nemen is overkomelijk.

Hoezeer de MCL dit keer is aangetast zal blijken uit de tijd die het kost om te revalideren. Ik heb gister even heel hard gehuild en met mezelf mee geleden, en daarna besloten om weer in de luchtballon te kruipen en over het landschap uit te kijken, want er is niets dat ik eraan kan veranderen. Optimisme is de enige aantrekkelijke manier om hiermee om te gaan, en de voorraad dopamine die ik afgelopen maanden heb aangelegd is denk ik groot genoeg om optimistisch te zijn tot aan het examen in maart.

Het enige waar ik tegenop zie is de tijd die ik in huis zal moeten spenderen, ergens tussen het stapelbed en de huisgenoten in. Misschien moet ik mijn revalidatietijd maar besteden aan een vluchtplan.

_DSC9401

Het verhaal schrijft zich al stilletjes

Ik houd van de romantiek, de esthetiek, de ontdekking, de vrijheid, het verhaal, het onbegrijpelijke, het magische en het liefdevolle van de bergen. Ik houd ook van de fysieke, mentale en intellectuele uitdaging.

Maar ik houd niet van de kou, de angst en de competitie. Ik geef niet persé om het materiaal en de nerdy gesprekken over twintig soorten ski’s of stijgijzers, alhoewel ik moet zeggen dat ik graag in de fijne stoffen van mooie outdoor kleding duik, zelfs als er nog wel een hipsterpaadje te gaan is voor het vrouwensegment er aantrekkelijk genoeg uitziet.

Hoe meer ik me verlies in de obsessie die nodig is voor de examens (er is maar één paard), hoe belangrijker het voor me is om helder voor ogen te hebben waar ik precies voor train. Omdat mijn droom van alpineren niet altijd strookt met de interesses of ambities van mijn directe omgeving, moet ik het einddoel af en toe opnieuw bepalen en de weg ernaartoe noodgedwongen herwaarderen. Hetgeen wat er van me gevraagd wordt is een hoog niveau en een soort onverwoestbaarheid van mijn mentaal en fysiek, maar daarachter rijzen de bergen en broeit de vrijheid; de liefde verstopt zich nog even voor de moraal of bewijsdrang van de alpenman, maar het verhaal schrijft zich al stilletjes en de magie is gewoon aanwezig voor diegene die haar willen zien en voelen.

En ik zie en voel genoeg.

_DSC9405

Ik droom van dit huis

In de voorkamer stond een piano, een bijzondere piano, een model dat voor mij normaal was maar dat ik nooit ergens anders heb gezien. Soms lag er een kat op. De muur achterin de kamer was bedekt met rijen boeken, links ervan stond een oud bureau met lades die je kon vergrendelen met zware sleutels. Vetplanten in de vensterbank, een mand met kranten, stapels tijdschriften op de glazen bijzettafel, een platenspeler en torens van cassettes en cd’s, een kleed op de donkere houten vloer en een wandtapijt waar ik niet goed genoeg naar gekeken heb, met zwart witte patronen, ik denk Afrikaans. Een schilderij waar ik niet genoeg naar gekeken heb. Een bruinleren bank waar losgeld van papa in verdween en een stoel in de hoek naast het raam waardoorheen ik vaak staarde.

De vloer kraakte vlak na de deur. Mama las een boek, papa las een boek, het was er altijd rustig en het rook naar de voorkamer. Klassieke muziek. De warmte van mijn ouders.

In de andere kamer was alles anders; daar stond de tafel waarin we mochten zagen, hing onze zelfgemaakte kunst en aten we op gehaaste dagen macaroni met kaas en ketchup voor de televisie. Daar was altijd iets kwijt en lieten wij als kinderen te vaak onze rommel achter. Vriendjes en vriendinnetjes klopten op de keukendeur, Mama zette koffie, wanten droogden op de verwarming, katten vielen de bank aan, glazen deuren openden naar de zomer in de achtertuin, verjaardagslingers bleven wekenlang hangen. Ook daar werd gelezen, maar daar werd ook afgeleid. Discussies over hockey, over een stuk in de krant, tussen mijn broer en zus, ik deed nooit zo mee want ik droomde als kind. Ik droom nog steeds als volwassene.

En nu  droom ik van dit huis.