Utrecht-Freyr 2013

Kim zou zeggen: ‘Alles kan’, of Joris: ‘Denk in oplossingen, niet in problemen’.
Dus zo dacht ik en dat zei ik. Er deed zich een situatie voor en alhoewel de tegenargumenten alarmerend aanwezig waren, zag ik alleen maar oplossingen.

Mensen, en ik, had ik een tijd terug besloten, hebben de neiging om zo vastgeroest in het dagelijks leven te raken dat ze hun oog voor mogelijkheden verliezen. En vanaf het moment dat ik dat besluit had genomen, wilde ik alle impulsiviteit die na het volwassen worden nog in me over was, aanwakkeren en tot wijze raadgever maker.

Terwijl ik anderen van mijn oplossingen bij de zich voordoende situatie op de hoogte bracht en reacties als ‘belachelijk’ kreeg besefte ik me langzaam dat de scheidslijn tussen impulsiviteit en roekeloosheid maar vaag is.

Tot zover de theoretische achtergrond.

Mogelijkheden

Kim kwam ’s avonds bij me langs. Ze had een dag lang koekjes en muffins gebakken, met vezels en chocola. Een chemisch blik met poeder stak uit haar tas. Het poeder kon ze de volgende dag in haar drinkfles gooien als ze energie nodig had. Ze ging Utrecht-Freyr fietsen.

280 kilometer naar het klimmersoord in Belgie, georganiseerd vanuit de Usac en één grote happening.
Buiten stond de racefiets waarop ze had getraind. Uit nieuwsgierigheid fietste ik een stukje, met mijn billen uitstekend in de lucht en mijn hoofd op een centimeter van de stoeptegels. Ik voelde me een rijdende alligator, zo met mijn bovenlijf bij de grond en de geforceerde blik omhoog. ‘Maak vaart’, zei Kim. Ik trapte, schoot als een raket vooruit, door de Govert Flinck, over de van Wou, langs mensen die slechts een waas in mijn ooghoek vormden. ‘Wouw, Kim, dit is zo cool! Je gaat zo snel! Het is echt vrijheid!’

Wanneer dat woord valt ben ik verkocht. Ik belde Emiel of ik me nog in kon schrijven voor Utrecht-Freyr, en alhoewel hij verbaasd klonk, was het geen probleem. Marjette had een outfit voor me te leen, met handschoentjes, broekje, helm en shirt. Ik rende langs de Albert Hein en kocht Snickers, mueslirepen en drankjes die even chemisch aandeden als het poeder van Kim. 9292ov gaf me te kennen dat mijn trein naar Utrecht ’s ochtends om kwart over vier zou vertrekken, en dat mijn terugreis vanuit Freyr zo’n vijf keer overstappen zou bevatten en maarliefst zes uur zou duren, als ik werkelijk mijn hockeywedstrijd de dag erop wilde redden. Het liep tegen elven voor ik alles uitgezocht had. Ik had in twee uur tijd oplossingen bedacht die ik voorheen louter als probleem had kunnen denken. Ik moest gaan slapen.

En als je moet gaan slapen slaap je dus niet. Ik sloot mijn ogen. Of toch niet. Ik deed mijn kachel uit, ging naar de wc, deed mijn ramen dicht, deed ze weer open, ging wat drinken, zijwaarts liggen, op mijn buik, op mijn kop, kopje thee, andersom, andersom, andersom.

Utrecht

Een uur later. Het voelde als een grote luier. Moest ik er echt in zonder onderbroek?

De geluiden van een dronken stad overstemden mijn Ipod. Ik racete langs de grachten, over de bruggen, onzichtbaar voor mannen die wankel tegen een lantaarnpaal leunde of schreeuwden naar hun absente vrienden.
De trein zat vol opgedofte maar uitgelopen mensen. Korte rokjes en hoge hakken. De geur van zweet, alcohol en sociëteit. Ik kwam net uit de douche en had een grote grijze joggingsbroek aan.
Op het Sint-Janskerkhof werd het nog interessanter. Mensen boden me geld aan en vroegen of ze me ergens heen konden brengen. Ik kon niet rustig op een bankje zitten en wachten op de rest, zonder te converseren met eindbazen of Utrechtenaren waarvan ik me afvroeg of ze nou dronken of gewoon gestoord waren. Ik zag hoe ontzettend diep je zakt als je om vier uur uit de kroeg komt en niemand hebt om bij in bed te liggen. Flirten wanneer de ochtend dreigt krijgt een vrij expliciete en daarmee onbeschofte lading. Van beide kanten, maar niemand heeft het door.

Een half uur later was het plein volgelopen met racefietsen en strakke oufits. Ik zag iedereen dingen doen, vastmaken, oppompen, maar wat moest ik doen? Vastmaken? Oppompen? Ik had geen idee. Kim leerde mij de versnellingen. Ik bond sokken om mijn drinkflesjes zodat die in de houder zouden blijven zitten en propte Snickers in de zakken op mijn rug.
Toeterend en luidruchtig kwam een groot fietapparaat met ruimte voor een bond gezelschap Saccers het plein opgereden. Pruiken en glitters mengde zich tussen het wielrenvolk en ik voelde me minder de vreemde eend. We stapten op onze zadels, deden de laatste dingen goed en reden weg van het Sint-Janskerkhof.

Peloton

Er zijn dus een aantal regels. Iedereen fietst naast een maatje, je maakt handgebaren als er obstakels verschijnen, je converseert, je schreeuwt ‘Ho!’ als er gestopt moet worden, je eet terwijl je fietst en ademhaalt en focust (=ondoenlijk), je duwt elkaar niet in de greppel. Dat allemaal terwijl ik nog nauwelijks overweg kon met mijn remmen. Binnen aanzienlijke tijd knalde ik bovenop Matthew, gefopt door alle commando’s, de abrupte stops en mijn beperkte handelingssnelheid.

Later die dag zou ik nog een keer vallen. Weer omdat ik niet op tijd kon stoppen. Ik begon me zorgen te maken of het wel de verhouding tussen mij en de remmen waren, of dat misschien die remmen zelf niet helemaal lekker waren. Emiel concludeerde dat er niets mis met ze was. Het vertrouwen was echter geschonden, en vanaf dat moment fietste ik op afstand van de fietser voor me, of net ernaast, zodat ik bij commando ‘Ho!’ langs de ander zou vliegen.
Ik ontdekte gelukkig dat de gang voorin het peloton wat stabieler was en ik daar mijn obsessieve focus op de banden van mijn voorganger iets kon laten varen.

Het viel me eigenlijk mee. Ik kreeg een beetje pijntjes, krampjes, irritaties, maar veel schrikwekkender dan dat werd het niet. Zodra er een band lek ging was ik blij, zodra ik weer kon fietsen ook. Ik werd langzaamaan vermoeid en onderschatte de tijd die het kostte om de kilometers af te leggen, en toch vond ik het leuk. Best heel erg leuk. Eigenlijk best wel heel tof. Eigenlijk helemaal fantastisch.

Wouw, wat een sport! Racen langs mooie wegen, zien wat een wandelaar pas na dagen zou kunnen aanschouwen, in een groep aan elkaar overgelaten zijn, slappe of juist inhoudelijke gesprekken voeren, doorzetten, fietsen, fietsen, fietsen…

Namur

We hielden twee stops. Ik verbaasde me over de hoeveelheid eten die iedereen mee had en naar binnen werkte. Alsof we er een versnelling bij konden eten. De kroegbediening keek hulpeloos naar het synthetisch geklede uitschot dat aanschoof.

Vanaf de laatste stop zou de race beginnen. Nog tachtig kilometer tot Freyr, waarin de beste wielrenners hun kunstje konden vertonen. Voor mij was het een race tegen de klok, omdat mijn trein onherroepelijk zou vertrekken en ik een afspraak met mijn hockeyteam had staan.
Ik had geen idee wat mijn energiepeil werkelijk was. Achteraf was dit het punt dat ik ‘mezelf’ voor zeker een dag zou verlaten. Ik was tot een milde, half bewuste variant van mij verworden, een slaaf van de omstandigheden, met een aantal stofjes in mijn brein die zich onwennig afwisselden en me zo nu en dan euforisch dan wel non-existent lieten voelen, en dat alles in een eigen werkelijkheid die zich mijlenver van de racefiets, Namur, Freyr of Amsterdam bevond.

In deze conditie besloot ik met Kim mee te racen. Het voormalig peloton, inmiddels zootje concurrenten, stelde zich op en ik nam dapper naast Kim plaats. Met de toekomstig fysieke inspanning in acht deed ik mijn vest uit en probeerde ik die aan mijn fiets te binden, juist toen het startsein gegeven werd. Foetsie. Iedereen weg.

Ik kon aansluiten bij het laatste groepje, het solidariteitsgroepje, dat ‘race’op unieke manier interpreteerde en elke ziel die de uitputting nabij was opwachtte. Een tijdje haakte ik aan, maar na de zoveelste stop werd ik bang dat ik mijn trein terug zou missen en de volgende morgen geen entree op het hockeyveld kon maken. Dus ging ik ervandoor.

Het was de meest briljante afstand op het meest briljante voertuig bij het meest briljante weer. Ridin’ Solo. De route naar Namur liep naar beneden, en steil ook, keer op keer. Ik liet mijn remmen los en ging nog lager dan een alligator. Alles suisde en deed, ergens was ik bang dat ik zou vallen. Ik vloog. Euforisch. Vrijheid.

Het was praktisch uitrollen tot Namur. En daar ging mijn trein, de verfoeide trein die me de finish niet gunde, en niet alleen dat; het mooiste stuk van Namur tot Dinant, langs de Maas, bij avondschemer. Mijn mentale toestand werkte gelukkig in mijn voordeel, in zoverre ik niet in mijn eigen hoofd of lichaam verkeerde. Daarbij zou mijn fiets (Fieke’s fiets, merci madame!) wel finishen, onder bemanning van Stan, die zonder fietsbroek of voorbereiding het stuur overnam en de laatste kilometers aflegde.

En dat was dus Utrecht-Freyr voor mij. Utrecht-Namur.

Treinen en bussen

Het karakter van de scheidslijn tussen impulsiviteit en roekeloosheid werd me duidelijk tijdens de zes uur durende terugrit met acht keer overstappen. Namur-Liege, Liege- Maastricht, Maastricht-Roermond, Roermond-Eindhoven, Eindhoven-Den Bosch, Den Bosch-Utrecht, Utrecht –Amsterdam, Amsterdam-De Pijp. Ik begrijp nu dat impulsiviteit en roekeloosheid hand in hand gaan en elkaars charme vormen. Ik vond het wel iets hebben, dat zelfverneukeratieve. Zelfs toen mijn wekker me na vier uur slaap deed opschrikken en ik met een verwrongen gezicht van zadelpijn naar Hurley fietste. Ik heb nog nooit zo slecht gehockeyd.

Die middag, na de wedstrijd, viel ik slaap. Vijf uur later werd ik niet alleen wakker uit mijn slaap, maar ook uit mijn toestand, mijn afwezigheid. Ik besefte me hoezeer ik mezelf had uitgeput en hoe energiek en scherpzinnig een mens zich normaal voelt.
Ik belde Kim om te vragen hoe de rest van de dag verlopen was. Zij was verdwaald met Matthew, maar liefdevol verwelkomt door de (A)saccers die al in Freyr waren. Mijn fiets was inderdaad aangekomen, zelfs het fietsapparaat van het bonte gezelschap had het gered, weliswaar om half negen ‘s ochtends.

Alles kan

Utrecht-freyr was mogelijk. Vraag maar aan de fiets van Fieke.

En ik vond het fantastisch. De uitspraken van Joris van Kim zijn voor mij niet gedegradeerd, ze hebben juist aan kracht gewonnen. Ik heb er een verhaal bij, een nieuwe hobby, een stuk kennis van mezelf, en des te meer motivatie om de wereld te aanschouwen in al zijn onuitputtelijke mogelijkheden. Wat is wielrennen een ontzettend mooie sport en wat heb ik een mooie dag gehad. Als dat hetgene is wat de wijze raad van impulsiviteit me oplevert, dan weet naar wat ik voortaan ga luisteren.

Usac & Emiel & Stan, Joris & Kim, Marjette & Fieke, bedankt!

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s