Ettringen 2013

Vanaf mijn voordeur loopt een modderig spoor door mijn kamer. Het gaat langs setjes, slaapzakhoezen en een hoop vuile kleding, tot twee doorweekte Vans. Over elke stoel hangt wel iets: Een matje, een slaapzak, een jas, sokken.
Ik stap onder de douche en ontdek de veelheid aan wondjes, door het prikken van het water op mijn geschampte huid. Mijn spieren protesteren als ik shampoo in mijn haar kneed. Ik zie klodders schuim langs de blauwe plekken op mijn benen glijden. Het valt echter nog mee. Fieke zou geloofwaardig aangifte voor zware mishandeling kunnen doen. Dader: Ettringen.
Ik droog me voorzichtig af en stap mijn kamer weer binnen. Het ruikt er naar regen.

Velden

We maakten ons zorgen, Juul en ik, daar op Amstel. De voorspellingen waren verdrietig en de optimisten schaars. Er was wat gedoe met auto’s, een traditioneel overspannen Weco, een Belg die zijn auto niet achter durfde te laten en een emotionele voorzitter. We vroegen ons af wie we nou moesten troosten van alle hoopjes mens aanwezig.

Twaalf uur later, zaterdagochtend 18 mei, reden we dan toch langs de velden, die zich een jaar geleden knalgroen toonden onder een niet aflatende zon. Richting de steengroeve, de lucht was grijs.
Joris, Fieke, Kaspar en ik daalden af naar een lage wand die in mijn herinnering haken had, maar ze nu ontbrak. Het was onomwonden de bedoeling dat we op eigen protectie zouden klimmen. Fieke deed niet moeilijk, ze had de ballen om cams in de spleten te raggen en te klimmen alsof ze aan een toprope zat. Ik deed wel moeilijk, ik klom na wat anderen heldhaftig hadden ingehangen.

De zon brak door en geen druppel durfde zich aan Ettringen te wagen. Asaccers trokken naar elkaar toe en klommen elkaars routes, overal liepen blote basten en BH’s. Als een mierenkolonie bezetten we de spleten in de rotsen. Het water dreigde op te gaan, ik zocht naar appelsap, sinasappelsap, alles was op. De dag was lang en het gebied onuitputbaar. Fieke klom routes voor waar zelfs Juul van onder de indruk was. Een inmiddels legendarische schoorsteen boven een klein bandje deed ons allemaal verbazen.

(Ruby tegen Fieke) Fieke, hoe de hell heb je dit geklommen?
(Kaspar tegen Ruby) Ruby, hoe de hell heb je dit geklommen?
(Joris tegen Kaspar) Kaspar, hoe de hell heb je dit geklommen?
(Kaspar, Juul, Kim, Nick…) Etc, etc…

Juul en ik vonden een boomstam die veel weg had van een didgeridoo. Of van een telefoon, ijshockeystick, zo’n ding dat uit een onderzeeër komt, speer, neusbotje, revolver, luchtbuks, wandelstok, varkensspiets, gehoorapparaat enzovoort. Het werd Juuls grote kameraad, voor altijd verbonden (L). (De boomstam mocht in de bus mee terug en ligt nu waarschijnlijk naast hem in bed).

Terwijl de zon geleidelijk uit de steengroeve kroop en Kim telkens een rots hoger klom om wat laatste stralen op te pikken, reden Max en Nick naar de camping om respectievelijk de BBQ en de knoflooksaus voor te bereiden. Een uurtje later waren wij ook op weg, langs de velden die weer leken op voorheen. Groot, glooiend en zonnig, intens en intens groen.

Het koelde snel af, maar nog steeds bleef het droog. We zaten in een kring rond het eten en hielden discussies over het vegetarische dieet. Er was maar één vrouw aanwezig die vlees at, de rest van het geslacht kloof aan maïskolven en gepofte aardappel.
Het moment dat Sambucca op het toneel verscheen zocht ik haastig mijn tandenborstel en tandpasta en nam een sprintje naar het toilethok.

Kim was mijn tentmaatje. Ze vertelde me dat ze, als ze ooit ontslag van zichzelf zou nemen, wel een kameleon zou willen zijn. Ik vond dat best wel cool.

Het bos

De volgende morgen vertrokken Joris, Fieke, Kaspar en ik naar het bos. We liepen tot aan een duistere wand, waar Juul en Iris al hun hersens over aan het breken waren. Fieke zag spoken, heuvels die er niet waren, routes die niet bestonden. Joris was meer in zijn element. Zijn hekel aan de ‘niet natuurlijkheid’ van de steengroeven werd getemperd door het leven in het bos. Hij klom zich kapot in een crack, die ons allemaal vrijwel net zo uitdaagde als de schoorsteen van de dag ervoor.
Die crack had een kleiner broertje naast zich dat me helemaal in de war maakte. Ik kon me niet gewoon monofocussen op die ene breuk, maar was ook niet slim genoeg om handig gebruik te maken van de minicrack. Links verdween mijn hele arm in de rots. Rechts paste net een vingertje. De route was niet te klimmen zonder de voeten pijnlijk in de linker te wurmen. Het was beuken. Mijn arm uit de kom trekken en schrammen over elk uitsteekseltje. Fiek heeft me zo’n half uur gezekerd over een stuk van drie meter.
Ondertussen hielden ze beneden een discussie met betrekking tot grootste wereldproblematiek. Ik moet toch nog eens vragen wat de uitkomst was.

Tegen het eind van de dag begon de lucht wat meer te dreigen. Fiek had zich net aan een route overgegeven en kwam bovenin tot de ontdekking dat de haken te scherp waren om zich over te laten zakken. Casus! Het werd een interessant spel tussen touwtechnieken, Joris, Fieke, frustratie en de dikke bewolking die langzaam over het gebied heen trok.

Regen

En toen hield het niet meer op. Op het menu stond pasta met saus, maar de boodschappenploeg was vergeten om pasta te kopen. We sprongen in de auto en reden naar de Pizzeria in het dorp. Natuurlijk waren wij compleet ongeciviliseerd en vond ik het maar al te mooi om op deze wijze, met zo’n grote groep wildebrassen, een restaurant in te lopen. Voorspelbaar maar niet minder leuk. Modderige handjes op het witte tafelkleed. Elout aan de Sauvignon.

Achter het raam begon het te tikken. Nadat we onze pizza’s ophadden wilde Ettringen niet meer onder de douche vandaan. We renden naar een kroeg. Vanuit de regen naar een dichte rooklucht, doorspekt van foute muziek en ogen die ons vreemd aankeken. We besloten naar de tent terug te keren.
De tarp bood ons nog een tijdje comfort. Vanuit mijn tent, gelegen naast de tarp, volgde ik wat gepraat over hooi en stro en het verschil ertussen. Kim en ik constateerde dat de gesprekken na een dag klimmen vrij typisch waren. Een groep Asaccers produceert ’s avonds keer op keer dezelfde humor, ongeacht uit welke klimmers die bestaat. Bijdehand, plagerig en weinig diepzinnig. Het is de vraag of je op meer zit te wachten.

De volgende morgen hoosde het nog steeds. We renden heen en weer tussen de plekken waar we veilig waren, ontbeten knus met zijn allen onder de tarp, en flikkerden de tenten ongeïnteresseerd in hun hoesjes, omdat ze thuis toch moesten drogen. Onder Juul zijn tent lag een vierkant zwembad. Alles was modder.

Op Amstel waren we nog niet veilig. Ik stapte op mijn fiets, in de hardste regenbui tot dan toe. Plassen water sprongen op tot aan mijn knieën. Het zoute zweet van het warme weekend was in een paar minuten van mijn voorhoofd gespoeld. Juul en ik hadden ons die vrijdag voor niets zorgen gemaakt. Ettringen was fantastisch. De verdrietige voorspellingen deden hun eer niet aan. En mijn terugrit was hun uitzonderlijke wraakactie.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s