Latest Posts

Mag ik de waterpistooltjes houden?

Ik heb helemaal geen zin om op te ruimen. Met name niet om schoon te maken. Het soort schoonmaak dat nog ergens over gaat ook, want Adria en ik zien beide graag onze borg terug.
Het ergste is nog dat ik dingen moet weggooien. Want ik heb nog steeds het stadium in mijn leven niet bereikt waarbij een opbergruimte hoort. Wat in een winkelwagen past, is van mij, de rest is een probleem.

Ik heb het grootste gedeelte van de tijd een dak boven mijn hoofd, maar omdat dat dak zo vaak van gedaante verandert kan ik nooit ergens iets opbergen. Toen ik uit Amsterdam vertrok liet ik een deel van mijn spullen bij mijn ouders achter en nog het meeste op de boerderij van de ouders van Fieke. Mijn hele boekencollectie. Al die dagboeken. Verhuisdozen aan emotionele waarde.
Er staat het een en ander opgeslagen in Marcels oude kamer in Spanje en alles wat ik deze winter heb geaccumuleerd ligt in stapels om me heen.

Wat nu.

Altijd reist de vraag: Wat is nu werkelijk de waarde van dit alles?
Stel dat de ouders van Fieke denken, weg met die dozen. Op een gemoedelijke avond gebruiken ze mijn boeken om de BBQ mee aan te houden. Wat is dan het verlies?
Ik denk dat ik niet eens een tiende van alle boeken daar op hun zolder bij naam zou kunnen noemen.
En al mijn zorgvuldig neergekrabbelde pubergedachten? Die zijn toch te gênant om terug te lezen (niet eens gênant: ronduit saai).

Het is een gevecht tegen mijn hamsternatuur dat ik uit praktische redenen moet zien te winnen. Meer nog is het een keuze: meer vrijheid is minder spullen.

Maar dan: Ik zet niet mijn nieuwe ski’s bij het grofvuil, noch mijn tandenborstel. Sommige dingen heb ik nodig. Sommige spullen zijn het resultaat van een grote investering. Sommige dingen maken me zielsgelukkig (de fluffy Tiroler bergmarmot die jodelt en het cadeau was van mama).
Ik wou dat er ergens in de wereld een plekje bestond dat van mij was. Ik bezit nog geen vierkante centimeter. Zelfs mijn oorbel zou ik niet zorgeloos kunnen opbergen.

Ik droom er wel van, een plekje.
Het is de tijd echter nog niet. Ik zou er teveel voor moeten opgeven.

Dus, wat is mijn zelfverkozen realiteit: Dat ik spullen weg moet gooien en voor de rest een oplossing moet zien te vinden. Ik geloof dat de zwervende alpinist doorgaans kiest voor een busje. Rondtrekken met de ijsbijlen, ski’s en camelots op een rugzak is eenvoudigweg niet mogelijk. Je wil een ruimte op wielen; niet eens om definitief in te wonen, maar vooral om al die stiekem peperdure zooi van een veilig onderkomen te voorzien.
In mijn geval betekend een busje echter een rijbewijs en tevens de aanschaf van het busje zelf. Een investering. Nog één.

Adria en ik hebben een week om het huis in te pakken. Een week om de waterpistooltjes in de prullenbak te gooien. Ik kan voorlopig links en rechts wat dingen kwijt en moet dan toch de realiteit onder ogen zien: Inderdaad dat rijbewijs en die bus, het huren van een opslagruimte of een semi-vast onderkomen.
Een week van ramen lappen en wc’s uitmesten om erover na te denken.

Wanneer komt overigens de tijd dat je spullen op een chippie kunt zetten? Dat ik mijn ski’s even online kan parkeren? Gewoon een mapje op de computer (Tiroler bergmarmot & waterpistooltjes)?

Aiguille d’Argentière

IMGP0692Ik ben er nog niet aan toe. Steepskiing, steil naar beneden skiën, hoe je het ook in het Nederlands noemt, ik vind het doodeng. Die diepte die onder me uit schiet brengt me ter plekke in een nachtmerrie. Uit de gletsjerspleet onderaan de helling steken dikwijls drie agressieve haaienkoppen en de rotsen met hun dodelijke tentakels wachten me bewegingsloos op. Kom jij maar hier, skiertje. Maak de fout maar.

Zondagochtend stond ik op de top van Aiguille d’Argentière te wachten tot de sneeuw zacht zou worden. Als het ijzig bleef ging ik daar niet naar beneden. Niet op ski’s althans. En als het zompiger werd, moesten we het nog maar zien.
Alleen de laatste helling vormt een uitdaging in de tour naar de Argentière. Glacier du Milieu begint dik en vriendelijk vanaf Glacier d’Argentière, slingert tussen de bergen heen en weer zoals ook de naastgelegen gletsjers Chardonnet en Améthystes doen. Plotseling echter wordt het steil en nauw, steil genoeg om niet op de ski’s en skins omhoog te kunnen en te nauw om te kunnen vluchten.
Precies daar was de sneeuw die zondagmorgen hard als een ijsblokje.

IMGP0693

Deze toer is niet zozeer te vergelijken met wat al die steepskiers hier doen, noch met de avonturen die mijn vrienden soms ondernemen. Maar ook hier kun je beter niet vallen, met name niet als het ijzig is. De uitkomst daarvan is vrij simpel. En zinloos.

Ik vraag Marcel vaak ‘yo, denk je dat ik hieraan toe ben?’ Hij kan mijn skiniveau beter inschatten dan ikzelf en heeft al die toeren al gemaakt. Nu zei hij: Dat hangt af van de conditie van de sneeuw en met name van jou mentaal.
Ik had die drie haaien al voor mijn geest zodra ik die morgen de deur van Refuge d’Argentière achter me dichttrok.

IMGP0695

Uiteindelijk ben ik wel naar beneden geskied. Ik durfde bochten te maken waar de zon had toegeslagen en ben het ijzige stuk op de zijkantjes naar beneden gegleden. Hart in mijn keel, gevloek in mijn gedachten en hardop de vraag: Waarom in vredesnaam.
Waarom? Omdat ik op avontuur ben binnen mijn grenzen en zondagmorgen eventjes buiten de deur gespiekt heb. Nieuwsgierigheid – kan ik dit al? Wil ik dit?
IMGP0701
Nee, nog niet.
Misschien dat ik me nooit onder het setje genadeloos coole steepskiërs zal scharen. Het lijkt de natuurlijke gang van zaken dat je steeds steilere wanden afskied, elk seizoen wat graden meer, maar ik weet niet of ik zit te wachten op de thrill van het steile. Eigenlijk heb ik helemaal geen zin om bang te zijn wanneer ik op ski’s sta. Het onheilspeilbare karakter van alpinisme is me meer dan voldoende, laat me gewoon een berg afskiën in een (relatief) comfortabel kader.
Met het zonnetje en mijn vrienden.
Ik kan me voorstellen dat, met de komst van meer ervaring, techniek en zelfvertrouwen, mijn grenzen alsnog verschuiven. Als dat de weg opent naar mooie, lange toeren, dan verheug ik me daarop.
Maar om het steile zelf zal ik het denk ik nooit doen. Want die haaien trekken zich niet terug in de gletsjerspleet en die rotsen hebben ongetwijfeld geduld.

IMGP0697

Gewoon weer de ski’s aan de voetjes: Domes de Miage

Ik was het best zat, dat skiën. Toen kwam er weer een lading sneeuw en dacht ik, shit, nu moet ik weer omhoog. Ik klim liever met blote bast langs een warme wand dan dat ik over een glibberige helling omhoog schuifel.
Een heel skiseizoen is eigenlijk wel genoeg.

Maar het skiseizoen is niet over als de sneeuw uit de vallei is weggetrokken noch wanneer de liften sluiten. Het is pas over als je eind juni in bikini aan de Noordzee ligt zonder motief om terug naar de bergen te keren. En zelfs dan kun je onverhoopt nog de Mont Blanc op.

Nu heb ik een klein probleem: Ik zit nog niet aan mijn tochtenlijst. Daar prijkt een resterend zestal best ingewikkelde toeren dat ik voor Januari volgend jaar er doorheen moet jagen. Op de graspistes van December 2017? Of moet ik van de zomer een ticket boeken naar de Zuid-Amerikaanse winter?
Handigst is toch wel om ze gewoon nu te doen, nu de sneeuw nog op loopafstand is.

Plotseling blijkt mijn probleem echter een gift: Twee dagen geleden maakte ik zomaar de mooiste alpine skitoer ooit. Zeg maar écht bijzonder. Dat ik even moest bijkomen van schoonheid toen we in de vallei aankwamen.

Les Domes de Miage, een drietal sneeuwtoppen boven Contamines, 3600m. Vanuit het dorp overbrug je een hoogteverschil van 2600 meter. Hop, hop, hop, alsof het normaal is.
’s Ochtends om halfzes begonnen we aan het wandelpad richting Refuge Tré La Tête, om zeven uur namen we koers richting de Conscritshut. Waar zijn ze, waar zijn ze, vroeg ik constant aan Marcel. Maar ze waren er nog niet, lagen gniffelend verscholen achter al die meters die we nog te overbruggen hadden.
In principe loop je om ze heen, je maakt een rondje: Door de bossen, dan door de rotsige vallei, dan over de Tré La Tête gletsjer die als een canyon gevangen ligt tussen twee wanden en daarna als een gigant naar de Domes de Miage loopt, een eindeloze witte tong tussen gigantische bergen.
En als je even niet oplet loop je zo tegen de Mont Blanc aan. Maar je slaat linksaf (tegen die tijd ben je bekaf) en loopt dan de nauwe, golvende graat van Les Domes de Miage op.
Om halftwaalf stonden we daar op de top. Tegenover ons lag de Mont Blanc, het hele ding, van arret tot arret, alles haarfijn zichtbaar. We pompten wat water en suiker in onze versleten benen en skiede vervolgens zo naar beneden, door een perfect laagje lentesneeuw. Over de Armancette gletsjer om het rondje te voltooien. Bochtje, bochtje, bochtje, geen wolk aan de lucht, geen enkele druk, niet één gedachte aan de tochtenlijst maar slechts alle zintuigen wijd open.

Die avond zat ik in de Pizzeria met mijn Italiaanse onderbuurman en mijn huisgenootje. De wc zat in de kelder. Ik kwam bijna de trap niet af en daarna bijna niet op. Maar de pizza was op in minder dan vijf minuten en de aperitief en digestief sloegen in als een bom.

Ik was het best zat, dat skiën, maar na deze toer heb ik me weer verenigd met mijn liefde voor het toeren. Gek genoeg lag er gisteren plotseling sneeuw in de vallei, zompig van hitte maar toch. Nu heb ik wel weer zin om mezelf over glibberige pistes omhoog te werken en de bergen door te zoeven. Nu vind ik het weer leuk.

Met 50 km/uur naar de Italiaanse kust

Weg hier, weg uit Chamonix, uit de regen en de stilte die eerst zoveel vrijheid gaf maar ons nu zenuwachtig maakt.
Op naar Finale Ligure. De Italiaanse kust en gigantische ijsjes voor maar drie euro. Drie bolletjes van smaak naar keuze plus slagroom plus chocoladesaus plus smartiedip, misschien niet heel Italiaans maar een monsterlijk feest.

_DSC0756

Zondag stappen we in de bus en nemen we de tunnel onder onze Mont Blanc door. Zodra we daglicht zien heeft Marcel opeens een intuïtie. Hij rijdt de scherpe bocht naar links en brengt ons Val Ferret in. ‘Hier ergens moeten de Grandes Jorasses zijn’, zegt hij. We rijden langs gigantische bergen in de avondschemer, een vallei zo heftig als Chamonix maar geen hond die er rondloopt.
De volgende morgen is de natuur van ons, en ook het uitzicht op de andere kant van het Mont Blanc massief. Alsof we in het geheim even mogen koekeloeren wat er zich achter onze lievelingsbergen afspeelt.

_DSC0782

In de namiddag rennen we op ski’s de tegenovergelegen bergen op. Daarna springen we in de bus op weg naar die kust met die ijsjes. We stranden in een heel klein Italiaans dorp en rijden de volgende dag verder, niet over de snelweg omdat we de tol niet willen betalen, waardoor we nog dertig dorpjes meer te zien krijgen. De bergen zijn anders en daarna is de vlakte anders. De taal is vreemd, de jonge vrouwen kleden zich modern zwart en kijken boos door hun bruine ogen met eyeliner boven en onder. Marcel denkt dat iedereen van de maffia is en sluit voor het eerst de bus af als we op jacht gaan naar ijsjes of een pauze op een bankje in de zon.
De volgende morgen zijn we nog steeds op weg, 50 km per uur omdat we nog steeds de snelweg mijden. We slaan linksaf een bergpas in. Chiusa; ons eerste concrete Italiaanse woord dat iets als ‘gesloten’ moet betekenen. We worden gedwongen over een ieniemienie lokale weg de bergen te doorkruisen, iets wat je als buseigenaar liever aan FWD zonder intern huis overlaat. Kom op, kom op! – moedigen we de bus aan. Ik geef klopjes op het venster en Marcel knijpt in het stuur.

_DSC0818

Een paar uur later trappel ik mijn beentjes in het water van de Italiaanse kust. De middellandse zee is helderblauw maar smaakt zout als de Noordzee. Er staat een wind en de golven zijn best hoog, ik word op en neer geduwd en trappel terug naar de kust.
Met natte haren vol zout kopen we later ijsjes in het centrum van Finale Ligure. De palmbomen schieten boven ons uit. De gebouwen zijn lichtroze, lichtgroen, lichtgeel, en de straten van Mei nog relatief rustig. We slenteren over de boulevard. Langs ons zoeven de scooters.
Voor het vallen van de avond zoeken we naar een klimgebied aan de kust, een van de klassiekers van Finale Ligure, waar je klimt in de zon boven de zee en mooie foto’s voor Instagram kan maken. In plaats van het te vinden duik ik een tweede keer in het water. De lucht is nog warm als ik me afdroog aan mijn trui en de zandkorrels tussen mijn tenen uit probeer te wrijven.

_DSC0863

_DSC0837

We besluiten maar het binnenland in te rijden, op zoek naar een klimgebied met een grot die Marcel inspireert. De kleine slingerweggetjes vormen weer een uitdaging voor de bus, maar deze is er inmiddels tegen opgewassen en gromt onaangedaan omhoog. Links en recht torenen plotseling de rotswanden boven de bossen uit. Geeloranje in contrast met felgroene bladerdekens. Een luid orkest van vogeltjes klinkt als Marcel de motor uitschakelt.
Met het laatste daglicht zoeken we naar de grot. Halverwege de klim naar de rotsen worden we tegengehouden door een vijftal dikke steenbokken die midden op het pad aan de boomblaadjes kluiven. Hun lange horens, bijna tot de helft van hun rug, bewegen mee met hun kaakbewegingen. Ze kijken dwars door ons heen. Gedrogeerd, allemaal, of gewoon zielsgelukkig.
We omzeilen ze en bereiken de grot, een lange donkere en glibberige gang omhoog tot een wonderbaarlijke ruimte vol daglicht, tufa’s en klimmers.

_DSC0849

De volgende ochtend hangen we zelf aan de tufa’s en vooral aan hele scherpe rotsrandjes die zich vastbijten in onze handen en afdrukken achterlaten die ’s avonds nog te zien zijn. De dag daarna moeten we ons verbijten bij elke greep die we vastpakken en de laatste dag is het een kwestie van lijden tot we bij het relais zijn.
Ondertussen blijven de vogels fluiten en zigzaggen we door monumenten, kerken en ruïnes, de kleine weggetjes in Finalborgo, klimwinkels zover als het oog reikt, pizza’s en Focaccia en nog steeds die ijsjes die zich elke nieuwe dag overtreffen in smaak en feestelijkheid.

_DSC0869

Het is een droevig feit dat onze Mont Blanc tunnelpas verloopt. Met 100 km per uur zoeven we terug over de snelweg. Het zout zit nog in onze haren, de ijsjes in mijn buik, onze handen zijn nog beurs en onze hoofden gewend aan het prachtige Finale Ligure. Maar als daar de Mont Blanc oprijst, de top een beetje verscholen achter de wolken, dan is thuiskomen zo droevig nog niet.

_DSC0872

U hoeft niet onder de tietpers

Een jaar geleden stond ik voor de spiegel bij Chambre Neuf. Een grote spiegel in de wc, altijd in vol ornaat omdat het daglicht ongehinderd door het raam schittert en de lamp ’s avonds weinig aan de verbeelding overlaat. We droegen toen strakke, donkerblauwe shirts en omdat ik zelf nog niet uitgeteerd was door het skiseizoen kon ik precies de lijnen van mijn lichaam volgen.
Hé, dacht ik opeens.
Mijn linkerborst is groter dan mijn rechter.
Ik was ervan op de hoogte dat borstmaten konden verschillen maar had tot dan toe gelijke borsten gehad. Na kort onderzoek moest ik concluderen dat er iets in de bovenkant van mijn borst was gekropen.
Vreemd.
Dat moet ik even laten controleren, dacht ik.

Maar goed, dat doe je dan niet, want het leven in het hoogseizoen draait op hoog tempo en knobbels in de borst draaien daar ongehinderd in mee.

Aan het eind van het seizoen werd mijn collegaatje plotseling wakker met een bult vlak bij haar oor. Ze ging naar de dokter en werd direct doorgestuurd naar Sallanches, ingepland op alle mogelijke kankeronderzoeken, als een hoopje emotie kwam ze terug op werk. De sfeer in de bar was grimmig. Zolang de resultaten niet terug waren was het leven van ons allen duister.
Ik heb een knobbel in mijn borst, dacht ik toen. Shit, ik moet ook naar de dokter.
Maar toen bleek het allemaal vals alarm, de bult op het hoofd verdween vanzelf en het vrolijke gefluit van de lente kreeg vrij toegang tot de werkruimtes.
En ik ging door met mijn leven.

Marcel was al die tijd op de hoogte van mijn knobbel, maar raakte er ook aan gewend.
Op een avond lagen we naakt in bed, in gesprek, en plotseling zei hij: Hé, you got another one.
Oh shit.
Aan de zijkant van mijn linkerborst voelde ik een klein bewegelijk knobbeltje, heel anders dan die andere, maar net zo vastbesloten om te blijven. Een maand later zat het er nog.
Ik vloog het internet op en kwam op de site van Pink Ribbon, en nog meer sites, klik, klik, klik. Waarschijnlijk niets maar toch even laten controleren, dat kwam overal uit naar voren.
Ik nam mezelf voor langs de dokter te gaan, een schimmig oud mannetje in een schimmig hokje verstopt in Chamonix waar je zonder afspraak langs kon, maar toen nam het leven weer vaart en bleef ik samen met mijn twee knobbeltjes.

Op een dag vertelde ik het casual aan Ben, kind van twee artsen, en die zei me: Je gaat nu naar de dokter of ik geef je nieuwe ski’s niet meer terug.
Die lagen nog in zijn auto van de skisessie van de vorige dag.
En hij gaf ze echt niet meer terug.
Dus ik sjokte naar de schimmige wachtkamer en wachtte op mijn beurt. Het duurde een eeuwigheid. Ik werd er zenuwachtig van. Ter afleiding appte ik met mijn zus, die op haar beurt mijn moeder op de hoogte stelde en opeens waren mijn knobbeltjes algemeen zorgwekkend goed.

Het schimmige mannetje kwam uit zijn schimmige hokje en zei me in het frans dat ik binnen mocht komen. Ik ging tegenover hem zeggen. J’ai un truc dur dans ma sein, zei ik hem, ervan uitgaande dat sein (borst) een vrouwelijk woord is, wat achteraf niet bleek te zijn. Hij vroeg me hoe oud ik was. Hoelang het er al zat. En fait, ilya deux, er zijn er twee.  Ze zijn verschillend. En zijn ze er altijd? Ja, zei ik, ze zijn er altijd.
Het Franse oude mannetje tussen zijn boeken en papieren, de donkere meubels, het stof en stille daglicht, het vooruitzicht van mij naakt; ik was in een verjaarde film. Turks Fruit. Nog nooit had ik die gezien maar ik wist wel dat er een hoop naakt in voorkwam.

De dokter zei niets. Hij wees naar de plank of het bed of hoe je het ook noemt waarop je plaats neemt bij de dokter en ik nam plaats. Omdat hij niets zei trok ik zelf mijn shirts maar uit.
En toen onderzocht hij mijn borsten.
Hij heeft dit zo vaak gedaan, dacht ik.
Wat zijn het eigenlijk, borsten.
Een borst, twee borsten.

Hij vond mijn knobbeltjes en leek meer geïnteresseerd in de meest recente dan in de oude. En ze verdwijnen niet na je periode?
Nope.
Ik zag aan hoe hij mijn tepels onderzocht, hoe hij vervolgens wegliep, de deur uit en het balkon op, zonder iets te zeggen, hoe hij een sigaret opstak en ik zat daar nog. Ontbloot bovenlijf. Terwijl hij zijn brandende sigaret liet rusten op de balkonrand trok ik mijn shirts weer aan, want ik wist het ook niet. Vervolgens nam hij plaats achter zijn bureau, haalde een stel papieren uit een lade en begon ze in te vullen.
Uiteindelijk zei hij me hetzelfde als de internetsites: Het was waarschijnlijk niets, maar we moesten het toch even laten controleren.

Ik liep de ruimte uit met de vraag in mijn hoofd of hij zich mijn borsten die dag nog zou herinneren.

Een week lang moest ik wachten tot ik uit mijn periode was en mijn borsten in conditie waren voor een échographie et mammographie si nécessaire in Sallanches. Dat gaf mijn ouders de tijd om zich volop zorgen te gaan maken en mij de tijd om uit te zoeken waarom dit alles toch zo surreëel leek. En opeens realiseerde ik het me: Ik was in Chamonix. Hier bestonden echte problemen niet. Dood volgde uit de bergen, fysiek falen was louter het gevolg van ski- of klimongelukken en de conditie van mijn lichaam werd al twee jaar bepaald door mijn eigen trainingsprogramma en de tolerantie van de alpengoden.
Borstkanker?
Daar hadden al die jongens hier geen last van. En ik dus ook niet.

Donderdag om halfvijf moest ik onder de tietpers, zoals mijn zus het over skype noemde.
Mogelijke gevolgen, dacht ik in de auto:
1. Tiet eraf (dan nemen we er een van hout, zei Marcel).
2. Helemaal niets.
3. Kanker.

Het centrum in Sallanches was steriel. De glazen schuifdeuren gaven toegang tot een glimmend, wit bureau dat de gehele lengte van de smetteloze ruimte in beslag nam en werd bezet door een viertal dames, op gelijke afstand van elkaar, elk achter een computer. Ik werd verwezen naar de wachtruimte. Zes verschillende vissen in een kraakhelder aquarium.
The white, riepen ze me om.
Ik werd begeleid naar een hokje waar ik mijn shirts en schoenen moest uittrekken. Even later lag ik om mijn rug te staren naar de echobeelden op het scherm die de dokter van mijn borsten maakte.
Hoe oud ben je?
25.
Oh. Niets aan de hand. Ik zie niets en je bent te jong. Niets aan de hand.

Ik hoefde niet eens onder de tietpers. Goed nieuws, want dat schijnt pijnlijk te zijn.

De volgende dag werd ik gebeld door mijn vader. Ik had de ouders al bericht dat alles goed was, maar hij wilde het nog even checken.
Alsof ik toch even heel goed ben weggekomen, zo voelt het.
Dat ik een dansje van geluk mag doen om zo mijn papa te vertellen dat het allemaal ok is. Met knobbeltjes en al.

Vergeet niet wat je achterlaat

Na het lezen van mijn laatste blog stuurt mijn moeder me een email.
Ze omschrijft die dingen in het leven die ik zou missen als ik er nu per ongeluk uit zou stappen. Liefde, zegt ze, een gezin, een hond.
Ze omschrijft ook die dingen die het leven zou missen als ik er nu per ongeluk uit zou stappen. Mij. Haar dochter. Het geheel van wat ik ben geworden.

Dood is dood, denk ik altijd. Maar nu ze me wijst op hetgeen ik zou achterlaten realiseer ik me dat ik me nog niet in het definitieve van de dood bevind, maar in het potentieel van het leven. Ik zie de groei, ik zie de liefde, ik zie de mogelijkheid om te worden wie ik wil zijn.
En alhoewel dood nog steeds dood is wil ik liever langer leven.
Zo lang mogelijk en zo voorzichtig mogelijk bergen beklimmen.
Zoveel mogelijk van de mensen in mijn leven houden.
Van mijn moeder en vader, zus en broers, vrienden. En die hond.
Ik wil leven en leven en leven en leven en leven en als ik onverhoopt toch moet achterlaten dan zal dat het mooiste wezen dat zo mogelijk kon zijn.

_DSC0714

Het gevaar van Chamonix

Een zucht. Ze heeft het overleefd.

Afgelopen week viel een goed vriendinnetje van mij van een steile wand vlak naast Les Courtes. Ze schoot zo de brede gletsjerspleet over, hoor ik diezelfde dag nog van haar vrienden. Honderden meters aan verticale razernij. Ze vlogen haar naar het ziekenhuis waar ze de nacht moest doorbrengen, slechts als controle, want er bleek weinig aan de hand. Alleen een knie die een flinke tik had gekregen.

Wat was er gebeurt?

Chamonix praat. Ik hoor veel varianten van het verhaal voor ik mijn vriendinnetje zelf te spreken krijg. Ze was gaan skitouren met een vriend en ergens bovenaan de wand tijdens de afdaling gevallen. Te steil, te snel, ze had daar niet moeten zijn, hoor ik keer op keer.

Welkom in Chamonix.

Als ik haar dan uiteindelijk voor me heb zitten ben ik alleen maar blij dat ze uit één stuk bestaat. Ze begint te vertellen, beide aan de koffie, beide nog in leven.
De tour was puur steepskiïng geweest. Ze was er met een vriend en dichtbij de top wilde hij door en zij niet. Het terrein was ijzig en eng en eigenlijk had ze nog nooit iets serieus met haar stijgijzers hoeven doen. Ze was bang. Het was een aller-retour, ze moest hier ook over naar beneden skiën. Maar een paar dagen geleden hadden ze een andere toppoging afgeblazen omdat een vriend van hen de uitdaging niet meer overzag, en zij wilde niet zelf diegene zijn die niet durfde en het daardoor verpeste voor de anderen. En dus zei ze niets en ging door.

Bovenaan de col bleek ze laag in energie – ze had niet goed geslapen – en at wat suiker, nam de rust om de afdaling aan te kunnen, maar dat veranderde niets aan haar gemoedstoestand. Ze was nog steeds bang. Haar partner ging vast naar beneden om te zien of het allemaal wel te skiën viel en zij vroeg zich af wat ze hier in godsnaam aan het doen was. Dit was fout, hier moest zij niet zijn. Ze stapte de helling naar beneden met haar ijsbijl in haar hand. Als ik hier val, ben ik dood. Ik moet voorbij het ijzige stuk komen – dat was haar focus. Het lukte haar om bij het acceptabele gedeelte te komen en te overleven, ze had het overleefd, nu was ze ok. Nu hoefde ze alleen maar naar beneden te skiën en dat kon ze.

Ze maakte twee bochten en een fout, viel omver en liet één ski achter, de ander bleef de hele weg lang aan haar voet. 80 km/uur schatte haar partner later in. Ze kon niet stoppen en was zich bewust van de gletsjerspleet die haar beneden opwachtte. Maar daar schoot ze overheen, want ze had engeltjes op haar schouder, en toen ze eindelijk tot stilstand kwam hadden gletsjertoeristen de helikopter al gebeld.
Ik was zo boos op mezelf – zei ze me. Ik wilde terug omhoog om mijn ski’s te halen. Mijn partner moest me met geweld stilhouden totdat ik gered werd. In shock.

Mijn vriendinnetje concludeerde meteen dat ze nooit verder had moeten gaan toen ze bang was. Dat was een gigantische fout geweest. Maar er was meer aan de hand. Meer fouten, meer lessen om te leren.

En dat vindt Chamonix ook, want het dorp valt over haar heen. Ze krijgt commentaar van alle kanten, vaak ongevraagd, en omdat ze niet zo stevig in haar schoenen staat komt elke opmerking aan als een bom.

Ik heb het gevoel dat ze zelf al de juiste conclusies trekt, zonder daar al die aandacht voor nodig te hebben. Ze zegt me dat ze al een tijd lang niet omhoogging voor het plezier, maar om de anderen bij te benen. Omdat steepskiing ‘hetgeen is wat je doet in Chamonix’. Haar competitieve aard bracht haar op de verkeerde plek en eigenlijk had ze de pech dat haar directe omgeving haar bleef uitnodigen: Een groep ambitieuze skiërs die de eigen grenzen wilde verleggen en eigenlijk geen ruimte had voor iemand als zij, voor iemand die alles nog moest leren.

Het is eigenlijk gek dat ze, zelfs zij die haar keer op keer meenamen, zeggen: Dit stond op het punt te gebeuren. We zagen het aankomen.

Waarom gebeurt het dan toch?

Nadat ik haar heb uitgezwaaid ga ik naar werk. Terwijl ik wacht op gasten die nooit zullen komen, vraag ik me plotseling af of alle aandacht die ze te verduren heeft gekregen ermee te maken heeft dat ze een jong meisje is. Ik vermoed dat jongens in het begin van hun carrière de hele tijd veel te steile dingen instappen, maar dan heeft het de jongensachtige air van kattenkwaad en lef. Misschien hebben meisjes überhaupt niet zo veel te zoeken op zulke steile wanden. En als ze dan wel gaan, tsjah, dan moeten we daar wel wat van zeggen.
Maar misschien heb ik het verkeerd.

Ik leg het voor aan mijn oud-collegaatje. Met luide stem, vol verontwaardiging, en waarom blíjven ze maar over dat arme schaap praten? Ze heeft het moeilijk genoeg met haar eigen verwerking.
Hij gaat niet in op het jongens-meisjes vraagstuk, maar zegt: Ruubs, het is goed dat ze erover praten, want op deze manier leert iedereen haar les. Dit is de manier waarop we met zijn alle groeien. Dit soort dingen moeten doorsproken worden.

Ik twijfel. Als ik later thuis is mijn bed lig en door mijn facebook scroll, zie ik plotseling een post van mijn vriendinnetje op facebook. En daarna nog één. Over haar ongeluk, over pech, over het feit dat ze sterker terug zal komen. Neeeeeeeee, denk ik. Stom kind, doe dit nou niet. Zo houden ze nooit over je op.

De volgende morgen realiseer ik me opeens iets geks. Als je de bergen intrekt kies je zelf voor het risico dat ze met zich meebrengen. Je bepaald ter plekke de waarde die het leven op dat moment voor je heeft. Een persoonlijke kwestie waar geen hond iets mee te maken heeft.

Meteen daarna weet ik al wat er misgaat: Mijn vriendinnetje heeft die keuze nooit bewust gemaakt en ik denk dat Chamonix dat aanvoelt. Ze riskeert onbewust en voor een vrij lelijke reden: Status. Aanzien. En dat is natuurlijk erg interessant om over te roddelen.
Maar goed, dat is het effect van Chamonix. De coolste mensen zijn de mensen die de gekste dingen doen. Iedereen in je omgeving, van de afwasser tot de vent die je willekeurig in de bus tegenkomt, doet grote dingen. Facebook staat vol met saltomakende steepskiers die over nauwe graadjes lopen alsof ze op weg zijn naar de supermarkt. Bijna-ongelukken of zelf ongelukken worden afgedraaid als: Yo, kijk dit, dit is leip.

Die middag nog stap ik met Ben op de Noordwand van de kleine Dru. We slapen op een randje midden in een lengte en worden de volgende dag met de helikopter uit de Niche opgehaald. Ik ben moe en koud.
We waren te langzaam geweest en hadden de optie om met rappels via een andere route af te dalen, maar ik overzag het niet. Een tiental rappels op standplaatsen van onbekende conditie, een 500 meter lange val in geval van falen, in gedachten had ik alleen maar mijn eigen ongeluk. Drie jaar geleden, een verkeerd gebouwde standplaats met een agressieve val als gevolg, zo’n twintig engeltjes op mijn eigen schouders toen ik op een sneeuwbrug in de randspleet belandde.

Het voelde daarzo hoog in de Niche als de ultieme faal om de helikopter te bellen. We zaten in de zon en hadden nog uren aan licht, beiden fysiek in fatsoenlijke staat, maar ik had plotseling een gruwelijke haat aan de mogelijk verkeerde afloop. Ik wilde niet meer verder want ik wilde me niet hoeven beroepen op de engeltjes. Liever beschaamd naar beneden vliegen, liever de opmerkingen in het dal dan de blootstelling aan nog meer risico.

Het leven in het dal is kalm en warm. We worden afgezet bij Les Praz en zitten verward op een bankje. De plotselinge absentie van risico, blootstelling, angst is ronduit bizarre. Het hele vraagstuk is een grote moes in mijn hoofd.

Als ik de volgende dag weer een beetje kan denken, concludeer ik dat mijn eigen val een van de belangrijkste lessen in mijn alpine carrière is geweest. Die confrontatie met verkeerde gevolgen had ik nodig om werkelijk de keuze voor het risico te kunnen maken. Risico als concept is leuk om over na te denken, maar de concrete inhoud ervan is onmogelijk zomaar aan te voelen. Er moet een hoop tegenover de mogelijke horror van de verkeerde afloop staan, dat is me nu duidelijk.

Status is niet afdoende.

Daarop vraag ik me meteeen af of ik mijn eigen motieven voor beklimmingen en afdalingen wel kan ontleden. Of dat me lukt elke keer dat ik een route instap. Want het geval van het vriendinnetje is zo interessant omdat we ons allemaal blootstellen aan hetzelfde gevaar: onze competitieve aard, onze onzekerheid, status, naam.
Liefde voor de bergen, voor het buitenzijn, fysieke uitdaging, adrenaline, dat is de grote andere kant.

En ja, het risico zelf kan zelfs een reden zijn om keer op keer maar de hoogte in te trekken. Het forceert je om de waarde van je leven in te schatten. Het geeft je controle over je leven. Juist als je dood als optie accepteert, dan wordt de inhoud van het leven een stuk lichter. Het relativerende vermogen van de bergen ligt niet alleen in hun grote, fysieke gestalte maar juist ook in het feit dat ze je van het leven kunnen beroven. Dat maakt ons ultieme levensgenieters. Ons geluk direct tegenover onze dood.
En wat dan als we doodgaan? Hoe groot is het verlies dan werkelijk? Hoe groot is het verlies van een leven dat alleen maar het eigen geluk achtervolgde? Al die seizoenarbeiders die lang leven de lol door het bestaan schieten, wat als er eentje op een dag niet meer is?

De dagen na de Dru staan in het teken van herstel en voor mij persoonlijk van reflectie. Ik val Ben keer op keer lastig met een nieuwe vraag, waarom, hoe, wat, mijn vriendinnetje, Chamonix. Hij komt met een interessant concept dat me forceert om er weer anders over na te denken. Wat als je bovenaan een afdaling in een morbide spelshow terecht komt en een man (de duivel) met een gigantisch geweer mededeelt dat je alleen in de afdaling mag als je meedoet aan Russische Roulette. De kans is een op vijftig dat je het spel niet overleefd. Zodra je gespeeld hebt zal de afdaling gegarandeerd zonder ongelukken verlopen, want de man heeft contact met de engeltjes. Je hebt de mogelijkheid om aan de andere kant van de top naar beneden te lopen en veilig terug te keren. Wat doe je dan?
Doe je de afdaling?

Wat als de man voor de ingang van Chamonix staat, begin december, en zegt: Je mag alleen dit winterseizoen draaien als je meedoet aan mijn Russische Roulette. Kans een op vijftig dat ik er met je leven vandoor ga. Als je overleefd geef ik je de garantie dat je het hele seizoen zonder een schrammetje overleefd. Begin je dan aan het winterseizoen?

De hele week lang ben ik geobsedeerd door risico. Mijn vriendinnetje is inmiddels thuis, bij haar ouders, ver van de bergen en de man van de Russische Roulette. Ik staar voor me uit terwijl de zomer haar intrede maakt. Fluitende vogels, een briesje, zon op de huid. De bergen torenen als giganten boven me uit en ik denk: Wat is dit toch voor een uitzonderlijk vreemde plaats. Wat zijn we gigantisch ver verwijderd van de realiteit en tegelijkertijd, dit is de realiteit hoe we haar zelf in elkaar flansen.
Chamonix is een gevaarlijk stadje. De bergen zelf, maar vooral de bergen in combinatie met een samenleving die de bergsport als hoogste ideaal heeft. Ik heb geen idee wat nu de conclusie is, behalve dat het goed is om er af en toe over na te denken. Om misschien wat vaker met elkaar te praten, met types als mijn vriendinnetje, zodat we achteraf onze mond kunnen houden en er gewoon voor haar kunnen zijn.

Nieuwe schoenen en nieuwe ski’s

Al bijna een maand geleden maakte ik een testrondje op een paar Ubac ski’s van ZAG, een lokaal merk waarmee schijnbaar een hoop alpinisten het probatoire proberen. Mijn smalle en lichte skitrap ski’s bleven thuis tegen de muur leunen terwijl ik op deze twee blauwe monsters dwars door de mogels sneed.

Holyshit deze skiën uit zichzelf. Wat een verschil.

Maar ik kon ze niet kopen voordat ik ook een fatsoenlijk paar schoenen had. En dat is ingewikkelder dan je denkt: je wil ze licht voor naar boven en stevig voor naar beneden. De magische schoen die ook nog eens aan je voet past, specifiek jouw voet. Ik heb elke winkel in Chamonix geraadpleegd, rondjes gerend op hun tapijt, skibewegingen nagebootst en wist het na een maand nog niet. Die schoen die is er wel, maar ik ben het probleem. Ik heb namelijk geen idee.

De aanschaf van het juiste materiaal vereist net zoveel ervaring als het naar beneden skiën zelf. Dit is (nog steeds) nog maar mijn tweede seizoen en mijn ervaring op verschillende soorten ski’s en in verschillende soorten schoenen is nihil. Mijn hele lichte skietjes waren mijn favoriet omdat ik aan ze gewend was, maar iedereen bleef maar zeggen: Ruby, als je jezelf serieus neemt heb je een ander paar ski’s nodig.

Oké oké oké.
En die schoenen, Ruby?
Jaja, ik weet het, die schoenen deugen niet.

Ik ben niet goed genoeg voor slecht materiaal. Ik kan alle technische hulp gebruiken, ook al moet ik daarvoor zes knaagdieren in mijn bankrekening loslaten.

Maar wat dan, welke dan? Ik heb me volledig laten leiden door de kennis en ervaring van vrienden en uiteindelijk een paar Vulcans van Dynafit gekocht (in de uitverkoop goddank). Een beetje hulp van het lot werd gewaardeerd; ik paste ze als het glazen muiltje. Stijf genoeg voor naar beneden en soepel genoeg voor omhoog, groen als een stel draken, zelfs de kok van Chambre Neuf vond ze mooi en die heeft een bloedhekel aan alles dat met wintersport te maken heeft.

Nu heeft het plotseling gesneeuwd, staat Facebook vol met poëtische winterlente kreten en krijg ik onverwacht de kans om mijn nieuwe onderstel uit te testen in een bak poedersneeuw. Woesh, over de pistes van Grand Montets, alsof het diep winter is en we nog maanden te gaan hebben. Ik ben stabiel. Voor het eerst voel ik mijn scheenbenen tegen de rand van mijn skischoenen. Ik heb controle op snelheid en in oneffen terrein, zomaar uit het niets, als een cadeautje.
Het is het eindeloze gemekker in winkels en de ongelofelijke investering waard geweest.

Daarheen vliegt de vogel

Het skiseizoen heeft me geleefd. Ik was de bar, de piste, de mensen waarmee ik omging.

Begin December kwam ik aan in Chamonix met het verlangen om weer even bepaald te worden. Maandenlang had ik de tijd gehad om na te denken en alles te zijn wat ik wilde. Nu had ik behoefte aan een identiteit als bartender, een vast gezelschap dat me waardeerde, een rooster dat mijn ritme bepaalde, een groot doel als alpinisme en leren skiën, Ruby de vrolijke stuiterbal, ik had behoefte aan het gedachteloos rondrennen en overleven van het dagelijks leven.
En nu?

Nu sta ik weer op het punt om vrijgelaten te worden. Een vogeltje waarvan de kooi is geopend. Vlieg, vogel.
Waarheen?

Ik moet eerst in mijn hersenpan duiken en een grote schoonmaak houden. Als je bepaald word door je omgeving levert dat een hoop onzinnige gedachten en verlangens op. Nee, ik hoef geen superalpiniste te worden en grote bergen te beklimmen, ik hoef niet de grootste horecatijger te zijn en ik hoef ook niet modieus en mooi door Chamonix te paraderen.
Je kan dan wel een vogel zijn, maar als je eigen brein beperkt word door een stel onzinnige concepten kun je net zo goed terug je kooi in.

Goed, wat dan? Waarheen vliegt deze vogel?

Naar huis.

De bergen, de bomen, de bloemen, de wind, de zon, het water.
Wakker worden in de fluitende buitenlucht of naakt aan een riviertje in Spanje, handen en voeten aan de rotsen en het hele lichaam weer van mijzelf, mijn lichaam niet in dienst van een ander of een willekeurig einddoel, een geest die alle hokjes afbreekt en weer kan ontdekken, kan dichten, kan creëren, daarheen wil ik gaan.

Daarheen vliegt de vogel.

Jaap de Witte

Chedde. Arrêt sur demande 

Sneeuw! Er ligt sneeuw! Als een kind die een gloednieuw Legowagentje in de Bart Smitgids ziet, schreeuw ik het uit. Het rode treintje is net een wegsmeltend sneeuwveldje gepasseerd. Door de invallende nacht is het een nauwelijks te onderscheiden wittige vlek. Arnold en mam kijken verrast op. Vanuit het TGV-raam hadden we urenlang gekeken naar erg zonnig, maar vooral leeg Frankrijk. We concludeerden uiteindelijk dat er alleen in Parijs mensen woonden. De rest was een eindeloze groenige vlakte die hier en daar abrupt werd onderbroken door een onverstoorbaar setje Franse fauna.

Servoz
We turen uit het raam. Buiten is het pikzwart. De trein had net zo goed zojuist de Akropolis kunnen passeren; enig gevoel van locatie ontbrak. Was dat lichtje daar in de verte een bergdorp? Een lantaarnpaal? Een ufo? Een geit met een zaklamp? We weten het niet. Mam probeert inmiddels te ontfutselen wat er in het Frans op een bozig bordje staat in de hal van de coupé. Arnold staart naar buiten en kijkt geïntrigeerd naar de stationsopzichter met een grote baard en een klassiek seinbordje. Een stationsopzichter; ik betwijfel of we dat überhaupt nog hebben op Amsterdam Centraal. Hier staat de beste meneer met een superieure blik naast zijn modelbaanstationnetje.

Vaudagne. Arrêt sur demande

 

Sneeuw! Weer sneeuw! Zowaar ontwaren we naast de contouren van een tankstation een rafelige sneeuwlaag. Een heel voorzichtig wintersportgevoel maakt van ons meester – het eerste wintersportgevoel dat Arnold en ik ooit hebben ervaren. De conducteur kijkt ons bijna meelijwekkend aan.

Viaduc Ste Marie. Arrêt sur demande 

De sneeuw is weer weg. Een zwart vlak heeft zich meester gemaakt van het raam. Hier en daar verschijnen en verdwijnen lichtpuntjes als Sint-Maartenlampionnetjes in een regenachtige novembernacht. De verwarming van de trein heeft inmiddels mijn enkels gaargekookt.

Les Houches

De trein stopt piepend op wat een heus ski-oord lijkt. Met enthousiasme kijken we naar de neonverlichting die allerlei hotelgemak aanprijst. Op het perron schuifelt een soort bedwelmde Yeti met een snowboard. Twee andere Yeti’s volgen hem. Mam vertelt smakelijk dat het lopen op skischoenen een niet te onderschatten vaardigheid is. We aanschouwen de kudde fluoricerende Yeti’s en ons wintersportgevoel stijgt met de minuut.

Taconnaz. Arrêt sur demande

Hoeveel stations nog? Mam kijkt ongeduldig naar de haltes boven de treindeur. Vier! Vier haltes zijn verwijderd tussen ons en Ruby. Ruby, onze eigen berggeit in haar natuurlijke habitat. Maandenlang zaten er honderden kilometers tussen het thuisfront en De Smurf. Vier haltes tot een hereniging. Vier haltes tot de start van een fantastische week.

Les Bossons

We turen naar buiten en zien het grote niets. Arnold vraagt zich af of de bergen zelf op vakantie zijn. De Mont Blanc die even aan het watertrappelen is aan de Côte d’Azur. Je zult het net zien.

 

Les Pélerins. Arrêt sur demande 

Les Moussoux. Arrêt sur demande 

De stations volgen zich in rap tempo op. Buiten heeft het zwart plaatsgemaakt voor een vrolijk tafereel van chalets en skiwinkels. Mam staat al een paar haltes bepakt voor de treindeur met haar vinger op de deurknop. Arnold – die er een gezonde sport van heeft gemaakt om juist tot op het allerlaatste moment te blijven zitten – kijkt het vermakelijk aan. Ik kies de veilige middenweg en sta schuddend in het gangpad. Nog één station tot Rups, nog één station tot de eerste wintersport.

Aiguille du Midi. Arrêt sur demande 

Mijn moeder – inmiddels er heilig van overtuigd dat de trein zodadelijk maar drie seconden stopt en daarna non-stop doorrijdt naar Milaan – kijkt strak naar de deur. Het moment is bijna daar. De spanning neemt toe, de sneeuwveldjes vermenigvuldigen zich. De Franse omroeper schreeuwt iets in onze oren. Een paar keer valt de naam Chamonix als een soort magische toverformule.

Chamonix-Mont-Blanc. Terminus

We zijn er! Als een set Hollandse koeien die voor het eerst de wei in mag, stormen we de trein uit. Een deken van kou slaat om ons heen. We kijken recht in de ogen van een ander universum. Grote groepen Yeti’s lopen vrolijk rond. Overal klinkt muziek en lichten sprankelende etalages op. Op grote hoogte zien we de schimmige contouren van één van de reuzen van deze wereld. De Mont Blanc heet ons bijna verlegen welkom. We lopen naar Chambre Neuf. Daar staat Smurf met een grote glimlach, onze eigen Smurf in haar Alpine koninkrijk. Het grote avontuur start, laat het eeuwig duren.

32949242402_99557206fc_o32978603151_00529669c3_o
32949244992_8c536171ea_o33105759235_c0c43fd4d2_o

Voor alle foto’s kijk op: https://www.flickr.com/photos/persijnenburg/sets/72157680648458066/with/32949242402/