Een verhaal over de C1

Elf jaar geleden ging ik op een familiecursus voor beginners. Ik maakte sneeuwpoppen en glijbanen en at de hele dag Balisto’s. Terwijl de anderen kaart leerden lezen, schreef ik verhaaltjes aan mijn moeder in een klein oranje boekje. Huilend kwam ik beneden na mijn eerste keer abseilen, en nog harder huilde ik toen ik niet bij mijn grote zus en haar vrienden in het lager mocht.
Nadien ben ik als ervaren alpinist nog vaak naar de bergen geweest. Ik ontwikkelde me als expert op het gebied van wandelstokken, dikke takken die ik de hele vakantie bij me hield en in de achtertuin gooide als we weer in Nederland waren. Ook wist ik het snelst van alle bergwandelaars het volgende vlaggetje te vinden en kon ik marmotten spotten voordat ze me uitfloten. Mijn vader heeft me regelmatig vanuit het zwembad in mijn schoenen moeten zetten, maar ik heb absoluut die duizenders meegepakt.

Een jaar geleden constateerde ik echter dat mijn met passie verworden kennis en ervaring te lijden had gehad onder het weerzinwekkende alpienbeleid onder zeeniveau, en heb ik besloten om weer eens een C1 te volgen. Omdat deze cursus nog beter is bevallen dan mijn eerste, en ik de bergen opnieuw heb leren kennen, wil ik graag een verhaal schrijven over de week die me nog meer van ze laat houden dan ik al deed. Een verhaal over de C1.

De eerste kennismaking

2012-01-11 22.03.35

Het was glashelder; hij met de lange rode haren en de leren riem met zilveren studs. Het kleine Burberry parapluutje dat hem tegen de regen beschermde.
De ontmoeting met de gidsen betekende het officiële begin de cursus. Ze heetten Martin en Martin. Vooraf was al besloten dat een van de twee Martini moest gaan heten, zodat het verwijzen ons gemakkelijker zou zijn. Martini diende zichzelf aan, de studs weerspiegeld door zijn zonnebril.
In dichte mist begeleidden ze ons naar de Wiesbadener Hutte, waar we een sneeuwbui instapten en het gebied verdwenen was onder een dunne witte laag. Het vormde de maximale belofte. Overal bevonden zich vage contouren van hoge bergen en paden die na twintig meter verdwenen. De hut schuilde achter grote vlokken sneeuw; Martini zocht naar de ingang maar herkende hem niet. Achterom vonden we het terras. We schudden onze tassen uit, klopten onze zware schoenen tegen elkaar en wierpen nieuwsgierige blikken door de ruiten. De omgeving bleef die dag voor ons verborgen, maar de hut konden we ons al eigen maken.

Achter in de hut lag onze slaapzaal, waar ik door de afwezigheid van mijn zus mocht liggen waar ik wilde. De bedden eigenden we ons toe met een lakenzak en in mijn geval een Intiem roman die ik had gestolen van de camping. Als het buiten niet spannend genoeg zou worden, kon ik mijn sensatie halen uit twee hitsige Amerikanen in de valleien van de Grand Canyon.
In de kastjes aan de muur stalden we ons tochtenvoer uit, onze weinige andere bezittingen pasten er nauwelijks naast. Er lag een halletje voor de slaapzaal waar we onze tassen kwijt konden. Het zou er vaak een strijd worden tussen bezittingen van ons en andere hutbewoners, ’s ochtends kon onze net aangeschafte Goretextrots bedolven zijn onder natte regenbroeken en schimmelige sokken.
De wc was verbazingwekkend genoeg voorzien van stopcontacten, soms een vrouw met föhn in het verlengde. Mijn mobiel had aan het eind van de week meer energie dan ik.

De Wiesbadener was anders dan de hutten uit mijn gedachten. Groot en schoon. Een brede gang liep vanaf ons slaaphok naar de keuken, waarachter nog een aantal grote eetruimtes waren. Overal stonden lange tafels en alles was van hetzelfde gelige hout.
‘s Avonds stond er een versierd NKBV bordje op een tafel achterin de hut. Vanaf dat moment was daar onze woonkamer. Met negen studenten, drie Asaccers, vier Yetianen, een Usaccer en een Esaccer, namen we hem in beslag en maakten we ons thuis.
Voor de cursus hadden we een paar dagen overnacht op een kleine camping in de buurt van het Silvrettameer, aan een blauw watertje met een vlot en een slackline. In groepen liepen we de omringende bergen in, om daar kapot te gaan aan onze D-schoenen of een brakke hoogte conditie. Zo leerden we elkaar een beetje kennen onder rustige omstandigheden. Een gemeenschappelijke factor lag in ieder geval in onze potentie tot het omgooien van drank en het opfokken van de campingdame.

Terug in de hut. In de loop van de middag checkten de gidsen onze materialen en leerden we vast wat knopen. We hadden nog geen idee wat ons te wachten stond. Alleen de tocht van de volgende morgen stond geplant. De kaart was slechts codetaal, niets correspondeerde met de woeste wereld die achter de ruiten wachtte.
Maar de belofte stond: de rest van de week mochten we banjeren door de achtertuin.
.
Aan touw

De achtertuin bleek best wel cool. De mist was de volgende morgen weggetrokken en de gletsjers waren overal. In een tempo dat ons later verboden werd spintten we naar de Vermuntgletjer, springend over beekjes en langs grote grijze steenmassa’s die we morenen leerden noemen.
Als oefening met stijgijzers verspreidden we ons over een sneeuwveldje. We leken op negen puppies in een kennel, kriskras door elkaar stampend en blaffend om uitgelaten te worden. Mijn stijgijzers voelden als een stroomgeleider tussen de gletsjer en mij; ik liep een rondje door de sneeuw en kreeg bij elke stap meer energie.
In de verte zag ik touwgroepen lopen, twee kleine zwarte sliertjes met regelmatige zwarte bobbeltjes. Zigzaggend over een steile helling. Ik wilde daar ook lopen, al hield ik het voor onmogelijk.

Even later gingen we zelf aan touw. We verdeelden ons in twee groepen en ik kwam onder de hoede van Martini. Het voelde wat lachwekkend om vastgeknoopt tussen twee c1genootjes weg te lopen, als een gedetineerde, gedwongen tot een tempo en van twee kanten gedisciplineerd. Ik keek telkens van mijn voeten naar de omgeving en probeerde geen hinder te vormen voor de rest.
Maar de rest was ik snel vergeten. Ik raakte verzonken in gedachten, de spierwitte sneeuwmassa en het ritme waarmee ik mijn schoenen zag verschijnen en verdwijnen organiseerden mijn spinsels. Al die kleine stapjes brachten me werkelijk tot bovenin de gletsjer. De omgeving veranderde langzaam in een grote egale sneeuwvlakte. Het was alsof ik door mijn eigen gedachtegangen wandelde. Tot ik weer over mijn voeten struikelde of zag dat het touw tussen mij en mijn voorganger op een hoopje lag.

Bovenaan de Vermuntgletsjer, op de grens tussen Oostenrijk en Zwitserland, vond ik eindelijk de rust om goed om me heen te kijken. Nu ik er aan terugdenk herinner ik me vooral de vanzelfsprekendheid van het uitgestrekte, het gigantische, alsof de schoonheid al ingecalculeerd was. Ik weet nog dat ik me bedacht maar verdomde goed naar de bergen te kijken, hoe vertrouwt ze ook aanvoelden, omdat deze vakantie op een dag zou eindigen en het uitzicht er heel anders uit zou gaan zien. Ik weet ook nog dat ik mijn blik langzaam over de bergwanden liet glijden, tot deze strandde bij Martini, zittend op een rots aan de gletsjer, met een sjeck in zijn mond.
We begonnen voorzichtig met het verwijzen met Martini, tot mijn deel van de groep besloot zich Martini 1A te noemen en dat elke dag een paar keer over de dalen liet galmen. Martini leek zijn bijnaam stilzwijgend te accepteren. Toen we aan het eind van de cursus bijdehand genoeg waren geworden om te vragen wat hij van zijn bijnaam vond, kregen we antwoord met de bescheiden lach die zo karakteristiek voor hem was.

Na een (falende) plaspauze splitste de groepen en liepen wij naar een windkolf aan de rand van de Vermuntgletsjer. We lieten ons een paar keer van een steile helling vallen en prikten onze pikkels in de sneeuw om vaart te minderen. Dit kon ik me nog van mijn eerste C1 herinneren, al maakte ik toen mijn fameuze glijbanen.
We groeven dode mannen op en hielpen elkaar lastige passages over doormiddel van de steekpikkel. Eén voor één zakten we langzaam in de windkolf en takelden we de ander weer omhoog. Het verschil tussen de seilrolleoefeningen aan de paal van station Amstel, met verbaasd toeschouwende Amsterdammers en de ruwe stenen ondergrond achter hard geworden plakjes witte kauwgom, en de seilrolle in de zachte sneeuw met je maatje onzichtbaar hangend in een gigantisch gat, was immens. De touwtechnieken werden er vanaf dat moment in hoog tempo doorheen gedraaid en te midden van Martini 1a moest ik soms flink aanpoten. Dan schreeuwde ik woensdag dat het allemaal eigenlijk zo verschrikkelijk logisch was, maar zag ik donderdag slechts een kluwen bedreigende touwen waar ik een reddingstechniek had moeten zien. Op de laatste dag wist ik probleemloos mijn slachtoffer naar boven te halen.

Rond vijf uur kwamen we weer terug bij de hut, waar het terras volstroomde met wandelaren die een kopje warme chocomel dronken en bergbeklimmers die als eerst hun zware tassen met opgebonden touwen van hun rug namen. Deze laatste maakten me nieuwsgierig. Ik wilde weten welke toppen ze hadden gepakt en wat zij konden dat ik nog moest leren.
De hut lag met zijn snoet naar het dal, links de gletsjers en rechts, als je maar ver genoeg het dal uit liep, het Silvrettameer. Wie met een biertje en de benen over elkaar tegen de stenen wand van het terras aanleunde, en zijn hoofd een beetje opzij draaide, overzag een groot deel van de Vermunt en de Ochentalergletcher. De Silvrettahoorn vroeg brutaal, elke namiddag weer, om beklommen te worden. Na de tochten zat ik vaak naast mijn C1genootjes naar de overkant te staren, ik begon de lijn waarmee de bergen aan de andere kant van het dal zich aftekende van de hemel te herkennen. De ondergaande zon maakte de contouren nog scherper.

Hutcultuur

2012-01-09 09.05.33Na het eten was er meestal nog tijd te overbruggen voor we richting bed gingen. Er kwamen kaartspellen op tafel en regelmatig bereikte de Jengatoren een recordhoogte. De vier Delftenaren maakten juffen tot een wiskundig hoogstandje. Naarmate de week vorderde en het later werd, sloten steeds meer mensen af en toe hun ogen, veranderden spelletjes in slappe uitdagingen om steentjes op elkaar te laten balanceren en was de eerste snel vertrokken richting het slaaphok. De conversaties werden er niet beter op. Er ontstond een verzameling aan woorden en vooral grapjes die elke dag wel een paar keer terug kwamen, als een soort C1jargon dat over de gletsjers weerklonk.
Niet alleen ons jargon galmde na. De scherpe klanken van twee huttendames hielden waarschijnlijk alle mannelijke aanwezigheid ’s nachts uit hun slaap. De eerste keer dat ze tegen me spraken dacht ik dat ze een grap met me uithaalden. Andrea en haar vriendinnetje fascineren me nog steeds. Hun enthousiasme en volstrekte overacting deed me afvragen of ze wel van hetzelfde slag mens waren. Iedereen werd aangesproken als een kind van acht dat trots een zaksteek laat zien. Toch werkten ze ontzettend hard en gaven de hut een onvergetelijk vrolijk gezicht. Als je afgelopen zomer in de Wiesbadener Hutte bent geweest, weet ik zeker dat je weet over wie ik het heb.

Twee avonden was het feest. Na een wandeling over de Puis Buin bleek de hut volgelopen te zijn met belangrijke mannen en grote schalen hapjes, waaronder kazen, broodjes, olijfjes, sherrytomaatjes, gevulde eieren en druiven. Onze criminele breinen verkenden de mogelijkheden om de schalen in onze rugzakken leeg te kieperen.
Het feest bleek ter gelegenheid van de plaatsing van een kruis op de Piz Buin. De belangrijke mannen trokken zich terug in een ruimte en kwamen weer tevoorschijn toen het geluid van helikopters over het dal galmde. De stampvolle hut verplaatste zich naar buiten en verzamelde zich rond het nieuwe kruis. Met veel moeite werd het gevaarte aan de helikopter vastgeketend en bungelde het als een uitgesloten stamlid tegen de grijze achtergrond. Het duurde mij te lang, de helikopter verdween steeds uit het zicht, het was koud en ik liep rond op natte sokken omdat C1genootjes mijn schoenen hadden gejat. Daarbij waren er tot dan toe slechts twee verklaringen voor de kruizen op de toppen: Of ze waren de uitwassen van een speciaal soort onkruid dat zich duizenden jaren geleden had verspreid via de snavels van kleine oervogeltjes, met een delicate voorkeur voor hoge toppen, of ze waren er neergezet door twee sterke bosbewoners die op een dag besloten hun favoriete toppen met een kruis te voorzien. Ik bedacht me namelijk, al vanaf het moment dat mijn ouders me naar de top joegen, hoe moeilijk het waarschijnlijk was geweest om zulke gigantische blokken mee naar boven te slepen.
Na het tafereel trokken de belangrijke mannen zich weer terug en deed een bond muzikaal gezelschap elke ruimte aan. De sfeer werd opgezweept en wij Hollanders waren present. Martini wilde weliswaar niet met me dansen, maar voor ik het wist liep ik vooraan in de polonaise door de hut. Bij de ruimte met belangrijke mannen hield ik stand, maar mijn lieve cursusmaatjes beukten me naar binnen en daar stonden we: onaangekondigd midden in een officieel geheel, met toch zeker dertig paar alpinewijze ogen op ons gericht.
Het tweede feest ontstond op eigen initiatief. Het was de laatste cursusavond en de gletsjerspleten vereisten geen alertheid meer. Er viel weliswaar niet tegen de gidsen op te drinken, maar een groot aantal van ons waren al redelijk resistent voor het Weisbier. Shotjes werden onvermijdelijk. Geheelonthouders gingen stiekem aan de wijn en werden dronken naar het lager geëscorteerd. Het studentikoze van de Sacwereld moest toch nog even benadrukt worden, deze laatste avond in de Wiesbadener.

Bergdieet

Als drank al even is genoemd, moet er absoluut een eigen alinea gewijd worden aan het eten. Ik ben er inmiddels achter dat eten in de bergen een andere rol aanneemt dan eten in het normale leven. Volgens mij kun je iemand aan de hand van zijn tochtenvoer doorgronden.
’s Ochtend at ik broodjes Nutella en ’s avonds het vegetarische menu van de hut, waar soms meer aandacht aan was besteed dan aan de vleesgerechten. De eerste twee dagen snoepte ik mijn hele voorraad tochtenvoer leeg en, geïnspireerd door de gidsen, overleefde ik de rest van de tochten op kersjes, kikkertjes en colaflesjes van Haribo. Op de helft van de terugtocht was mijn camelbag meestal nog vol en sprak ik uit gezondheidsoverwegingen met een C1genootje af dat ik hem leeg moest hebben voor ik bij de hut was. Meestal moest ik rond die tijd ook voor het eerst plassen, wat niet lukte doordat mijn systeem op hoogte schijnbaar niet functioneerde. Dit leidde er vaak toe dat ik de laatste meters naar de hut sprintte, mijn schoenen uitschopte en met de klotsende camelbag in mijn blaas een groot aantal vermoeide bergwandelaars omverliep in mijn drang naar het toilet.

Mijn consumeerpatroon was slechts een van de mogelijkheden. Martin en Martini aten op een tocht niets en teerden op een enkel flesje water, maar voor en na de tochten aten ze veel. We hadden iemand die ’s ochtends voedselpakketjes maakte met ontbijtkoek en een boel gesmeerde boterhammen, en nog steeds leed aan een voedseltekort. We hadden iemand die aan de rand van een ijswand zijn toastjes zorgvuldig met leverworst besmeerde en met de gids een tijd afsprak hoelang hij nog mocht eten. Als absoluut hoogtepunt hadden we ook iemand die structureel weigerde het zure Oostenrijkse brood te eten. Samen met een elfjarig meisje stond hij ’s ochtend bij de keuken om naar cornflakes te vragen. Dit ogenschijnlijk infantiele figuur werd echter wel als gids aangezien omdat hij ’s avonds serieuze pogingen deed Martini eruit te drinken en vaak met de gidsen mee een peuk ging roken.
We hebben allemaal een redelijk beeld van ons eigen eetpatroon in de bergen gekregen. Maar het zal waarschijnlijk nog vele jaren, en vele tochten, duren voordat we weten wat we voor een tocht moeten inslaan.

Tochten

2012-01-11 21.56.27We beklommen de Silvrettahoorn, de Piz Buin en de Drielandenspitze. Telkens maakten we kennis met een nieuw stuk berg; de gletsjers, de ijswanden, de graatjes en de top. De regels in de rots waren anders dan we gewend waren. We leerden elkaar te zekeren als ons maatje bij een val zou verdwijnen in de afgrond, maar niet als hij of zij met een schram zou wegkomen. Een touw om een punt gold als ‘afgezekerd’. Geen constructies met karabiners en slinges, maar op zoek naar punten waar het touw achter gelegd kon worden. Sterker nog: ‘Nicht suchen, aber finden’. De gidsen, halfgoden zonder touw en zonder zorgen, liepen over de kleinste graatjes. Zo zorgeloos dat ze zich genoodzaakt voelde de ander te waarschuwen wanneer deze roekeloos van punt naar punt balanceerde.

De toppen waren voor mij een beetje als een schatkist aan het eind van de regenboog. De schatkist was er niet. Maar de regenboog was nog steeds adembenemend. Misschien genoot ik zo van de weg erheen, of zat deze zo vol informatie en wisselende uitzichten, dat de top slechts een overzichtsblik was op het voorgaande. Met een koude wind, gillende Yetianen met een vlag en eenmalig zelfs een pislucht.
Of misschien moet ik harder, zelfstandiger en bewuster bezig zijn met het beklimmen van een bepaalde berg wil ik euforisch op het topje staan. Mijn alpiencarrière zal het me leren.

Waar de omgeving aan het begin van de week onder een laagje sneeuw lag, waren nu grote gedeeltes met ijs bloot komen te liggen. Op de terugweg van de Silvrettahoorn mocht ik touwleider spelen en stuurde Martini me een spletengebied in. Ik stopte waar het doodliep, voor, links en rechts van me een kleine afgrond van ijswanden. En hij zei: ‘Ga maar’.
Ongemakkelijk en voorzichtig klom ik achterwaarts naar beneden, met mijn handen stevig geklemd om mijn pikkels. De groep volgde. Het was een ontdekkingstocht in een ijzige wereld, compleet surrealistisch. Ik werd zelfs gevraagd om een sneeuwbrug over te wandelen, of te springen, ik begreep het niet maar kon eruit opmaken dat ik aan de overkant moest komen. En hoppa, daar ging ik. Door de sneeuw, Martini had me gezekerd, ik schrok me de ** en wist dat ik had moeten springen.
Die sneeuwbruggen bleven me verbazen. Omdat we ’s avonds Jengatoren speelde, leerde ik ze met het spel associëren. Voorzichtig steentjes trekken, voorzichtig lopen, maar als je toevallig het zakje bent, lig je daar (of ligt je toren daar). Gelukkig was niemand het zakje.
Ook de zekeringen in ijs bleven me verbazen. IJs kan simpelweg opgelikt worden, maar als ik er een ijsboor in jas kan ik er met mijn leven aan gaan hangen. Ik kan een tunneltje graven, er een slingetje doorheen wurmen en er wederom met mijn leven aan gaan hangen. Hoe goed van vertrouwen willen ze me hebben?

Zon, regen en fictieve mist

Het was veel te goed weer. De zon scheen zo fel en zo vaak dat ik halverwege de week de korsten van mijn oren kon plukken. De hut zat bomvol aan het eind van elke middag en Weisbier werd op grote dienbladen naar buiten gedragen. De routes die we zouden lopen konden we vanuit de hut ongehinderd volgen.
Eén donkere dag was onweer voorspeld en verlieten we de hut zonder het vertrouwen dat we de top zouden halen. Halverwege de aanloop hoorde ik de eerste druppels op mijn jas kletteren en vervloekte ik de weergoden, het was de dag van de Drielandenspitze, de berg stond op het spel. Vlak voor de gletsjer hielden we beraad met de gidsen. Net toen Martini ons zijn zegen had gegeven knalde er iets groots in de hemel en sloot hij zijn betoog af met een droog ‘Oder nicht’. Regen begon te vallen alsof we werden gestraft voor ons optimisme, en in verslagen toestand keerden we terug naar de hut. Daar schaarden we ons bij de andere verliezers, met onze tassen misplaatst op een hoop tegen de hut en een boze blik richting de stortvloed.

Deze ‘slechte’ dag, die we uiteindelijk wijdde aan touwtechnieken en spelletjes, had ons vooral geleerd hoe we moesten rennen door de regen. Hierdoor liepen we ervaring met ongunstige weersomstandigheden mis en moesten we de laatste dag de mist in onze omgeving fantaseren. Aan de hand van het kompas en tekeningen in de sneeuw navigeerden we ons over een kleine gletsjer omhoog, terwijl we zowel de touwleider als de top haarscherp konden zien. Boven op de top besloot het weer ons spel echter mee te spelen en dwongen grote dreigende wolken die zich in de verte al bewezen ons naar beneden. Daar sprintten we, zonder touw de gletsjer af, dezelfde meters die we eerder lengte voor lengte, in een fictief winterwonderland hadden getrotseerd.

Het onvermijdelijke einde

Aan het begin van de week wist ik dat er een morgen zou komen waarop ik wakker zou worden met het besef dat het voorbij was. Het onvermijdelijke einde van zo’n week blijft toch een domper, een teleurstelling in de magie van de bergen, die de schijn heeft voor altijd te duren maar heel achterbaks door de tijd kan worden overwonnen. ’s Ochtends werd dit heel concreet bewezen; ons versierde bordje stond niet meer in de woonkamer en mijn Nutella smaakte niet meer als voorheen. We pakten onze tassen, gaven de hut een kusje en wierpen een laatste blik op de gletsjers, die ons een deel van hun geheimen hadden verteld en in niets meer geleken op de belofte van de heenweg. Ik kreeg nog een laatste dans van Martini, onder toeschouwend oog van een nieuwe lichting C1ers die net bij de hut arriveerden, en in verdwaasde stemming liepen wij van de hut weg.

Toen ik elf jaar geleden van cursus terugkwam hield ik een spreekbeurt voor groep zeven, waar ik trots een achtknoop voordeed en foto’s liet doorgeven waarop ik abseilde. Met een grote zonnebril op mijn hoofd, die verhulde dat ik eigenlijk in tranen was van angst. Nu staat mijn Facebook gevuld met foto’s van een ijsklimmende en graadlopende mij. Weer ben ik trots op wat ik gedaan en geleerd heb.
Ik weet nu echter ook wat ik nog niet weet, en besef me hoe lang de weg is voor ik grip krijg op alpineren. Voordat ik de risico’s op een minimum kan houden en voordat ik ervaren genoeg ben om met mijn vriendjes en vriendinnetjes een berg uit te zoeken en m’n spullen bij elkaar te rapen om te gaan.

Bij dit besef is nog een nieuw begrip gekomen: Dankbaarheid. Ik ben mijn C1genootjes dankbaar voor alle mooie momenten die we hebben beleefd, alle hilariteit en al het geklier. Ik ben de gidsen dankbaar voor alle kennis die we hebben opgedaan en het feit dat we veilig naar onze paps en mams terugkunnen. Ik ben de Nsac dankbaar voor het organiseren van deze week. Met nadruk: Ik ben mijn ouders dankbaar voor het feit dat ze me elke zomer weer uit het zwembad hebben getrokken en me de bergen in mijn hart hebben laten sluiten.
En, ik ben het leven dankbaar dat er zoiets is als een berg.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s