Latest Posts

Een referendum

De ouders van Marcel staan om vijf uur ’s ochtends bij de crèche op de hoek van de straat. Als wij uit bed komen, zijn zij net even op plaspauze in huis. Een pak koekjes wordt weggegrist en daar gaan ze weer. Als Marcel eenmaal achter de televisie plaatsneemt, beweegt hij zich niet meer. Het nieuws verspreid zich wederom door de vertrekken. Halverwege de ochtend besluit hij een kijkje te nemen bij de crèche op de straathoek. Ik mag eigenlijk niet mee omdat ik niet weet waar mijn paspoort is, en schijnbaar wil je die liever bij de hand hebben. Maar ik ga toch, heel even maar, omdat Marcel in gesprek raakt met zijn buurtgenoten en ik me verveel.

Maar de dag zal nog enerverend worden. In de rest van Catalonië krijgt het geweld langzaamaan vorm en wij kunnen dat allemaal via het beeldscherm volgen. De Spaanse politie drijft een menigte uiteen terwijl een paar Catalanen terug blijft keren naar de plek waar ze niet meer mogen zijn. Een T-shirt scheurt, bloed wordt gefilmd. Goh, denk ik, ze weten dat ze geslagen worden als ze teruggaan, ze gaan terug, ze worden geslagen, laten hun wonden zien (kijk, ze slaan) en keren dan nog eens terug. Wat is dit? Wat gebeurt hier? ‘Passief verzet’, zegt Marcel. Hij is inmiddels boos en reageert ook fel op mijn verwondering. Mijn God, ik weet hier duidelijk niets vanaf.
De scenes worden gewelddadiger. Ik lees de liveblog van de NOS om op de hoogte te blijven, want in tegenstelling tot alles om me heen, begrijp ik dat tenminste.

Het huis is een rommel. Niemand neemt de moeite om iets terug te zetten, want buiten wacht het referendum en vandaag is alleen dat belangrijk. De ouders komen weer binnen, dit keer voor een adempauze. Marcel maakt zich los van het nieuws en vraagt of ik wil helpen met het voorbereiden van een pizza. Terwijl ik een ui sta te snijden deelt moeder Marcel mee dat de Spaanse politie onderweg is naar de crèche. ‘Nu?’, vraagt Marcel. Acuut wordt de oven uitgezet. ‘Oh nee, Ruby blijft thuis.’ De oven wordt weer aangezet. ‘Heus niet, ik ga mee, ik heb mijn paspoort gevonden.’ Ik zet de oven uit.

Het lijkt op een straatfeest. Tafels en klapstoelen. Mensen lopen rond met plastic bordjes en bekertjes. Op de stoeprand zit een rij volwassen met hun smartphones, de rest van de menigte staat in groepjes op straat. De poort van de crèche wordt beheerd door een drietal bejaarden. Het wemelt van de kinderen en honden. Marcel raakt wederom in gesprek met buurtgenoten en neemt plaats op de klapstoeltjes. Daar sta ik dan, in het midden met mijn Nederlandse paspoort in de hand. De Spaanse politie laat het afweten, waardoor ik geen idee heb waar ik eigenlijk naar moet kijken. Ik loop naar huis en maak de pizza’s af.

Als Marcel later thuiskomt raken we verstrikt in een discussie die nergens toe leidt. Hij is veel te opgeladen en ik veel te verward. Is al dat geweld nodig? Waarom staan al die mensen hier? Waarom staan ze hier écht, voor democratie? Onafhankelijkheid? Omdat de buren er ook staan? Fuck the system? Franco? Identiteit? Repressie?
De ouders hebben inmiddels in een ander stemlokaal hun stem uitgebracht, deelt hij mee, want bij de crèche ligt het systeem plat.

De televisie blijft repeteren. De NOS-liveblog houdt me op de hoogte tot ik abrupt mijn scherm sluit en mijn hardloopschoenen aantrek. Voor een zondagavond is het stil in het bos. Paddenstoelen schieten aan alle kanten uit de grond, wat ik graag aan papa Marcel vertel, omdat hij ze plukt en eet. Ik loop een stuk door de stad en passeer twee stembureaus. Bij de crèche is het zo druk dat ik mijn bezwete lichaam door de mensenmassa heen moet wurmen. Ik kan er niets anders van maken: Hier is het gezellig. De ouders van Marcel tref ik in een cirkel van klapstoelen, beschenen door het licht van de lantaarnpaal. Ik vergeet de paddenstoelen te vermelden. Thuis tref ik Rajoy op de televisie, beelden van euforische Catalanen die volle stemboxen in de lucht houden en een herhaling van het geweld van deze zondag. Gelukkig duurt een referendum maar één dag.

Nu lig ik in bed en kakelt die verdomde televisie nog steeds. Ik realiseer me dat, als je wilt, de vraagstukken van vandaag heel diep kunnen gaan. Zo diep als bereid bent om te gaan. Boekenplanken diep. Niet vanavond.
Heeft Marcel eigenlijk gestemd? Ik loop naar beneden en hij bevestigd. Omdat hij daarna stil blijft vraag ik welk vakje hij heeft aangekruist. Zijn antwoord verbaasd me.

De televisie staat vaak aan. Nu zit zelfs Marcel er zo nu en dan achter. Laatst aten we in de keuken en besloot het gezin toch maar met bordjes op schoot voor het scherm te zitten. Ik bleef achter aan de keukentafel en hoorde het Catelaans door de halfopen deur naar binnen komen.

De Catalaanse vlaggen wapperen aan de huizen, maar dat doen ze al zo lang dat het rood en geel vaag is geworden. Toen we gingen wandelen met de vrienden van Marcel, kreeg ik tot ieders hilariteit op de top van de berg zo’n vlag in mijn handen geduwd. Marcel is blij dat hij onherkenbaar op de foto staat.
In het centrum zie je het woord overal opduiken, we zagen er zelfs een dame mee fietsen, op de achterkant van haar rugzak. Graffiti op de stadsmuren herinnert ons aan de democratie. De radio ratelt aan één stuk door over hetzelfde onderwerp.

Tussen vrienden en in huis wordt er veel over gesproken, maar natuurlijk in het Catalaans, dus moet ik het hebben van iets wat ongeduldige samenvattingen in de tijd dat de Catalanen broeien op het volgende wat ze in de discussie gooien.

Marcel had vorig jaar een Spaanse vriend op bezoek die gelijktijdig met Marcel de auto naar de garage bracht voor een controletechniek. De automonteur weigerde hem in het Spaans te helpen. Ik vond dat waanzinnig. Iedereen vond dat waanzinnig.
Halverwege een etentje in diezelfde periode kreeg ik de familiestamboom van een vriendin van Marcel onder mijn neus geduwd. Catalaanser krijg je het niet. Catalaanser dan Olot krijg je het niet. Het dialect is zo zwaar dat ik het met mijn beperkte voelsprieten kan onderscheiden van het Catalaans in Barcelona, waar overigens op wordt neergekeken.

Hier in huis verschillen de meningen. Marcel vind elke landsgrens een grens te veel en ziet vooral de hype die zich heeft ontplooid; hoe iedereen zich laat meeslepen door een problematiek die hen een paar jaar geleden koud liet en hoe de rechtse elite triomfantelijk aan roer staat (maar dit alles genuanceerder). Zijn vader heeft het over identiteit en vooral over Franco, onder wie zijn jeugd zich afspeelde. Ik vroeg hem laatst wanneer hij was begonnen met Yoga (hij is Yogaleraar) en toen zei hij: Na Franco.
De woorden die ik van de televisie oppik, zijn vooral ‘independència’, ‘democràcia’ en ‘Franco’.

Ik vind het best spannend. Soms hangt er een aparte sfeer in de lucht. Laatst zagen we het leger in het natuurgebied Sadernes, dat bekend staat vanwege de sluiproute naar Frankrijk. Mannen in schutkleuren met mitrailleurs. ‘Als ze niet zo belachelijk hadden gereageerd’, zei een vriendin van Marcel, ‘dan zou ik nooit ‘ja’ stemmen. Veel van ons, trouwens.’

Alles draait om morgen. Marcel’s moeder staat normaal gesproken rond achten op, maar verscheen vanmorgen om zeven uur in de keuken. Dat was om vast wat in te komen, want morgen zal ze om zes uur op moeten. Een uur later voegt heel stemmend Olot zich namelijk bij diegene die vannacht al voor het stembureau slapen.
Wat gaat er gebeuren? Denken ze dat er iets zal veranderen?
Ik vraag me af of ik mijn camera mee kan nemen, want hier in Olot zal het hoogstens interessant zijn. 1 Oktober in Barcelona lijkt me misschien niet de dag om eens lekker te gaan fotograferen, of juist wel, maar dat laat ik dan maar aan anderen over. Ze roepen constant op om ‘passief’ te blijven.  Ik weet niet hoe passief een menigte ter grootte van een boos Catalunya blijft.

Sì. Ga je echt nee stemmen? – vraag ik Marcel. Een langdurig verblijf in Olot geeft de indruk dat men unaniem voor afhankelijkheid is. Maar misschien zijn ze unaniem voor stemmen. Misschien pik ik erg weinig op vanwege de taalbarrière; mijn graatmeter is negentig procent visueel. Het merendeel van de huizen heeft geen vlag, ik weet niet wat zich in die kale huizen schuilhoudt. Team ‘no’ heeft in elk geval geen spandoeken laten produceren.

Morgen dus. Een historische dag, zegt de vader van Marcel. We zullen het meemaken.

Een evenement in Olot

‘Vanavond is er een evenement in Olot’, zegt de vader van Marcel. Ik weet niet of er absurd veel evenementen in deze stad plaatsvinden of ik zelf nooit alert ben geweest op de evenementen in mijn voormalige woonplaatsen. Buurtfeesten, concerten, initiatieven, traditionele optochten, er komt geen einde aan. Ik denk dat het hieraan ligt: Olot is groot genoeg voor de organisatie van een hoog aantal evenementen, maar klein genoeg om daarvan ook steevast op de hoogte te zijn. Via de buren. Of de dame achter de kassa van de supermarkt.

Nu is er dus weer een evenement in Olot en word ik zo rond zeven op een fiets gezet. We dalen af naar de andere kant van de stad en zetten onze fietsen langs de rand van een betonnen plein, waar zo’n twintig mensen in kleine groepjes met elkaar in gesprek zijn. Tussen hen door loopt een oud mannetje in een zwart satijnen broek, op gevlochten leren sandalen met zijn grijze haar in stekeltjes op zijn magere hoofd. Hij wordt aan me voorgesteld als de Tai Chi leraar én nog Frans ook, waardoor ik dit keer mee kan praten.

Het plein ligt tussen flats en een drukke weg in. De betonnen tegels zijn roze geverfd. In het kader van het buurtfeest worden een vijftal kermisattracties uitgepakt en voorbereid. Tussen ons, de draaimolen en de springkussens door rennen diepdonkere kinderen. Soms houden ze even stand bij onze cirkel en volgen ze de bewegingen van de Tai Chi leraar, of zitten ze op een rij op een betonnen muur naast ons. Van een afstand kijken hun papa’s en mama’s mee. Ik laat me afleiden door een groep vrouwen in kleurrijke stoffen, hoofddoeken met patronen, lachend op bankjes en bedenk me dan dat ik me moet concentreren op mijn diepe ademhalingen.

Na een les Tai Chi stappen we op de fiets. Dit is de Olot variant van Critical Mass, lees ik op een shirt van een organisator. Achterop zijn fiets zit een stereo-installatie geboden. Ik fietst in een lange sliert door het centrum van Olot met afwisselend oubollige, Catalaanse liederen en overtuigende housemuziek. Op elk plein circuleren we en worden glimlachend aankijken. Ik kan ook niet stoppen met glimlachen, omdat de gemiddelde leeftijd van onze fietsgroep boven de vijftig lijkt te liggen en Marcels vader, met zijn elektrische fiets, op een tevreden, gepensioneerde rebel lijkt. De weg terug naar huis gaat recht omhoog en is geschapen voor die elektrische fiets, waardoor Marcel en ik bezweet aankomen als Marcels vader zijn fiets al veilig heeft opgeborgen.

Vanaf nu ben ik erbij. Nee, geen zucht als Marcel weer een evenement aankondigt waar ik uit fatsoen, vanwege de vergaande vriendelijkheid van zijn ouders, geen nee op kan zeggen. Ik dans mee in de cirkel van oudjes, tijdens het buurtfeest of feest van lichtjes of hét feest van Olot en ik geniet. Zo simpel is het.

Onder de bloementjes op weg naar het Paradijs

Snel spring ik de douche in voor we op pad gaan. In de keuken staat een tas met groenten en koekjes. Marcel zet op de valreep nog wat nieuwe muziek op een stikkie terwijl ik de instrumenten inlaad. En de klimspullen. En boeken en schriften en specifiek Le Code de la Route, want sinds ik voor het theorie-examen sta ingeschreven is er geen ontsnappen meer aan.

Helemaal schoon zit ik daarna in de bus op weg naar Siurana.
SIURANA!
Terug naar het paradijs. Na twee jaar. Waar ik een entree maak in kleren die naar bloemetjes ruiken en haren die in sluike, vetvrije plukken langs mijn schouders vallen.
Wat heb ik hier grenzeloos veel zin in.

De fabelachtige achtertuin

De natuur is fabelachtig. Ik zit al een tijdje in Spanje, in het witte wijkje op de vulkaan nabij Olot. Hier schreef ik over de helderblauwe riviertjes en oranje rotsen terwijl Marcel nog een relatief vreemd projectiel binnen mijn leven was. Toen waren de zonsondergangen nog exotisch, net als zijn ouders en de huizen waarin zijn vrienden wonen. Inmiddels verbaas ik me niet meer om een kip meer of minder. Een doordeweeks diner om elf uur ’s avonds. De klanken van het Catelaans, waar ik overigens nog steeds geen enkele grip op heb, tot mijn schaamte.
Waar ik me echter wel om verbaas is Sadernes, het gebied waar we bijna dagelijks heenrijden om ons sterk te maken voor de klimexamens. Het decor kan ik dromen, of misschien droom ik wel als over de paden loop. Dit is de natuur die ik alleen van Spanje ken en die zoveel verschilt van Nederland en de bergen. En dan bedoel ik niet eens de kunstlijn of de Pyreneeën, die heel mooi kunnen zijn, héél mooi, ik heb het gezien. Maar ik denk toch meer aan Siurana, waar ik ruim twee jaar geleden een maand lang als typische klimbum in de bossen leefde, en Sadernes. De kleuren, de weggetjes en de wanden, hoe het voelt om in dat helderblauwe water te zwemmen. Probeer het klimniveau maar eens heel belangrijk te vinden: Dat lukt je hier niet, want het is veel leuker om zo intens te voelen dat je in leven bent. Het maakt niet uit wat de reden van je komst is, of je als een bezetene aan de rots wil sleuren of door de canyon wilt afdalen, een wandeling of een jointje op de witte rots bij de waterval, hier verander je. Hier wordt je beter.
Ik realiseer me dat je een aantal dingen niet persé uitkiest, wanneer je een relatie aangaat. Je schoonouders, zijn vriendengroep, daar moet je geluk mee hebben. Ik heb daar geluk mee. Maar wat ik echt niet voor mogelijk had gehouden, was de achtertuin die bij deze jongen inbegrepen zit. Elke keer als hij me er doorheen loodst, verbaas ik me, en elke keer als ik terug thuis kom in zo’n wit huisje op de vulkaan, dan wil ik terug.

De cirkel van liederen

‘Zo spiritueel als een spruitje’, schiet het door me heen zodra ik hoor van het evenement waarvoor Marcel via Facebook is uitgenodigd.
‘Gaan we nog naar dat voodooritueel aan zee?’, vraag ik hem in de loop van de middag. ‘Ja.’
‘Hoever is de zee van hier?’ ‘Afhankelijk van met welke auto je gaat, een klein uurtje.’
‘Weet je zeker dat het vanavond is?’ ‘Duna zegt van wel, ja.’
‘Moeten we ons voorbereiden?’ ‘Nee.’
‘Verwachten je ouders ons thuis?’ ‘Ik heb hen niet gezegd dat we op weg zijn.’
‘Is dit niet vaker?’ ‘Niet dat ik weet.’
‘Dus we gaan?’ ‘Ja we gaan.’

Er zijn geen redenen om niet te gaan. Ik had kunnen vragen of ze wel zaten te wachten op ‘het vriendinnetje van’ dat zo spiritueel is als een spruitje, maar ik kende het antwoord al. Tuurlijk. Iedereen is welkom. Wie weet heeft dat vriendinnetje er wel gevoel voor.

Het was niet specifiek een voodooritueel dat we bij zouden wonen, maar wel iets zweverigs. Een vriendin van Marcel (Duna) is drie jaar geleden naar Mexico verhuisd vanwege de spirituele diepgang die je er schijnbaar kunt vinden en haar relatie met een (net zo spirituele) Mexicaan (David). Het tweetal is voor een paar weken terug in Spanje en Marcel wil ze natuurlijk graag zien. En ja, hij is ook nieuwsgierig naar de wijsheid die ze meebrengen.

Zodoende beland ik op een kleedje in een cirkel van zo’n twintig mensen in het zand, op twee meter afstand van de Middellandse zee en op dertig meter afstand van een groep juichende, halfnaakte mannen die toevallig net het water inrennen. Terwijl de groep geleidelijk uit het zicht zwemt, geven Duna en David uitleg over het ritueel dat zich in de cirkel zal afspelen. De grote lijnen vertaald Marcel voor me.
Ik sta niet te springen, geteisterd door de spruitjesgedachte, vooral door de aanwezigheid van het zinnetje zelf.
In het midden van zo’n twintig mensen liggen trommels, appels, vijgen, een gitaar, een viool, een blokfluit, brood, armbandjes, bloemblaadjes en een soort houten beker waarin een klein vuurtje wordt aangewakkerd. Een doekje met een pluk tabak wordt doorgegeven. We moeten er een plukje vanaf plukken en het vervolgens met een ‘intentie’ in het kleine vuurtje leggen. Dan komen deze avond alle intenties samen en weer terug bij ieder individu.
Goed.
Die intentie kan ik niet bedenken en ik weet ook niet met wel gepast gezicht ik de tabak in het vuurtje moet gooien. Ik weet eveneens niet in welke houding ik moet zitten. ‘Relax’, fluistert Marcel. Duna zet een lied in onder begeleiding van een trommel en anderen beginnen mee te zingen, of haasten zich naar het midden van de cirkel en pakken een instrument. Ik ken het lied niet. Ik ga al die liedjes niet kennen. Hoelang gaat dit duren?

Zo spiritueel als een spruitje. Als de geesten zich bij ons voegen, dan gaan ze sowieso doorkrijgen dat ik de boel aan het beduvelen ben. Geesten kun je niet om de tuin leiden. En als er geen geesten zijn, dan voelen Duna en David ongetwijfeld dat mijn gedachten niet op de juiste plek zitten.

Het lied wordt doorgegeven en gaat uiteindelijk de hele cirkel rond. Ik pas met een verlegen glimlach, niet de enige overigens. Maar terwijl ik per lied hoop dat het de laatste is, gaan alle anderen zich meer op hun gemak voelen. Het gezang zwelt aan. Er wordt gelachen, zacht gesproken tussendoor, anekdotes verteld en suggesties gedaan. Sommige liedjes zijn mooi. Sommige niet, gezongen door mensen die de juiste noten niet vinden, maar met een overgave die in deze context geen medelijden opwekt (denk ik dan) maar juist respect (neem ik aan).

Ik hoor hier gewoon niet bij.
Ik draag de juiste kleren niet. Ik ken die fucking liedjes niet. Ik heb niet gereisd. Mijn ouders zijn niet spiritueel. Spruitjes. De boze geest zit in mijn hoofd.

Ik hoop ter plekke dat de blog die ik hierover zal schrijven, afgesloten kan worden met een ‘uiteindelijk voelde ik me toch verbonden, misschien niet vanwege de spirituele invloed maar om het samen zingen met mensen, dat voel je wel’.
Ik voel ongemak tot het avondeten, tot bedtijd, tot de volgende morgen. Wat is je probleem toch? – denk ik de hele tijd. Waarom kun je niet gewoon ervaren? Toekijken?
Dit is geen yoga in H&M-legging in het Vondelpak, misschien is dat de conclusie. Dit is hardcore spiritualiteit. Marcel heeft me laten wennen aan zijn eigen gedachtegoed, maar participeren met zijn geestverwanten gaat momenteel te ver. Ik zie de groei van mijn eigen spiritualiteit niet als uitgangspunt, maar ik zou op zijn minst ontvankelijk willen zijn. Het lijkt alsof ik bij voorbaat al in mezelf teleurgesteld raak. Alsof mijn fysieke en culturele tegenstelling met deze fragile, kleurrijke jongens en meisjes het onmogelijk maakt om geloofwaardig geïnteresseerd te zijn. Een Hollandse Koe heeft geen intenties die ze met tabak in een vuurtje kan leggen. Zij heeft melk, en van melk maak je kaas.

Aanstaande woensdag is er weer een cirkel van liederen. Alhoewel ik er tegenop kijk, wil ik op zijn minst proberen om geïnspireerd te raken. Of nee, niet eens, dat is precies waar het verkeerd gaat.
Ik wil daar zitten en niet aan spruitjes denken. Dat is alles.

Een Hollandse Koe

Er zit een Spaanse familie in de keuken aan het middagmaal. Gazpazzo in tinnen bekers, kaas, een salade van tomaten en olijven waarover ze olijfolie en zout strooien. De stokoude oma zit tevreden tussen haar dochter en kleindochters in, die haar allemaal helpen de groentetuin in orde te houden en daarvan profiteren. Fruit gaat rond, ze lachen, vrolijk Catelaans dat door het raam van het meer dan drie honderd jaar oude huis komt.
Dan komt er een luid ‘hola’ door hetzelfde raam naar binnen. Een mannenstem. De oudste dochter gaat van tafel, loopt de witgeverfde stenen trap af en komt even later boven met een jonge Spanjaard. Hij groet de dames en zegt dan, terwijl hij weer de trap afloopt, ‘wacht, er komt nog iemand’. Er klinkt gestommel en geluid, zijn dat hoeven op de treden? Oma heeft inmiddels veel langs zien komen, maar dit keer vermoed ze dat er iets in aantrede is dat haar eeuwenoude keuken nooit eerder gezien heeft. De jongen verschijnt terug in de ruimte, om zijn hand het uiteinde van een touw. De familie kijkt toe. Het is de kop van een koe die aan het touw zit vastgebonden en als eerst boven het trapgat uit verschijnt. Daarna volgt een groot, zwart wit gevlekt middel en een zwiepende staart op een reusachtig achterwerk. ‘Dit is mijn koe’, zegt de jongen. ‘Ze komt uit Holland, ik heb haar gevonden in Chamonix. Ze is een echte Hollandse koe.’ De Hollandse koe stoot tegen de keukentafel en loopt een stoel omver. Beide dochters proberen de binnenkomst in goede banen te leiden, terwijl oma tevreden aan tafel blijft zitten. Nadat de koe in de ruimte is geparkeerd, wordt een extra stoel voor de jongen aangeschoven en nemen ook beide dochters weer plaats. Het middagmaal wordt voortgezet.

Marcel en ik zijn op bezoek bij een oude vriendin van Marcel in Catalunya. Als we ’s middags spontaan aan huis verschijnen, zitten ze net aan tafel. Ik kus een stokoude dame, een moeder, twee dochters en een Mexicaans vriendje. Natuurlijk eten we mee en komen er direct borden en bekers extra. Willen jullie dit? Willen jullie dat?
De keuken is volledig van steen. De muren zijn wisselend geverfd in dieprood, blauw, azur en geel, al blijft het grootste deel wit. Er hangen simpele schilderijen aan de muur. Er hangen kleden. De weg naar de slaapkamer is slechts een stenen poort. Ook daar die kleuren, schilderijen en kleden. Op elke stenen vlakte behalve die van de vloer liggen kunstobjecten die, denk ik, een spirituele betekenis hebben. De oma is het grootste object van kunst of spiritualiteit. ‘Wij leven hier al negen generaties’, zegt ze een aantal keer. ‘Het huis is eeuwen oud’. Ze is ongetwijfeld al die eeuwen gewoon aanwezig geweest. De stokoude dame heeft niet door dat ik Spaans noch Catelaans spreek. Ik grijns haar aan als een idioot, verlegen, terwijl alle dochters glimlachen. Marcel heeft ze lang niet gezien en praat hen bij terwijl hij nu en dan een olijf of stuk vijgentaart in zijn mond steekt. Ik pik ook voorzichtig wat eten mee, me bewust van mijn grote arm die daarbij gedwongen boven het tafelblad zweeft. Mijn brede postuur dat tussen de frêle dames is gezet. Mijn blonde haren en bolle wangen, mijn bleke huid waarop overal ‘melk’ staat geschreven, mijn sport-bh die twee grote, platgewalste, Nederlandse borsten huisvest. Mijn stem. Mijn manier van bewegen.
Ik sla de dames gade wanneer ze opstaan om de koffie van het fornuis te halen en zie hun lange gekleurde rokken, het haar dat golft tot aan hun slanke middels en de bruine schouderbladen. Het lijkt alsof het huis tegelijkertijd gedecoreerd is met deze vrouwen. De kleuren komen overeen. De geest is hetzelfde. Wat afgelopen drie eeuwen aan historie en schoonheid in de muren is gaan zitten, hebben alle dochters bij de geboorte meegekregen.

‘Dit is geen doorsnee Spaans gezin’, zegt Marcel later, als ik iets wat opgelucht tegenover hem in de bus zit. ‘Dit is een Sjamaanfamilie. Ze hebben allemaal aan de kunstacademie gezeten. Het zijn artiesten.’ Ik weet niet zo goed wat ik met die informatie moet. Voor mij was elk detail van de afgelopen uren het toppunt van alles dat ik in mijn hoofd als Spaans had gecultiveerd. Ik had graag mijn fototoestel willen pakken en een reportage willen maken, al was het maar om mijn rol als buitenstaander vorm te geven. Maar ik was geen buitenstaander; de gastvrijheid liet dat geenszins toe. Ik zou mee-eten, meepraten, meelachen en doen alsof ik een van hen was. En dat heb ik geprobeerd. Maar bij het afscheid van deze verzameling aan onwerkelijk mooie beelden had ik mijn verhaal van de Hollandse Koe al zo’n drie keer in gedachten uitgeschreven.

Het soort schrijver dat ik zou willen zijn (diegene die er rijk van wordt natuurlijk)

Ik heb me willen ontpoppen tot vele soorten schrijvers. Elk mooi boek dat ik gelezen heb is geschreven door iemand wiens stijl ik wel had willen afpakken.
Als mijn moeder zich een breuk lachte om een column, dan wilde ik hilarisch zijn.
Als ik in de krant een boekenrecensie las waarin de schrijver werd geprezen om haar natuurlijke dialogen, dan wilde ik daar ook bekend om staan.
Soms wilde ik kritisch zijn. Soms wilde ik voor jonge kinderen schrijven, dan zou ik mijn zus laten illustreren.
Vaak heb ik de wens gehad om belezen over te komen.
Nog bijna schreef ik me in voor een opleiding journalistiek, tot ik me realiseerde dat ik het afgelopen halfjaar geen krant had opengeslagen en bij mijn broer moest informeren naar de stand van zaken in het Oosten.
Ik moest en zou even reisverhalen schrijven, maar het hoge aantal reisverhalen van Facebookgenoten beroofde me van mijn zelfvertrouwen. Zij waren buiten Europa geweest. Ik niet.
Om financiële redenen wilde ik schrijven zoals JK Rowling.
Eveneens om financiële redenen wilde ik schrijven zoals de modebloggers of lifestylebloggers, al heb ik nooit begrepen hoe ze daar precies van leven. Populariteit doet leven.

Er is echter maar een soort schrijver waar ik werkelijk zo jaloers op ben, dat ik er bijna verdrietig van word. Het is het soort schrijver waarnaast ik me incapabel voel, wiens werk ik om die reden bijna niet open durf te slaan. Deze schrijvers doen me twijfelen aan de manier waarop ik in het leven sta, of ik überhaupt wel in leven ben. Ze maken pijnlijk duidelijk hoe hulpeloos ik sta tegenover mijn eigen emoties. Hoe groot het gat is tussen mij en andere mensen. Hoe ik nooit volledig in staat zal zijn om jou duidelijk te maken, hoeveel ik van je houd. Daar zouden zij me immer bij moeten helpen.

Het soort schrijver dat over de liefde kan schrijven, zo een zou ik willen zijn.

(Met dank aan SUUS, die me afgelopen bezoek in Chamonix de gedichten van Pablo Neruda cadeau gaf).

Tocht 6: Traversée des Aiguilles Rouges d’Arolla

IMGP0831Hé, Evolène, roep ik verbaasd uit. Dat ken ik. Daar heb ik drie zomervakanties doorgebracht en mijn eerste biertje buiten ouderlijk toezicht gedronken (of met verbazing toegekeken hoe mijn zus biertjes dronk, zoiets). Evolène lag in onze lievelingsvallei. De opblaaskrokodil van een campingvriendje, zijn oudere broer en het bijbehorende zwembad lieten ons elk jaar weer terugkomen.

De omliggende dorpen zeggen me echter niets meer. De namen niet, de bergen niet en de weg erheen roept alleen herkenning op wanneer we die gekke torens passeren: Les Pyramides s’Euseigne. Waarschijnlijk heb ik hier in de omgeving zo’n beetje alle wandelingen gemaakt, maar zo diep in mijn fantasie verzonken dat ik er geen enkel heb opgeslagen. Het enige dat ik wel herken: Een vakantiegevoel.

IMGP0837

Het is vanwege een suggestie op de tochtenlijst van de ENSA dat ik zo opeens Evolène inrijdt (dit had iemand me toen eens moeten vertellen: Over x aantal jaar rijdt je hier met je Spaanse vriendje in een oude ambulance/jehuisopwielen de vallei binnen om professioneel klimmer te worden). Uit eigen beweging waren we Zwitserland niet ingereden, gewoon, omdat je in Chamonix alles wel denkt te hebben. Maar wat is het fijn om een frisse neus te halen in een gebied een nieuw soort schapen met heel veel krullen en woeste hoorns, hoge bergen met vreemde vormen en meertjes die anders kleuren. Specifiek Lac Bleu, dat zowel knalbauw als knalgroen is en me even pijnlijk wijst op nog meer geheugenverlies. Krap drie jaar geleden stond ik daar namelijk met Kimberley. Goh, denk ik, dit ken ik. Hier ben ik geweest toen er een meter sneeuw lag, met een vriend van Kimberley die elke stap die meter tot de grond doorzakte en wijn mee had genomen.

Goed, Marcel en ik hadden het plan om de Traversée des Aiguilles Rouges d’Arolla in een hit and run te doen, maar toen herinnerde ik me het Râteau-avontuur en met name wat ik daarna had gezworen (Dit. Nooit. Meer). Daarom lopen we gewoon met matje en slaapzak omhoog naar La Cabana, een hutje op 2821 meter hoogte tussen het gruis onder de Aiguilles, waar we een gezette waard treffen die rustig de laatste zonnestralen meepakt en zichtbaar geniet van de uitgestorven avond. Hoe is het weer morgen? – vraag ik hem. Oh, grand beau!
’s Ochtends om halfzes worden we niet wakker door de wekker, maar door een flinke regenbui. De donzen slaapzak weet net aan te voorkomen dat ons lichaam nat wordt. Vanuit de hoofduitgang tuur ik naar het schouwspel van grote mooie wolken en grote mooie druppels. Om zes uur doe ik dat nog steeds. Zodra we besluiten in La Cabana te schuilen, stopt de regen. Wat nu?

De aantrekkingskracht die van de graat in de verte uitgaat is zo ongeveer nul, en de donkere lucht erachter trekt dat in het negatieve. Wat een vakantiegevoel! De waard van de Cabana slaapt. Er is geen hond, geen vermaak, niet eens zoveel schoonheid. Maar we zijn er nu toch. En dus spreiden we de slaapzakken uit op een rots in hoop op een ander soort grand beau en lopen we richting de gletsjer. Een gapende rimaye dwingt ons over steile rotsen naar loszittende stenen van een sneeuwveld dat er in de topo gewoon nog lag. Eenmaal op de graat zijn we getraumatiseerd. Beiden graven we onze reservevoorraad aan motivatie af, de een vind wat, de ander komt met lege handen terug. Het slechte weer heeft zich vastgebeten in de Matterhorn terwijl wij inmiddels verkeren in een blauwe lucht. De graat die volgt ziet er desondanks spooky uit.

Ik besluit dit verhaal af te sluiten met een cliffhanger (dit was al de cliffhanger). Mocht je nou echt willen weten hoe het afloopt, dan stuur je me maar een mailtje. Hint: Sneeuwpaddestoel.

En ik beloof van mijn volgende toeren fatsoenlijke beschrijvingen te geven, zonder je lastig te vallen met mijn stoelgang of de opblaaskrokodil in het zwembad van Evolène.

IMGP0843 (2)

Van achteloze douche naar douche van ware liefde

En nu ben ik er verdorie klaar mee. Ik wil een douche. Geen douche op fietsafstand van een sporthal aan de andere kant van het dorp, die nu en dan de kleedkamers sluit wegens misbruik door niet-leden. Geen soort-van douche in een idyllisch stroompje ijskoud gletsjerwater. Geen washandje dat met een lading zeep heus het een en ander schoon schrobt.
Ik wil een douche in HUIS, binnen een paar overdekte stappen, dat je aan een knop draait en er zielig veel warm en kraakhelder water uit stort, net zolang als ik durf weg te dromen onder de stroom van bewuste verspilling. Zo’n douche wil ik.

Ik walg van mezelf zodra ik hier weer moeilijk over dreig te doen. Geen douche! Ruby, wat een leed! Je bent vast de enige op deze aardbol die soms geen toegang heeft tot een douche! Nu moet je plakkerig van het zweet je bed in, wat zal je eveneens ongedouchte vriendje daar wel niet van vinden!
Het vriendje is de kunst van dit leven eigen en heeft er hoogstens problemen mee dat ik per zoutlaag afstandelijker word. Stinken doen we overigens niet. Chamonix is erg geciviliseerd. De occasionele licht geurende passant wordt vergeven omdat zijn lycra activewear verraad dat ‘ie net een rondje om de Mont Blanc heeft gerend. Het alpinerende volk mag daarbij best wat wilde trekken vertonen. De echt meurende eventueel dakloze of bezopen bevolking wordt daarentegen systematisch buiten de vallei gehouden – hoe ze het doen weet ik niet, dat vraag ik me al af sinds mijn aankomst in Chamonix. Hoe dan ook, schone kleren, dat washandje met die zeep en een contract met de spuitdeo laat je ongemerkt opgaan in de brandschone toeristenmassa.

Desondanks hunker ik naar een douche. Ik ben zo verschrikkelijk gewend aan de luxe dat ik het, zelf nu ik al grofweg een jaar in een busje woon, nog steeds mis om even snel de ellende van mijn huid te spoelen. Om vlug herboren te worden. Een douche geeft je in een handomdraai een nieuwe start, een frisse gemoedstoestand, en nu moet ik daarvoor, als ik uitgeput ben van een alpine tocht, op de fietst richting de sporthal stappen. Van alles wat in de bus ontbreekt, mis ik de douche het meest. Het gebrek aan opbergruimte, bewegingsvrijheid en zelfs een toilet is overkomelijk in vergelijking met het gemis van dat kleine walhalla aan warm, helder, stromend water.

Nu is Marcel een held. Hij is een knutselaar, nestbouwer, kunstenaar en zoals ik al zei: Hij beheerst dit type leven. In de tijd waarin ik me ernstig en filosofisch afvraag hoe ik in mijn semi primitieve situatie terecht ben gekomen, heeft hij al een gootsteen gekocht. Een solarpanel op het dak gemonteerd. Het opbergsysteem gerenoveerd. Een douche gebouwd.
Gister heb ik het voor elkaar gekregen om hem twee uur lang als zure pruim te vergezellen omdat de douche in de sporthal inderdaad weer eens gesloten was. Toen wees hij me erop dat de bus gewoon een warme douche had. Even wat water op het fornuis zetten, de waterpomp aansluiten en onder de douchekop gaan staan.

Daar stond ik dus, ’s avonds om elf uur in mijn blootje op de parkeerplaats naast de bus, met het haar vol shampoo onder de uitgestrekte arm met douchekop van Marcel. Mijn nestbouwer kon me tegenwoordig ook van een douche voorzien en ik moet zeggen: dat was een van de beste douches die ik ooit heb gehad.