Latest Posts

Flitsend jasje

Er gebeurden afgelopen maand twee merkwaardige dingen op mijn site: Mijn moeder schreef toevallig de 500ste blog, en de link naar mijn site werd onder een artikel in de Hoogtelijn geplaatst, waardoor mijn statistieken zich plotseling erg goed voelden.  

Wat me echter opviel, was dat het gros van al die nieuwe, hoogstwaarschijnlijk eenmalige bezoekers vooral naar de ‘over mij’ pagina gingen, waarin ik veel over een zekere draak schrijf die hier in La Vachette op zolder zou zitten. Ze klikten eveneens massaal op mijn inmiddels flink verjaarde fotopagina waarin mijn ex nog steeds de hoofdrol speelt.

Mijn blogs gaven ze echter nauwelijks aandacht. Weinig van die 500 verhalen waar ik afgelopen zeven jaar toch wel veel liefde in heb gestopt leek hun het klikken waard. En daar werd ik natuurlijk een beetje verdrietig van, om vervolgens vast te stellen dat mijn site misschien een nieuw jasje nodig heeft, waarin mijn blogs wat meer (verleidelijk) in het oog springen (een sexy jasje dus).

En dat is niet de enige reden waarom ik komende week met mijn blog op zoek naar een jasje ga. Met een transformatie van het buitenkantje voel ik ook de vrijheid om het binnenkantje wat nieuwe richtingen op te sturen. Welke richting op? Ik zou graag een categorie fictie in het leven roepen, nog wat meer draken introduceren (dit is (eventueel) een grapje) en het meer over meditatie hebben. De reden waarom ik psychologie ben gaan studeren was immers (onder andere) om het (eigen) brein te kunnen begrijpen in relatie tot het grote meditatie experiment. Meditatie… Ja.

Nog steeds vind ik dat een spannend woord om zo even in een blog te zetten. Enerzijds omdat ik me als schrijver ervan altijd heel klein voel, anderzijds omdat ik bang ben dat lezers direct steigeren vanwege de associatie met een pijnlijke kleermakerszit en wierrookstokjes, of juist met afgetrainde billen in donkerblauwe yogalegging op Instagram, hashtag be-present. Maar meditatie houdt me momenteel nu eenmaal (weer eens) eindeloos bezig. Het is interessant, confronterend, wonderbaarlijk en ontzettend uitdagend.

Sinds ruim een week volg ik een onlinecursus van Robert Wright, Buddhism and Modern Psychology, waarin ik leer van psychologen, filosofen en boeddhisten over de claims die het boeddhisme maakt. Ondertussen helpen Christophe André, Matthieu Ricard, Thich Nhat Hanh, D. T. Suzuki, Eckhart Tolle en Jon Kabat Zinn me met het mediteren zelf en probeer ik het hele zootje ook nog eens mee te nemen naar de rots en bergen, waar Dan Millman en Arnold Ilgner dan al op me wachten.

Alhoewel ik nog steeds verdwaal in het boeddhisme en dagelijks mediteren buitengewoon uitdagend vind, merk ik dat het goed voor me is. En hoe dieper ik erin duik, hoe meer ik de behoefte voel om het met anderen te delen (omdat het ook goed voor hen zou kunnen zijn?).  

Nu valt het natuurlijk te betwijfelen of mensen op mijn blogs klikken wanneer er ook nog eens een wierookluchtje omheen hangt; reden temeer om op zoek te gaan naar een jasje waarin verschillende blogs wat prominenter naar voren komen. Wat betreft dat flitsende jasje: Ik ben geen ster in WordPress, maak er in rap tempo al mijn boeddhistisch geduld aan op en zie nu al tegen het hele proces op.  Misschien gooi ik mijn laptop morgen daarom wel uit het raam en verschijnt er nooit meer een blog. In dat geval weten jullie waarom.

Winnen (Fictie)


Vanuit mijn raam zie ik ze draaien. De liften van Monetier, alle zitjes gaan in rondjes, boven, beneden, boven, beneden.

Ik geef een kus aan mijn vriendje en hijs mijn ski’s op mijn schouder, loop de straat over naar het café waar mijn trainers op me wachten. Drie, twee, één, klinkt het voordat ik vaart maak richting het eerste poortje. Ik duik in elkaar en druk de randen van mijn ski’s in de sneeuw. Vijf minuten later takelt de lift me terug naar boven terwijl ik gespannen mijn bochten doorneem. Drie, twee, één, klinkt het weer.

De eerste competitie van het seizoen loopt niet zoals gehoopt. Het lijkt wel alsof mijn timing heeft gezopen die nacht. ‘Denk niet te veel na’, zegt mijn trainer na afloop. Ik krijg een berichtje van mijn moeder: ‘Heb je gewonnen?’

‘Nee’, antwoord ik. De training erna probeer ik niet na te denken, maar vlak voor elke afdaling zwelt de tornado aan gedachten ongehinderd aan. Drie, twee, één, klinkt het. ‘Je bent toch niet in vorm’, klinkt het in mijn hoofd.

De jonge ster van Monetier schijnt deze winter niet. Tranen lopen in mijn masker nog voor de afdaling van de derde competitie, wanneer de skilift me harteloos naar boven trekt. Ik denk aan mijn thuiskomst, hoe ik aan mijn vriendje uitleg dat er te veel druk op me staat. Trillend wacht ik op het startsein. ‘Heb je gewonnen?’ vraagt mijn moeder. ‘Nee.’

De belangrijkste competitie is op eigen terrein. Ik eet niets die morgen, kijk zwijgend door het raam naar het draaien van de liften. ‘Succes’, fluistert mijn vriendje. De lift takelt mijn zenuwen en mij naar ongetwijfeld nog een deceptie. Ik voel weer tranen opwellen. ‘Waarom, waarom in vredesnaam doe ik dit?’ verzucht ik terwijl ik mijn ogen sluit.

Wanneer ik ze weer open zie ik dat de lift niet stopt waar ze me gebruikelijk afzet. Ze takelt me verder naar boven, door het station naar Col de la Montagnolle, duikt dan richting Lac de l’Eyschauda, een ondergesneeuwde vlakte met als ik goed kijk, sporen van dieren in alle richtingen. Via Dome de Monetier bereik ik Les Agneaux, waar mijn ski’s bijna de top raken en een kraai geschrokken wegvliegt. De wind grijpt mijn kleren vast, ik duik in elkaar en kijk vanuit mijn bolletje skikleren verbaasd om me heen. Weer duiken we naar beneden, vlak langs Refuge de Glacier Blanc en dan voor lange tijd over de enorme gletsjer zelf, grote bergen schieten overal uit de grond, alleen het kraken van de lift klinkt en zo niet, een weidse, witte stilte. Geen gedachte. Ik zie de Barre des Écrins voor me oprijzen en de lift steil door het Barre Noire couloir omhooglopen. Zou het zijn…?

Op de schouder van de berg schijnt de zon op mij alleen, de hele wereld onder me. Nog twee pilaren en ik word zachtjes op de top afgezet. Ik klik mijn schoenen dicht, zet mijn masker op en… ski.

‘Heb je gewonnen?’ luidt het smsje van mijn moeder die middag.

‘Ja’, type ik met een glimlach.


Credit Foto: Samuel de Goede

Gastblog Moeder woont in La Vachette I.

Ja de moeder is weer aan boord in La Vachette en niet bepaald voor even. Ze heeft voor twee maanden beslag weten te leggen op het appartement onder dat van Ruby. Echt een wonder.
 
Dat het later een minder groot wonder bleek, dan ik met Nederlandse naïviteit dacht, deed aan het buitenkansgehalte niets af. Het is deze laagseizoen-maanden gewoon nog lekker weer in Spanje, dat lokt inwoners uit het dorp weg. En trekt dus een ander soort inwoners aan. Pensionado’s bijvoorbeeld. Hoewel meervoud zwaar overdreven is. Het gaat in dit geval om Nederlandse pensionado’s met een kind in la Vachette en voor zover ik kan nagaan is dat er maar één.

Met bovenstaande is het dus al geïntroduceerd, het pensioen.  Zo’n onschuldig klinkend woordje, maar ondertussen gooit het levens overhoop, in ieder geval het mijne.
Ik ga het er verder ook niet over hebben, want dat varkentje heb ik straks thuis nog te wassen.

Alleen nog even dit, het ging zo.
Ik zat dus thuis op de bank enorm met pensioen te zijn en had dringend behoefte aan obstakels. Van die zaken die je ’s morgens bij het wakker worden toegrijnzen, die je in de loop van de dag overwint, waarna je dan ’s avonds, blij met jezelf, op diezelfde bank naar iets onbenulligs mag kijken. Zolang ik voor de klas stond, hieraan geen gebrek. Maar nu thuis voorzagen Kat en Man totaal niet in die uitdaging. En ze bleken ook duidelijk niet van plan zich als zodanig te gaan manifesteren. Het heil moest elders gezocht.

Toen viel het me plotseling in. Er was voor mij wel degelijk een enorm obstakel te overwinnen.
Ik spreek geen Frans!!
Wel toeristen Frans waarmee ik me kan redden in winkels en restaurants. Maar geen Frans Frans. Ik functioneer niet, totaal niet, op een voldoende niveau om in een Frans dagelijks leven overeind te blijven.

Ik hoor bijvoorbeeld niet hoe grappig het vriendje van Ruby  uit de hoek komt (‘nee mam hij lachte je niet uit’), niet of de buurman vriendelijk ‘goedemorgen’ zegt of wil dat ik mijn auto voor zijn deur weghaal.
Zeg ik nu bij de kassa ‘ja’ tegen spaarzegels voor koelkastbakjes of moet ik als de sodemieter de witlof nog gaan afwegen (o help, wat is witlof ook alweer in het Frans). Geen flauw idee.
Op de markt begrijp ik totaal niet hoeveel ik moet betalen.  Ik heb quatre-vingt-quatre pas paraat, terug gevlucht naar de rust van thuis, bij een kopje thee. En hoewel die Franse marktkoopmannen ongetwijfeld alleen maar enorm aardige dingen tegen me zeggen, sluit hun lichaamstaal daar toch niet altijd helemaal op aan.

Nou dat obstakel dus, zou ik eens even gaan overwinnen bij Ruby in La Vachette. Geen sneu gedoe meer van een paar bladzijden woordjes leren en wat uurtjes per week hakkelen op een cursus. Nee, me onderdompelen in het Echte Franse Leven. Frans praten, Frans dromen, Frans ademen. Ik verwachtte er alles bij elkaar een  maand of twee voor nodig te hebben. Niemand zette hier vraagtekens bij, achteraf gezien een veeg teken. Mijn man vond het een geweldig plan, de kat nog beter. Ik kreeg de auto mee en de zegen van de hele familie, die allang had gezien dat er op die bank iets moest gebeuren.

Er zullen weinig mensen met zoveel goede moed ergens aankomen. Het huisje was geweldig, de houtkachel een romantische uitdaging en Ruby woonde boven mijn hoofd. Opgewekt trad ik de buitenwereld tegemoet. ‘Ik’, schrijf ik nog. Ik realiseerde me toen nog niet, dat wanneer je de taal niet spreekt, dat ‘ik’ eenvoudigweg ophoudt te bestaan.

In Nederland ben ik een geweldige kwek, gewend te praten tegen alles wat beweegt. Ik hoop  belangstellend en vriendelijk te zijn. Maar al na een paar dagen hier, kreeg ik het akelige gevoel dat mijn Franse omgeving me waarschijnlijk helemaal niet zo zag; niet  belangstellend en verre van vriendelijk. Nee, ze vonden me, zo bedacht ik met schrik, misschien wel een stugge, zwijgzame vrouw.

En waarom zouden ze ook niet. Na mijn ‘bonjour’ viel ik meestal uit. Ik peinsde er niet over daar ook nog  ‘ça va’ aan toe te voegen. Stel je voor dat ik antwoord kreeg, daar zou ik geen touw aan vast kunnen knopen.  Als die vraag mij wél ten deel viel, riep ik meestal paniekerig ‘bien’, maar ik schopte het nooit tot een verdere toelichting. En tot overmaat van ramp zat de hulpeloze glimlach waarmee ik nog wat sympathie en begrip had kunnen genereren, verstopt achter mijn mondkapje.
Ik voelde me volkomen kansloos. Pik je in het Duits vaak nog woorden op die je een idee geven van de strekking van één en ander, in een Franse zin drijft nergens een reddingsboei.

En hoe goed je een eventuele openingszin ook voorbereidt, net als bij een spelletje schaak, je weet nooit welke zet de tegenstander doet.
Je vraagt in prachtig Frans aan die leuke buurvrouw of haar baby al doorslaapt. Uit haar stortvloed van woorden zul jij niet kunnen opmaken of ze een wanhopige huilbaby heeft of een zoeterd die pas tegen de ochtend wakker wordt. Tja en wat wordt dan jouw antwoord…
Op de vraag aan die aardige overbuurman of hij fijn heeft gewandeld, brengt hij enthousiast een schaaltje paddenstoelen. Je hebt geen idee of je ze vooral wel, of absoluut niet moet eten.
Twee keer stak hij nog de weg over om het opnieuw uit te leggen. Maar bij de tweede keer kon ik echt niet meer zeggen dat ik er geen klap van begreep, omdat ik de eerste keer al veel te begrijpend had geknikt. Enige lichtpuntje in dát gesprek was het woordje l’ail.  Je mag er toch gevoeglijk van uitgaan dat Fransen hun giftige paddenstoelen niet met knoflook op smaak brengen…

En wees maar eens grappig in een vreemde taal….

En zo ben ik de weken door gestunteld. Genietend van de prachtige omgeving, van de gesprekken met Ruby (in het Nederlands, sufferd, zo leer je het natuurlijk nooit) en vechtend met de taal. Mijn omgeving zegt dat ik goed vooruit ga, maar ik weet wel beter. Hoe heb ik ooit kunnen denken dat ik in twee maanden wel even Frans zou leren spreken. Volgende week ga ik terug naar Nederland en reken maar dat ik er mijn Frans blijf oefenen met bladzijden woordjes, stuntelige lessen en harkerige gesprekken. Ik begrijp nu dat het de enige manier is en dat het een lang traject gaat worden. Maar ik weet zeker dat er een dag komt dat ze in Frankrijk méér dan een glimp van de echte moeder van Ruby zullen kunnen opvangen.

Vrij verticaal territorium

Tijdens de vorige confinement, toen de politie zo’n beetje achter elk bosje school en we als schimmen door de vallei slopen, nam Thibault een boor mee naar een verborgen stuk rots in de bergen en opende daar vier sportklimroutes. Hij noemde het geheime klimgebiedje ‘Wuhan’.

We spraken er niet al te veel over omdat het virus voor geen meter te vertrouwen viel, noch het beleid van de Franse regering, en profiteren nu dagelijks van ons vrije verticale territorium, waar we rustig kunnen blijven trainen zonder constant om ons heen te kijken of onze oren te spitsen uit angst voor de spontane opkomst van de politie (en de 135 euro boete maal twee).

Professionele sporters, en dus ook berggidsen en sportklimgidsen (in opleiding), hebben allemaal het recht behouden om te trainen, maar wij (examenkandidaten) zitten als vanouds gebonden aan de kilometerzone. Daarom hang ik zonder al te veel gewetensbezwaren aan onze verborgen rots. We hebben onze training misschien nog wel harder nodig dan zij die reeds professioneel zijn.

Jammer is echter dat Wuhan in de schaduw ligt en we steeds dieper in de herfst duiken, waardoor zowel mijn tenen als vingers dikwijls gevoelloos aan mijn lichaam bungelen. Daarbij gaf de rots geen grepen voor opwarmroutes en brokkelt er hier en daar nog weleens een greepje af. ‘Training’ in dagen van confinement geeft tevens steevast een mentale expeditie van een uur of drie, waarna ik me met een kop thee in een deken rol en mijn uiterste ledenmaten ritueel om vergeving vraag.

Interessant is het echter wél, dat kleine klimgebiedje daarboven. Niet alleen omdat de route soms spontaan veranderd (hier zat aanvankelijk toch een voettreetje?) maar ook omdat ik voor het eerst werkelijk ervaar dat al die sportklimroutes menselijke creaties zijn. Die van Thibault, dit keer. Het contact met de rots voelt daarom puur. Geen historie komt ertussen, geen waardering, geen lijn in de topo noch geblaat van andere klimmers. Er is slechts rots, en dan die enkele gek die erover naar boven probeert te kruipen.

Maar als straks de eerste sneeuw valt is het frisse feest van Wuhan over. Wat er vervolgens met ons gebeurd is aan het virus en Macron om te bepalen. Misschien moeten we in egaal witte pakken op zoek naar een geheime berg om ons voor te bereiden op een eventueel ski-examen, ons klimniveau dat integraal af zal hangen van een oefenbalkje in de slaapkamer.

We weten het echter niet. Zoals niemand niet.

In een vallei in herfst

Eerst was er een harde wind, die onze smalle stegen en zware huizen in bezitnam en knabbelde aan alles wat iets minder vast stond, zoals de dode zonnebloemen in de tuin en de verlaten schildersezel op het balkon. Een wind die floot en zong in zijn eentje, ongetwijfeld van plezier, want hij voelde zich verschrikkelijk dominant en aanwezig. Daarna regende het. Twee dagen met een grijze lucht. Achter de bleke waas van het gemiezer kleurden de bomen misschien nog wel iets mooier dan daarvoor.

De kamers in huis zijn daarom donker en de verwarming staat aan. De kat ziet ons sinds een paar weken als drie kacheltjes op lange benen die soms voor zijn welzijn of nachtrust horizontaal gaan liggen, dan kruipt hij bovenop ons en krabben we hem ook nog eens achter zijn oren. Wanneer ik hem zo zie liggen vraag ik me vaak af welke goede daden ik moet doen om ook als huiskat te reïncarneren of wie hij wel niet was in zijn vorige leven.

In huis is het gezellig en verheug ik me op de voortzetting van het winterse bestaan. Maar zoals de wind zich met genoegen tussen de huizen door wurmt, woekert het virus in Briançon, onze kleine bergstad. De avondklok gaat in. La Vachette blijft echter toch dat dorp in een dal op zeven kilometer afstand, vol met bomen en heel wat minder mensen, waar Covid vooral bestaat via steeds duister wordende berichtgeving op onze schermen en de radio, eventueel mijn eigen angst dat íe het tot mijn moeder of vader redt en vooruit, de mondkapjes wanneer we richting Briançon gaan.

Dat het winterseizoen op het spel staat wil ik liever nog even niet geloven.

Wat überhaupt maar een relatieve ongerustheid vormt, in deze tijd, waarin alles en iedereen op zijn kop staat maar hier gewoon op beide voeten in een vallei in herfst.



Professioneel Zeedier

Toen het leven opeens even moeilijk werd, op 27 februari 2019, doordat Céline en Elise ervandoor gingen en ik grip moest krijgen op de dood, stond er plotseling een pakketje bij de post. Het verborg een grote, lichtroze knuffeloctopus. De acht tentakels van het beest representeerden de armen van mijn moeder, vader, broer en zus, want die zaten in Nederland en gaven me zodoende een knuffel die nog altijd voortduurt, want het zeedier wijkt ’s nachts niet van mijn zijde.

Een week daarna kwam mijn Zwitserse vriendinnetje Kim bij me op bezoek met onder andere een doos aquarelpotloden. Alles wat ik in de maanden die volgden niet via woorden kon uitdrukken of oplossen, kwam terecht in tekeningen die ik nooit verwacht had te maken. Tekenen deed ik al een tijd niet meer en had ik überhaupt nooit als methode gebruikt om helderheid in mijn hoofd te krijgen. Maar het bleek nogal krachtig. Als ik terugkijk naar die periode en de tekeningen weer voor de geest haal, weet ik hoezeer die hebben bijgedragen aan het grote terug-op-mijn-pootjes terechtkomen. Dat had Kim goed ingezien.

Sinds ik weer beter ga en zelfs weer met liefde en plezier door de bergen trek (over een nogal kronkelig pad, maar daar zal ik het nog wel eens over hebben), zoek ik naar een manier om mezelf professioneel te ontwikkelen die me op een dag in staat zal stellen andere gestruikelde mensen weer op de pootjes te krijgen. Want zo gaat het, zodra je beseft hoeveel waarde anderen voor je hebben wanneer het leven opeens anders loopt of nogal willekeurig in je bezit is gebleven. Dan wil je iets structureels terugdoen.

Iets. Zoals het openen van een distributiecentrum van octopussen en aquarelpotloden (en tanden voor de tandelozen;)), maar dan wat realistischer.

Omdat het tekenen voor mij zo wonderbaarlijk goed werkte, keek ik aanvankelijk in de richting van Art-Therapie, maar ik was bang dat het te alternatief was om niet-zo-alternatieve mensen mee te kunnen bereiken. Uiteindelijk heb ik bedacht dat ik misschien maar gewoon moest beginnen bij de basis. Bij het begrijpen van mijn psyche, de psyche, die van gestruikelde mensen en alle anderen. Psychologie. Dan zou ik meteen leren over rouw, trauma, voorklimangst, onzekerheid en (de wetenschappelijke kant van) meditatie, allemaal onderwerpen die me al zo lang bezighouden.

Sinds twee weken sta ik daarom ingeschreven bij de Open Universiteit en volg ik een premaster Levenslooppsychologie. Ik ben dus weer student en mag zoveel koffiedrinken als ik nodig acht.

Soms ben ik bang dat het project misschien veel hooi is voor een niet zo hele grote (skiënde, snel afgeleide) vork, maar met de directe steun van Thibault en Fieke (en nu ook eventjes mijn moeder!) lijk ik er toch zonder al te veel wantrouwen in te kunnen duiken. En het idee om eindelijk misschien wat te betekenen voor anderen in dat enorme cadeau van een leven is ook wel een goede motor. Dan word ik zelf gewoon een lichtroze octopus met acht tentakels, maar dan professioneel.

Een nieuwe Nederlandse buurvrouw

Thibault vindt Duo Penotti zo lekker dat ik me genoodzaakt voel om de pot te verstoppen. Meegenomen door mijn nieuwe Nederlandse buurvrouw staat het hier in La Vachette bij grote uitzondering in de voorraadkast. Appelstroop en Calvé pindakaas kan hem gelukkig gestolen worden en hagelslag vindt hij onhandig (ça me soule). Alleen de pot van Duo Penotti riskeer ik vroegtijdig in de glasbak te moeten gooien. Die leg ik nu dus eventjes achter de piano.

De Calvé pindakaaspot staat trouwens weerloos tegenover een andere huisgenoot van me, die met een thee(soep?)lepeltje aanslagen lijkt te plegen op de inhoud ervan en dus verstoppen we die ook, al zal ik niet zeggen waar, want het Blonde monster in kwestie leest mijn blog.

Ik moet overigens zeggen dat in frans brood grote gaten zitten en schuddenbuikjes er voornamelijk doorheen vallen, wat niet erg is want die kunnen net zozeer van het bord gegeten worden.

Waar ik echter vooral over wilde schrijven was die Nederlandse buurvrouw, want dat is mijn moeder.

Die kwam afgelopen donderdag aangereden met een kakelvers pensioen, een opzet voor een boek, een verlegen Franse vocabulaire en tas vol Hollands broodbeleg. Ik kon haar geen hele dikke knuffel geven bij binnenkomst want zij kwam uit Rood en wij zijn Geel, dus verliep ons weerzien op die vreemde afstand van tegenwoordig, waar ik weer even een grote hekel aan had want het is mijn moeder en dus ook de leukste en liefste en vooral, dapperste van de hele wereld.

Omdat mijn onderburen voor twee maanden in Spanje zitten wordt hun appartement de context waarin mijn moeder haar boek zal schrijven, aan tafel met een kitsch Frans tafelkleedje, een Frans wijntje en Franse stinkkaas en dan misschien nog een Frans wijntje, in de warmte van een houtvuur dat ze zelf op gang moet houden en omringt door hoge bergen die langzaam oranje kleuren en zelfs al, hoog boven, bedekt worden door sneeuw. Ook zal ze af en toe een verhaal voor mijn blog schrijven want daar heb ik al een tijdje over gezeurd en ik denk dat ze inmiddels wel voelt dat ze er niet meer onderuit komt.

Hoe het Franse leven haar vergaat laat ik haar dus zelf verwoorden, terwijl ik me bezighoud met het verbergen van het broodbeleg, alhoewel het misschien al te laat is voor de schuddenbuikjes, want die zijn erg lekker en heel makkelijk om zo, handje voor handje, in het voorbijgaan weg te snoepen.

(De chocolade pepernoten hebben overigens geen twee uur lang stand gehouden. Geschokt vond ik slechts nog een leeg zakje en Thibault met een brede grijns en grote piek in zijn bloedsuiker).

Een tevreden tweepoot in herfst

De vallei, daar wilde ik over schrijven voor het einde van de maand.

Hoe de bospaden voorzichtig oranje kleuren maar de bomen zelf nog niet, en de weilanden en dorpen ’s ochtends vroeg nog in de wolken liggen wanneer ik naar de camping fiets, zodat ze af en toe verschijnen of verdwijnen. En hoe de zon op de rotswanden hoog in de bergen zo tegen de avond wanneer ik weer terugfiets, me naar een eigenaardige wereld ver van hier brengt. Een droomwereld van opvallende maar vriendelijke figuren die gekleurd door het herfstlicht op weg naar hun boomhuisjes of bladerboten lopen. En van cello’s en fluiten rondom een houten tafel vol glazen zoete rode wijn en kastanjes, en de wind die hun muziek oppikt en achterlaat in mijn hoofd en hart.  

De vallei is in herfst en ik sta er middenin, op de camping, met een dikke sjaal om mijn nek.

Onder de brede vlonders van de camping groeien paddenstoelen. Een vos heeft zich even thuisgemaakt in een luxe tent omdat we ons bezighielden met andere tenten, zijn modderpootjes op het rieten tapijt en holletje op het dekbed, precies van vos-in-bolletje-grootte, verraadden hem. De andere stiekeme slapers laten geen sporen achter. Er schijnen inmiddels verschillende wolvenroedels door de bergen te dwalen, jagers klagen erover omdat hun wild niet meer tevoorschijn durft te komen, misschien schuilen de herten en geiten wel onder ons katoen.

Als het regent schuil ik zelf onder mijn golfkarretje. Snel ren ik dan onder de lange bomen door om iets uit een tent te halen en ergens anders weer te bergen. Natuurlijk regent het een klein beetje in, het droge zitvlak wordt kleiner en kleiner naarmate we dieper in de herfst zakken en mijn tenen warmen soms niet meer op. Met plezier trek ik er ’s avonds dikke sokken overheen.  

En de vallei, die is gevuld met de zachte geluiden van de natuur. Want er zijn geen slingers meer van brommende auto’s of schreeuwende Italiaanse fietsers richting Névache die de wind, vogels of rivier overstemmen. Teruggegeven aan de inwoners op vier of twee poten (of acht voor al die spinnen of duizend voor de duizendpoten, maar die zie ik hier niet vaak), ik mag van geluk spreken dat ik er deel van uitmaak.

Het varken in Drenthe

Soms koekeloer ik even naar wat er in Nederland zo ongeveer gebeurt via het NOS. Gisteren zag ik dat een vrachtwagen vol varkens tussen Gieten en Rolde was omgeslagen. ‘Een deel van de varkens overleefde het ongeluk niet’ stond in het artikel geschreven. In een bijgevoegde video zag ik de overleden varkens op hun rug of zijde rondom de vrachtwagen liggen, maar ook het setje gelukkigere varkens rondstruinen in het hoge gras naast de weg.

Ga ervoor stelletje sukkels, dacht ik meteen. Richting Gieten of Rolde of al het gras dat ertussen ligt; dit is jullie kans.

‘De dieren werden bijeen gedreven in de berm. Inmiddels zijn ze opgehaald door een andere vervoerder’. En geslacht, denk ik zo.

Ik overdrijf niet als ik zeg dat ik sindsdien regelmatig aan die varkens denk. Of laat ik zeggen dat ik aan ééntje specifiek denk. Dat is die ene die ze over het hoofd hebben gezien. Die heeft zich laag en stil gehouden in het hoge gras en leidt nu een vrij Hollands leven, dwaalt tevreden door de Drentse bossen en zegt af en toe ‘knor’ tegen een setje wilde koeien of een loslopende kip.

De afgelopen tijd was ik zo vegetarisch als een gedroogde Franse worst. Mijn Drentse varken brengt daar misschien weer even verandering in.

De camping

Tijdens de confinement gingen Thibault en ik af en toe stiekem de hort op. Niet ver, misschien een kilometer of drie verder dan we mochten gaan, in het gezelschap van de occasionele wolf, langs krakende boomstammen en smeltende sneeuwvelden van een winterseizoen dat met een flop ten einde liep. Vooral toen bevriende artsen en verpleegsters zeiden dat er in het ziekenhuis maar weinig te doen was omdat de epidemie zich (gelukkig) niet bijzonder interesseerde in onze kleine bergstad, werd het moeilijk om de verlaten paden van onze stille omgeving te weerstaan.

Het meest dominante geluid kwam, zoals ik al een keer had geschreven, van politiewagens. Aanvankelijk plukten ze slechts immigranten uit de bosjes, nu zochten ze eveneens illegale wandelaars met frauduleuze papiertjes om boetes van 135 euro uit te schrijven. Het aantal politiewagens dat zich dagelijks door onze smalle dorpen wurmde was indrukwekkend, het leek wel alsof we op elk moment dreigden uit te breken. Onze geheime wandeling liep daarom voornamelijk uit het zicht, we leerden alle geitenpaatjes van de omgeving kennen. Een zo’n pad liep over een gesloten houten brug naar een enorme verlaten camping in het bos achter ons huis, die vanwege haar private status aanvoelde als relatief veilig terrein.

Op die camping werk ik nu. Afgelopen week hadden we meer dan 500 gasten.

Omdat ik midden in het hoogseizoen werd aangenomen als receptioniste en nooit eerder achter een balie had gewerkt, was mijn nieuwe tijdelijke baantje op zijn zachts gezegd nogal een uitdaging. Alleen al het noteren van de Franse cijfers wanneer iemand zijn telefoonnummer opdreunde bleek topsport (quatre-vingt-dix-neuf, wie verzint het). De camping stond daarbij vol. Letterlijk. Wanneer iemand zijn plekje niet leuk vond, kon die niet verhuizen naar een ander plekje zonder iemand anders van de camping af te knikkeren. Want Frankrijk ging dit jaar op vakantie in Frankrijk en Holland liet zich niet tegenhouden door een virus meer of minder.

Het allerleukste van mijn werk vond ik al snel het elektrische golfkarretje dat we gebruiken tijdens de schoonmaak. Die trok zich niets aan van boomwortels of rotspunten en stuiterde in hoog tempo van toilethok naar toilethok, over de paden die zo verlaten in het bos hadden gelegen toen we ons verstopten voor de patrouilles. Het minst leuke bleek echter de schoonmaakdienst zelf. Wanneer ik een ochtend lang met mijn kop boven een vijftigtal toiletten hing, dacht ik met spijt aan alle carrièrekeuzes die ik ooit had gemaakt, vervloekte ik zachtjes alle vakantiegangers die zo nodig naar de plee moesten en dacht ik met nostalgie aan de dagen waarin we de vallei deelden met slechts een handjevol illegale wandelaars, een uitgebreide collectie politiewagens en het kleine wonder van een natuur die plotseling met rust werd gelaten.

Uiteraard hoop ik dat het virus muteert en komende herfst slechts nog interesse toont in kakkerlakken en vleermuizenpoep. Mochten we toch weer op slot gaan, dan hoop ik dat ze ons dit keer laten wandelen. Gewoon, door het bos naast het huis, zielsalleen. Ik hoop ook dat de vallei snel weer wat stiller wordt, egoïstisch voor mijzelf, omdat ik houd van groepjes grazende herten en het suizen van de wind. En ik hoop, als laatste, dat mijn campingbaan een van mijn laatste kleine baantjes is, want hierna word ik schrijfster. Of gids. Of zonnebloemhouder of geheime wandelaar in vreemde tijden.