Latest Posts

Criminaliteit in ’t Café: Balans

Het dienblad vormt een perfecte balans met de corona’s, Prosecco glazen en Martini’s op haar oppervlakte, rustend op mijn vingertoppen. Als er een verandering plaatsvindt door de redding van een vergeten vaasje dat zich doodslaat op de bar, kan ik de balans hervinden door mijn hand wat te verplaatsen. Het wiskundig brein van horecapersoneel bevind zich (louter) in hun vingertoppen.

Wanneer een gast in een waan van extreme uitdroging vast zijn cola van het blad afpakt dan BAM. Of wanneer een gast, lief bedoelt, haar koffiekopjes net wat onhandig richting de rand van het blad plaatst, BAM. Het gaat nauwelijks mis omdat er vrij snel geanticipeerd kan worden op dergelijke dreigingen, maar toch geef ik graag het advies af te blijven van de harmonische toestand tussen dienblad en horecapersoneel.

Berg zegenen de bergen

Ik hang de bergen aan als een religie. Ik denk en ben overtuigd van bizarre dingen, waar ik niet eens meer de volle vreemdheid van kan invoelen. Ik zeg dat ik alleen in de Alpen vrij ben. Dat ik daar anders nadenk dan hier, maar hoe vreemd en onmogelijk zou dat zijn! Dat terwijl ik niet eens in staat ben om het concept vrijheid voor mezelf te definiëren of kan omschrijven hoe dat ‘andere denken’ er dan aan toe gaat.

Nu besef ik me dat pas. Ik begrijp dat ik een eigen, creatieve wereld heb gevormd die naast het bestaan van de bergen zelf weinig concreets in de realiteit bezit. Tot voorkort was ik een slachtoffer van de grootse magie van de Alpen, maar nu weet ik dat die magie een verzameling van jarenlange gedachtes in mijn eigen kop is, zo vertrouwt en frequent dat het voelt als de werkelijkheid. In de bergen kan ik denken, in de bergen ben ik vrij.

Ik ben er dus ook mee gestopt om tegen anderen in deze termen over de Alpen te spreken. Ik praat niet meer over een magie die ergens anders, daar ver in het hoogland, bestaat. Ik vertel ze dat het er mooi, en rustig, en spannend is. Maar niet dat ‘daar’ mogelijkheden liggen om een volstrekt ander mens te zijn. Ik zou ze eerst moeten bekeren, willen ze dat ooit begrijpen.

Gelukkig heb ik een groep gekken om me heen die zichzelf zowaar hetzelfde hebben wijsgemaakt als ik. Geloofsgenoten. We fokken elkaar volledig op en kicken op elkaars getiktheid. Mooier gezegd: we betoveren elkaar. Hoger, groter, verder, heiliger.
Daarnaast zijn er nog verhalen, filmpjes, sites. Als ik wil kan ik eindeloos andermans bergavonturen consumeren. Allemaal gedachtegangen die lijken op de mijne.

Het voelt alsof ik daarin voldoende bewijs vind van mijn religie. In de creatieve wereld die ook in de geest van anderen is ontstaan.

Toch, is dat niet een beetje solide? Als we allemaal uitkomen op dezelfde magie, als we allemaal geloven in dezelfde werkelijkheid, moet daar dan niet iets aan ten grondslag liggen? Als in…een berg?

Ettringen 2013

Vanaf mijn voordeur loopt een modderig spoor door mijn kamer. Het gaat langs setjes, slaapzakhoezen en een hoop vuile kleding, tot twee doorweekte Vans. Over elke stoel hangt wel iets: Een matje, een slaapzak, een jas, sokken.
Ik stap onder de douche en ontdek de veelheid aan wondjes, door het prikken van het water op mijn geschampte huid. Mijn spieren protesteren als ik shampoo in mijn haar kneed. Ik zie klodders schuim langs de blauwe plekken op mijn benen glijden. Het valt echter nog mee. Fieke zou geloofwaardig aangifte voor zware mishandeling kunnen doen. Dader: Ettringen.
Ik droog me voorzichtig af en stap mijn kamer weer binnen. Het ruikt er naar regen.

Velden

We maakten ons zorgen, Juul en ik, daar op Amstel. De voorspellingen waren verdrietig en de optimisten schaars. Er was wat gedoe met auto’s, een traditioneel overspannen Weco, een Belg die zijn auto niet achter durfde te laten en een emotionele voorzitter. We vroegen ons af wie we nou moesten troosten van alle hoopjes mens aanwezig.

Twaalf uur later, zaterdagochtend 18 mei, reden we dan toch langs de velden, die zich een jaar geleden knalgroen toonden onder een niet aflatende zon. Richting de steengroeve, de lucht was grijs.
Joris, Fieke, Kaspar en ik daalden af naar een lage wand die in mijn herinnering haken had, maar ze nu ontbrak. Het was onomwonden de bedoeling dat we op eigen protectie zouden klimmen. Fieke deed niet moeilijk, ze had de ballen om cams in de spleten te raggen en te klimmen alsof ze aan een toprope zat. Ik deed wel moeilijk, ik klom na wat anderen heldhaftig hadden ingehangen.

De zon brak door en geen druppel durfde zich aan Ettringen te wagen. Asaccers trokken naar elkaar toe en klommen elkaars routes, overal liepen blote basten en BH’s. Als een mierenkolonie bezetten we de spleten in de rotsen. Het water dreigde op te gaan, ik zocht naar appelsap, sinasappelsap, alles was op. De dag was lang en het gebied onuitputbaar. Fieke klom routes voor waar zelfs Juul van onder de indruk was. Een inmiddels legendarische schoorsteen boven een klein bandje deed ons allemaal verbazen.

(Ruby tegen Fieke) Fieke, hoe de hell heb je dit geklommen?
(Kaspar tegen Ruby) Ruby, hoe de hell heb je dit geklommen?
(Joris tegen Kaspar) Kaspar, hoe de hell heb je dit geklommen?
(Kaspar, Juul, Kim, Nick…) Etc, etc…

Juul en ik vonden een boomstam die veel weg had van een didgeridoo. Of van een telefoon, ijshockeystick, zo’n ding dat uit een onderzeeër komt, speer, neusbotje, revolver, luchtbuks, wandelstok, varkensspiets, gehoorapparaat enzovoort. Het werd Juuls grote kameraad, voor altijd verbonden (L). (De boomstam mocht in de bus mee terug en ligt nu waarschijnlijk naast hem in bed).

Terwijl de zon geleidelijk uit de steengroeve kroop en Kim telkens een rots hoger klom om wat laatste stralen op te pikken, reden Max en Nick naar de camping om respectievelijk de BBQ en de knoflooksaus voor te bereiden. Een uurtje later waren wij ook op weg, langs de velden die weer leken op voorheen. Groot, glooiend en zonnig, intens en intens groen.

Het koelde snel af, maar nog steeds bleef het droog. We zaten in een kring rond het eten en hielden discussies over het vegetarische dieet. Er was maar één vrouw aanwezig die vlees at, de rest van het geslacht kloof aan maïskolven en gepofte aardappel.
Het moment dat Sambucca op het toneel verscheen zocht ik haastig mijn tandenborstel en tandpasta en nam een sprintje naar het toilethok.

Kim was mijn tentmaatje. Ze vertelde me dat ze, als ze ooit ontslag van zichzelf zou nemen, wel een kameleon zou willen zijn. Ik vond dat best wel cool.

Het bos

De volgende morgen vertrokken Joris, Fieke, Kaspar en ik naar het bos. We liepen tot aan een duistere wand, waar Juul en Iris al hun hersens over aan het breken waren. Fieke zag spoken, heuvels die er niet waren, routes die niet bestonden. Joris was meer in zijn element. Zijn hekel aan de ‘niet natuurlijkheid’ van de steengroeven werd getemperd door het leven in het bos. Hij klom zich kapot in een crack, die ons allemaal vrijwel net zo uitdaagde als de schoorsteen van de dag ervoor.
Die crack had een kleiner broertje naast zich dat me helemaal in de war maakte. Ik kon me niet gewoon monofocussen op die ene breuk, maar was ook niet slim genoeg om handig gebruik te maken van de minicrack. Links verdween mijn hele arm in de rots. Rechts paste net een vingertje. De route was niet te klimmen zonder de voeten pijnlijk in de linker te wurmen. Het was beuken. Mijn arm uit de kom trekken en schrammen over elk uitsteekseltje. Fiek heeft me zo’n half uur gezekerd over een stuk van drie meter.
Ondertussen hielden ze beneden een discussie met betrekking tot grootste wereldproblematiek. Ik moet toch nog eens vragen wat de uitkomst was.

Tegen het eind van de dag begon de lucht wat meer te dreigen. Fiek had zich net aan een route overgegeven en kwam bovenin tot de ontdekking dat de haken te scherp waren om zich over te laten zakken. Casus! Het werd een interessant spel tussen touwtechnieken, Joris, Fieke, frustratie en de dikke bewolking die langzaam over het gebied heen trok.

Regen

En toen hield het niet meer op. Op het menu stond pasta met saus, maar de boodschappenploeg was vergeten om pasta te kopen. We sprongen in de auto en reden naar de Pizzeria in het dorp. Natuurlijk waren wij compleet ongeciviliseerd en vond ik het maar al te mooi om op deze wijze, met zo’n grote groep wildebrassen, een restaurant in te lopen. Voorspelbaar maar niet minder leuk. Modderige handjes op het witte tafelkleed. Elout aan de Sauvignon.

Achter het raam begon het te tikken. Nadat we onze pizza’s ophadden wilde Ettringen niet meer onder de douche vandaan. We renden naar een kroeg. Vanuit de regen naar een dichte rooklucht, doorspekt van foute muziek en ogen die ons vreemd aankeken. We besloten naar de tent terug te keren.
De tarp bood ons nog een tijdje comfort. Vanuit mijn tent, gelegen naast de tarp, volgde ik wat gepraat over hooi en stro en het verschil ertussen. Kim en ik constateerde dat de gesprekken na een dag klimmen vrij typisch waren. Een groep Asaccers produceert ’s avonds keer op keer dezelfde humor, ongeacht uit welke klimmers die bestaat. Bijdehand, plagerig en weinig diepzinnig. Het is de vraag of je op meer zit te wachten.

De volgende morgen hoosde het nog steeds. We renden heen en weer tussen de plekken waar we veilig waren, ontbeten knus met zijn allen onder de tarp, en flikkerden de tenten ongeïnteresseerd in hun hoesjes, omdat ze thuis toch moesten drogen. Onder Juul zijn tent lag een vierkant zwembad. Alles was modder.

Op Amstel waren we nog niet veilig. Ik stapte op mijn fiets, in de hardste regenbui tot dan toe. Plassen water sprongen op tot aan mijn knieën. Het zoute zweet van het warme weekend was in een paar minuten van mijn voorhoofd gespoeld. Juul en ik hadden ons die vrijdag voor niets zorgen gemaakt. Ettringen was fantastisch. De verdrietige voorspellingen deden hun eer niet aan. En mijn terugrit was hun uitzonderlijke wraakactie.

Criminaliteit in ’t Café: Theedrinkers

Studeren in een café werkt fantastisch. Ik doe het zelf graag, en wanneer ik op werk tafels heb met laptops en stapels boeken, overvalt me eenzelfde rust als in de bibliotheek.

Met consumpties koopt een gast het recht om een plekje in het café te behouden. Voor een kopje thee geld zo’n half uur. Voor een lunch kan hij of zij wel twee uur blijven zitten. Alcohol tijdens dit soort solowerk-cafebezoeken vind ik briljant. Wanneer een gast tijdens het schrijven van haar scriptie aan de wiskey gaat, zie ik in gedachten het stuk al de meest positieve wendingen nemen en mag ze (vrijwel) zo lang blijven zitten als ze wilt.

Maar er zitten bepaalde tijdslimieten aan consumpties. Gasten kunnen niet onbeperkt op een enkel kopje thee teren. Zodra er drie lange uren verstrijken voel ik als personeel de drang om mijn territorium af te gaan bakenen. Als ik dan voor een vierde keer langs kom en op dwingende toon vraag ‘meneer, wilt u misschien nog wat te drinken?’, waarvan waarschijnlijk alleen maar de woorden ‘meneer’ en ‘drinken’ door de muziek in zijn oordopjes weten te dringen, mag hij simpelweg niet schaapachtig nee schudden. Dan moet hij zeggen ‘ja, mevrouw, ik wil hier graag tot diep in de nacht zitten en zal alles consumeren dat alle gasten die in mijn plaats aan deze tafel zouden hebben gezeten, zouden hebben weggewerkt. Inclusief borrelhapjes, driegangen menu en cocktails. Met liefde.’

Criminaliteit in ’t Café: Fooi

Fooi blijft iets ingewikkelds. Het gaat mij, en misschien bedienden met mij, niet eens zozeer om het geld. Het gaat me om de waardering die ik krijg nadat ik een tafel van 180 euro (in een kleine kroeg) perfect heb gedraaid en al mijn grapjes correct wist te timen. Het is een bevestiging van goed werk. In die zin is horeca een mooi beroep; we krijgen onze waardering direct na onze optreden, en de norm ligt vreemd genoeg rond een positieve waarde.

(Ik draai ook wel eens een tafel heel slecht en eigenlijk maak ik niet zoveel grapjes)

De keerzijde is dat er eigenlijk geen neutraliteit bestaat. Geen of te weinig fooi is een belediging, en genoeg of veel fooi is een compliment. Daartussen zit een hele range aan bedragen die ik in de loop der tijd op een bepaalde manier heb leren interpreteren. Het is een spel, het is een handigheid waar onervaren horecagasten geen flauw idee van hebben.

(Ik bedenk me hoe het zou zijn als fooi ook in andere beroepen gegeven werd. In de bus, bij de advocaat of stratenmaker, na het college van de professor, de miep in de boekenwinkel enzovoort)

Nu bijt ik niet de kop van een lief oud vrouwtje, als ze haar koffie komt afrekenen en daarbij het precieze bedrag zorgvuldig uitgeteld op de bar legt. Het wekt echter wel frustratie op als een zichtbaar welvarende en bepaald niet wereldvreemde zakenman bij ‘was alles naar wens?’ zegt dat het ‘helemaal goed’ was en vervolgens geen fooi geeft. Zeker als er niets is misgegaan en de bediening vanaf begin af aan de vriendelijkheid zelve was. Dan klopt er iets niet.
Het ergst zijn misschien wel de gasten die 20 cent op een rekening van 250 euro geven. Daarmee ridiculiseert een tafel het hele concept fooi en geven ze eigenlijk aan dat er geen bediende op de wereld rondloopt die een cent aan fooi verdient.

Gelukkig kunnen we de Engelsen vieren. In hun grote bierconsumptie, en de overmaat aan fooi die ze altijd op het tafeltje achterlaten.

Utrecht-Freyr 2013

Kim zou zeggen: ‘Alles kan’, of Joris: ‘Denk in oplossingen, niet in problemen’.
Dus zo dacht ik en dat zei ik. Er deed zich een situatie voor en alhoewel de tegenargumenten alarmerend aanwezig waren, zag ik alleen maar oplossingen.

Mensen, en ik, had ik een tijd terug besloten, hebben de neiging om zo vastgeroest in het dagelijks leven te raken dat ze hun oog voor mogelijkheden verliezen. En vanaf het moment dat ik dat besluit had genomen, wilde ik alle impulsiviteit die na het volwassen worden nog in me over was, aanwakkeren en tot wijze raadgever maker.

Terwijl ik anderen van mijn oplossingen bij de zich voordoende situatie op de hoogte bracht en reacties als ‘belachelijk’ kreeg besefte ik me langzaam dat de scheidslijn tussen impulsiviteit en roekeloosheid maar vaag is.

Tot zover de theoretische achtergrond.

Mogelijkheden

Kim kwam ’s avonds bij me langs. Ze had een dag lang koekjes en muffins gebakken, met vezels en chocola. Een chemisch blik met poeder stak uit haar tas. Het poeder kon ze de volgende dag in haar drinkfles gooien als ze energie nodig had. Ze ging Utrecht-Freyr fietsen.

280 kilometer naar het klimmersoord in Belgie, georganiseerd vanuit de Usac en één grote happening.
Buiten stond de racefiets waarop ze had getraind. Uit nieuwsgierigheid fietste ik een stukje, met mijn billen uitstekend in de lucht en mijn hoofd op een centimeter van de stoeptegels. Ik voelde me een rijdende alligator, zo met mijn bovenlijf bij de grond en de geforceerde blik omhoog. ‘Maak vaart’, zei Kim. Ik trapte, schoot als een raket vooruit, door de Govert Flinck, over de van Wou, langs mensen die slechts een waas in mijn ooghoek vormden. ‘Wouw, Kim, dit is zo cool! Je gaat zo snel! Het is echt vrijheid!’

Wanneer dat woord valt ben ik verkocht. Ik belde Emiel of ik me nog in kon schrijven voor Utrecht-Freyr, en alhoewel hij verbaasd klonk, was het geen probleem. Marjette had een outfit voor me te leen, met handschoentjes, broekje, helm en shirt. Ik rende langs de Albert Hein en kocht Snickers, mueslirepen en drankjes die even chemisch aandeden als het poeder van Kim. 9292ov gaf me te kennen dat mijn trein naar Utrecht ’s ochtends om kwart over vier zou vertrekken, en dat mijn terugreis vanuit Freyr zo’n vijf keer overstappen zou bevatten en maarliefst zes uur zou duren, als ik werkelijk mijn hockeywedstrijd de dag erop wilde redden. Het liep tegen elven voor ik alles uitgezocht had. Ik had in twee uur tijd oplossingen bedacht die ik voorheen louter als probleem had kunnen denken. Ik moest gaan slapen.

En als je moet gaan slapen slaap je dus niet. Ik sloot mijn ogen. Of toch niet. Ik deed mijn kachel uit, ging naar de wc, deed mijn ramen dicht, deed ze weer open, ging wat drinken, zijwaarts liggen, op mijn buik, op mijn kop, kopje thee, andersom, andersom, andersom.

Utrecht

Een uur later. Het voelde als een grote luier. Moest ik er echt in zonder onderbroek?

De geluiden van een dronken stad overstemden mijn Ipod. Ik racete langs de grachten, over de bruggen, onzichtbaar voor mannen die wankel tegen een lantaarnpaal leunde of schreeuwden naar hun absente vrienden.
De trein zat vol opgedofte maar uitgelopen mensen. Korte rokjes en hoge hakken. De geur van zweet, alcohol en sociëteit. Ik kwam net uit de douche en had een grote grijze joggingsbroek aan.
Op het Sint-Janskerkhof werd het nog interessanter. Mensen boden me geld aan en vroegen of ze me ergens heen konden brengen. Ik kon niet rustig op een bankje zitten en wachten op de rest, zonder te converseren met eindbazen of Utrechtenaren waarvan ik me afvroeg of ze nou dronken of gewoon gestoord waren. Ik zag hoe ontzettend diep je zakt als je om vier uur uit de kroeg komt en niemand hebt om bij in bed te liggen. Flirten wanneer de ochtend dreigt krijgt een vrij expliciete en daarmee onbeschofte lading. Van beide kanten, maar niemand heeft het door.

Een half uur later was het plein volgelopen met racefietsen en strakke oufits. Ik zag iedereen dingen doen, vastmaken, oppompen, maar wat moest ik doen? Vastmaken? Oppompen? Ik had geen idee. Kim leerde mij de versnellingen. Ik bond sokken om mijn drinkflesjes zodat die in de houder zouden blijven zitten en propte Snickers in de zakken op mijn rug.
Toeterend en luidruchtig kwam een groot fietapparaat met ruimte voor een bond gezelschap Saccers het plein opgereden. Pruiken en glitters mengde zich tussen het wielrenvolk en ik voelde me minder de vreemde eend. We stapten op onze zadels, deden de laatste dingen goed en reden weg van het Sint-Janskerkhof.

Peloton

Er zijn dus een aantal regels. Iedereen fietst naast een maatje, je maakt handgebaren als er obstakels verschijnen, je converseert, je schreeuwt ‘Ho!’ als er gestopt moet worden, je eet terwijl je fietst en ademhaalt en focust (=ondoenlijk), je duwt elkaar niet in de greppel. Dat allemaal terwijl ik nog nauwelijks overweg kon met mijn remmen. Binnen aanzienlijke tijd knalde ik bovenop Matthew, gefopt door alle commando’s, de abrupte stops en mijn beperkte handelingssnelheid.

Later die dag zou ik nog een keer vallen. Weer omdat ik niet op tijd kon stoppen. Ik begon me zorgen te maken of het wel de verhouding tussen mij en de remmen waren, of dat misschien die remmen zelf niet helemaal lekker waren. Emiel concludeerde dat er niets mis met ze was. Het vertrouwen was echter geschonden, en vanaf dat moment fietste ik op afstand van de fietser voor me, of net ernaast, zodat ik bij commando ‘Ho!’ langs de ander zou vliegen.
Ik ontdekte gelukkig dat de gang voorin het peloton wat stabieler was en ik daar mijn obsessieve focus op de banden van mijn voorganger iets kon laten varen.

Het viel me eigenlijk mee. Ik kreeg een beetje pijntjes, krampjes, irritaties, maar veel schrikwekkender dan dat werd het niet. Zodra er een band lek ging was ik blij, zodra ik weer kon fietsen ook. Ik werd langzaamaan vermoeid en onderschatte de tijd die het kostte om de kilometers af te leggen, en toch vond ik het leuk. Best heel erg leuk. Eigenlijk best wel heel tof. Eigenlijk helemaal fantastisch.

Wouw, wat een sport! Racen langs mooie wegen, zien wat een wandelaar pas na dagen zou kunnen aanschouwen, in een groep aan elkaar overgelaten zijn, slappe of juist inhoudelijke gesprekken voeren, doorzetten, fietsen, fietsen, fietsen…

Namur

We hielden twee stops. Ik verbaasde me over de hoeveelheid eten die iedereen mee had en naar binnen werkte. Alsof we er een versnelling bij konden eten. De kroegbediening keek hulpeloos naar het synthetisch geklede uitschot dat aanschoof.

Vanaf de laatste stop zou de race beginnen. Nog tachtig kilometer tot Freyr, waarin de beste wielrenners hun kunstje konden vertonen. Voor mij was het een race tegen de klok, omdat mijn trein onherroepelijk zou vertrekken en ik een afspraak met mijn hockeyteam had staan.
Ik had geen idee wat mijn energiepeil werkelijk was. Achteraf was dit het punt dat ik ‘mezelf’ voor zeker een dag zou verlaten. Ik was tot een milde, half bewuste variant van mij verworden, een slaaf van de omstandigheden, met een aantal stofjes in mijn brein die zich onwennig afwisselden en me zo nu en dan euforisch dan wel non-existent lieten voelen, en dat alles in een eigen werkelijkheid die zich mijlenver van de racefiets, Namur, Freyr of Amsterdam bevond.

In deze conditie besloot ik met Kim mee te racen. Het voormalig peloton, inmiddels zootje concurrenten, stelde zich op en ik nam dapper naast Kim plaats. Met de toekomstig fysieke inspanning in acht deed ik mijn vest uit en probeerde ik die aan mijn fiets te binden, juist toen het startsein gegeven werd. Foetsie. Iedereen weg.

Ik kon aansluiten bij het laatste groepje, het solidariteitsgroepje, dat ‘race’op unieke manier interpreteerde en elke ziel die de uitputting nabij was opwachtte. Een tijdje haakte ik aan, maar na de zoveelste stop werd ik bang dat ik mijn trein terug zou missen en de volgende morgen geen entree op het hockeyveld kon maken. Dus ging ik ervandoor.

Het was de meest briljante afstand op het meest briljante voertuig bij het meest briljante weer. Ridin’ Solo. De route naar Namur liep naar beneden, en steil ook, keer op keer. Ik liet mijn remmen los en ging nog lager dan een alligator. Alles suisde en deed, ergens was ik bang dat ik zou vallen. Ik vloog. Euforisch. Vrijheid.

Het was praktisch uitrollen tot Namur. En daar ging mijn trein, de verfoeide trein die me de finish niet gunde, en niet alleen dat; het mooiste stuk van Namur tot Dinant, langs de Maas, bij avondschemer. Mijn mentale toestand werkte gelukkig in mijn voordeel, in zoverre ik niet in mijn eigen hoofd of lichaam verkeerde. Daarbij zou mijn fiets (Fieke’s fiets, merci madame!) wel finishen, onder bemanning van Stan, die zonder fietsbroek of voorbereiding het stuur overnam en de laatste kilometers aflegde.

En dat was dus Utrecht-Freyr voor mij. Utrecht-Namur.

Treinen en bussen

Het karakter van de scheidslijn tussen impulsiviteit en roekeloosheid werd me duidelijk tijdens de zes uur durende terugrit met acht keer overstappen. Namur-Liege, Liege- Maastricht, Maastricht-Roermond, Roermond-Eindhoven, Eindhoven-Den Bosch, Den Bosch-Utrecht, Utrecht –Amsterdam, Amsterdam-De Pijp. Ik begrijp nu dat impulsiviteit en roekeloosheid hand in hand gaan en elkaars charme vormen. Ik vond het wel iets hebben, dat zelfverneukeratieve. Zelfs toen mijn wekker me na vier uur slaap deed opschrikken en ik met een verwrongen gezicht van zadelpijn naar Hurley fietste. Ik heb nog nooit zo slecht gehockeyd.

Die middag, na de wedstrijd, viel ik slaap. Vijf uur later werd ik niet alleen wakker uit mijn slaap, maar ook uit mijn toestand, mijn afwezigheid. Ik besefte me hoezeer ik mezelf had uitgeput en hoe energiek en scherpzinnig een mens zich normaal voelt.
Ik belde Kim om te vragen hoe de rest van de dag verlopen was. Zij was verdwaald met Matthew, maar liefdevol verwelkomt door de (A)saccers die al in Freyr waren. Mijn fiets was inderdaad aangekomen, zelfs het fietsapparaat van het bonte gezelschap had het gered, weliswaar om half negen ‘s ochtends.

Alles kan

Utrecht-freyr was mogelijk. Vraag maar aan de fiets van Fieke.

En ik vond het fantastisch. De uitspraken van Joris van Kim zijn voor mij niet gedegradeerd, ze hebben juist aan kracht gewonnen. Ik heb er een verhaal bij, een nieuwe hobby, een stuk kennis van mezelf, en des te meer motivatie om de wereld te aanschouwen in al zijn onuitputtelijke mogelijkheden. Wat is wielrennen een ontzettend mooie sport en wat heb ik een mooie dag gehad. Als dat hetgene is wat de wijze raad van impulsiviteit me oplevert, dan weet naar wat ik voortaan ga luisteren.

Usac & Emiel & Stan, Joris & Kim, Marjette & Fieke, bedankt!

Oud stukje Bergliefde

In de bergen

Ik ben er nu niet. Ook niet dichtbij. Ze liggen over de grenzen, autowegen ver weg. Door het lawaai van de Randstad, het grijze van de autobahn en het rustieke van de kleine dorpen, langs bomen en modder en wind. Daar liggen de bergen. Ergens waar hun toppen boven de wereld uittorenen, maar ik ze toch niet kan zien. Ergens waar de kou anders voelt dan hier. Waar ik me veilig voel of angstig, maar nooit werkelijk bang ben.

Het grootste onderscheid dat in mijn leven bestaat, is het onderscheid tussen hier zijn, en daar zijn. Of ik ben in de bergen, of ik ben er niet.

En nu ben ik er niet.

Af en toe ga ik een weekend naar de Ardennen en klim ik langs rotswanden naar boven. Het uitzicht in Freyr, een bekend klimgebied met rotsen die glad zijn van het jarenlange contact met klimmers, is gehuld in een soort oranje licht. Zo staat het in mijn herinnering, waarschijnlijk omdat het tegen het einde van de dag liep toen ik voor het laatst boven stond.
Ik kijk over de Maas naar het glooiende bomenveld aan de overkant, volg de weg waarover we zijn gereden. Soms voel ik me een ridder, door het kasteel dat naast de Maas ligt, omringt met symmetrisch gekapte bosjes. Ik waak heldhaftig over mijn erf. Maar nooit voel ik me als in de bergen.

Als ik daar inadem, krijg ik heel erg veel lucht binnen. En in die lucht zit vrijheid en rust. Ik heb wel eens beredeneert dat je in de bergen antwoorden vindt, daar moet ik nu echter op terugkomen. Ze nemen je vragen weg. Want zodra je toch antwoorden formuleert, en je weer buiten de bergen staat, zijn die antwoorden niet meer geldig.

Mijn vragen zijn alleen op te lossen binnen de context van het leven dat ik leid. Hier breek ik mijn hersenen over zaken die daar niet bestaan. Daar kom ik op antwoorden die onbegrijpelijk worden zodra ik langer dan een week terug ben. Het enige antwoord dat ik daar zou kunnen formuleren en hier van nut zou kunnen zijn, is het antwoord op de vraag hoe ik een huis moet bouwen op de mooiste bergflank van de Alpen, en hoe ik daar altijd de weg naar terug vindt.

Dan ben ik er wel.

Een verhaal over de C1

Elf jaar geleden ging ik op een familiecursus voor beginners. Ik maakte sneeuwpoppen en glijbanen en at de hele dag Balisto’s. Terwijl de anderen kaart leerden lezen, schreef ik verhaaltjes aan mijn moeder in een klein oranje boekje. Huilend kwam ik beneden na mijn eerste keer abseilen, en nog harder huilde ik toen ik niet bij mijn grote zus en haar vrienden in het lager mocht.
Nadien ben ik als ervaren alpinist nog vaak naar de bergen geweest. Ik ontwikkelde me als expert op het gebied van wandelstokken, dikke takken die ik de hele vakantie bij me hield en in de achtertuin gooide als we weer in Nederland waren. Ook wist ik het snelst van alle bergwandelaars het volgende vlaggetje te vinden en kon ik marmotten spotten voordat ze me uitfloten. Mijn vader heeft me regelmatig vanuit het zwembad in mijn schoenen moeten zetten, maar ik heb absoluut die duizenders meegepakt.

Een jaar geleden constateerde ik echter dat mijn met passie verworden kennis en ervaring te lijden had gehad onder het weerzinwekkende alpienbeleid onder zeeniveau, en heb ik besloten om weer eens een C1 te volgen. Omdat deze cursus nog beter is bevallen dan mijn eerste, en ik de bergen opnieuw heb leren kennen, wil ik graag een verhaal schrijven over de week die me nog meer van ze laat houden dan ik al deed. Een verhaal over de C1.

De eerste kennismaking

2012-01-11 22.03.35

Het was glashelder; hij met de lange rode haren en de leren riem met zilveren studs. Het kleine Burberry parapluutje dat hem tegen de regen beschermde.
De ontmoeting met de gidsen betekende het officiële begin de cursus. Ze heetten Martin en Martin. Vooraf was al besloten dat een van de twee Martini moest gaan heten, zodat het verwijzen ons gemakkelijker zou zijn. Martini diende zichzelf aan, de studs weerspiegeld door zijn zonnebril.
In dichte mist begeleidden ze ons naar de Wiesbadener Hutte, waar we een sneeuwbui instapten en het gebied verdwenen was onder een dunne witte laag. Het vormde de maximale belofte. Overal bevonden zich vage contouren van hoge bergen en paden die na twintig meter verdwenen. De hut schuilde achter grote vlokken sneeuw; Martini zocht naar de ingang maar herkende hem niet. Achterom vonden we het terras. We schudden onze tassen uit, klopten onze zware schoenen tegen elkaar en wierpen nieuwsgierige blikken door de ruiten. De omgeving bleef die dag voor ons verborgen, maar de hut konden we ons al eigen maken.

Achter in de hut lag onze slaapzaal, waar ik door de afwezigheid van mijn zus mocht liggen waar ik wilde. De bedden eigenden we ons toe met een lakenzak en in mijn geval een Intiem roman die ik had gestolen van de camping. Als het buiten niet spannend genoeg zou worden, kon ik mijn sensatie halen uit twee hitsige Amerikanen in de valleien van de Grand Canyon.
In de kastjes aan de muur stalden we ons tochtenvoer uit, onze weinige andere bezittingen pasten er nauwelijks naast. Er lag een halletje voor de slaapzaal waar we onze tassen kwijt konden. Het zou er vaak een strijd worden tussen bezittingen van ons en andere hutbewoners, ’s ochtends kon onze net aangeschafte Goretextrots bedolven zijn onder natte regenbroeken en schimmelige sokken.
De wc was verbazingwekkend genoeg voorzien van stopcontacten, soms een vrouw met föhn in het verlengde. Mijn mobiel had aan het eind van de week meer energie dan ik.

De Wiesbadener was anders dan de hutten uit mijn gedachten. Groot en schoon. Een brede gang liep vanaf ons slaaphok naar de keuken, waarachter nog een aantal grote eetruimtes waren. Overal stonden lange tafels en alles was van hetzelfde gelige hout.
‘s Avonds stond er een versierd NKBV bordje op een tafel achterin de hut. Vanaf dat moment was daar onze woonkamer. Met negen studenten, drie Asaccers, vier Yetianen, een Usaccer en een Esaccer, namen we hem in beslag en maakten we ons thuis.
Voor de cursus hadden we een paar dagen overnacht op een kleine camping in de buurt van het Silvrettameer, aan een blauw watertje met een vlot en een slackline. In groepen liepen we de omringende bergen in, om daar kapot te gaan aan onze D-schoenen of een brakke hoogte conditie. Zo leerden we elkaar een beetje kennen onder rustige omstandigheden. Een gemeenschappelijke factor lag in ieder geval in onze potentie tot het omgooien van drank en het opfokken van de campingdame.

Terug in de hut. In de loop van de middag checkten de gidsen onze materialen en leerden we vast wat knopen. We hadden nog geen idee wat ons te wachten stond. Alleen de tocht van de volgende morgen stond geplant. De kaart was slechts codetaal, niets correspondeerde met de woeste wereld die achter de ruiten wachtte.
Maar de belofte stond: de rest van de week mochten we banjeren door de achtertuin.
.
Aan touw

De achtertuin bleek best wel cool. De mist was de volgende morgen weggetrokken en de gletsjers waren overal. In een tempo dat ons later verboden werd spintten we naar de Vermuntgletjer, springend over beekjes en langs grote grijze steenmassa’s die we morenen leerden noemen.
Als oefening met stijgijzers verspreidden we ons over een sneeuwveldje. We leken op negen puppies in een kennel, kriskras door elkaar stampend en blaffend om uitgelaten te worden. Mijn stijgijzers voelden als een stroomgeleider tussen de gletsjer en mij; ik liep een rondje door de sneeuw en kreeg bij elke stap meer energie.
In de verte zag ik touwgroepen lopen, twee kleine zwarte sliertjes met regelmatige zwarte bobbeltjes. Zigzaggend over een steile helling. Ik wilde daar ook lopen, al hield ik het voor onmogelijk.

Even later gingen we zelf aan touw. We verdeelden ons in twee groepen en ik kwam onder de hoede van Martini. Het voelde wat lachwekkend om vastgeknoopt tussen twee c1genootjes weg te lopen, als een gedetineerde, gedwongen tot een tempo en van twee kanten gedisciplineerd. Ik keek telkens van mijn voeten naar de omgeving en probeerde geen hinder te vormen voor de rest.
Maar de rest was ik snel vergeten. Ik raakte verzonken in gedachten, de spierwitte sneeuwmassa en het ritme waarmee ik mijn schoenen zag verschijnen en verdwijnen organiseerden mijn spinsels. Al die kleine stapjes brachten me werkelijk tot bovenin de gletsjer. De omgeving veranderde langzaam in een grote egale sneeuwvlakte. Het was alsof ik door mijn eigen gedachtegangen wandelde. Tot ik weer over mijn voeten struikelde of zag dat het touw tussen mij en mijn voorganger op een hoopje lag.

Bovenaan de Vermuntgletsjer, op de grens tussen Oostenrijk en Zwitserland, vond ik eindelijk de rust om goed om me heen te kijken. Nu ik er aan terugdenk herinner ik me vooral de vanzelfsprekendheid van het uitgestrekte, het gigantische, alsof de schoonheid al ingecalculeerd was. Ik weet nog dat ik me bedacht maar verdomde goed naar de bergen te kijken, hoe vertrouwt ze ook aanvoelden, omdat deze vakantie op een dag zou eindigen en het uitzicht er heel anders uit zou gaan zien. Ik weet ook nog dat ik mijn blik langzaam over de bergwanden liet glijden, tot deze strandde bij Martini, zittend op een rots aan de gletsjer, met een sjeck in zijn mond.
We begonnen voorzichtig met het verwijzen met Martini, tot mijn deel van de groep besloot zich Martini 1A te noemen en dat elke dag een paar keer over de dalen liet galmen. Martini leek zijn bijnaam stilzwijgend te accepteren. Toen we aan het eind van de cursus bijdehand genoeg waren geworden om te vragen wat hij van zijn bijnaam vond, kregen we antwoord met de bescheiden lach die zo karakteristiek voor hem was.

Na een (falende) plaspauze splitste de groepen en liepen wij naar een windkolf aan de rand van de Vermuntgletsjer. We lieten ons een paar keer van een steile helling vallen en prikten onze pikkels in de sneeuw om vaart te minderen. Dit kon ik me nog van mijn eerste C1 herinneren, al maakte ik toen mijn fameuze glijbanen.
We groeven dode mannen op en hielpen elkaar lastige passages over doormiddel van de steekpikkel. Eén voor één zakten we langzaam in de windkolf en takelden we de ander weer omhoog. Het verschil tussen de seilrolleoefeningen aan de paal van station Amstel, met verbaasd toeschouwende Amsterdammers en de ruwe stenen ondergrond achter hard geworden plakjes witte kauwgom, en de seilrolle in de zachte sneeuw met je maatje onzichtbaar hangend in een gigantisch gat, was immens. De touwtechnieken werden er vanaf dat moment in hoog tempo doorheen gedraaid en te midden van Martini 1a moest ik soms flink aanpoten. Dan schreeuwde ik woensdag dat het allemaal eigenlijk zo verschrikkelijk logisch was, maar zag ik donderdag slechts een kluwen bedreigende touwen waar ik een reddingstechniek had moeten zien. Op de laatste dag wist ik probleemloos mijn slachtoffer naar boven te halen.

Rond vijf uur kwamen we weer terug bij de hut, waar het terras volstroomde met wandelaren die een kopje warme chocomel dronken en bergbeklimmers die als eerst hun zware tassen met opgebonden touwen van hun rug namen. Deze laatste maakten me nieuwsgierig. Ik wilde weten welke toppen ze hadden gepakt en wat zij konden dat ik nog moest leren.
De hut lag met zijn snoet naar het dal, links de gletsjers en rechts, als je maar ver genoeg het dal uit liep, het Silvrettameer. Wie met een biertje en de benen over elkaar tegen de stenen wand van het terras aanleunde, en zijn hoofd een beetje opzij draaide, overzag een groot deel van de Vermunt en de Ochentalergletcher. De Silvrettahoorn vroeg brutaal, elke namiddag weer, om beklommen te worden. Na de tochten zat ik vaak naast mijn C1genootjes naar de overkant te staren, ik begon de lijn waarmee de bergen aan de andere kant van het dal zich aftekende van de hemel te herkennen. De ondergaande zon maakte de contouren nog scherper.

Hutcultuur

2012-01-09 09.05.33Na het eten was er meestal nog tijd te overbruggen voor we richting bed gingen. Er kwamen kaartspellen op tafel en regelmatig bereikte de Jengatoren een recordhoogte. De vier Delftenaren maakten juffen tot een wiskundig hoogstandje. Naarmate de week vorderde en het later werd, sloten steeds meer mensen af en toe hun ogen, veranderden spelletjes in slappe uitdagingen om steentjes op elkaar te laten balanceren en was de eerste snel vertrokken richting het slaaphok. De conversaties werden er niet beter op. Er ontstond een verzameling aan woorden en vooral grapjes die elke dag wel een paar keer terug kwamen, als een soort C1jargon dat over de gletsjers weerklonk.
Niet alleen ons jargon galmde na. De scherpe klanken van twee huttendames hielden waarschijnlijk alle mannelijke aanwezigheid ’s nachts uit hun slaap. De eerste keer dat ze tegen me spraken dacht ik dat ze een grap met me uithaalden. Andrea en haar vriendinnetje fascineren me nog steeds. Hun enthousiasme en volstrekte overacting deed me afvragen of ze wel van hetzelfde slag mens waren. Iedereen werd aangesproken als een kind van acht dat trots een zaksteek laat zien. Toch werkten ze ontzettend hard en gaven de hut een onvergetelijk vrolijk gezicht. Als je afgelopen zomer in de Wiesbadener Hutte bent geweest, weet ik zeker dat je weet over wie ik het heb.

Twee avonden was het feest. Na een wandeling over de Puis Buin bleek de hut volgelopen te zijn met belangrijke mannen en grote schalen hapjes, waaronder kazen, broodjes, olijfjes, sherrytomaatjes, gevulde eieren en druiven. Onze criminele breinen verkenden de mogelijkheden om de schalen in onze rugzakken leeg te kieperen.
Het feest bleek ter gelegenheid van de plaatsing van een kruis op de Piz Buin. De belangrijke mannen trokken zich terug in een ruimte en kwamen weer tevoorschijn toen het geluid van helikopters over het dal galmde. De stampvolle hut verplaatste zich naar buiten en verzamelde zich rond het nieuwe kruis. Met veel moeite werd het gevaarte aan de helikopter vastgeketend en bungelde het als een uitgesloten stamlid tegen de grijze achtergrond. Het duurde mij te lang, de helikopter verdween steeds uit het zicht, het was koud en ik liep rond op natte sokken omdat C1genootjes mijn schoenen hadden gejat. Daarbij waren er tot dan toe slechts twee verklaringen voor de kruizen op de toppen: Of ze waren de uitwassen van een speciaal soort onkruid dat zich duizenden jaren geleden had verspreid via de snavels van kleine oervogeltjes, met een delicate voorkeur voor hoge toppen, of ze waren er neergezet door twee sterke bosbewoners die op een dag besloten hun favoriete toppen met een kruis te voorzien. Ik bedacht me namelijk, al vanaf het moment dat mijn ouders me naar de top joegen, hoe moeilijk het waarschijnlijk was geweest om zulke gigantische blokken mee naar boven te slepen.
Na het tafereel trokken de belangrijke mannen zich weer terug en deed een bond muzikaal gezelschap elke ruimte aan. De sfeer werd opgezweept en wij Hollanders waren present. Martini wilde weliswaar niet met me dansen, maar voor ik het wist liep ik vooraan in de polonaise door de hut. Bij de ruimte met belangrijke mannen hield ik stand, maar mijn lieve cursusmaatjes beukten me naar binnen en daar stonden we: onaangekondigd midden in een officieel geheel, met toch zeker dertig paar alpinewijze ogen op ons gericht.
Het tweede feest ontstond op eigen initiatief. Het was de laatste cursusavond en de gletsjerspleten vereisten geen alertheid meer. Er viel weliswaar niet tegen de gidsen op te drinken, maar een groot aantal van ons waren al redelijk resistent voor het Weisbier. Shotjes werden onvermijdelijk. Geheelonthouders gingen stiekem aan de wijn en werden dronken naar het lager geëscorteerd. Het studentikoze van de Sacwereld moest toch nog even benadrukt worden, deze laatste avond in de Wiesbadener.

Bergdieet

Als drank al even is genoemd, moet er absoluut een eigen alinea gewijd worden aan het eten. Ik ben er inmiddels achter dat eten in de bergen een andere rol aanneemt dan eten in het normale leven. Volgens mij kun je iemand aan de hand van zijn tochtenvoer doorgronden.
’s Ochtend at ik broodjes Nutella en ’s avonds het vegetarische menu van de hut, waar soms meer aandacht aan was besteed dan aan de vleesgerechten. De eerste twee dagen snoepte ik mijn hele voorraad tochtenvoer leeg en, geïnspireerd door de gidsen, overleefde ik de rest van de tochten op kersjes, kikkertjes en colaflesjes van Haribo. Op de helft van de terugtocht was mijn camelbag meestal nog vol en sprak ik uit gezondheidsoverwegingen met een C1genootje af dat ik hem leeg moest hebben voor ik bij de hut was. Meestal moest ik rond die tijd ook voor het eerst plassen, wat niet lukte doordat mijn systeem op hoogte schijnbaar niet functioneerde. Dit leidde er vaak toe dat ik de laatste meters naar de hut sprintte, mijn schoenen uitschopte en met de klotsende camelbag in mijn blaas een groot aantal vermoeide bergwandelaars omverliep in mijn drang naar het toilet.

Mijn consumeerpatroon was slechts een van de mogelijkheden. Martin en Martini aten op een tocht niets en teerden op een enkel flesje water, maar voor en na de tochten aten ze veel. We hadden iemand die ’s ochtends voedselpakketjes maakte met ontbijtkoek en een boel gesmeerde boterhammen, en nog steeds leed aan een voedseltekort. We hadden iemand die aan de rand van een ijswand zijn toastjes zorgvuldig met leverworst besmeerde en met de gids een tijd afsprak hoelang hij nog mocht eten. Als absoluut hoogtepunt hadden we ook iemand die structureel weigerde het zure Oostenrijkse brood te eten. Samen met een elfjarig meisje stond hij ’s ochtend bij de keuken om naar cornflakes te vragen. Dit ogenschijnlijk infantiele figuur werd echter wel als gids aangezien omdat hij ’s avonds serieuze pogingen deed Martini eruit te drinken en vaak met de gidsen mee een peuk ging roken.
We hebben allemaal een redelijk beeld van ons eigen eetpatroon in de bergen gekregen. Maar het zal waarschijnlijk nog vele jaren, en vele tochten, duren voordat we weten wat we voor een tocht moeten inslaan.

Tochten

2012-01-11 21.56.27We beklommen de Silvrettahoorn, de Piz Buin en de Drielandenspitze. Telkens maakten we kennis met een nieuw stuk berg; de gletsjers, de ijswanden, de graatjes en de top. De regels in de rots waren anders dan we gewend waren. We leerden elkaar te zekeren als ons maatje bij een val zou verdwijnen in de afgrond, maar niet als hij of zij met een schram zou wegkomen. Een touw om een punt gold als ‘afgezekerd’. Geen constructies met karabiners en slinges, maar op zoek naar punten waar het touw achter gelegd kon worden. Sterker nog: ‘Nicht suchen, aber finden’. De gidsen, halfgoden zonder touw en zonder zorgen, liepen over de kleinste graatjes. Zo zorgeloos dat ze zich genoodzaakt voelde de ander te waarschuwen wanneer deze roekeloos van punt naar punt balanceerde.

De toppen waren voor mij een beetje als een schatkist aan het eind van de regenboog. De schatkist was er niet. Maar de regenboog was nog steeds adembenemend. Misschien genoot ik zo van de weg erheen, of zat deze zo vol informatie en wisselende uitzichten, dat de top slechts een overzichtsblik was op het voorgaande. Met een koude wind, gillende Yetianen met een vlag en eenmalig zelfs een pislucht.
Of misschien moet ik harder, zelfstandiger en bewuster bezig zijn met het beklimmen van een bepaalde berg wil ik euforisch op het topje staan. Mijn alpiencarrière zal het me leren.

Waar de omgeving aan het begin van de week onder een laagje sneeuw lag, waren nu grote gedeeltes met ijs bloot komen te liggen. Op de terugweg van de Silvrettahoorn mocht ik touwleider spelen en stuurde Martini me een spletengebied in. Ik stopte waar het doodliep, voor, links en rechts van me een kleine afgrond van ijswanden. En hij zei: ‘Ga maar’.
Ongemakkelijk en voorzichtig klom ik achterwaarts naar beneden, met mijn handen stevig geklemd om mijn pikkels. De groep volgde. Het was een ontdekkingstocht in een ijzige wereld, compleet surrealistisch. Ik werd zelfs gevraagd om een sneeuwbrug over te wandelen, of te springen, ik begreep het niet maar kon eruit opmaken dat ik aan de overkant moest komen. En hoppa, daar ging ik. Door de sneeuw, Martini had me gezekerd, ik schrok me de ** en wist dat ik had moeten springen.
Die sneeuwbruggen bleven me verbazen. Omdat we ’s avonds Jengatoren speelde, leerde ik ze met het spel associëren. Voorzichtig steentjes trekken, voorzichtig lopen, maar als je toevallig het zakje bent, lig je daar (of ligt je toren daar). Gelukkig was niemand het zakje.
Ook de zekeringen in ijs bleven me verbazen. IJs kan simpelweg opgelikt worden, maar als ik er een ijsboor in jas kan ik er met mijn leven aan gaan hangen. Ik kan een tunneltje graven, er een slingetje doorheen wurmen en er wederom met mijn leven aan gaan hangen. Hoe goed van vertrouwen willen ze me hebben?

Zon, regen en fictieve mist

Het was veel te goed weer. De zon scheen zo fel en zo vaak dat ik halverwege de week de korsten van mijn oren kon plukken. De hut zat bomvol aan het eind van elke middag en Weisbier werd op grote dienbladen naar buiten gedragen. De routes die we zouden lopen konden we vanuit de hut ongehinderd volgen.
Eén donkere dag was onweer voorspeld en verlieten we de hut zonder het vertrouwen dat we de top zouden halen. Halverwege de aanloop hoorde ik de eerste druppels op mijn jas kletteren en vervloekte ik de weergoden, het was de dag van de Drielandenspitze, de berg stond op het spel. Vlak voor de gletsjer hielden we beraad met de gidsen. Net toen Martini ons zijn zegen had gegeven knalde er iets groots in de hemel en sloot hij zijn betoog af met een droog ‘Oder nicht’. Regen begon te vallen alsof we werden gestraft voor ons optimisme, en in verslagen toestand keerden we terug naar de hut. Daar schaarden we ons bij de andere verliezers, met onze tassen misplaatst op een hoop tegen de hut en een boze blik richting de stortvloed.

Deze ‘slechte’ dag, die we uiteindelijk wijdde aan touwtechnieken en spelletjes, had ons vooral geleerd hoe we moesten rennen door de regen. Hierdoor liepen we ervaring met ongunstige weersomstandigheden mis en moesten we de laatste dag de mist in onze omgeving fantaseren. Aan de hand van het kompas en tekeningen in de sneeuw navigeerden we ons over een kleine gletsjer omhoog, terwijl we zowel de touwleider als de top haarscherp konden zien. Boven op de top besloot het weer ons spel echter mee te spelen en dwongen grote dreigende wolken die zich in de verte al bewezen ons naar beneden. Daar sprintten we, zonder touw de gletsjer af, dezelfde meters die we eerder lengte voor lengte, in een fictief winterwonderland hadden getrotseerd.

Het onvermijdelijke einde

Aan het begin van de week wist ik dat er een morgen zou komen waarop ik wakker zou worden met het besef dat het voorbij was. Het onvermijdelijke einde van zo’n week blijft toch een domper, een teleurstelling in de magie van de bergen, die de schijn heeft voor altijd te duren maar heel achterbaks door de tijd kan worden overwonnen. ’s Ochtends werd dit heel concreet bewezen; ons versierde bordje stond niet meer in de woonkamer en mijn Nutella smaakte niet meer als voorheen. We pakten onze tassen, gaven de hut een kusje en wierpen een laatste blik op de gletsjers, die ons een deel van hun geheimen hadden verteld en in niets meer geleken op de belofte van de heenweg. Ik kreeg nog een laatste dans van Martini, onder toeschouwend oog van een nieuwe lichting C1ers die net bij de hut arriveerden, en in verdwaasde stemming liepen wij van de hut weg.

Toen ik elf jaar geleden van cursus terugkwam hield ik een spreekbeurt voor groep zeven, waar ik trots een achtknoop voordeed en foto’s liet doorgeven waarop ik abseilde. Met een grote zonnebril op mijn hoofd, die verhulde dat ik eigenlijk in tranen was van angst. Nu staat mijn Facebook gevuld met foto’s van een ijsklimmende en graadlopende mij. Weer ben ik trots op wat ik gedaan en geleerd heb.
Ik weet nu echter ook wat ik nog niet weet, en besef me hoe lang de weg is voor ik grip krijg op alpineren. Voordat ik de risico’s op een minimum kan houden en voordat ik ervaren genoeg ben om met mijn vriendjes en vriendinnetjes een berg uit te zoeken en m’n spullen bij elkaar te rapen om te gaan.

Bij dit besef is nog een nieuw begrip gekomen: Dankbaarheid. Ik ben mijn C1genootjes dankbaar voor alle mooie momenten die we hebben beleefd, alle hilariteit en al het geklier. Ik ben de gidsen dankbaar voor alle kennis die we hebben opgedaan en het feit dat we veilig naar onze paps en mams terugkunnen. Ik ben de Nsac dankbaar voor het organiseren van deze week. Met nadruk: Ik ben mijn ouders dankbaar voor het feit dat ze me elke zomer weer uit het zwembad hebben getrokken en me de bergen in mijn hart hebben laten sluiten.
En, ik ben het leven dankbaar dat er zoiets is als een berg.

Trommels

Ik stel voor elke week een feestje te organiseren. Telkens weer op een andere plek, zodat we al onze buren te vriend kunnen houden. We laten grote muziekinstallaties thuis, maar nemen wel een enkel paar goede boxen mee, en belangrijker: Onze lievelingsnummers. Waarvan we de muzikale lijn al door onze aderen hebben lopen en toch zeker het refrein hebben onthouden.

We dragen allemaal de kleding waarin we ons het meest aantrekkelijk voelen, maar waarin we ook het beste kunnen dansen. Alleen maar hakken als we daarop onze pasjes kunnen maken. Alleen maar petjes als die niet af dreigen te vallen.
We vragen de zon om tot ’s avonds laat te schijnen, zodat we nog geruime tijd kunnen genieten van elkaar en hoe we allemaal gaan schitteren als het licht op ons valt.
Biertjes en wijntjes hebben we niet nodig. Onze komst is inherent aan onze losheid. We drinken ze echter wel, omdat ze lekker zijn, en verkoelend, want van het dansen krijgen we het warm.

Iedereen is blij, zo blij dat we vergeten om onzeker om ons heen te kijken of anderen te veroordelen. Drugs bevindt zich in de lucht. We flirten en we worden verliefd, zoenen stiekem achter een boom, en verschijnen weer omdat we willen dansen.

De beste avonden nemen we de trommels en de gitaren mee. We zetten de boxen op stil en trommelen tot diep in de nacht. Soms voeren we een gesprek, tot onze voeten onbedwingbaar heen en weer gaan en ons hele lichaam volgt. Tijdens onze slaap dansen onze tenen nog op het ritme.

Wie begint?

Criminaliteit in ’t Café: Baby’s

Horecapersoneel is niet vreemd van naaktheid. De kans is groot dat de barmannen in de loop der jaren al heel wat delen van serveersters hebben gezien. Het is echter moeilijk, voor welk geslacht bediende dan ook, om niet naar de borsten te kijken van de vrouw die haar pasgeborene eraan heeft hangen. De uitdaging om loeihete chocomel neer te zetten en ondertussen weg te kijken is onacceptabel groot. In beide gevallen, kijken of niet, ligt de focus niet op het drankje en loopt de baby nog het meeste risico. (Verder ben ik volledig voor borstvoeding in het openbaar, alleen niet wanneer ik loeihete chocomel in mijn handen heb).

Over baby’s gesproken: Hoe komt het dat de kleinste kinderen de grootste kinderwagens nodig hebben? Zijn die twee dingen niet totaal uit verhouding? Qua oppervlaktebezetting zouden drie volwassen mannen in een kinderwagen passen. Bij drie kinderwagens zit de gemiddelde zaak vol. Voor een klein café is het zowaar noodzakelijk een kinderwagenparkeerplaats aan te bouwen die de grootte van het café zelf ontstijgt…