Latest Posts

Bruno de Magiër

Het is maandagavond, half zeven, donker als in winter. Fieke heeft een afspraak in het oude centrum van Saint Chaffrey en ik ga met haar mee. Er is niemand in het dorp. Alleen wat vastgeplakte herfstbladeren op de natte vlakte van het plein lijken te wachten op, misschien, een wind om ze los te trekken en mee te nemen

Maar in een winkeltje op de hoek branden de lichten en de kachel. Daar loopt Bruno heen en weer, verstopt achter rijen skischoenen, tussen, onder en boven rijen skischoenen, een oude, gezette man met een frons en het krullende grijze haar van een vriendelijke maar vermoeide winkelier.

Nu moet je eerst iets weten over skischoenen. Die zijn hard en zeker niet gemaakt voor warme, zachte mensenvoeten. Een skischoen maakt een ‘tok tok’ geluid als je erop klopt met je knokkels of een ‘tik-tik tik-tik’ geluid als je erin loopt over het trottoir. Ze buigen niet en willen vooral niet met je mee, behalve als de sneeuw toevallig valt en de helling steil naar beneden loopt.

Maar Fieke en zoveel anderen skiërs willen nu juist naar boven. Die willen vele kilometers en hoogtemeters met de hardplastic schoenen overbruggen, alsof ze gemaakt zijn van schuimrubber en orthopedisch dons, zo licht als Nike-air maar rigide als – juist ja – een skischoen voor de afdaling.

Natuurlijk zijn er talloze skischoenen die zowel gemaakt zijn voor de beklimming als de afdaling, maar echt lekker loopt het nooit. Plastic blijft plastic en warme, zachte mensenvoeten van skitoerfanaten gaan er het liefst, zo eind herfst, poedeltje naakt vandoor (richting een warm eiland vol zacht zand). De enige die ze kan verleiden tot een langdurig verblijf in een skischoen is Bruno.

Bruno heeft klanten door heel Frankrijk, jonge talenten en olympisch kampioenen, skileraren, pisteurs en berggidsen, heren en dames zoals Fieke wiens voeten vreemde vormen aan beginnen te nemen. Zijn agenda is zo vol en ongeorganiseerd als zijn winkel, maar hij luistert geduldig naar Fieke’s problemen en begint dan met praten, deels tegen haar en deels tegen zichzelf, misschien dat ze dit eens moet proberen of dat, anders ligt beneden nog wel iets anders, een plastic huls en een linker binnenschoen, tussen twee maten in ja, dat is lastig, maar misschien, misschien valt er hier wat te knutselen en daar wat te plakken, wat liefde hier en wat magie daar en…

Ik heb plaats genomen op een bankje tussen de skischoenen en kijk hoe Fieke heen en weer loopt over het tapijt, in telkens weer een andere schoen, gade geslagen vanachter een rij skischoenen door een Bruno in gedachten. Hij werkt te veel, zegt hij. Er zijn nauwelijks andere specialisten in Frankrijk. Niemand kan hem assisteren want ze ontbreken het geduld of de precisie om het vakwerk onder de knie te krijgen. Te veel werk, geen slaap, van midden zomer tot eind lente elk jaar weer, een telefoon die vaak rinkelt tijdens ons bezoek.

Toch weet ik vrijwel zeker dat Bruno niet alleen is. Niet echt. Kleine skiërtjes met skivoeten en goggle-ogen komen tevoorschijn wanneer hij de gordijnen sluit, door een klein deurtje verborgen vanachter de skischoenen, zo ergens in een hoek van de winkel. Ze geven hem zijn gereedschap aan, organiseren de schoenen in rijen (zonder hen zou het écht een rommel zijn), wijzen hem op dubbele afspraken in zijn agenda, doen suggesties na het vertrekken van de moeilijkste voeten en houden zich muisstil wanneer Bruno zijn laatste, magische spreuk gebruikt om de skischoen leven in te blazen.

Bruno heeft misschien moeite met het vinden van een menselijke assistent, alleen maar omdat de skiërtjes erg kritisch zijn op het geklungel van zijn vorige assistenten en ze het gewoon niet zo op mensen hebben, die lawaaimakers met warme, gevoelige voeten die ook nog eens plastic schoenen nodig hebben en zelfs ski’s.

Maar goed, zij en Bruno gaan al vele honderden jaren terug en hij betaalt ze uit in chocolade. Dat hebben ze niet, daar zo waar zij vandaan komen.

Fieke moet nog vaak naar Bruno om samen met hem de skischoenen te vinden die haar de komende jaren soepeltjes door de winterse bergen laten bewegen. ’s Avonds zo tussen vier en zes moet ze hem bellen, en dan heeft hij ofwel een halfuurtje over, ofwel de gordijnen al gesloten, peinzend met een skischoen in zijn hand, een skiërtje dat over zijn agenda gebogen staat en nee schudt wanneer Bruno vragend naar hem kijkt.

Fieke’s volgende afspraak woon ik natuurlijk graag weer bij. Dan kan ik op zoek naar dat deurtje of de rijen skischoenen afspeuren naar een paar ogen dat stiekem meekijkt, en laat ik onopvallend wat chocolaatjes achter. Misschien gaan ze mij dan wel leuk vinden.

Stemmen en Plingels en Tokkels

De parkeerplaats voor het conservatorium staat vol, want er is een pianoconcert gaande op de begaande grond. Ik zie ze door het raam, de pianist en zijn publiek. Ik hoor ze door de muren. De noten klinken pling pling na elkaar, door de stilte van het luisterende publiek.

Maar de gangen zijn leeg en het trappenhuis ook. Buiten is het donker, binnen knippert het licht aan met een paar seconden vertraging. Ik hoor mijn stappen op de trap en de lage stem van een volwassen leerling op de eerste verdieping, gegrepen in een toonladder, van hoog naar laag en steeds lager. La-la-la-la-laaa. De stem van zijn lerares klinkt een octaaf hoger, luid, foutloos en zelfverzekerd.

Als ik de deur van de eerste verdieping open, hoor ik ook de piano die hen begeleid, en ik hoor het zachte getokkel op een gitaar door een leerling zoals ik, achter de deur van mijn leslokaal, naast de warme stem van mijn leraar.

Omdat ik te vroeg ben, kan ik alleen maar luisteren. Ik zit stil op de koude vloer tegen de muur in de gang en het licht knippert uit. Het is donker als buiten. De pianist van de begaande grond redt het tot boven, door de grond en door mijn lichaam, ik voel mezelf opstijgen en zweven als een noot door de gang, in een zachte wervelwind van stemmen en plingels en tokkels en de stilte van mijn luisteren, tot abrupt de deur wordt geopend en ik neerplof voor de ogen van mijn gitaarleraar.

Cyclus

De kleur wit is terug in mijn verhalen. Zelfs nu de Mélèze nog oranje is, schrijf ik al over wit. Wit op de bomen, wit op de grond en de kleine storm in mijn hart, die alles begraaft in het wit. Het is November en ik kom thuis.

Ik kan niet goed omschrijven wat het met me doet, die komst van de winter. Te veel om niet onzinnig te klinken, het is maar sneeuw, zou je zeggen. Maar het haalt me overhoop en zet me terug op mijn plek, de wereld waar ik alleszins vandaan lijk te komen, wat geenszins waar is.

Hoe is het mogelijk.

De fanfare van het skiseizoen staat voor de deur. Felgekleurde ski’s en schoenen, bekende namen van gevaarlijke afdalingen, koude, huilende kinderen, lawaai van aanbiedingen en geld dat in vier maanden verdiend moet worden, auto’s, files, bochten die op een bepaalde manier gedraaid worden, ski ik goed of ski ik slecht, waarom ben ik moe, waarom ben ik niet moe, was ik niet snel genoeg gisteren, niet snel genoeg, nee, hoe word ik goed, goed, goed?

Maar nog even, nog een maand, zijn de bergen besneeuwd en is die sneeuw op haar allermooiste betekenisloosheid. Vandaag ben ik verwondert en opgetild en neergezet, terug waar ik hoor. Zo gelukkig.

20191111_121831

Guess Who. It’s The Figue.

 

Gastblog door de logerende mama

Mama gaat naar Briançon! Eerst een standbeeld voor de medewerker van de Treinreiswinkel. Want nee mevrouw wilde absoluut in één dag met de trein naar haar dochter in Briançon en mevrouw wilde net zo absoluut, niet over Parijs’. Werkelijk alle dienstregelingen, van de snelste TGV tot het meest amechtige boemeltje, passeerden aan het bureau de revue, maar Parijs bleef als een grote spin in het web. ‘Nou ja, dan toch maar over Parijs, maar vooral niet te duur én met voldoende overstaptijd én aan het raam én op een redelijke tijd aankomen…..’ De man gaf geen krimp en uiteindelijk stond ik weer buiten met echt álle kaartjes (zelfs voor de Parijse metro), wat een held.

Dus nu was het verder gewoon een kwestie van op de goede volgorde in de bijbehorende treinen klimmen, als daar tenminste dat Parijs niet was geweest. Nou heb ik een ander kind, dat heel goed is met Parijs. Hij kan zijn moeder vanuit zijn stoel precies vertellen welke borden ze moet volgen om van gare du Nord naar het gare de Lyon te komen en het dan ook nog een paar keer zo overhoren dat het gewoon niet mis kan gaan, ware het niet dat…
De Fransen zijn boos en die bewuste zondag waren vooral de Franse Spoorwegen boos met als brandend middelpunt van alle woede, Parijs. Het was geen kwestie meer van ‘gewoon de groene D richting ‘de long trains’ volgen’. In- en uitgangen waren geblokkeerd en metro’s reden niet meer. Een paniekerig telefoontje naar het knappe overstap kind bood geen uitkomst. Maar hulp kwam uit onverwachte hoek: van ‘hesjes’, niet de gele maar rode.  Medewerkers die met engelengeduld iedereen de andere goede weg wezen en bij bibberige oude vrouwtjes dit zelfs met alle bijbehorende trein- en perronnummers in de telefoon typten! Wat een lieverds.
Zodoende werd zelfs de laatste overstap bij nacht en ontij van de ene op de andere onmogelijke boemel, gehaald. Op naar Ruby!

De volgende dagen zijn voor mij als trouw blogvolger een feest der herkenning. Aankomen via ‘de dode kattenweg’ vanuit Turijn, dan de weg door het dal, waar volgens mij katten ook maar beter kunnen uitkijken, tot aan een graspad waaraan een soort bult van huizen. Onderhuizen, bovenhuizen en zijhuizen klemmen zich aan elkaar vast. Ik weet uiteindelijk welke ijzeren trap ik op moet. Ontdekken waar die aardige mevrouw, die zich buurvrouw noemt, nu eigenlijk woont, lukt niet echt. Maar iedereen oogt gelukkig in zijn eigen stenen aangroeisel; geen welstandscommissie te bekennen. Binnen is daar natuurlijk Tigrou, groot, rood en vervaarlijk. Je moet hem kennen, hij gaat onmiddellijk op zijn dikke rode kattenrug liggen, maar wee je gebeente wanneer je het waagt over zijn buik te aaien. Dan zijn de rapen gaar en klapt hij rond je aaiende hand met al zijn nagels uit, dicht als een mossel.

We verkennen de omgeving, in adembenemende herfstkleuren. Briançon op het snijpunt van vier valleien met evenzoveel vestingen, van waaruit heethoofdige kasteelheren hun vallei met hun leven verdedigden. De oude stad is prachtig! Het is ook de stad waar Ruby op zo’n echte Franse markt vanuit haar kraam in benijdenswaardig rap Frans haar waar aan de man brengt. Frans met de Fransen, een vis in het water, een Hollandse vis in heel Frans water. We wandelen in de bergen, in de verte de witte toppen van de drieduizenders, dichterbij de skihellingen in afwachting van de eerste sneeuw.
In de gang van het huis struikel ik over een mengsel van klim- en skispullen.
Vrijdag ga ik weer terug naar Nederland en ik realiseer me ineens dat ik deze reis nog vaak ga maken. Ruby is op haar plek; mijn Nederlandse kind is definitief mijn Franse kind geworden.

img-20191023-wa0000-11844886770330736674.jpg

Marktkoopvrouw

Florice is de flirt in de kraam schuin tegenover ons. Ik schat hem zo’n jaar of vijftig, met grijze lokken en een linker knipoog. Hij is niet te vertrouwen, die Florice. Noch zijn groenten.

Op de markt staan producenten en doorverkopers. Doorverkopers herken je aan een te groot assortiment, ‘verschilt niet van de supermarkt’ zegt Thomas. Producenten staan er met hun eigen broccoli, aardappelen en pompoenen. Onze overbuurman ontbreekt het soms aan groenten, koopt ze dan in bij de Italianen op de hoek en zet ze voor een hogere prijs te koop in zijn eigen kraam.

Het is zondag negen uur in Briançon. Ik sta achter een kraam gemaakt van bamboe, in de frituurdampen van ‘Les Saveurs des Îles’ (de smaken van de eilanden), van Samossa’s en Nems met garnalen, kip of groenten. Mijn klanten zijn met pensioen, want de romantici en uitslapers liggen nog op bed en komen twee uur later, en de gezinnen hebben eveneens tijd nodig om op te starten.

Thomas frituurt ons koopwaar en legt het dan in bakken voor me. Ik schep het in zakjes en stop het briefgeld in mijn broekzak. Schreeuwen hoef ik niet, want de bamboekraam valt in het oog en mijn zakken vullen zich als vanzelf.

Halverwege de ochtend maakt Florice de oversteek met een klein trosje druiven en legt die op de toonbank. ‘Voor jou, hè, niet voor Thomas.’ Zijn linkeroog knipoogt. Even later krijgt Thomas een uitnodiging van de meneer met de forellen om, na het afbreken van de markt, oesters en witte wijn bij zijn buurman te proeven. De mevrouw van de schoenen houdt zich niet meer aan haar eigen belofte en komt toch, zoals elke zondag, langs bij Saveurs des Îles voor een zak met Accras. Thomas schept een tiental extra Accras in haar zak en laat haar minder betalen. Tegen het einde van de markt wordt er een kist met groenten gedumpt naast de kraam, even later zie ik Thomas een zak met Samossas weggeven aan iemand wiens geld niet in mijn broekzak beland. Op onbekende wijze verschijnt een groot, vers stuk kaas in de mand met persoonlijke bezittingen.

Zo ongeveer iedereen die ik ken in Briançon passeert die ochtend onze marktkraam, want zo ongeveer iedereen die ik ken gaat op zondag naar de markt. Ik kan me niet verbergen voor werkgevers die ik ben vergeten te antwoorden, noch voor gierende vrienden die Falaffels pikken en daarom door Thomas gedwongen worden te helpen met de afbouw van de kraam.

Ik geef hem de proppen biljetten van mijn broekzak en voel me een handelaar, een marktkoopvrouw, een echte, al word ik gewoon via een contract uitbetaald en heb ik alle geheimen van de markt nog om te ontdekken.

’S middags ligt er een zak Goutalis op de keukentafel, naast een stuk kaas en een stapel wortelen. Ik was het frituurvet uit mijn haren en neem grijnzend plaats achter het waar. Mijn eerste dag op de markt van Briançon is een absoluut succes.

Kortjakje

Het is vrijdagavond en het donker is net gevallen. Ik slinger mijn gitaar aan de hals mee naar de Citroën AX, die geparkeerd staat op een stuk gras naast de Clarée in La Vachette. De achterbak gaat open wanneer ik voorzichtig aan het kleine touwtje trek dat uit het slot kruipt. Ik zet mezelf achter het stuur en trek ook aan de starter, en dan maak ik veel lawaai met mijn gaspedaal, want de AX start anders niet. Met name nu het kouder is. Voorzichtig draai ik haar een halve slag in de rondte, en dan rijd ik rustig mijn verlaten dorp door.

Want het is stil op de Dodekippenkattenweg. En het is stil op De Verschrikkelijke Weg, tot aan Briançon, waar het eveneens stil is, van het oude centrum tot de dalende Chaussée tot mijn muziekschool. Niet uitgestorven, maar stil. Zoals in de bibliotheek.

Mijn gitaarleraar komt uit Gap. Hij is een jaar of vijftig en heeft een klein brilletje en een kale kruin. Ik zit tegenover hem en laat ‘altijd is kortjakje ziek’ horen. Mijn studiegenoten zijn tussen de zes en twaalf jaar oud, daarom staat mijn studiemateriaal vol dirigerende muizen en gitaar spelende honden. Maar dat maakt gitaarspelen niet makkelijker, nee, het is moeilijk om je vingers op de fretten te houden en om noten te lezen en om het ritme aan te houden.

Getrommel en gelach komt door het open raam naar binnen. ‘Geven jullie hier ook danslessen?’ vraag ik mijn leraar. ‘Nee’, zegt hij, ‘dat zijn de immigranten’. Het conservatorium staat naast het opvangcentrum waar asielzoekers twee nachten mogen verblijven. Wat jammer dat er muren zijn, denk ik eventjes, tussen de violen, piano’s, klarinetten en liefhebbers van percussie. Kortjakje roept voordat ik mijn verhaal kan beginnen.

Even later zit ik weer achter het stuur van de AX, en rijd haar in z’n twee de Chaussée op. Kom op, AX, zeg ik haar. Er schijnen lichtjes in het oude centrum, maar de bergen liggen in het donker. Ik denk aan mijn gitaar in de achterbak en moet glimlachen. We hebben allemaal geheimen.

De AX rolt haar stuk gras weer op en ik sleep mijn gitaar aan de hals terug naar huis. Vijf minuten later ren ik naar buiten om te controleren of ik de starter wel terug heb geduwd. Die zit, zoals altijd, gewoon weer in zijn hokje. Dan geef ik Tigrou zijn bak eten, zet een kop tijmthee om de kou te trotseren en neem plaats op een kruk achter mijn bureau, met mijn linkervoet op een stapel boeken en mijn gitaar op schoot.

Ik voel me thuis.

Als ze lacht

Mijn bazin loopt erg langzaam. Zo’n zes seconden per stap. Het lukt haar niet om haar volgende voet snel genoeg te laten landen, daardoor is ze uit evenwicht wanneer er geen steun beschikbaar is. Gelukkig is het restaurant klein: ze kan via het keukenblad langs de bar en eerste twee tafels naar de uitgang. Die twee tafels staan voor de gelegenheid tegen elkaar aangeschoven.

Ik zit naast de ‘comis de cuisine’, de keukenhulp die tegen het einde van het seizoen onofficieel chef is geworden. De weinige klanten die we hadden dachten dat wij samen het restaurant runden. Wat we vooral deden was de tijd doden, vaak door te praten over wat we stiekem op onze telefoons aan nieuws zagen, of over Briançon, of zijn vader, die eens opgepakt was door de politie omdat hij een bevallende vluchteling had geholpen bij de oversteek naar het ziekenhuis.

Midden aan tafel zit de echtgenoot van mijn bazin. Hij is stil, vanavond. Hij lijkt nergens op aan te kunnen haken, niet op de conversaties aan tafel en niet, in grotere zin, op het leven in het Westen. Over een maand gaat hij terug naar Nepal, maar eerst moet hij naar het ziekenhuis. Ze hebben op een echo gezien dat zijn lever te groot is. Hij lijkt echter blij om ook iets te hebben, want alle aandacht gaat altijd naar zijn zieke vrouw, die tegelijkertijd niets kan doen voor het restaurant en hem constant nodig heeft. Het aangeven van haar telefoon, haar stok, haar sleutels.

Beiden ontkennen regelmatig dat hij een alcoholprobleem heeft, maar sinds we weten dat hij een vergrootte lever heeft, weten we ook wat hij telkens in de kelder deed. Het verband heeft hij zelf nog niet gelegd, daarom blijft hij ons vertellen over zijn ziekte, desnoods met een glas rosé in zijn hand.

Aan het einde van de tafel zit mijn voorganger in de bediening, tevens kleermaker, marktkoopman en reisorganisator. Hij draagt een Afrikaans shirt en heeft lange blonde haren. Ik zie hem vaak in Briançon, zoals iedereen; hij is iemand die je niet echt kan missen, op zijn crossmotor met zijn zoontje of aan de hand van zijn schitterende Afrikaanse vriendin. Hij helpt mijn bazin veel, zit vaak met haar aan de telefoon, weet inmiddels wat ze wel en wat ze niet kan en helpt waar nodig.

En naast mij zit Fieke, mijn genodigde voor de avond, en tegenover me het vriendinnetje van de comis. Achter ons ligt het terras in stukken, het meubilair opgestapeld in de koepel en de verzameling schommelende kaarsenhouders op de ronde tafel. We eten Momo’s, Nepalese salade en Indiase poulet Korma, alles wat nog over was, en delen een piepkleine wereld die keihard ten einde loopt. Ze is mooi, mijn bazin. Als ze lacht, dan gebeurt er iets in de ruimte. Iets verandert. En als ze huilt, dan huilen we allemaal een beetje mee.

20190915_142838.jpg

Dat kleine beetje ruimte

Het is moeilijk, mijn gedachten beheersen. Moeilijk op het matje, gedurende twee minuten, of tien, of dertig. Moeilijk misschien niet af en toe in het dagelijks leven, voor even, voor het moment, maar wanneer een ander moment volgt is het alweer verdwenen. Moeilijk is het wanneer de gedachten negatief zijn, of emotioneel geladen, wanneer beheersing nodig is, en ook wanneer ik moe ben. Of wanneer mijn hart eventjes niet geloofd, of erger, wanneer het mijn gedachten geloofd. Moeilijk, moeilijk, moeilijk, en toch heb ik hoop.

Want sinds mijn begin als afgeleide zen beoefenaar ben ik rustiger. Er is een kleine afstand ontstaan tussen mij en mijn gedachten, en zodoende mijn oordelen, impulsen, automatismen, emoties, alsof ik ze zie aankomen en zie vestigen in mijn hoofd en lichaam. Zelfs al komen ze met commotie of dwang, repeterend, zelfverzekerd, er is steeds vaker dat kleine beetje ruimte om ze belachelijk te maken, om het simpelweg niet met ze eens te zijn, om ze aan te vechten of, idealiter, te laten gaan. Niet altijd met succes, maar de ruimte is er.

Omdat ik had geschreven hoe de wind met mijn gedachten aan de haal ging op het terras van Lou Grand Caïre, dacht ik laatst: Wat als dat nou écht het geval was? Dat gedachten altijd meegenomen worden door de wind die langs ons gezicht strijkt? Dat iedereen in de wind dus even niet oordeelt, bezig is met wat hij of zij moet doen zo dadelijk, twijfelt aan zichzelf, ergert aan anderen, dat mensen stilvallen in gesprekken omdat hun redenaties wegvliegen, hangjongeren per ongeluk mediteren, iedereen buiten nergens anders dan in het nu zou kunnen bestaan…

De samenleving zou er anders uit zien. En ik zou niet meer op mijn matje hoeven oefenen, maar gewoon even de wind opzoeken.

De Clarée maakt vreemde slingeringen

Soms laat ik dingen gaan, in het Frans. Dan snap ik een verhaal of conversatie niet, een woord of een idee, en let ik maar half op. Een soort ‘laat maar’ luiheid die volgt uit het leren van een taal en de duizenden momenten van onbegrip die daar onvermijdelijk bijhoren.

Het verhaal van coulée de boue kwam meerdere malen terug. Eerst een keer op de radio, daarna in gesprekken, en begin Juli pikte ik zo ongeveer op dat er iets in de vallei was gebeurd wat de weg naar Nèvache blokkeerde. Ik dacht aan een ingestorte rotswand, misschien, of een verzakking; iets dat met wat graafmachines en menselijk huishouden wel opgelost kon worden. Hier in de bergen ligt er constant iets op de weg, moet het wegdek hernieuwt, zijn valleien afgesloten. Ik had geen idee.

Ik had geen idee dat, na een reeks stormen, een zes meter hoge modderstroom een deel van de vallei had weggevaagd.

De dag waarop ik ging kijken, leerde ik dat het aanzicht van een verwoest natuurgebied haast fysiek pijn doet. Het gras, de rivier, de bomen, bloemen, paden, oevers, alles dat met zoveel aandacht, tijd en liefde bij elkaar stond – dat realiseer ik nu – en aanvankelijk perfect was, was weg. Onder een zes meter diepe laag van bleke aarde en vieze stenen.

Ergens spreekt de destructie van een ongelofelijke kracht van de natuur; het laatste wat je kunt doen is met haar sollen. Ze maakt de wereld prachtig en bedelft haar dan onder de modder. Geen lawinehekje had een zandkorrel kunnen tegenhouden. Ze geeft en neemt, ze bloeit en laat het dan stormen, onweer en regen zoveel dat je voelt dat ze woedend is.

Wat buurtbewoners en de Briançonnais zeggen over de coulée de boue is het volgende: De vallei heeft altijd last van modderstromen gehad wegens haar diepte en haar grond, maar de geulen worden breder en breder. Eenmaal kaal is een flank kansloos. Het zijn de bomen die de aarde moeten verankeren, maar ze krijgen de tijd niet om groot te worden. Nu de wereld daarbij warmer wordt, is de aarde droger en kan ze minder vocht opnemen. De rotsen brokkelen af en de stormen zijn veel heviger, een dergelijke stortvloed doet een broze berg moeiteloos wegsmelten.

De Clarée maakt vreemde slingeringen door de vallei, ze heeft een nieuwe weg moeten vinden, maar neemt die nog niet met overtuiging. De vallei is veranderd en zal blijven veranderen. Met de natuur sollen kan dus eigenlijk wel, en de gevolgen zijn van modder. ‘Le maire espère un arrêté de catastrophe naturelle’, ‘de burgemeester hoopt op een stop van de natuurramp’, stond het in de krant. Wie niet.

De stormen blijven ook nu regelmatig over de vallei waaien en boezemen angst in, vooral vanwege de gewelddadige hoeveelheid water die uit de lucht valt. De kracht ervan is hoorbaar en voelbaar. Nu de betekenis van coulée de boue tot me is doorgedrongen, kan ik me niet veilig wanen aan de binnenkant van het huis. We liggen misschien afgeschermd van de modderstromen, maar de natuur ligt niet afgeschermd van ons. Of haar, of wij, is wat ik denk als ik uit het raam staar. En het engste is nog dat daar waarschijnijk geen verschil tussen bestaat.

_DSC9792

Dodekattenkippenweg

Mijn overbuurman heet Christian, ‘Kri Kri’, en heeft twee katten van achttien jaar oud die niet alleen gelaten kunnen worden. Wanneer hij en zijn vrouw boodschappen doen, moeten ze dus mee. Op de achterbank. Ik heb die achterbank een keer met de katten gedeeld toen het echtpaar me oppikte in Briançon, waar ik aan het liften was. Tijdens het rijden keken beiden uit het raam.

Ik vertelde Kri Kri dat ik van plan was om Tigrou uit het asiel te halen, en hij antwoordde met: Pas op. De katten van La Vachette worden overreden. Mensen rijden als gekken. De kat van mijn hoogsteigen huisbaas was blijkbaar twee jaar geleden overreden. Ze hadden de burgermeester van Val de Près (onze commune) gevraagd om verkeersdrempels en wachten er al jaren op. In de tussentijd hebben ze maar gigantische bloembakken neergezet, maar daar slingeren de duivels als gekken omheen.

De katten van Kri Kri en zijn vrouw mogen dus niet naar buiten.

Tigrou mag eigenlijk ook nog niet naar buiten, maar is gisteren toch ontsnapt. Ik was niet bang dat hij niet meer terug zou komen, geïnaugureerd bij één van de kattenbendes, maar vreesde vooral dat ik hem als pannenkoek op het asfalt terug zou vinden.

Gelukkig zijn er een aantal goede ontwikkelingen in La Vachette: Aan het begin van de Dodekattenweg is iemand bezig een bar te openen. Als het goed is kunnen we er vanaf november bierdrinken en ik zie dat helemaal voor me. Ik ben erg bereid een barhanger van mijn eigen dorpskroeg te worden. Fieke en ik zullen er onze dagen beginnen met een koffie en een sigaret boven onze opengeslagen kranten (daarvoor moeten we eerst beginnen met roken en ons abonneren op een krant).

Een paar huizen verder staat het woord ‘boulangerie’ (bakker) op de gevel geschilderd, maar die bladert af, en de luiken zijn dicht, en de deur is gesloten. Voor croissants moeten we momenteel De Verschrikkelijke Weg naar Briançon over, het liefst met de fiets, maar we zijn er nog niet over uit of we in naam van ecologie onze levens moeten wagen. Idealiter zou die bakker dus gewoon heropenen. Deze goede ontwikkeling vindt vooral plaats in de fantasie.

Tevens is er naast mij een evenementkip komen wonen, een ‘poul nain’ (dwergkip), met zoveel veren op haar poten dat het lijkt alsof ze elegante sloffen draagt. Als de buurmeisjes thuis zijn, loopt ze vrij rond, zo een beetje in de rondte, verward en op zoek. Het is de vreemdste kip die ik ooit gezien heb, ik hoop dat ze het nooit tot de Dodekattenweg schopt.

La Vachette is in veel opzichten een leuk klein dorp: Ze is de poort tussen de Clarée en de beschaving, buurtbewoners kennen en begroeten elkaar en de dwergkip loopt vrij rond. Maar juist daarom is het makkelijk om te vallen over de (kleinere) negatieve aspecten van het leven hier, zoals de hoeveelheid en snelheid van auto’s, het ontbreken van een fietspad om er te komen en eveneens die verse croissants in de ochtend.

Het is me opgevallen dat wonen in een dorp de illusie wekt dat vooruitgang mogelijk is. Op een plek waar zo’n honderd mensen wonen voelt de ideale samenleving binnen handbereik, alsof de beoogde verandering afhangt van het overtuigen van die honderd mensen (kom, jongens, we graven gewoon een groot gat aan het begin van het dorp, dan rijden alle auto’s erin). Het realiseren van de verkeersdrempel klinkt daarom als een schoolproject, alsof Kri Kri het kamertje van de directeur kan binnenlopen met een tekening van een bedreigende auto en zijn bange katten.

Het probleem is dat de auto’s die zijn katten en mijn eigen Tigrou bedreigen vanuit heel Europa komen, de Clarée wereldwijd op internet gevonden kan worden en het belang van de beestenlevens en de rust in La Vachette totaal in het niet valt bij het profijt dat Nevache en de rest van de Clarée heeft bij het toerisme. Een drempel valt niet even op een vrijdagmiddag uit de grond te stampen, daar moeten ongetwijfeld allerlei belangrijke mensen over beslissen. Waarom er ’s zomers niet gewoon elk halfuur een bus heen en weer toeft, het zal vast ergens mee te maken hebben. La Vachette is niet zo dorpig als het lijkt, het is deel van een groot, groot geheel.

Ik heb Tigrou maar gezegd dat hij de Dodekattenweg moet vermijden, want de drempel komt er toch niet. Jammer genoeg is Tigrou een kat en snapt hij niet wat ik zeg (ik heb hem ook gevraagd om de dwergkip met rust te laten, tot nu toe heeft de dwergkip geluk gehad). Ik zal hem niet opsluiten, maar zorgen maak ik me wel.

_DSC9776