Latest Posts

Niet genoeg

‘Kijk’, zeggen Thibault en ik telkens voor de grap. ‘Ook daar zijn ze de sneeuw vergeten’.

De rotswanden op het zuiden zijn droog. Zelfs voor de pistes van Serre Chevalier halen we onze steenski’s tevoorschijn, oude latten die wel kapot mogen. Regelmatig word ik overvallen door een lentegevoel en hoop ik dat de bloemetjes niet hetzelfde overkomt. Het zou zo zonde zijn als ze nu al hun kop uit de aarde steken.

Het is mijn allereerste winter zonder het fameuze ski-examen dat me midden maart steevast met gespreide kaken opwacht. Een winter waarin ik zinloos en zorgeloos mag dwalen door de absurde, magische besneeuwde wereld die ik met zoveel verwondering ontdekte toen ik berggids besloot te willen worden. Maar er ligt geen sneeuw. Niet genoeg, althans.

Als ik triest ben voor mijzelf en het uitstel van mijn geplande dwalingen, dan ben ik nog veel triester voor de winter. Een paar weken geleden regende het keihard. Als het die paar dagen koud genoeg was geweest, dan had de winter nu met miljarden ijskristallen geschitterd in het zonnetje van de Hautes-Alpes.

‘Is dit nou klimaatopwarming?’, vraag ik aan Thibault, aan mijn vriendinnetje dat voor Natura2000 werkt, aan het internet. Het weer is complex en lokaal karig besneeuwde winters zijn er wel vaker geweest, maar dat het regelmatig zo warm is kan wel degelijk het gevolg zijn van klimaatverandering. Zoiets.

De verleiding om de auto te pakken naar Italië of Chamonix is groot, want bij hen ligt er wel sneeuw en ik droom inmiddels van eindeloze witte afdalingen en die magie, die ongelofelijke magie waar ik het altijd over heb en waar ik dit jaar meer dan ooit naar hunker. Maar tegelijkertijd ben ik boos. Op alle dikke auto’s. Op alle stomme toeristen die hierheen komen vliegen. Op mijzelf en mijn werk in een bar. Op het domme gegeven dat ik in deze tijd geboren ben of skiën zo laat heb ontdekt. Op het feit dat ik kinderen wil en die ook wil laten skiën en dat het toch absoluut niet om mij gaat, maar om de winter en de hoop dat die bloemetjes hun koppen niet vroegtijdig uit de aarde steken, want dat zou zo zonde zijn.

Dit was de enige échte lading sneeuw die we hebben gehad. Twee weken geleden viel er nog zo’n twintig centimeter bij. Komende twee weken is het ‘grand beau’, maar gelukkig niet zo warm.

Helper


Paulo is een lange, stevige, diepdonkere man. Hij slaapt in de wachtruimte op een stoel, direct na de hoofdingang van het centrum, met zijn nek in de knik van een slapende man op een stoel. Als migranten ’s nachts aankloppen, schrikt hij wakker (denk ik, ik ben er ’s nachts niet bij, misschien wordt hij zachtjes wakker van hun voetstappen buiten). Dan brengt hij ze naar een vrije hoek in het gebouw, geeft ze te eten en wat dekens en gaat weer terug naar zijn stoel.

Soms maakt hij schoon. Dan komt onze keukenheldin ’s ochtends aan en is de hele keuken spic en span. Of het hele trapgat.

Omdat de spanningen tussen de Afghanen en Margebanen vaak s’ nachts tot uiting komen, is hij dikwijls getuige van gevechten en weet ons dan ’s ochtends aan te wijzen wie als eerste het mes trok. Laatst werd hij zelf met de dood bedreigt. Waarom? Omdat hij onze helper is, omdat hij tussen beide probeerde te komen, omdat hij misschien niet alles even tactisch oplost. Ze zeggen daarbij dat mensen van zijn kleur gediscrimineerd worden in Noord-Afrika en dus ook in ons centrum.

Wanneer het brandalarm gaat, rent hij zo vlug mogelijk naar de receptie om korte metten te maken met de verschrikkelijke herrie. Daarna gaat hij weer terug naar zijn stoel, een van de redenen waarom we ’s nachts toch een nachtwaker nodig hebben. Men rookt nog steeds binnen, de nooduitgangen liggen vanaf tien uur ’s avonds geblokkeerd met slapende migranten en de bezetting van het gebouw is vier keer groter dan de norm. De verantwoordelijkheid voor de brandveiligheid kan niet alleen bij Paulo liggen, en toch is hij dikwijls de enige die ’s nachts de boel – enigszins – in de gaten houdt.

Hij helpt ons daarbij al maanden, maar we kunnen hem niet in dienst nemen, want hij heeft geen papieren. We geven hem eten en een eigen kamer, en een handvol vrijwilligers financiert hem van tijd tot tijd. Hij heeft vrienden in de vallei, praat en lacht veel met andere migranten, lijkt op grote incidenten na zijn ‘werk’ niet vervelend te vinden en wil niet weg.

Sommige van ons zijn tegen, die vinden zijn werkzaamheden ‘naar slavernij ruiken’. Anderen zeggen dat hetzelfde soort constructie bij anderen in het verleden tot goede dingen heeft geleid, zoals huizing, opleiding en uiteindelijk papieren. Maar de sfeer in het centrum is gespannen en tijd om Paulo anderszins op weg te helpen heeft niemand. Hoe meer migranten en hoe groter onze stress, hoe meer we ook nog eens van zijn hulp afhankelijk worden.

Dus blijft Paulo voorlopig helper bij Refuge Solidaire.

De vraag is natuurlijk of dat wel oké is.  

Dit verhaal schreef ik grotendeels in oktober 2021. Inmiddels maakt de sneeuw en de enorme politiebezetting op de grens het lastig om Briançon binnen te komen. Daarom zijn er momenteel in het centrum zo tussen de 15 en 40 migranten, geen gezinnen, alleen maar jonge mannen, die alle ruimte voor zichzelf hebben (in vergelijking met de 180 van voorheen). Het is er dus rustig, alhoewel de reden voor die rust natuurlijk vragen oproept: waar zijn ze nu, wanneer komen ze wel? Vrijwilligers vermoeden dat de opkomst komende lente net zo extreem wordt als de herfst, alhoewel afhankelijk van de inzet van de grenspolitie.

Ik vermoed dus dat Paulo’s leven in het centrum momenteel relatief prettig is en vragen over zijn status als helper daarom minder urgent. Het is dus afwachten wat de lente hem (en het centrum) zal brengen.

Er zijn momenteel een stuk meer knuffelberen dan kinderen.

Voor de harige vierpoten



Zo’n tien jaar geleden zag ik een felgroen boek in de kast bij Fieke staan. ‘Gaat over de impact van de vleesindustrie op het klimaat’, zei ze. Het heette Dieren Eten en was geschreven door Jonathan Safran Foer. Na het lezen schrapte ik vlees grotendeels uit mijn dieet.

In de jaren daarna was ik soms strikt en soms flexibel vegetariër, tot dat er in 2020 een vrachtwagen vol varkens omviel in Drenthe en ik het dermate jammer vond dat al die knorrige beesten niet massaal hun vrijheid tegemoet renden dat ik mijn eigen occasionele vleesconsumptie een beetje gek begon te vinden. In diezelfde tijd adopteerde ik bovendien Tigrou (overtuigd carnivoor), een chagrijnige harige vierpoot die me verschrikkelijk ongerust kon maken. Ik voelde me direct enorm verantwoordelijk voor zijn welzijn en wist dat ik me op precies dezelfde wijze zou ontfermen over welke andere harige vierpoot dan ook die onder mijn verantwoordelijkheid zou vallen. Als ik dan langs een stel koeien liep, was ik blij hen te kunnen vermelden dat ik hun zusters heus nooit meer zou opeten.

Ik werd dus tevens vegetariër omdat ik niet wilde dat dieren voor mij leden of omgelegd werden.

Nu gebeurde er laatst iets heel onpraktisch. Ik kreeg een mailtje van de Correspondent (online journalistiek platform) over het verschijnen van een podcast van De Rudi & Freddie Show. Die ging over ‘de lessen van 3 maanden vaderschap’, een onderwerp dat me nieuwsgierig maakte omdat er momenteel nogal wat baby’s geboren worden.

Nu vond ik Rudi en Freddie wel gezellig. Daarom luisterde ik er nog wat podcasts bij; eentje over bitcoins waar ik helemaal niets van begreep, een aantal over de Nederlandse politiek en – toen ging het mis – een aantal over de zuivelindustrie.

Wat ik me nu (pas) werkelijk besef, is dat ik weg moet blijven van melkproducten als ik niet wil dat er kalven voor mijn consumptie bij de koe worden weggehaald (vindt koe noch kalf leuk), om vervolgens te worden vetgemest voor de slacht, mits ze zelf niet als melkkoe kunnen dienen (omdat ze bijvoorbeeld een mannetje zijn). Daar had ik natuurlijk eerder over na kunnen denken, maar dat heb ik niet gedaan. Sindsdien zit ik met de gebakken veganistische peren.

Er is daarbij überhaupt veel mis met de zuivelindustrie en de impact van die industrie op het klimaat geeft op zichzelf al een solide motivatie om wat minder zuivel te consumeren. Mochten jullie geïnteresseerd zijn, luister dan naar deze podcast, of juist niet, want het kan onpraktische gevolgen hebben.

Want ik kan er zelf nauwelijks meer omheen: mijn consumptie van melkproducten strookt niet met mijn wens om een zo min mogelijk negatieve impact te hebben op dierenwelzijn (en het klimaat). En dat vind ik best heftig. Een veganistisch dieet volgen is überhaupt vrij ingrijpend, laat staan in een Franse vallei waar het volk ’s winters prat gaat op alle vlees- en kaasgerechten en al moeite heeft met vegetariërs. Daarbij zit ik zelf nog boordevol vooroordelen over veganisten en wil ik absoluut niet ‘die ene zijn die moeilijk doet’. Maar ik kan niet inconsequent mijn voedingskeuzes meer maken. Het houdt gewoon een beetje op.

Dus heb ik twee veganistische kookboeken gekocht en probeer ik het maar.

Hoe het me precies afgaat?

Daar zal ik vast nog wel een aantal blogs aan wijden.

De reden waarom ik er überhaupt over schrijf, is natuurlijk niet (persé) om jullie te overtuigen van de noodzaak om veganist te worden, om reclame te maken voor de Rudi & Freddie Show of om aan te tonen dat ik zo’n verschrikkelijk goed mens ben. Ik doe nog genoeg kwaad (voor details, stuur me een mail) en Rudi en Freddie ken ik verder niet. Natuurlijk vind ik het een interessant avontuur, maar ik denk dat ik al schrijvende vooral de behoefte voel om mijn ingewikkelde, vermoeiende, sociaal-niet-wenselijke keuze uit te leggen.

En nogmaals: voor het hele verhaal en elk mogelijk argument dat ik zelf eventueel zou kunnen hebben (gestolen van mensen die intelligent overkomen), luister deze podcast.

(Credits vooral aan Roanne van Voorst, auteur van het boek Ooit aten we dieren. Zij is het immers die me gedurende de podcast heeft overtuigd en was ook nog eens op een blauwe maandag mijn werkgroepdocent. Dat vind ik dan wel weer leuk. Al vond ik haar doodeng en moest ik allemaal doodenge presentaties geven die me nog steeds achtervolgen in mijn ergste nachtmerries.)

Ik vind dit beest dus onfatsoenlijk schattig. Daar kun je ook vraagtekens bij zetten.

Aan de bar

Het is eerste kerstavond. Op de hoek van de bar is een jongen komen zitten. Omdat het binnen koud is, zo’n 15 graden, heeft hij zijn jas nog aan en reikt zijn muts tot over zijn oren.

Hij is onze enige gast. Ik ga met tegenzin het gesprek aan, want ik ben murw van verveling sinds Covid de Grote Stilte naar onze bar bracht (de klandizie is voornamelijk Brits), kamp mede daarom al dagen met een lek in mijn tank van sociaal enthousiasme voor vreemden en kan toch niet veel anders. Mijn collega is verdwenen in de keuken, de bar is absurd schoon voor het soort vermaak dat wij bieden, de koelkasten puilen uit, we hebben genoeg limoentjes gesneden om cocktails te maken voor de hele vallei.

Na gesproken te hebben over mijn herkomst (Amsterdam) en de zijne (vergeten), begint hij over zijn beste vriendin, die de feestdagen in Briançon doorbrengt en tevens haar ex bezoekt. Die ex is toevallig ook de huisgenoot van de gast aan de bar, en de huisgenoot probeert haar blijkbaar deze eerste kerstavond te heroveren. Ik moet er even over nadenken. Met name omdat ik vermoed dat de ex in kwestie precies dezelfde dame is die volgens getuigenissen afgelopen nacht bovenop mijn verantwoordelijke heeft doorgebracht. Dat zeg ik niet tegen mijn gast.

Techno klinkt luid door de speakers. Mijn collega houdt enorm van techno. Hij komt aanzetten met gefrituurde kip, falafel en ketchup. Ik duw af en toe een falafelbol in de ketchup en buig mezelf over de bar om mijn enige gast te kunnen verstaan.

Die begint enthousiast een inschatting te maken van de kansen van zijn huisgenoot om zijn ex terug te winnen, maar wordt onderbroken door de komst van vier jongens. Ik heb ze al eerder gezien, ze zijn elk een jaar of dertig oud met keurig gekapt haar, dure winterschoenen en een aanwezigheid die me op de een of andere manier tegenstaat. Ik ben in een matig humeur, zij spelen biljard. Na een tijdje zijn ze dronken en vind ik ze eigenlijk wel gezellig. Eentje heeft toevallig een jaar in Maastricht gestudeerd, iets met human rights. Even popel ik om hem te vertellen over de migrantenproblematiek van Briançon waar ik zo verschrikkelijk bij betrokken was, maar dan wantrouw ik mijn motieven en houd mijn mond.  

‘Het zijn rijkeluisjongens’, zegt de gast aan de bar, knikkend naar het gierende viertal. ‘Hoe weet je dat?’, vraag ik hem toch een beetje nieuwsgierig. Hij zegt iets over vijftigbiljetten, ik versta hem slecht omdat de techno hard door de ruimte dreunt of ik zelf ondertussen doof ben geworden. Daarna kijk ik voor lange tijd wezenloos op mijn telefoon, hij ook, mijn collega ook, en spelen de jongens hun biljard.

Even later merk ik dat een van de jongens contact legt met de gast aan de bar. En weer, en weer, en weer. Hij strijkt door zijn blonde lokken, schuift een barkruk aan en gaat op een gegeven moment zo dicht bij de gast zitten dat ik me afvraag of ze flirten. Tot mijn verbazing richt de gast zijn aandacht tot mij en vraagt om een papiertje. ‘Wat voor een papiertje?’ ‘Gewoon, een papiertje.’ Mijn collega is me te snel af en geeft de jongen een blaadje van het notitieblok. Die komt van zijn kruk af en gaat direct naar de WC.

Vragend kijk ik mijn collega aan.
‘Cocaïne’, fluistert hij.
‘Oh’, antwoord ik.

Natuurlijk. Dat had ik kunnen weten. Cocaïne en kerstmis gaan namelijk prima samen.

Een uur later zijn de jongens verdwenen maar zit de gast nog aan de bar, inmiddels omringt door zijn vrienden. Die hebben de nacht ervoor zo hard gefeest dat ze lijden onder hun kater, een reden om limiet onbeleefd te zijn. Ik kan interesse noch sympathie voor ze opbrengen en kijk elke vijf minuten naar de klok op mijn telefoon. Die brengt me gestaag naar mijn verlossing.

Om tien uur zit ik in de auto, om half elf kruip ik bij Thibault in bed. Ik sla mijn armen om hem heen en fluister in zijn slapende oor dat ik volgend jaar toch eigenlijk wel kerstmis wil vieren.



(Misschien schets ik een nogal grim plaatje van mijn werk in een bar, dit was absoluut niet de beste avond. Er zitten goede bij.)

Kiezels


Les Terrasses is de naam van het voormalige bejaardentehuis waar Refuge Solidaire de eerste drie verdiepingen huurt. Zowel de tweede als derde verdieping geeft toegang tot een drietal terrassen waar migranten ’s winters hun sigaret roken en ’s zomers in de zon zitten.

Het terras op de derde verdieping is zo groot als een basketbalveld en ligt vol met kiezels. Misschien was dat prettig of mooi voor de bejaarden, maar migranten hebben er niet zoveel aan (je kan er nu eenmaal niet zo goed op basketballen). Toch hebben de kiezels tot een vorm van amusement geleid.

Drie Afghaanse broertjes tussen de vier en zeven jaar oud verveelden zich op een willekeurige herfstdag in het vluchtelingencentrum en stuitten toen op een terras vol kiezels. Ze vulden elk een handje, liepen naar de rand van het terras, zetten hun voetjes op de onderkant van de stalen balustrade en probeerden een voor een verschillende objecten te raken. De weg lag daar zo’n vijf meter onder. Blijkbaar mikten ze vooral op geparkeerde auto’s van de buurtbewoners, en (godzijdank) niet op voetgangers, fietsers of ander langsrijdend verkeer.

Wij werden van hun spel op de hoogte gebracht door een tweetal buren dat plotseling in de receptie verscheen en getuigde van een wonderlijke kiezelregen. Ze hadden hun auto’s met urgentie moeten verplaatsen. Geen schade. Wij grepen natuurlijk direct de kinderen in de kraag en brachten ze naar hun ouders, wat lang niet zo leuk bleek als het gooien van kiezels op objecten.

Even later stond er daarom nog een buurman op de stoep. In de voorruit van zijn auto zat een enorme barst. Boos was hij niet, verre van. Verlegen misschien zelfs. ‘Ik begrijp dat jullie er niets aan hebben kunnen doen, maar ik ga toch langs de politie, want mijn ruit moet nu eenmaal vergoed worden. Ik heb mijn auto elke dag nodig maar zit financieel ook weer niet zo ruim. Het spijt me op recht.’

Onze verzekering dekte ons niet, waardoor we meer dan 600 euro voor de ruit moesten neerleggen. Aan de kiezels konden we inderdaad weinig veranderen, want geld om het terras te vervangen hadden we niet en als we ze gewoon weg zouden halen, dan zou blijkbaar het gebouw onderlopen bij de eerstvolgende regenval. We konden evenmin de kinderen in de gaten houden, omdat we al nauwelijks de mankracht hadden om het dagelijks leven op correcte wijze te organiseren. Alleen de komst van de winter en een flinke lading sneeuw zou ons kunnen helpen, en die kwam zoals afgesproken zo’n maand later.

Tot onze verassing stond er toen ook iemand anders voor de deur: de buurman. In zijn handen hield hij zijn CV. ‘Ik kom vrijwilligerswerk voor jullie doen. Ter waarde van 600 euro, plan me maar in.’ Hij had er niet van kunnen slapen, zei hij, want Refuge Solidaire had die 600 euro ongetwijfeld zelf nodig gehad, en hij toch ook wel, maar wij misschien nog meer, maar hij ook écht, en de enige manier voor hem om zich er goed over te voelen, was om ons te helpen.

De eerstvolgende keer dat ik hem zag, stond hij in onze keuken boven een enorme pan met groentesaus.

Vandaag denk ik aan duizenden kiezelsteentjes onder een laag sneeuw, de fantastische buurman van Refuge Solidaire en drie Afghaanse broertjes die misschien wel ergens in Europa een klein beetje dat gekke kerstfeest van ons vieren.   

Een deur en een kompas


Sinds ‘het contract’, dat na mijn laatste werkdag bij Refuge Solidaire zo is gaan heten, heb ik moeite met schrijven. Zodra ik achter mijn laptop ga zitten, voelt het alsof ik op het punt sta om een deur te openen naar een gigantische storm met windstoten die me stuk voor stuk op zullen pakken, mee zullen nemen, heen en weer zullen schudden en me uiteindelijk als lapje voor het scherm zullen achterlaten.

Daarom eindig ik meestal op een nieuwssite, of iemands anders blog.

Mijn theorie was aanvankelijk om de deur telkens op een kiertje te zetten en kleine vraagstukjes door te laten. Maar zonder de storm waar ze vandaan komen en deel van uit maken, lijken ze nauwelijks kracht of betekenis te hebben. Wat ik nu denk is dat ik gewoon aan de storm moet wennen (of de deur voor altijd gesloten moet laten, een verleidelijke optie).

Wat is die storm dan? Ik vermoed chaos. Het niet werkelijk begrijpen van ongelijkheid, mijn eigen positie en rol daarin en wat die impliceren voor mijn dagelijks leven, mijn verantwoordelijkheden en het soort persoonlijke toekomst waar ik me zelf goed genoeg over moet voelen.

Ik zeg vaak tegen Thibault: het voelt alsof mijn morele kompas op hol is geslagen. De manier waarop ik gewend ben om te leven en te denken ligt niet meer in lijn met mijn gevoelsmatige polen van goed en kwaad. Daarom kan ik die deur naar die storm (mijn excuses voor al die metaforen, ik kan even niet anders) niet zo lang meer gesloten houden, het is immers best vreemd om toch de hele tijd een beetje te voelen dat er iets niet helemaal meer klopt.

Wat ik misschien even moet vermelden is dat ik sinds het contract mijn ‘oude’ leven weer heb opgepakt. In grote lijnen: ik werk in een bar, studeer, ski en klim. Daarbij werk ik één dag in de week vrijwillig voor Refuge Solidaire, en word ik dus tegenwoordig vergezeld door één gesloten deur naar een gigantische storm en één op hol geslagen moreel kompas.

Natuurlijk piept die deur af en toe open, met alle gevolgen van dien. Wat ik me in de dagen daarna altijd grondig besef is mijn gebrek aan kennis, misschien wel mijn gebrek aan een filosofische basis (is dat nodig?) en in elk geval een groot gebrek aan gereedschap om een soort van positie voor mezelf uit houwen in die grote chaos van een wereld. Het lukt me zelfs nauwelijks om een mening te vormen, nu ik een klein beetje heb ervaren hoe ingewikkeld, chaotisch, oneerlijk en schrijnend het allemaal is.

Voorlopig moet ik het daarom doen met andermans analyses en meningen.

Je zou ook kunnen zeggen dat ik gewoon een beetje in de war ben. Deze gehele blog had ik misschien als volgt kunnen schrijven: Momenteel schrijf ik wat minder want ik ben een beetje in de war.

Verder gaat het overigens wel gewoon goed. Zolang ik kan klimmen en skiën, ben ik nu eenmaal dikwijls blij als een kind. In hoeverre mijn huidige leven echter ‘houdbaar’ is, wanneer de wijzers van mijn morele kompas zich eindelijk zullen kalmeren en vooral in welke stand ze stil komen te staan, wat de werkelijke impact is van het eventueel ‘openen van de deur’, in hoeverre deze metaforen werkelijk staan voor de verwarring die ik voel, dat alles weet ik niet. Het enige wat ik hoop, is dat het me toch lukt om erover te schrijven (met eventuele gevolgen van dien), omdat zelfs een chaotisch verhaal als het bovenstaande me enigszins helderheid geeft in wat er gaande is en toch ook wel een interessante periode weergeeft.

(Metaforen waar ik ook nog aan heb gedacht: de struisvogel en de kop in het zand, het leven in een bubbel en natuurlijk het wel of niet de kop uit de bubbel steken (of de bubbel die spontaan uit elkaar spat)).




Het drama van de dertigjarige vrouw


Al vanaf mijn veertiende brengen verjaardagen de crisis van het ouder worden. Sinds mijn denken enigszins op gang is, ben ik me tergend bewust van de voordelen van onwetendheid, roekeloosheid en onverantwoordelijkheid. Ik wil niet terug, maar alles dat me dichter bij het drama van de dertigjarige vrouw brengt maakt me dieptreurig. Ik ga mijn creativiteit vastbinden met ductape. Eenieder die zich waagt aan mijn vertrouwen en optimisme stuur ik mee naar Spanje. Ik heb back-up van honderd zwarte pieten, elke verjaardag, hoe oud ik ook word.

Ik vind het mooi om te zien hoe mijn vrienden steeds noemenswaardiger worden. De tijd brengt ons persoonlijkheden. Toch, vanuit een duistere invalshoek, brengt de tijd me dit jaar eenentwintig niet uitgevonden eieren. Een ei per jaar. Ik had een tophockeyende soulartiest met Braziliaanse kinderen, bestsellers en een grote gekleurde pappagaai kunnen zijn.

De eerste pepernoten herinneren me eraan, maanden voordat ik jarig ben. Wanneer de Albert Heijn vol kinderschoenen staat weet ik dat Sinterklaas is gearriveerd, met de crisis van het ouder worden in de juten zak van zijn zwarte pieten.

Maar dit jaar heb ik wél een ei uitgevonden. En dat is het ei der besef van daadkracht. Ik word geen treurige dertiger wanneer ik geen treurige dertiger wil worden. Ik word gewoon heel blij, altijd, ongeacht hoe vaak ik Sinterklaas al aan wal heb zien stappen. Dus nu ga ik pepernoten eten en een feestje vieren op de beat van de zwarte pietenrap.

Ik heb het niet kunnen vermijden: vandaag ben ik dertig geworden. Daar stel ik mijn 22-jarige zelf natuurlijk bijzonder mee teleur.

Ik vind het zelf wel leuk.
Zo leuk dat ik zelfs een feestje heb gevierd (met allemaal andere treurige dertigers).

Liever word ik ouder. Het bevalt me wel. Ik ben dankbaar, blij en nieuwsgierig.

Op naar het drama van de veertigjarige vrouw.

De enige juiste manier om jarig te zijn: met Fiek in de sneeuw.

De Franse Jatpiet



Rommelpiet had de hele klas overhoopgehaald. Stoeltjes waren omvergelopen, de grond lag bezaaid met legoblokjes en Zondag volgde gek genoeg op Dinsdag. Het was 18 november en ik bracht een ochtend door tussen zestien uitgelaten kleuters onder de hoede van mijn moeder, in groep 1/2 van een basisschool in Hoofddorp. En het wás nogal een ochtend. Disco-sinterklaasmuziek klonk al door de aula om een uurtje of acht. Rommelpiet had ook de tafels op de kop achtergelaten en zelfs per ongeluk alle schoentjes verstopt, maar tot ieders opluchting was het tevens in hem opgekomen om in elk schoentje een chocoladesinterklaas te stoppen.

Hoe leg je dit nou uit aan je Franse vrienden? Ze weten vaak niet eens dat Sinterklaas bestaat (en wij in Nederland grotesk zijn verjaardag vieren). Meestal pak ik al gauw de kerstman erbij, waar hij nu eenmaal erg op lijkt, en laat de stoomboot, roetveegpiet en wortels voor het paard min of meer achterwege zodra ik merk dat de interesse van mijn Franse gesprekspartner nu ook weer niet reikt tot Diewertje Blok van het Sinterklaasjournaal.

Maar omdat ik nu eenmaal vlak voor vijf december in Nederland was en via de kleuters razendsnel besmet raakte met het Sinterklaasvirus, vond ik het bijzonder leuk om stiekem mijn tas vol chocoladeletters, pepernoten en marsepein te laden en het geheel naar Frankrijk te schepen (met de Flixbus). Tot drie keer toe ben ik op mijn vaders achteruittrapremfiets naar de winkel gereden om alle juiste letters bij elkaar te verzamelen.

Nu ben ik zelf denk ik nét iets georganiseerder dan rommelpiet, maar toch moest ik tijdens het reizen terug naar Frankrijk behoorlijk op mijn spullen letten om niet alle chocoladeletters per ongeluk in het toilet van de bus achter te laten. Daarom bestempelde ik één groene rugtas tot belangrijke-dingen-tas die ik niet uit het oog zou verliezen. Daarin zat: mijn laptop, spiegelreflexcamera, portemonnee, telefoon, paspoort, etui met lievelingspen, dagboek en meditatieboek (om kalm te blijven wanneer ik toch zou ontdekken dat ik de chocoladeletters in het toilet van de bus had achtergelaten).

Halverwege de busreis kwam ik erachter dat ik de allermooiste chocoladeletters, de T van Thibault en de F van Fieke, gekocht in een echte chocoladewinkel in Haarlem, bij mijn ouders vergeten was. Mijn moeder, die het belang van dit soort zaken natuurlijk direct juist inschat, had de letters gelukkig al lang in een kartonnen doos op de post gedaan. Na een flinke reis, en met een redelijk gevoel van succes, kwam ik die middag aan bij de ouders van Thibault in Grenoble en liet behoorlijk trots al het snoepgoed aan mijn vriendje zien. Daarna stopte ik de chocoladeletters wijselijk terug in mijn bagage, want ik had al eens eerder meegemaakt wat er gebeurt als je Thibault en Hollands Snoepgoed zonder surveillance in dezelfde ruimte achterlaat.

We deelden natuurlijk wel een zakje truffelpepernoten.

De volgende avond zouden we mijn reis terug naar Briançon met de auto voortzetten. Daarom besteedde ik verder geen aandacht meer aan mijn organisatie en veranderde gedachteloos de inhoud van de belangrijke-dingen-tas. Daarin zat nu: al het snoepgoed en nog steeds het etui met mijn lievelingspen, mijn paspoort, dagboek en meditatieboek. We maakten van de gelegenheid gebruik om met wat vrienden uit Grenoble falafelbroodjes te eten en parkeerden de volgeladen auto in het centrum van de stad (daar hadden we misschien iets langer over moeten nadenken). Toen we een uurtje later terugkwamen zei ik verbaasd tegen Thibault: ‘Kijk dit nou, het slot in de deur van de bestuurder is er niet meer’. Een gapend gat zat op de plek waar ik de sleutel wilde steken. ‘Oh’, zei hij, ‘dat is me nog niet eerder opgevallen. Mis je iets?’ Ik wierp vlug een blik op het binnenkantje van de auto, maar omdat Thibault nog een stuk rommeliger is dan rommelpiet en hij de auto twee weken lang voor zichzelf had gehad, zag ik zo één twee drie niets ontbreken. Mijn portemonnee lag gewoon in het handschoenenvak, de spiegelreflexcamera weggestopt achter een laag tassen op de achterbank en mijn laptop in mijn reistas in de koffer.

De volgende morgen werd ik vrolijk wakker, want ik zou de hele dag lang voor cadeaupiet spelen en mijn Franse vrienden ongevraagd een klein beetje ons grote Sinterklaasfeest mee laten vieren. Tien minuten later constateerde ik met verdriet het bestaan van de Franse jatpiet: de belangrijke-dingen-tas was natuurlijk nergens meer te bekennen.

Die tas blonk uit in wat er allemaal in had kunnen zitten maar er nu bij toeval niet meer inzat: mijn laptop, spiegelreflexcamera, portemonnee, telefoon en de twee allermooiste chocoladeletters die een paar dagen later via de post zouden aankomen.

Helaas laat een dagboek vol reflecties op twee bijzondere jaren zich toch ook niet zo makkelijk vervangen en kun je een lievelingspen niet zomaar weer aanschaffen. Mijn paspoort voelt daarbij bijzonder waardeloos in handen van een Franse jatpiet maar o-zo-praktisch in de mijne en dat meditatieboek had ik best wel acuut kunnen gebruiken om het zojuist geleden verlies te relativeren.

Uiteraard had ik die bende van Franse jatpieten ook liever niet willen belonen met een tas vol snoepgoed. Waar ik dan stiekem toch wel een klein beetje om kan lachen: hun buit was waarschijnlijk uiterst onverwacht. Ik zie ze voor me in hun kamer, hoopvol de tas openritsen en met verbazing al die chocoladeletters tevoorschijn halen. Geen cent rijker maar dan toch plotseling smikkelend in een hoekje van de kamer, de ogen groot van al de suiker, flink wat chocolade rond hun mond, de grond bezaaid met pepernoten, marsepein en lege letterdozen, waarop de eerste letters van de namen van mijn Franse vrienden tegen die tijd bijzonder betekenisloos staan afgebeeld.

Ik hoop dat ze er dan toch maar van genieten, dat Sinterklaasfeest van ons.

(Ik had in dezelfde tas ook appelstroop, stroopwafels en verschillende soorten hagelslag gestopt, waaronder krokodillenhagelslag voor Thibault. Het stemt me nog steeds triest dat ik hem daar nu niet meer mee kan verassen. Voordeel is dat ik ongetwijfeld binnenkort naar Nederland moet voor een nieuw paspoort; dan koop ik vijf van die pakjes krokodillenhagelslag, stop er in elke tas één en doe er meteen maar eentje op de post. Dat lijkt me nog de veiligste route.)

(En ik hoop natuurlijk stiekem dat de Franse jatpiet door het Franse broertje (of achterneefje of iets dergelijks) van Sinterklaas wordt aangesproken op zijn gedrag en onder dreiging van een enkeltje Spanje mijn dagboek, paspoort en pen terug komt brengen, desnoods vol roetvegen. Dan zal ik nooit meer een auto vol chocoladeletters in Grenoble parkeren, want ik snap best dat je ze daarmee in de verleiding brengt.)

Partytent

De eigenaren van Les Terrasses Solidaires besloten een week voor het einde van mijn contract om het gebouw te sluiten voor al haar huurders, een dag na de inauguratie van de nieuwe locatie, omdat ze erachter waren gekomen dat de situatie vrijwel onhoudbaar was (de migranten lagen weer eens in bosjes in het couloir). Het was eindelijk tijd voor de overheid om haar verantwoordelijkheid nemen. We zouden pas heropenen als zij ons beloofde zich te ontfermen over de migranten die wij volgens de norm van het gebouw geen plek meer konden bieden (nummer 81, 82, 83 etc.)

De migranten worden nu al een week lang ondergebracht in een zaal naast de kerk, en de overheid wil niet onderhandelen (die vindt het misschien wel prettig dat we moesten sluiten). De kerk ligt onderaan Briançon en Les Terrasses bovenaan; we slepen al het eten, de dekens en de vrijwilligers dus heen en weer tussen beide locaties.

Inmiddels is er geen plek meer over in de kerkzaal en hebben we een extra tent moeten opzetten. Van veraf lijkt het op een witte partytent die ook op een bruiloft had kunnen staan, en soms hangt er inderdaad iets feestelijks in de lucht, wanneer de jongens voetballen of in de rij voor het buffet staan (immer rijst met saus). Maar vanmorgen begon het te sneeuwen en vannacht wordt min twaalf voorspeld. We hebben onder andere twee families met kinderen op waggelleeftijd. Het geeft een mooi plaatje, hun koppies omringt door dikke sneeuwvlokken, waar je zomaar ’s nachts wakker van zou kunnen liggen.

Ik doe ondertussen aan fulltime vrijwilligerswerk. Daarom heb ik nog geen tijd gehad om na te denken. Niet over die sneeuw of de combinatie van sneeuw en migranten, noch over de groteske aankondiging van de winter (het sneeuwt hard), de bergen en dat andere leven dat ik eens leidde. Een paar dagen geleden viel een cursusgenootje van de CRET van een berg in Nepal, daar heb ik ook nog niet over nagedacht. Ik voel dat alle reflecties en emoties in de wacht staan (ze popelen om toegang).

Er staan ook veel onafgemaakte verhalen in de wacht. Over Afghaanse kindjes die kiezelstenen naar voorbijrijdende auto’s gooien en de vooruit van de buurman breken, over zakjes urine in een bus, over een migrant die zijn laatste 10 euro besteedt aan het vervoer van een andere migrant en daardoor mijn receptioniste in huilen doet uitbarsten, over een vrijwilliger met OCD die te midden van de ergste crisis nog steeds kledinghangers op kleur, materiaal en dikte sorteert en over het vreemde fenomeen van de politie die blijkbaar regelmatig met ons meeluistert, waardoor ik me constant afvraag welke amusementswaarde mijn dagelijks leven heeft voor de meneer of mevrouw aan de andere kant van de lijn (Thibault ik heb honger jij kookt vanavond, nee, de kat is bang voor de hond en trouwens er is geen toiletpapier meer).

Die komen er dus aan. Eind deze week ontmoet ik mijn kersversje nieuwe maatje Abel in Zwitserland, daarna pak ik de trein naar Nederland en daar vind ik vast de woorden. In elk geval de nodige afstand en misschien zelfs de rust om chocola van het geheel te maken.

Moeilijke mannen



Op de ochtend van mijn eerste werkdag in het vluchtelingencentrum, vroeg een collega me of ik haar wilde helpen bij de ronde langs de kamers, want haar Engels was zo slecht. Achter de eerste deur die we openden, om half tien ’s ochtends, lagen zo’n tien mannen op veldbedjes te slapen. We spraken luid om ze wakker te maken, vroegen naar hun naam en legden ze uit dat er die middag een auto naar Lyon zou rijden met vier vrije plekken. Of ze naar Lyon wilden.

Het gros besloot ons te negeren, zij die zich naar ons omdraaiden keken boos, een enkeling sloeg demonstratief de deken over het hoofd. Mijn collega liet zich niet negeren en bleef zichzelf herhalen in haar Franse Engels (Franglais zeggen ze hier), ik probeerde met een man te communiceren die zich inmiddels half had opgericht en met opgetrokken wenkbrauw naar me keek. Hij sprak redelijk Frans. Ja, ja, ja, zei hij, het is goed, het is goed. Ja, ik kom mezelf melden, ja, ik ga weg. Ik zag aan hem dat hij wachtte tot ìk weg zou gaan, om door te gaan met slapen. Daarom zei ik dat ik hier was om hem te helpen. Daar moest hij breed om glimlachen (ik realiseer me nu hoe vaak hij dat al gehoord moet hebben). Wat is je naam – vroeg ik. Zijn antwoord maakte mannen aan het lachen waarvan ik niet eens wist dat ze naar ons geluisterd hadden. Ik werd voor de gek gehouden.

Uiteindelijk dropen we af.

Die interactie zette de toon voor hoe ik vervolgens met deze man en zijn vrienden zou omgaan. Ze maakten deel uit van een groep die al veel te lang was gebleven en nog veel te lang zou blijven, ’s nachts dronk en overdag de roes uitsliep, betrokken was bij steekpartijen en drugshandel, meermaals werd verdacht van stelen en rondliep door het gebouw alsof ze er de baas was – wat ze in zekere zin ook was. Ze hingen vaak in de ruimte bij de achteruitgang en knipten of schoren elkaars haar voor vijf of tien euro (afhankelijk van hoezeer ze je waardeerden), lagen onderuitgezakt op een bank die we uiteindelijk maar hebben weggehaald en rookten, soms buiten, soms uit het raam, soms binnen. Dan zei ik op luide, kwade toon dat ze niet binnen mochten roken en reageerden zij met ‘ja, ja, ja (oui madame)’, geduldig wachtend op mijn afgang om hun gedoofde sigaret weer aan te steken.

We noemden ze de maffia of de bende van de kapper. De kapper met zijn scheerapparaat en zijn vermoedelijke handeltje verdiende waarschijnlijk drie keer meer dan ik per dag. Iemand vroeg me gister nog: zouden ze zo ver zijn gegaan als mensen voor bedden laten betalen?

(Wat ze tevens deden is het volgende: zoeken naar de mooiste kleding in het kledinghok en die verkopen in Briançon. Wat een handige bliksems.)

Hoe meer incidenten, hoe bozer ik op ze allemaal werd. Alhoewel ik nooit echt tegen ze uitviel, was ik kortaf of negeerde ze vanaf het moment dat ik ’s ochtends binnenkwam. Ik nam me niet voor om onaardig te zijn, zag ook wel in dat hun situatie uitzichtloos was en waarschijnlijk altijd was geweest, maar het was alsof ik geen andere houding in mijn assortiment had liggen. Straatjongens uit Maghreb zonder toekomst in Frankrijk; niets in mijn leven had me op interactie met hen kunnen voorbereiden.

Het vervelendste was nog dat ik niet helemaal wist wie ongein uithaalde en wie, bijvoorbeeld, hielp in de keuken. Niet elke jongen begeleid door rapmuziek uit zijn telefoon, die onder een capuchon wijdbeens door het couloir liep, zette het ’s nachts op een drinken. Niet elke vriend van de kapper was geneigd om het mes te trekken. Niet elke Afghaan sprak de waarheid over hun rol in het conflict tussen verschillende groepen, sommige Maghrebanen speelden een cruciale rol in het behouden van de vrede. Ik reageerde gespannen op hen allemaal.

De kapper

Op een nacht raakte de kapper in gevecht en brak een aantal van zijn ribben, die dermate op zijn long drukte dat hij bijna niet meer kon ademhalen. De piepende, dubbelgeklapte man bracht ik de volgende morgen met spoed naar het ziekenhuis, in mijn auto, een enorme gestalte die er zo slecht aan toe was dat ik tijdens de rit hoopte dat hij bij bewustzijn zou blijven. Gelukkig was het ziekenhuis niet ver. Hij steunde vrijwel volledig op me toen we naar de ingang liepen, ik rook het wasmiddel van de refuge.

Een dag later kwam hij terug uit het ziekenhuis. De vrijwilligers lieten hem een aantal nachten uitrusten in het chalet, en telkens als ik langskwam richtte hij zich een klein beetje op (meer kon hij niet) om me te bedanken.

Ik merkte dat mijn houding als gevolg iets zachter werd, de interactie tussen de moeilijke mannen en mij misschien iets soepeler. Soms moest ik om ze lachen, soms zelfs met ze. Op relatief kalme toon vroeg ik ze hun sigaret te doven en legde uit waarom ze buiten moesten roken. Ik wist dat ze achter mijn rug gewoon doorrookten en me precies zo serieus namen als voorheen, maar ik voelde me in elk geval een stukje beter wanneer ik door de gangen liep.

Een paar weken later kroop de kapper terug op zijn troon, nog steeds wat krom. Hij wist een kamer voor zichzelf en zijn vrienden in te richten en ging door met het knippen en scheren van vluchtelingen. Al snel begon hij bekend te staan als de man die gemakkelijk zijn mes trok ’s nachts (hij ontkende) en leek bevelen uit te delen aan anderen. Mijn collega Lisa van de receptie sprak regelmatig met hem. ‘Ik bedoel, we weten allemaal dat hij weg moet. Maar die jongen is nog steeds geblesseerd en volledig in de war. Hij huilde vanmorgen, lijkt doodsbang om buiten te leven. Verslaafd, dat ook nog eens. Hij heeft écht hulp nodig.’

Het duurde niet lang voordat hij alleen nog kromliep binnen ons zicht. Wanneer hij onder vrienden verkeerde en niet doorhad dat we keken, had hij weinig last meer van zijn blessure.

Protocol

Het kostte mijn collega’s vele bijeenkomsten om tot een gezamenlijke beslissing te komen over onze aanpak van deze jongeren. Sommige wilden na elk gesprek de hele groep de volgende dag nog op straat gooien, sommige zochten naar oplossingen per geval. De messentrekkers en drugsdealers moesten eruit, daar waren we het allemaal wel over eens, maar wie precies, en hoe? Het gebouw was groot, er waren vier ingangen die vanwege brandveiligheid niet op slot konden en we hadden in het meest optimistische geval één nachtwaker voor drie nachten per week.

Samen met die nachtwaker ontwierpen we uiteindelijk een protocol en kregen direct de kans om het te testen. Wanneer iemand ’s nachts daadwerkelijk een bedreiging zou vormen en/of het mes zou trekken, zouden we wanneer nodig de politie bellen, en zo niet hem er ’s ochtends per direct uitgooien, en de dag erna weer, en de dag erna weer, en als het even kon zouden we hem hoogstpersoonlijk op de bus naar de stad zetten. De nachtwaker identificeerde die nacht drie jongens. Met een team van vier wekten we hen ’s morgensvroeg, hielpen hen bij het rapen van hun spullen (een tas met wat kleding, een telefoonlader en een tandenborstel) en begeleidden hen naar buiten.

Het was een ramp. De jongens zeiden sorry en we zullen het nooit meer doen en geef ons nog een kans. Buiten was het nog bitterkoud, de vroege morgen van Briançon. Wat zagen ze er plotseling jong uit.

Tegen het middaguur zaten ze beduusd in het zonnetje op ons terras, hun tas naast hen op de grond. We herhaalden dat ze hier absoluut niet welkom meer waren. Een van hen, een magere jongen in een okergele trui, leek in stukjes uiteen te breken. Spiertjes in zijn gezicht trilden, hij frummelde ongemakkelijk met zijn handen en keek ons niet aan. Zijn adem rook nog steeds naar alcohol. Via een vriend die was komen vertalen, zei hij dat hij zich niets meer herinnerde van de nacht en dat hij had gedronken omdat hij zulke grote problemen had, wat niet geheel onvoorstelbaar was (ik drink ook als ik in de shit zit, fluisterde Lisa in mijn oor).  ‘Mogen we op zijn minst een slaapzak meenemen, voor in het bos?’ Ik kwam terug met een drietal slaapzakken.

‘Geloofde je hem?’ vroeg ik Lisa achteraf. Haar antwoord: ‘Ik kies ervoor hem te geloven’.

Die avond voor het slapengaan dachten we allemaal aan het drietal buiten, maar de volgende morgen troffen we ze aan in het couloir van de refuge. Gelukkig maar, dacht ik. We betaalden hun ticket naar de stad en zagen ze die dag nog naar Marseille vertrekken.

Leerproces

De nachtwaker heeft afgelopen weekend zijn ontslag ingediend en komt dus niet meer terug. De nachten lijken desondanks rustig te verlopen. Wat er precies gebeurt wanneer werknemers en vrijwilligers het gebouw verlaten, weten we echter niet. De kapper heeft inmiddels zijn weg voortgezet, maar een nieuwe kapper is direct op het toneel verschenen. Nieuwe moeilijke mannen misschien ook, oude kunnen zomaar nog in Briançon rondhangen.

We constateren, improviseren, experimenteren en leren veel. Ik ben diep onder de indruk van mijn collega’s en vrijwilligers en heb er daarom eigenlijk best vertrouwen in, ondanks het feit dat het ons aan de kennis en ervaring ontbreekt om met dit soort problematiek om te gaan en we eigenlijk nog steeds niet helemaal met genoeg zijn. Twee nieuwe nachtwakers staan gelukkig in de planning, plus een drietal andere medewerkers. Maar we moeten wel genoeg tijd krijgen. Dat houdt vooral in dat het ’s nachts niet moet escaleren voordat we alles op pootjes hebben staan: geen zwaargewonden of erger.

Wat ik zelf inmiddels heb geleerd is dat het nooit helemaal perfect zal worden, en dat een zekere mate van chaos en improvisatie er nu eenmaal bij hoort. Wie er precies bij ons komt binnenwandelen, is elke dag weer een verassing, zowel wat betreft de vrijwilligers als de migranten. Laatst hadden we een volledig doorgedraaide Afghaan die met zijn gelach en geschreeuw binnen een halve dag de hele boel op zijn kop wist te zetten; daar valt geen protocol op los te laten. En omdat we een noodopvang zijn, nauwelijks getolereerd in Briançon, zullen we nooit de middelen hebben die het soort moeilijke mannen werkelijk nodig heeft: psychologische, psychiatrische of sociale hulp en het kleinste beetje begeleiding voor de jongeren, die echt nog niet zo verloren zouden hoeven zijn. (Wat er precies gedaan moet worden voor diegene die willens en wetens crimineel gedrag vertonen, dat weet ik oprecht niet. Confrontaties met hen stemmen me behoorlijk hopeloos.)

Ik heb tevens geleerd hoe verschrikkelijk moeilijk het is om mensen op straat te zetten en aan hun lot over te laten, al is het om bestwil van alle anderen. In een noodopvang kun je echter niet anders, het is het mindere kwaad.

En wat betreft mijn omgang met de moeilijke mannen: ik sta nog steeds aan het begin van mijn leerproces. Momenteel probeer ik vooral niet naar mijn eerste oordeel van iemand te handelen en ze allemaal een eerlijke kans te geven. Lisa is een groot voorbeeld voor me, die dat haast van nature lijkt te doen. Ik ben echter nog lang niet in staat om ‘tot ze door te dringen’, word regelmatig bespeeld, ga soms toch mee in mijn (voor!)oordeel en merk dat ik nog steeds contact met de moeilijksten vermijd, maar zoiets leer je geloof ik niet in zes weken. Daartegenover staan de mooie interacties die een open houding me soms oplevert, en die zijn behoorlijk wat waard.

Moeilijke mannen in het centrum.