Latest Posts

Wanneer mag ik me nou eindelijk Alpinist noemen?

Mijn tochtenlijst is indrukwekkend. Ik heb de hoogste berg van Oostenrijk erop staan, via de bikkelharde normaalroute, gezekerd en wel. Ik vertel mijn alpiniet-vrienden dat het ging om een grote berg en dat ‘ie dus hoog was, en dat ik touwen en pikkels moest gebruiken – in hun geest hangt dat samen, ik kan dat verkopen als solide bewijs van mijn prestatie. Als ik de Vaalserberg met pikkel en touw beklim zullen ze eveneens onder de indruk zijn.

Toch is er ook volk dat Oostenrijk afstreept wat betreft alpienmogelijkheden. Een keten Vaalserbergen. Zomaar, zo makkelijk, degraderen ze mijn zojuist ontdekte Walhallah. En mijn tochtenlijst; verdorie, ik heb hem nog zo mooi in een bestandje gezet, met tekeningetjes en al.

Ik heb nog wel iets achter de hand. ‘De Barre’, wederom een grote berg, maar dit keer in Frankrijk. En omdat ‘ie naast de Dome de Neige staat – beduidend minder indrukwekkend – en ik linksaf ben geslagen, pimpt ‘ie mijn tochtenlijst met verve. Dat viertje doet ook iets, zeker bij mijn alpiniet-vrienden.

Het is toch een beetje jammerlijk dat het overgrote gedeelte van mijn tochtenlijst touren beschrijft waarin ik uiterst vaardig achter de billen van een gids ben aangehuppeld. Ik weet niet eens of ik ze dan wel met recht op mijn tochtenlijst mag zetten, wat zijn immers de regels van een tochtenlijst? Gaat het om het zelfstandig percentage nadenken? Wat als een groep op tour gaat, en de één vogelt de route uit, de ander redt een derde doormiddel van logistiek briljante touwtechnieken uit een huiveringwekkend diep ravijn, en de laatste verdeelt het tochtenvoer, liggen er dan verschillende claims op de tocht? In dat geval heb ik 33,3333…% Barre op mijn lijst, want we hebben gedrieën alles samen bedacht. Zelfs de tijd van opstaan. En als er één in het ravijn was gevallen had ze ongetwijfeld een mening gehad over de te gebruiken touwtechniek.

Misschien ligt het procentuele aspect niet binnen mijn tochtenlijst zelf, maar bij de waardering van mijn tochtenlijst. Alle professionele, gidsende, expitiemakende, ervaren alpinisten zullen niet zozeer onder de indruk zijn. De groep rond mijn eigen ervaring, of gewoon niet zo bijster ambitieus, zal hun hoofd knikken en misschien wat ideeën opdoen. Zoals mijn papa, of een aantal van mijn alpiwel-vrienden. En dan is er nog de rest van de wereld, zo’n 99,9 %, die niet alpineert en heel diep moet nadenken wanneer je ze vraagt wat de hoogste berg van de wereld is, en wouw, die vinden mijn tochtenlijst toch indrukwekkend (zeker als ik ze vertel van die pikkel en het touw)!

Gezien dat dus het overgrote gedeelte is kan ik rechtmatig concluderen dat mijn tochtenlijst indrukwekkend is.

Ben ík even alpinist…!

De ‘Barre’

Morgen, 9 augustus om 03:00, de Barre des Écrins. De klok sloeg nog geen acht, maar met deze gedachte probeerden Fieke, Kim en ik slaap te vatten.

opweg

Goed (!!) weer op de heenweg

Een week eerder lagen we op het lager van de Refuge des Écrins, met onze gepakte tassen in het drooghok, maar woedde een storm die ons bij buitenkomst gedrieën in een enkele windvlaag voorbij de top had kunnen blazen. Twee keer voorbereiden en aanlopen: het hele project voelde aan als een expeditie.

De ‘Barre’, zoals we vriendschappelijk naar hem verwezen, rijst links achter de Glacier Blanc op en ziet eruit alsof hij recentelijk onder de gletsjer is gegroeid, als een verstandskies, met een dik pak sneeuw en ijs dat er afwisselend egaal of gekreukt en gescheurd overheen ligt. Hij vraagt zo’n 1000 meter steil sneeuwstampen en sluit af met een graatje waar het gidsje zo’n twee uur over doet. Naast de graat ligt de sneeuwtop Dome de Neige, als een veilige afslag rechtsaf.

DSCN1359

Om twee uur die nacht ging onze wekker en begon het lager onrustig naar de
hoofdlamp te zoeken. Beneden was het doodstil. Het geluid van het kletterende
water in ons havermoutpannetje klonk als een gevaarlijke inbreuk op de vrede. We lepelden de pap naar binnen en zeiden weinig, op wat fluisterende grapjes en de
verontrusting over de afwezigheid van de anderen na. In het drooghok
weerklonk wederom elke lichte tik, van een pikkel tegen de houten bank tot de
tas op de koude vloer, door een stilte die zich uitbreidde in het donker achter
de open deur. Het voelde alsof we een belangrijke geheime taak uitvoerde,
routineus en op elkaar ingespeeld, en toch misplaatst, alsof het eigenlijk niet
onze taak was. Waar was iedereen toch?

Aan de rand van de Glacier Blanc vormden we onze touwgroep. Het licht van onze
hoofdlampen toonde de eerste paar stappen van het spoor. De maan was
ons niet van dienst en de sterren waakten passief, in een ver verbond, overal en
hoog boven ons. Het spoor liep nagenoeg vlak naar de voet van de Barre, over de gletsjer die onze hele nacht in beslag leek te nemen. Ik had vooraf bedacht diep in gedachten weg te zinken en in een soort lichte slaap de lange gang te overbruggen, maar ik was eigenaardig scherp en vermaakte me door mezelf van een afstand te zien lopen. Af en toe keek ik achter me of anderen al besloten hadden de Barre te gaan doen, en soms doemdacht ik dat de waard tijdens zijn nachtwandeling had ontdekt dat drie seracs wat losjes waren komen te zitten en het hele lager terug het bed in had gestuurd, op ons na, want wij zaten verstopt achter ons pannetje havermout.

Dat Fieks hoofdlamp opeens de lucht in ging was een teken dat we bij de Barre
waren. We controleerden elkaars geest, verkortten het touw, staken iets te eten
in ons mond en accepteerden ons stijgende lot. Toen al was ik trots, alleen al
op onze keuze om de uitdaging aan te gaan. We waren zo alleen. Ik wist dondersgoed
hoe groot de berg rechts naast ons was, al zag ik hem niet. En de verwachtte
ondersteuning lag nog in het lager: het gekreun van Dome De Neigetoeristen en
altijd mannelijke gidsen met hun goedbedoelde zorgen om ons jonge drietal.

Het eerste steile stuk viel ons mee. Onze feilbaarheid kwam even aan het licht toen Fiek naar haar koplamp greep, die van haar helm schoot en in versnelling van de helling gleed, maar we konden ermee omgaan. Als middelste legde Kim de tocht af in het licht dat ik vanaf het eind van het touw bijscheen.
Tegen de tijd dat we bij de lawineresten waren, het baken dat we zo vaak vanuit de hut hadden gezien, viel het ons nog steeds mee. We zagen eindelijk een lichtsliert over de gletsjer lopen en voelden het genoegen al die meters al te hebben afgelegd, wetende dat mensen letterlijk tegen ons opkeken. De graat van de Barre werd zichtbaar in het
ochtendlicht, net toen wij eronder liepen.

Op het vlakke stuk tussen de Barre en de Dome in hielden we rust. Een ijzige
wind deed me beseffen dat we richting 4000 gingen, of althans, de wind leek me toepasselijk voor bij zo’n hoogte. Ik had het nog nooit koud tot in mijn kern gehad, naast alle afgevroren tenen en vingers op toppen en graten, maar nu leek ook mijn hart eraf te vriezen. We wilden vieren dat we boven waren en geen moment stilstaan tegelijkertijd. Het enige dansje dat we deden was een zonnedans, opdat ze boven de bergen uit zou komen en ons zou verwarmen.

Met stenen vingers in griploze handschoenen klom Fieke het eerste, lastige
gedeelte van de graat voor. Gillend van pijn in vingers waar het bloed weer
door ging stromen zekerde ze ons na. De rest van de graat sprak voor zich, met
vertrouwde rotspuntjes om slinges omheen te gooien, en diepe afgronden die als
een kaart zo plat door onze mentale filters drongen. Dallen links en rechts
reflecteerden de schoonheid van de berg die we aan het beklimmen waren. We
zagen de Roche Faurio, waar we de dag ervoor opstonden, en de Mont Pelvoux, waar
we plannen voor hadden liggen. De mogelijkheid van onze huidige situatie wierp
een nieuw licht op de mogelijkheid van al die toppen om ons heen, en eventjes
vlogen we.

Hlf3

Kim, Fieke en ik op de top

Ik moest een beetje gniffelen toen ik onder het kruis van de Barre in het zonnetje lag. Toppen zijn voor mij meestal een koude optelsom van het aantal afgelegde hoogtemeters en het tijdsbestek. De schrikbarende momenten, keren van twijfel, de objectieve prestatie van het bereiken van de top, en het altijd even unieke uitzicht. En dan denk ik: ‘oké’. Ik ben topneutraal.
Maar nu moest ik gniffelen. Ik zag Fieke en Kim staan, op de voorgrond van een klein stalen kruis en een verbazingwekkend uitgerekte Mont Blanc, en iets kwam volslagen ridicuul op me over. We waren met zijn drieën de Barre opgeklommen; alsof we het besloten en gedaan hadden, en in feite dus ook besloten en gedaan hadden. Dat kan dus.

Terwijl we onze topSnickers en tonijn-uit-blik aten en elkaar zo nu en dan een highfive gaven, zagen we op tegen de terugweg. De graat zat vol met Franse en Italiaanse tegenliggers en bood ons geen spanning van het onbekende meer. Weer was er weinig sprake van ‘even snel terug’, er lijkt nooit sprake van ‘even snel terug’. Gehinderd klommen we naar beneden en opgelucht hingen we de afsluitende abseil in. Onze dankbaarheid was groot en werd nog groter door de zon op onze voormalig morbide rustplek. We voelden ons veilig en gelukkig. Fiek en ik liepen nog even naar de top van de Dome de Neige, op vijf minuten sneeuwstampen van de Barre, opdat we onze tweede vierduizender konden zegevieren.

De terugweg leerde ons de heenweg kennen, en ik vroeg me af welke stappen in de sneeuw van mijn lijdende voorganger waren geweest. Onze afdaling was zo nu en dan volledig ongecontroleerd, met pogingen tot glijden waar onze gordel stuk van ging, en de dreiging van seracs die ons op het matje riep. Beneden voelde ik me wederom veilig en gelukkig, en voornamelijk heel trots. Die berg rechts, waarvan ik dit keer niet alleen de grootte wist, maar hem ook had ervaren, die hadden we zojuist ingetikt.

Van de voet van de Barre liepen we terug naar de Refuge des Écrins, om in één
ruk af te dalen naar de Refuge du Glacier Blanc en de parkeerplaats in het dal.
Van tegenliggers kregen we te horen dat we het hele lager hadden wakker gemaakt
door onze wekker om twee uur te zetten. We ontmoetten zelfs mensen die pas om
half vijf waren opgestaan, niet begrijpend wat dan hun redenatie, zowel als de
onze was geweest.

Dames aan de Chill

Dames aan de Chill voor de Glacier Blanc

Om een uur of vijf kwamen we aan bij een terras op Madame Carle, na een toer van zoveel hoogtemeters dat we ons afvroegen waarom onze benen niet afgesleten waren. De Barre lag niet meer in het zicht. Onze lichamen hingen slap in de stoel en onze ogen waren half gesloten, maar de alpinist in ons was wakker en gluurde door onze oogharen heen, euforisch maar onrustig, opzoek…

Chanel rode lippenstift

De Ici Paris begrijpt me niet. De kleinste flesjes parfum kunnen onmogelijk te groot zijn om mee te nemen op vakantie, volgens hen. ‘Mevrouw, ik wil er best voor betalen. Met twee proefmonstertjes ben ik al blij.’ Haar wimpers bewegen traag heen en weer, gehinderd door mascara. ‘Ik ga bergen beklimmen, mevrouw.’ Warempel. Uit haar laatje haalt ze Coco Chanel en Guerlain. Wat zal ik fatsoenlijk ruiken in de berghut.

Elke andere winkel waar ik kom heeft een nuttiger en vooral prijziger assortiment. Dagelijks bezoek ik de Bever en een maand lang twijfel ik over de aanschaf van of een tent, of een slaapzak. Het thema dit jaar is warmtebehoud en wol van acht merinoschapen ligt al op de meeneemhoop. Sokken, leggings, shirts. Mijn backpack zal mekkeren. De vraag is echter of een tent wel binnen het thema valt.

Ik koop kleine flesjes om mijn shampoo, wasmiddel en dergelijke over te verdelen. Mijn EHBO-doos vul ik met dinopleisters. In een kast bij mijn ouders vind ik de hoogtemeter, kompassen en gletsjerbril van mijn vader, blinkend van retro. In een magazine zie ik een helm die zo afstotelijk lelijk is dat ik hem niet los kan laten. Na anderhalf jaar vloeken op de eierschalen van de Asac schaf ik eindelijk mijn eigen, knaloranje en lichtgewicht, hoofddeksel aan. De stapel wordt steeds groter.

Trillend sta ik bij de kassa van wederom de Bever. Zoveel geld. Visioenen vanonder een brug, uitgezet omdat ik mijn rekeningen niet kon betalen, met de geruststelling dat ik nog een prettige nachtrust heb tot -10. Een maand huur in hartje Amsterdam, voor een slaapzak die me, verwacht ik op zijn minst, na elke nacht 300 hoogtemeter dichter naar het topje van de berg heeft gebracht.

Vanaf nu is het kosten besparen. Ik knip mijn lievelingsbroek af, en dan niet mijn ‘lievelingsbroek’, maar echt mijn mooiste thuis in spijker. Mooie softshells en nóg meer Buffs kunnen me niet meer verleiden. Voor een sportklimbroek en een nieuwe (broodnodige) bikini zoek ik in de voordeelbakken van de H&M. Ik koop geen fancy snappers voor mijn verlengde setjes, maar ruk op advies de slinges van een paar oude af. Een zwerm vinkjes vliegt over mijn paklijst.

Zoveel geld en aandacht besteed ik zo bewust en degelijk; honderden aan spullen die mijn veiligheid en comfort garanderen. Dus nu moet ik wel een tweede bezoek brengen aan de Ici Paris. Er is een balans te herstellen.
‘Ik ga bergen beklimmen, mevrouw. Rode lippenstift van Chanel graag.’

Geloof mij, nergens zal de lippenstift roder kleuren dan tegen de achtergrond van een spierwitte gletsjer.

Geen plek als thuis

Joos komt aangesneld als ik de straat inloop. Aan haar zwarte vacht zie ik welk seizoen het is; of het verbaasd me hoe dik ze is, of het verbaasd me hoe een scharminkel ze is. Ook de bomen dragen zo’n verhaal, logischerwijs, maar omdat ik er niet al te vaak ben is hun kleur en vorm altijd opvallend.
’s Zomers leeft de straat een sprookje. Kinderen spelen buiten, alsof de scholen altijd gesloten zijn. Bosjes knallen uit hun voegen en rozenstruiken kruipen voorzichtig over schuttingen richting het straatbeeld. De tuinen van de gepensioneerden krijgen eindelijk hun podium, met zorgvuldig uitgekozen bloemen en kleurpatronen, zoals mijn oma dat ook vroeger deed . Het gonst van de beestjes en ruikt fris en zoet.
’s Winters is het een straat zoals ik me die inbeeld wanneer ik ouderwetse goede boeken lees. Hoge bomen en kale takken die deinen in de wind, huizen die een eigen, stille eenheid vormen. Een zakenman in donkergrijze trenchcoat vertrekt van huis en steekt kort zijn hand op naar de bejaarde buurvrouw. Ze veegt tevergeefs de bladeren van het pad af en kijkt pas op als de man weer verdwenen is. Het geluid van een huilende baby klinkt door een open raam. Ik zou willen zeggen dat ik vossen over de straat had zien schieten, in het boek was dat waarschijnlijk waarheid geweest.

Joos loopt met me mee tot onze deur, miauwend om aandacht, geen aai over haar bol die haar stil krijgt. Ik verbaas me een momentje als de sleutel weer past, nog steeds. De kat glipt als eerst het huis binnen.

Park

We zitten in het park. De prullenbakken puilen uit van rotzooi en het gras ziet zwart van fietsen. Ergens in het midden hebben we een kringetje gemaakt, zeven bestuursleden rond een stapeltje bier. Kim zit in kleermakerszit, Kaspar ligt languit en Flo maakt tekeningetjes op een stuk karton. Ik leg mijn hoofd even tegen het gras, alsof de hitte door het contact in de aarde zou geleiden.
We werken gestaag de vergaderpunten af, van financiële zaken tot de nieuwe site. Ik pik zo nu en dan een woord op, maar neem vooral de tijd om mijn bestuur te bestuderen. Wat zijn we jong. Wat maken we een beslissingen. Vanaf welk moment waren wij bevoegd om zo voor onszelf in te staan? Weten we werkelijk wat we zeggen?
Ongevallenprocedure. Dat gedoemde document blijft maar terugkeren. Een paar dagen geleden speelden we nog verstoppertje op de kade van Monk, nu moeten we beslissen wat we doen als één van ons verongelukt. Er lijkt een stap te missen. Wanneer hebben we gekozen voor de wereld waarin dat soort documenten bestaan? Was dat bewust? Moeten we niet eerst onze ouders raadplegen? De bron van het document bestrijden, en dan niet de NSAC, maar onze eigen plannen? Onze verenigingsgenoten waarschuwen? Elkaar in Nederland houden?
Ik schud de hitte uit mijn gedachtes. We pakken de slackline en binden hem tussen twee bomen. Kasper en Kim zijn iets te beschonken om hun balans te houden. Flo zegt dat ze het niet kan en bewijst meteen het tegendeel. Roel zet een paar stappen, als een Tiroler met sandalen en een hoedje. Juul en Fiek raken verzand in een lastig gesprek en stoeien na afloop de spanning weg. Ik gooi onze rommel naast de prullenbak en haal mijn fiets van het gras. Kim springt achterop. We gaan naar huis.

Datingshow

Welkom bij de Dating de l’escalade juni 2013! Wij weten als geen ander hoe lastig het is om een partner te vinden die een andere vakantieplanning heeft dat uzelf, en zoeken daarom voor u de klimmer van uw dromen! Laat u charmeren door de vele aantrekkelijke profielen die wij voor u hebben samengesteld en schroom niet om vragen te stellen over deze of gene die dreigt uw hart te stelen. Wij zijn u graag van dienst.

Vandaag beginnen we met een boulderaar type 6b, donkerpaarse pofzak en schouderdoorsnede van zo’n 55 centimeter. Hij heeft een Jeep waarmee hij u van plek naar plek brengt, maar vermijdt liever de meer geciviliseerde omgevingen. Zijn daadkrachtigheid is van korte duur, vergeet echter niet de overweldigende charme van een overbrugt hoogteverschil van zo’n drie meter.
Deze krachtpatser fungeert graag als uw bouldermat. Hij is op zoek naar een vrouwelijke boulderaar type 5c of hoger, het liefst met voorkeur voor overhang. Tussen de boulders door wordt hij graag voorgelezen.

Onze tweede aantrekkelijke vrijgezel is een redelijk ervaren wandelaar die zijn heil zoekt bij tweeduizenders. Zo ongemakkelijk als hij is in de omgang, zo goed kan hij met touwen overweg. Geen techniek die hij niet kent! Hij komt met een arsenaal aan materiaal, dus mocht u het een en ander ontbreken, dan is dit absoluut een optie.

De eerste vrouw van vandaag is een harde sportklimster met een schouderdoorsnede van maarliefst 67 centimeter en onsightniveau van 7b. Deze topper schuwt geen route en streeft al jaren naar een eigen poflijn. Ze knapt af op toprope. Klimmen op eigen protectie vind ze daarentegen nodeloos risico nemen, dus wanneer u om kan gaan met boormachine en haak zit u bij haar gebeiteld. Haar favoriete klimoord is Freyr in de zomer, houdt rekening met een mooiweerklimster.
Ze wil het liefst een partner, man of vrouw, met een grotere schouderdoorsnede dan haarzelf. Mocht u hier niet aan kunnen voldoen, dan sturen wij u graag een trainingsprogramma met oefeningen waarmee u binnen no-time haar figuur overschaduwt. Daarnaast zoekt ze iemand met grote sociale vaardigheid, een goed gevoel voor humor en de bereidheid urenlang te zekeren (Grigri mag).

Onze tweede vrouw klimt misschien niet zo hard, maar blinkt wel uit in lenigheid. Met gemak topt zij schoorstenen die slechts in volstrekte spagaat te overbruggen zijn. Ze draagt wijde harembroeken en shirtjes van verantwoord katoen. Doormiddel van lichamelijke harmonie en geestelijke balans overwint zij haar voorklimangst. Haar veganistische levensstijl vergt tijd, aandacht en geduld, dat ze opbrengt door regelmatig te mediteren aan de rand van de rotsen. Het liefst klimt ze naakt.
Deze vrije geest is op zoek naar een man (of mannen) met de natuurlijke gratie van een chimpansee. Ze is groot voorstander van rust aan de rots en pleit voor het mosbehoud in afgeklommen gebieden. Bent u strijdbaar, één met uwzelf en harig, dan is dit absoluut een vrouw voor u! Flexibiliteit en geduld zijn codewoorden om deze schone klimster voor u te winnen, en wees grenzeloos openminded. Mediteer en u zult vinden.

Ons laatste profiel weergeeft een wat oudere, vrouwelijke alpinist. Ze heeft flink wat summits op haar naam staan en wordt geroemd om haar lichte tred op stijgijzers. Tijd die ze niet aan touw besteed, brengt ze het liefst door op haar residentie aan de flanken van de Mont Blanc . Haar weerkennis is subliem.
Besef wel dat onze femme fatale al meerdere mannen heeft verslonden en op mysterieuze wijze is verloren aan de dieptes van de Alpen. 30 jaar alpiene ervaring is dus op zijn minst een vereiste. Zorg dat u date op 1000m of lager, om risico’s te mijden, en houd rekening met het feit dat ze nog van de oude school is. Enige verdieping in verjaarde klimtechnieken kan geen kwaad. Wij zijn niet verantwoordelijk voor het verdere verloop van deze relatie.

Dit was het weer, Dating de l’escalade juni 2013! Hopelijk vind u een ware match tussen deze vijf buitenkansjes en zult u een klassiek romantisch sprookje beleven. Mocht u zelf een profiel willen opstellen of in contact willen komen met één van deze klimmers, laat het ons dan weten via vakantieplanning@ikbeneenklimmer.com. Succes!

Ongevallenprocedure

In mijn mail staat een document als bijlage dat we, als bestuur van een Studenten Alpen Club, speciaal voor komende zomer opgestuurd hebben gekregen. Het document bevat een procedure waarin een groot aantal stappen wordt omschreven, die we moeten uitvoeren wanneer één van ons niet terugkeert uit de bergen. Pure onheil in een bijlage.

Ik heb het nog niet gelezen. Dat ding staat me tegen, misschien wel zoals het hoort. Toch zal ik hem openen en, zoals van me wordt verwacht, zorgvuldig doornemen. Veiligheid is een dominant thema binnen het klimmen. Dat het mis kan gaan, is net zo inherent aan de sport als dat het goed gaat.

Maar shit, ik kom nog maar net kijken. Zo onhandig als ik nog ben met touwen of tochtenplanning, zo onhandig zijn mijn gedachtes ook nog rond het risico dat de bergen me brengen. Ik zou graag zeggen dat ik de risico’s op mijn eigen dood accepteer, zoals ik in de verhalen lees van slachtoffers of overlevenden, maar voor mij zijn ze zó knallend ongrijpbaar . Gevoelsmatig ben ik banger voor de angst voor de dood. Ik wil niet met een enkele hand aan mijn pikkel in een spleetje bungelen, denk ik zo. Geforceerd, ja, want ik weet het niet. Ik ken de dood niet. Ik waan me best wel veilig onder de vleugels van een gids of ervaren klimmer, misschien dat een groter begrip zich aandient wanneer ik zelf meer verantwoordelijkheid krijg en penibele situaties leer herkennen.

Maar dit is ook niet het onheil van de bijlage. Het punt met het document is dat het precies de kant van het klimmen benadrukt waar ik écht, concreet, bang voor ben. Het geeft aan wat ik moet doen als het met een ander misgaat. Mijn eigen dood is, zoals ik al schreef, ver en onbegrijpelijk. De dood van iemand anders, van iemand die dichtbij me staat, jaagt me echt de stuipen op het lijf. Oudere kennissen in het wereldje hebben mensen verloren en het voelt alsof het slechts een kwestie van tijd is. Wie dan? Wanneer dan? Ben ik erbij, zie ik het gebeuren, word ik gebeld? Elk antwoord is even ondragelijk.

Dat mailtje. Wanneer ik erlangs scroll krijg ik acuut de neiging om al mijn dierbare bergvrienden onder mijn eigen vleugels te nemen en te beschermen tegen die mooie sport van ons, om ze weg te halen van die tikkende tijdbom. Onheil in een bijlage. Ik zal hem lezen, maar alsjeblieft, laat het daarbij.

Een dag is zo leuk als de zon schijnt

De witte benen die opgaan in het licht van de aankomende zomer en de rode smoelen die doen denken aan de grote verbrandde lichamen op het strand, aangespoelde walrussen die me intrigeerde toen ik jong, bloot en ingesmeerd door het zand rende; dat maakt deze dag zo leuk. Gillende kinderen zijn al onhandelbaar voor ze ’s ochtends vroeg het lokaal binnen komen. Ze zijn de tsjilpende vogeltjes van de stad.
Waarom fietsen er meisjes met leren jasjes door de straten? Het uittrekken van zo’n jas zou voelen als een revolutionaire act, ze zouden met een euforische kreet deel worden van de diepgaande veranderingen binnen een land. Een land dat bijna in zomer is.
Boodschappentassen waar de punten van twee lange stokboden uisteken worden her en der door de straten gedragen, op weg naar een paar vierkante meter gras in een park. Zakenmannen zweten hun pakken uit. Dames die normaal gesproken niet zo cool zijn, genieten van hun nieuwe identiteit achter hun grote zonnebril.
Als een voetganger bijna omver wordt gereden glimlacht de chauffeur verontschuldigend schaapachtig. En warempel, de voetganger glimlacht vergevend schaapachtig terug. Een volwassen man likt aan zijn ijsje. Jongeren vergapen zich aan al het vlees. Ik zie iedereen buiten, zichtbaar onwennig, hun rokjes trekkend over hun witte benen. En ik weet bijna niet wat leuker is: De zon op mijn eigen gezicht of de zon op al die anderen.

En tot nooit

Het interesseert me geen moer wat je gaat doen. Hoe je kind gaat heten, of je wordt aangenomen, waar de relatie met de liefde van je leven heengaat. Het is me volstrekt om het even. Ons beider geveinsde interesse is ontmaskerd. Ik zeg ‘doei’, jij zegt ‘later’, en we denken, ‘en tot nooit’.

Hoogstens ben ik wijzer geworden uit onze woordenwisselingen. Je levenservaring, inieminie deeltjes daarvan, zullen wel het mijne zijn geworden. En jij bezit wat van die van mij. Dankbaar kunnen we elkaar echter niet zijn, want we floreren in desinteresse, zo intens en impulsief dat er niet eens tijd overblijft om het woord uit te spreken.

Of we waren elkaars vermaak in een tijd die toch overbrugd moest worden, of we waren elkaars sociaal wenselijke praktijk. In elk geval ontbreekt het ons nu aan een samenkomst van plaats, tijd en onze aanwezigheid, en kunnen we louter bij afscheid onze vrienden vieren.

Ik hoop dat je kind een mooie naam krijgt.

En tot nooit.