Latest Posts

Van Dynafit Vulcan naar Scarpa F1


Leeswaarschuwing: Dit verhaal bevat een hoge dosis informatie die uiterst oninteressant zou kunnen zijn voor mensen die niet skiën.

Sinds ik een nieuw paar skitoerschoenen heb gekocht, sta ik voor een iets wat lastige keuze. Alhoewel ik normaal gesproken niet bijzonder gepassioneerd over materiaal zou schrijven, kan ik me nu toch niet inhouden. Het is namelijk wel leuk, dat staaltje techniek tussen ski en voet.

Voor zij die de skitoerschoen niet goed kennen, hier eerst kort een omschrijving.

Tijdens een skitocht moet de skitoerschoen zelf omhoog lopen. Iedereen die welleens onverhoopt een flinke afstand heeft overbrugt op pisteschoenen, weet dat ze er niet voor gemaakt zijn. De skitoerschoen wél. Die loopt omhoog en skiet naar beneden.

Voor het omhooggaan is de schoen flexibel, bijna als een ‘echte’ schoen, en gelukkig een stuk minder zwaar dan de pisteschoen. Voor het afdalen is de schoen echter stijf, met de mogelijkheid tot een solide druk van het scheenbeen op de ‘tong’ van de schoen (languette in het frans, de voorflap), ongeveer zoals in een pisteschoen. In de skitoerschoen zit daarom een mechanisme dat de modus van de schoen verandert van ‘klimmen’ naar ‘dalen’.

Alhoewel de technologie achter de skitoerschoen elk jaar verbeterd, waarover bergmateriaalfanatici gesprekken kunnen voeren die in principe geen einde hebben (ongelofelijk), komt de keuze voor een toerskischoen aan op een compromis: lichte, flexibele schoenen zijn minder rigide voor de afdaling, maar rigide schoenen voor de afdaling zijn zwaarder en minder flexibel voor de beklimming. Bij aanschaf van een skitoerschoen moet je dus bepalen waar je zo ongeveer de balans wilt hebben (meer comfort voor omhoog of meer rigiditeit voor naar beneden, of uiteraard iets in het midden). Het gewicht kan varieëren van nauwelijks een kilo tot een kilo of vijf, de schoen in daalstand kan stijf zijn een als echte pisteschoen of slap als… soep.

Deel van deze keuze is zeker ook de prijs, die flink kan oplopen.

Tweedehands toerschoenen van vijftig euro zijn zeker te vinden, maar het risico voor die prijs is dat ze zwaar of slap zijn (meestal zijn het modellen die nog niet hebben genoten van de technische vooruitgang in skitoerschoenland). Skiën op een soepschoen, met name als beginner, is écht een stuk moeilijker dan skiën in een pisteschoen. Off-piste skiën is daarbij überhaupt al vrij uitdagend – denk aan sneeuw met een laag ijs erbovenop – waardoor het plezier tijdens een afdaling met twijfelachtig materiaal soms ver te zoeken is.

Beginner, pas op voor de soepschoen (ik spreek uit ervaring).

Het andere uiterste is te vinden bij de schoenen van Pierre Gignoux: Handgemaakt, carbon, vederlicht en tegelijkertijd ongetwijfeld stijf als recent gestort beton rondom een nog warme voet, een prijs die kan oplopen tot bijna 2000 euro. Ik ken niemand die zich aan dit paar waagt, maar kan me voorstellen dat ze in de wereld van skitoercompetitie veel voorbijkomen.

Examenkandidaten voor de ENSA besteden bij de aanschaf van een nieuw paar zo tussen de vier- en zeshonderd euro (gelukkig zit er vaak korting op). De nadruk ligt bij ons behoorlijk op de afdaling, waardoor we vrij stijve schoenen kiezen die misschien iets zwaarder zijn voor de beklimming. Voor de geïnteresseerden: Populair zijn Tecnica Zero G, Scarpa Maestrale RS, Scarpa F1, Salomon MTN.

(Sommige voeten passen overigens beter bij de vorm van sommige merken).

Nu heb ik een opleider, Yann Mimet de Magiër, die prachtig zou kunnen afdalen op een paar Crocs vastgetaped aan twee grote pollepels. Hoe beter je skiet, hoe sneller je weg kunt komen met een paar schoenen dat niet persé heel vriendelijk is voor de afdaling. Met dat in gedachten koos ik vier jaar geleden voor de Dynafit Vulcans: 3,2 kilo, vrij zwaar en wat minder flexibel voor de beklimming maar heel rigide voor de afdaling. Kortom, goed voor iemand die in principe nog moet leren skiën.

Mijn Vulcans begonnen echter zorgwekkende ouderdomstrekjes te vertonen en daarom dacht ik begin dit seizoen, optimist die ik ben, de balans te kunnen verschuiven naar een lichtere schoen: De Scarpa F1, 2,2 kilo en een stuk meer bewegingsruimte voor de beklimming. Daarbij kost het omzetten naar daalstand me zo’n dertig seconden (in vergelijking met de Vulcans: minuut of vier? Relevant voor een examen!).

Trots op mijn nieuwe schoenen presenteerde ik mezelf deze CRET aan het skistation, om vervolgens applaus te ontvangen van mijn opleider wegens de magistrale valsessies die ik voort wist te brengen. Kortom: Ik moest er nogal aan wennen. Vaak vond ik mezelf terug met mijn gewicht naar achteren, gedoemd om elke hobbel of bobbel als fataal te ondergaan, constant in gevecht om mijn balans te behouden. Waar ik in de Vulcans mezelf eenvoudig kon vastplakken aan hun enorme, rigide languettes en me zodoende door het terrein kon navigeren, voelde ik me in de F1 als een rubberbootje op een oceaan in noodweer.

Het heeft de hele stage gekost om aan de schoenen te wennen en mijn stabiliteit terug te vinden. Toch sta ik in de Vulcans vooralsnog iets sterker. De vraag is nu natuurlijk: Op welke schoenen zal ik me de rest van deze vreemde (!!) skitijden voorbereiden?

Het verschil tussen de twee schoenen tijdens de beklimming is best relevant, want 1500 hoogtemeter op de F1 bespaart me energie die ik goed kan gebruiken tijdens de afdaling. Zal ik echter dusdanig aan ze kunnen wennen, dat ik ze zelfs mee durf te nemen naar een eng couloir vol obstakels met twee kritische examinatoren aan de bodem?

(Kleine kanttekening: Ik vind mijn nieuwe schoenen heel mooi.)

(Nog een kleine kanttekening: Ik heb geen idee in welke mate de productie van al deze schoenen en hun materialen schade toebrengt aan het milieu, een milieu waarvan de conservatie nogal belangrijk is voor toerskiërs. Dat is dus nog om uit te zoeken.)

Zeven Kilo Kat

Telkens wanneer ik de deur open voor Tigrou moet ik denken aan de kogelvis; die ene die opzwelt wanneer bedreigt door een ander zeedier. Temperaturen buiten liggen al dagen ver onder nul en Tigrou is zo breed als lang wanneer hij door het couloir naar zijn voederbak loopt, doorgaans zijn eerste bestemming binnenshuis. Als hij dan plaatsneemt op zijn poef, het liefst dicht bij de kachel, slinkt de omvang van zijn winterjas direct aanzienlijk, al blijft er immer behoorlijk veel kat over.

Het is dus koud. Zo koud dat kinderen schaatsen op het meertje van Parc de la Schappe. Volwassenen echter niet, want daarvoor is het besmettingsgevaar te groot en krijgen ze geen toegang. Wat zij doen, met verbazingwekkende aantallen, is sleetje rijden. Aan de voet van de gesloten skiresorts krioelt het in het weekend van warm aangeklede sleetje rijders, jongeren met biertjes en muziek, gezinnen met camera’s en thermosflessen. Er zijn ook nog best een aantal snowboarders die de helling omhooglopen voor een afdaling van honderd meter en een bulk tourskiërs die er niet persé uitzien als de graatmagere, aerodynamische tourskiërs uit de wereld van hiervoor.

Hier en daar openen de stations echter een lift. Soms in Les Deux Alpes, Puy Saint Vincent of Serre Chevalier, soms helemaal in Les Orres. Alle skiërs en boarders in opleiding pakken ’s ochtends de auto en vertrekken richting het station dat volgens onnavolgbare logica incidenteel wanhopige examenkandidaten of competiteurs toelaat. De CRET is zodoende in staat om hun stages door te zetten en ikzelf heb me halsoverkop ingeschreven, om middenin een cursusweek in te stromen en mezelf gerust te stellen met op zijn minst een klein beetje fatsoenlijke training.

Opwarmen in een café boven een chocolademelk of Karmeliet (die tweede heeft een verwarmend vermogen van 8,3 procent) is er daarna echter, natuurlijk, niet bij. Rond als een bol wol van lagen en lagen kleding wurm ik mezelf ’s avonds door het deurgat en stort neer op de bank, met spierbundels die al dat afdalen lang niet meer gewend zijn. Tigrou springt dan van zijn poef en legt zich pontificaal bovenop mijn borstkas, want de warmte van een mens in een moeilijk op te warmen huis is nog altijd te verkiezen boven een poef naast de kachel.

Zeven kilo kat, is wat er exact overblijft. En zestig kilo mens plus twee grote tenen die er wat langer over doen om op te warmen.  

Parc de la Schappe vlak voor sneeuwval, december 2020

Op naar het volgende hoofd

Opschrijven dat mediteren voor mij extreem moeilijk blijft, is ver van het beeld dat ik ervan zou willen schetsen. Ik vind het persoonlijk zo moeilijk dat ik zelfs tijdens het mediteren vaak de gedachte langs zie vliegen dat het nooit ergens toe zal leiden (dikgedrukt in discolicht). Het vinden van de juiste houding heeft me het gros van mijn sessies gekost – waar ik in de volgende meditatieblog iets meer over zal schrijven – en de rest van de meditaties geeft me steevast een oefening concentratie van jewelste.

Ik kan dus niet zeggen dat mijn praktijk van mediteren ‘vooruitgaat’. Aan de hand van teksten en gestaag accumulerende uren op het kussen heb ik een steeds helderder idee van hoe het er ongeveer aan toe zou moeten gaan, maar mijn hoofd blijft druk als een zomerse middag in de Kalverstraat (vóór Corona).

Waar ik echter wel verandering zie, is mijn houding tot mijn gedachtewereld in het dagelijks leven. Ik ben uiteraard nog steeds erg menselijk (vol (zelf-)geobsedeerde, ijdele, oordelende, onzekere, gefrustreerde en ongeduldige gedachten) maar ik herken mijn gedachten steeds sneller als wat ze zijn: Gedachten. Dingen die door mijn hoofd vliegen die ik niet serieus hoef te nemen, die ook gewoon door mogen vliegen (op naar het volgende hoofd). Dat verhindert overigens niet dat ik dikwijls nog steeds door ze op sleeptouw word genomen, meestal simpelweg door hun kwantiteit (als ik er eentje laat gaan, volgen er doodleuk nog vijftig van hetzelfde karakter) en zo niet, door hun intensiteit.

Mijn overtuiging van het potentieel van mediteren wordt er hoe dan ook alleen maar groter op. Nu ik beter in staat ben om te zien wat er zoal door mijn hoofd vliegt, en hoe het doorgaans onzinnige gebabbel me constant heel concreet beïnvloed, kan ik alleen maar dromen van een hoofd waarin het rustig is. Van het potentieel van een hoofd waarin het rustig is. Een hoofd dat niet hysterisch om het eigen ego draait, dat geen vervelende gevoelens aanwakkert die niet hadden hoeven bestaan, dat ruimte heeft voor daadwerkelijk belangrijke dingen, voor de buitenwereld en vooral, voor anderen.

En dat kan alleen door te mediteren.

In veel van de begeleidende meditaties zeggen ze dat onze gedachten ons weer, en weer, en weer, tien keer, honderd keer, duizend keer zullen vastgrijpen en meenemen, en dat meditatie juist het moment is waarop we ons daar bewust van worden en we ons wederom concentreren (op het object van onze concentratie, bijvoorbeeld de ademhaling). Vanzelf zal het dan in principe wat rustiger worden. Daar zetten ze natuurlijk geen tijdsschaal bij, het zal per persoon verschillen en de hoop op een kalm hoofd is in zichzelf een bron van afleiding.  

Dat het bij mij nauwelijks rustiger wordt betekend misschien dat ik de praktijk gewoon geduldig moet doorzetten. In de woorden van Bhante Gunaratana, Mindfulness in Plain English, vind ik iets van geruststelling:

When you first begin this procedure, expect to face some difficulties. Your mind will wander off constantly, darting around like a bumblebee and zooming off on wild tangents. Try not to worry. The monkey-mind phenomenon is well known. It is something that every seasoned meditator has had to deal with. They have pushed through it one way or the other, and so can you.”

Dus sleep ik mijn Monkey Mind terug naar mijn kussen en probeer het gewoon weer opnieuw.

En opnieuw.

En opnieuw.

Naar aanleiding van mjin rampzalig gefrommel in paint voor de poppetjes op mijn blog, heeft Thibault me een Pad voor kerst gegeven. Daarmee kan ik dus tekenen op mijn computer. Het (gratis!) programma dat ik hiervoor gebruik is Krita.

Wolvenbloed

Verfpotten, een kapotte koffiemachine, gereedschap, oud service, latten van een bed en zakken granules staan door elkaar heen tegen de muur. Vier paar ski’s in een hoek, kerstversiering in een doos op een plank. Het is donker en vochtig in de kelder van ons huis.

Ik sta gebogen boven een enorme, dampende ketel en strooi teennagels van een oude herder bij het water van de Clarée, gevangen om stipt één uur ’s nachts, tevens drie druppels wolvenbloed, gemalen alpenkruid en een grote schep beschimmelde Beaufort. Tigrou strijkt langs mijn harige benen. Met een pollepel van een meter, onder het zacht herhalen van een spreuk, roer ik het mengsel tot de dikte van een goede, winterse soep en neem voorzichtig een slokje. Ja, zucht ik. Hier zal Corona niet tegenop kunnen.

In werkelijkheid zit ik op een hometrainer. Dagen waarop het regent of we geen tijd hebben om de ski’s over de berg te slepen, fietsen Thibault en ik rondjes in onze kelder. Het klinkt verschrikkelijk, maar met behulp van een klein beetje fantasie rijden we over de allermooiste collen van de vallei. Het helpt daarbij nogal bij onze training.  

Inmiddels overbruggen we 1200 hoogtemeter zonder extra gewicht in één uur veertig en worden daar niet heel moe van. Het vereiste voor ons examen is 1500 meter in twee uur met zeven kilo op de rug. We zijn er misschien nog niet, maar de potdichte skistations helpen ons dag in dag uit met het opbouwen van onze conditie. Wie wilt skiën moet immers zelf omhooglopen. Met de hometrainer in de kelder als supplement staan we straks fit als hoentjes aan het begin van onze examenafdaling.

Hoe we echter naar beneden zullen skiën, daar hebben vooralsnog alleen Corona en Macron een idee van.

Twee seizoenspassen voor Serre Chevalier liggen onaangeroerd in de lade. Wat nu? Reeds opgedane techniek is zelfs voor Thibault niet voldoende om zich met een gerust hart aan de ENSA te presenteren. Onze bovenbenen zijn nog lang niet sterk genoeg en ikzelf kan simpelweg alle stationtraining nog gebruiken. Moeten we de skipassen ruilen en toch maar naar het buitenland? Of wachten en hopen? Een dealtje sluiten met een liftjongen van een afgelegen piste en daar stiekem ’s nachts trainen? Een toverdrankje brouwen waarvan het virus gillend terug de vleermuis inkruipt?

Enige tactiek is op zijn plaats tijdens de voorbereiding van deze ronde examens.

(Onszelf noodgedwongen naar boven slepen is overigens verre van een straf; de besneeuwde buitenwereld trekt zich niets aan van virus noch maatregelen en is magisch als altijd).

Gelukkig Nieuwjaar

2021

Rond middennacht werd ik gewekt door een groep gillende vrouwen en vuurwerk, maar vanwege de nachtelijke temperatuur van min vijftien in een bergdorp op 1400 meter, werd het snel stil op straat. Het illegale technofeest dat georganiseerd zou worden door vijf rebelse buren die we overdag nog met een enorme speaker over de sneeuw zagen glibberen, redde het niet tot binnen onze muren. Voor zeven uur oudejaarsavond stond de politie al op elke straathoek van Briançon, avondklok acht uur. Misschien waren ze toch bang geworden.

Tot mijn vreugde hield men op 1 januari de supermarkt gesloten. Nog voor de zon opkwam had ik het vrolijke gevoel nooit meer te hoeven slapen en vloog het eerste voornemen langs: Elke maandag een blog publiceren.

Daarna passeerde een tweede: Het systematisch flossen van mijn tanden voor het poetsen. Vervolgens werden ze iets wilder: Ik zou een roman publiceren, optreden als zangeres, elke dag beginnen of eindigen met meditatie, minder consumeren en afval produceren, meer concreet terugdoen voor de mensen en de aarde en over het algemeen een beter mens worden.

Die nacht liep ik voor een laatste keer om vier uur ’s nachts richting mijn auto, over een laagje sneeuw vol kattenpootafdrukken. Katten waren toch aanzienlijk beter bestand tegen de kou, zo leek de nachtelijke bezetting van La Vachette te suggereren.

Na terugkomst van de supermarkt lapte ik elk relevant voornemen aan mijn laars. Geen geflos of meditatie, een opengebroken plastic rol met koekjes naast me op de passagiersstoel en de grote opluchting niet (nooit?) meer bij nacht en ontij in een supermarkt te hoeven werken, waar ik tientallen collega’s achteloos achterliet.

Daarom gaan goede voornemens in werkelijkheid pas drie januari van start.

Het aanmoedigen van het werk van anderen beschouw ik als een (piep)klein deel van het ‘een beter mens worden’. Omdat het via mijn blog een relatief gemakkelijk te realiseren voornemen is, geef ik jullie hier meteen maar de mogelijkheid om een bezoek te brengen aan een klein, Pyrenees dorpje waar een avontuurlijke Vlaamse schrijfster de meest hartverwarmende verhalen opschrijft.

De illustratie van deze blog is daarbij gemaakt door mijn zus en vind ik fabelachtig.

Morgen publiceer ik een blog en vanavond flos ik mijn tanden.

Gelukkig nieuwjaar!

Glimlach



Aan tafel met de ouders en grootouders van Thibault, Fieke aan mijn zijde en stapels lege oester- en slakkenhuizen op mijn bord, glimlachte ik van oor tot oor. Zonder het kerstcadeau dat krap een dag ervoor mijn mond in was geschroefd, had ik dat niet gedaan.

Gedurende het acht uur lange kerstmaal hield ik mijn brede lach nog steeds, af en toe, onbedoeld in. Gewoonte. Zelfs onder invloed van champagne, wijn en cognac betrapte ik mezelf erop en gaf mijn mondhoeken toch nog vrij spel. Dan besefte ik hoé groot het cadeau precies was geweest.

Nog groter zelfs dan alleen het verdwijnen van het gat in mijn mond.

Toen ik 23 december na de laatste behandeling bij de tandarts in de spiegel keek, zag ik tranen in mijn ogen. Dat was deels vanwege de liefde die om de hele operatie hing, het gevoel er niet alleen voor te staan, en deels omdat het een best wel uitdagende en soms ook wel moeilijke periode een beetje kon afsluiten.

Inmiddels laten de Fransen alle oesters en slakken weer een paar dagen met rust, ben ik aan mijn tand gewend en glimlach ik er als vanouds op los. Maar in die glimlach zal voortaan altijd mijn dankbaarheid zitten voor zo een spontaan, lief, groot en eindeloos waardevol gebaar van twee hele dierbare mensen.

Dank jullie wel.



Vakkenverhalen

Vakkenleeghaler

Na de nachtelijke, serene rit door Briançon tref ik het bijennest aan in TL-licht, volgeladen karretjes die alle directies op rollen, iedereen in het rood. Klaarwakker spreken ze elkaar aan, neuriën sommigen alsof de zon al zo’n uur geleden opkwam, daar binnenin die gigantische loods, achter de schappen richting het Oosten.

Denk maar niet dat er iemand klaagt. Het is de norm; elke ziel aanwezig drukte vanmorgen voor vieren de wekker uit.

Om half acht mengt een ander team zich door ons heen, blauw, vaak op gemotoriseerde voertuigen die een lang, nat spoor door de winkel leggen. De schoonmakers. Ze maken een welkom lawaai, want we zitten dan massaal bijna op de helft van onze shift en hebben er in principe wel genoeg van.

En dan, om acht uur, staat een vreemdeling voor me. Altijd, heel even, verward dat me. Wat doet die daar nou?

Een klant die doordringt tot ons bijennest, in civiele kleding, vaak een jaar of zeventig want die gaan blijkbaar vroeg naar de winkel.

Soms vragen ze me: Waar vind ik geitenkaas voor in de oven, of kruidenbrood voor bij de paté?

Geen idee, mevrouw, meneer.

Kruidenbrood. Hebben wij dat?

Om kwart over elf loop ik uiteindelijk, eindelijk, zelf door de winkel in civiele kleding, en behoor dan plotseling tot die ander, een vakkenleeghaler, op zoek naar een pak melk of kattenbrokken.

Tot 03:40 de volgende dag.

Knoppen

Ik sta voor een poort. Hij is drie bij drie meter, leidt naar het donkere hart van de Carrefour, zit potdicht en schuift in theorie open via een knop aan de zijkant. Aan die zijkant zitten echter meer knoppen. Eén daarvan, weet ik inmiddels, is simpelweg een lichtknop. Wel voor het licht van de hele winkel. De andere?

Ik ga uit van het ergste: Er zit sowieso een brandalarm bij die alle sproeiers aanzet en de ruimte vult met oorverdovend geloei.

De manager had natuurlijk gezegd welke de juiste knop was, maar naar zo’n uitleg probeer je pas achteraf te luisteren.

Het is overigens niet de enige grote poort in de winkel (koeling, buitenpoort) en telkens sta ik twijfelend voor de reeksen knoppen. Tot nu toe is het goed gegaan – jammer voor dit verhaal.

Who’s done it

Wist je dat vakkenvullers bewapend zijn? Ze hebben allemaal een stanleymes op zak om dichtgeplakte kartonnen open te snijden. Alle producten worden geleverd in karton. Alle producten. We openen ongeveer twee kartonnen per minuut per persoon en werken op de vroege ochtend met een man of veertig.

In de loods staat daarom een kartonpers. Dat is een machine met een gat van twee bij twee, die met veel geratel het karton samenperst tot een soort bal. De levensgrote ballen parkeren we buiten in rijen en worden in de loop van de week opgehaald.

Nu ga ik iets vreemds schrijven. Misschien komt dat door Baantjer of andere crimi’s die ik keek in mijn jeugd, maar telkens als ik voor die kartonpers sta denk ik aan moord. Niet dat ik de neiging voel om iemand in de kartonpers te gooien, maar het apparaat leent zich nu eenmaal heel goed voor een luguber scenario. Een voet die uit zo’n kartonbal steekt, wie heeft het gedaan?

Was het Kaas, Fris, Brood? Ik vond dat Pasta zich vreemd gedroeg vanmorgen. Heb je Speelgoed al gezien vandaag? Is het Speelgoed in de kartonbal? Die was gisteren tegen het karretje van Vis gereden, hele inhoud van het karretje over de vloer. Is hem misschien duur komen te staan.

Credits: Tex Lohbrunner

Vakkenvuller


Het is half vijf’s ochtends wanneer ik het balkon opstap, zo donker dat ik tegen een paar ski’s oploop. De maan verlicht niets, de straatlantarens staan uit. Voorzichtig stap ik over de harde sneeuw van onze dorpspaden, langs de kerk, de verlaten bakker, de gesloten bar. Ergens daarachter staat mijn auto. Bij het opentrekken van het portier weet ik pas zeker dat het de mijne is, omdat een tiental enorme gedroogde zonnebloemstelen nog steeds op de achterbank wacht om weggegooid te worden en oplicht in het vage schijnsel van mijn telefoon.

De dodekattenkippenweg leg ik in mijn eentje af, de enige wakkere ziel onder een sterrenhemel. Briançon staat pas over een uur of drie op.  Ik moet denken aan die keer dat ik met Thomas de markt in Gap deed en we om zes uur ’s ochtends langs Guillestre reden. Vlak voor het opkomen van de zon liepen toen twee paarden over de rotonde naast het dorp. Zij namen rechtsaf, wij rechtdoor.

Vroege ochtenden hebben iets dat andere dagdelen niet hebben; alsof er dingen gebeuren die wij mensen niet horen te zien.

De magie valt in duigen op de parkeerplaats van het winkelcentrum, waar twee auto’s en twee vrachtwagens me ronkend voor zijn. Een meisje niet veel ouder dan zestien houdt de deur voor me open. Ik volg haar door een enorme, schemerige loods met vier meter hoge stellages, een kleine deur door richting de personeelskamers. Ze geven me een paar stevige schoenen en een rode fleece met de woorden ‘stel mij gerust een vraag’ op de rug. Hier is je kluisje, hier nemen we pauze. Vanaf nu ben ik vakkenvuller bij Carrefour.

Toen ze me zeiden dat ik op ‘vers’ zou staan, had ik groenten in gedachten gehad, kleurrijke paprika’s, torens van prei, glimmende aubergines, bakken met ui en knoflook. Tot mijn teleurstelling volg ik team Vers naar de schappen met yoghurt, kant- en klare maaltijden, vlees, kaas. We krijgen allemaal een sectie producten toegewezen waarvan we systematisch de data controleren. Twee yoghurtjes redden het niet, ik leg ze in het winkelwagentje dat bestemd is voor de voedselbank (zoiets hoor ik de Vers-leider zeggen).

Dan komen de pallets aangereden. De ene na de andere. Met minstens vijftien man sorteren we de producten op hun toekomstige afdeling, als nieuwkomer heb ik geen idee wat waar hoort. Zo om de minuut vraag ik aan iemand op welke stapel ik de prefab paella, de humus, de worst moet leggen. Er wordt verder niet veel gepraat, misschien omdat het half zes ‘s ochtends is.

Mijn directe leidinggevende heeft een lange paardenstaart en vult al twintig jaar vakken bij Carrefour. Zijn leidinggevende lijkt me zo’n negentien jaar oud, een gezicht dat nog geen enkele volwassen trek heeft opgedaan. Hij studeert commerce. Samen met een ronde vrouw van één meter vijftig, te klein voor alle bovenste schappen, word ik de afdeling over gestuurd. Ze moppert veel omdat ze haar een week geleden weghaalden bij Brood, en daarna bij Pasta, om nog onduidelijke redenen.

Tegen het eind van de ochtend roepen ze ons naar Diepvries. Ik open tientallen, honderdtallen kartonnen dozen en leg de bevroren groenten, zakken friet en heel, heel veel steaks achter het juiste etiquet. Mijn vingertoppen beginnen hun doorbloeding te verliezen; hoe kouder ze worden, hoe pissiger ìk word op de steaks.

Meermaals stel ik vast mijn nieuwe baan niet te kunnen verantwoorden. Het Koninkrijk der Verpakkingen met hier en daar een schap vol dierenleed, ikzelf als piepkleine schakel tussen product en consument. Een lacher van een vegetariër, dat ben ik, zo één die naar de Biowinkel gaat om daar met een hoop zelfverheerlijking producten in bulk aan te schaffen. Die ochtend nog, jongens en meisjes, legde zij steak na steak precies zo neer dat men verleid werd er meteen maar drie voor de prijs van twee aan te schaffen. Voor de kerstvakantie. Gezellig.

Tijdens de pauze kleurt de personeelsruimte rood van alle fleecevesten. Iedereen kijkt op zijn telefoon, niemand praat. Ik probeer de koffie en heb spijt van de veertig cent die ik ervoor geruild heb met het koffiezetapparaat, leun daarna tegen de muur en wacht ongeduldig op het moment waarop ik weer vakken mag vullen.

Misschien moeten ze allemaal nog wat loskomen. Misschien moet ìk nog wat loskomen.  

Een beetje suffig rijd ik om tien over elf ‘s ochtends door Briançon. Het licht is fel, het krioelt van auto’s en mensen, gepraat en getoeter klinkt dwars door het blik van mijn auto heen. Halverwege de Dodekattenkippenweg denk ik weer aan die twee paarden die Thomas en ik zagen bij Guillestre. Waar kwamen ze vandaan, waar gingen ze heen?

De vroege ochtend verkies ik even boven het leven in daglicht. Het zal wel zijn omdat ik moe ben.

Negenentwintig

Gisteren heb ik een aantal hele mooie cadeaus gekregen, waaronder een vierkant schaap en een laag sneeuw van 40 centimeter diep. Maar het allermooiste cadeau is, zoals bij elke verjaardag, de verjaardagliefde die ik heb mogen ontvangen (dankje, Kim, voor het woord). De belletjes, berichtjes, kaarten en vooral die gekke Fieke die me wekt voor een enorme Red Velvet taart en me vervolgens verkleed de sneeuw in stuurt.

Ik wist het niet van tevoren, maar skiën in bloemenrok was de enige juiste manier om 29 te worden.

Nog steeds in de roes van vers gevallen sneeuw, een ongezonde hoeveelheid suiker en abnormale dosis aandacht, voel ik me vooral dankbaar; voor het feit dat ik ouder mag worden en boven alles, dat ik ouder mag worden mét Fieke aan mijn zijde.

Breien

In het centrum van Briançon kun je sinds een paar dagen weer bollen wol kopen. Omdat Macron pas elf december beslist over de opening van de skistations en de hellingen daarbij nog altijd groen zien als gras– ik heb sneeuw voor mijn verjaardag gevraagd – loop ik tussen de hoge schappen door op zoek naar mooie kleuren voor mijn nieuwe tijdsbesteding : Breien.

Je zou je kunnen afvragen waar die nieuwe tijdbesteding vandaan komt. Het antwoord is simpel: Nederland. Mijn moeder had een tasje met breinaalden en bolletjes wol meegenomen. Sindsdien ligt het huis vol vierkante oefenlapjes met patronen die soms nog niet helemaal te onderscheiden zijn van breifoutjes (opeenvolgingen van breifoutjes, zou je ook wel kunnen zeggen).

Nu, die wolwinkel is best wel interessant: het licht is er gedimd, de eigenaresse komt altijd direct uit een onverwachte hoek tevoorschijn, haar man verschijnt stilletjes iets later. Rechts van de ingang staat een donkerhouten bar die zich door de hele ruimte uitstrekt, daarop een ouderwetse kassa, een 19 jaar oude kat en een reeks aan siropen (aardbeisiroop, perziksiroop…). Het lijkt nog het meest alsof ze een wolwinkel hebben geopend in een oude bar en de bar maar gewoon hebben laten staan. De rest van de winkel bestaat uit wanden met wol, stellages vol kleurrijke bolletjes met elk een vergeelde sticker. ‘Niet aanzitten’ staat erop geschreven. Het zou me niet verbazen als de bolletjes op een dag bij het openen van de deur massaal naar buiten komen rollen omdat iemand toch aan het uiteinde van een bolletje heeft getrokken.

Tussen de stellages staan de breisels van het echtpaar zelf tentoon, voornamelijk truien, die er indrukwekkend uitzien nu ik weet wat breien is. Ze zijn peperduur en niet heel mooi. Gek genoeg verkopen ze ook bikini’s, kinderspeelgoed en dus eveneens limonade en zelfs koffie. Als je niet oppast loop je een naakte paspop omver.

Omdat je bij binnenkomst direct in de houtgreep wordt gelegd door de kleine Franse breidster en pas weg lijkt te mogen wanneer je minstens drie bolletjes hebt afgerekend, het liefst merino, ligt er nu wol op tafel voor een bedrag van 26 euro. Ik weet niet of ik het aandurf om er mijn breinaald in te steken.

– Met dank aan mijn moeder voor de warme toegang tot de wereld van het breien!

(Nu ik averechts kan breien zit ik soms tot ’s avonds laat op de bank, nieuwsgierig naar de uitkomst van een zelfverzonnen patroon. Het leukste is dat het dan voelt alsof mijn moeder gewoon nog naast me op de bank zit, en me onterecht complimenten geeft over mijn breiwerk (haar lapjes onderscheid je op barlengte afstand nog van de mijne)).



Toeval wil dat veel klimsters in Briançon ook aan het breien zijn geslagen en we al een eerste bescheiden (immers: covid) breifeestje achter de rug hebben. Sneeuw is misschien nog niet gevallen, maar koud is het wel, dus breien we allemaal een sjaal. Een muts. Sokken. Een trui zelfs.