Latest Posts

Mini-Nepali

Het gekke aan vliegtuigen is dat ze je in een mum van tijd aan de overkant van de wereld afzetten. Ze grijpen je in de kraag in Nepal en laten je achteloos slingeren in Quatar, en dan, opeens, openen ze hun poort naar Barcelona Aeroport.
Ik heb het stof dat door scooters in Kathmandu werd opgeklopt nog in mijn neusharen. Onder mijn schoenen zit het modder van Annapurna en in mijn buik ongetwijfeld momo of lassi, ergens, in onherkenbare vorm. De geur van mijn kleren en haren komt van frituurvet in Thamal, de bruinige waas over mijn hippiebroek van alle banken en trappen waarop ik gezeten heb in de hoofdstraat van de chaos.
Als ik achterin de glimmende auto van de Comamala’s over de spekgladde wegen door het kaarsrechte verkeer rond Barcelona gereden wordt, heb ik het gevoel dat Nepal nog over mijn huid loopt. Alsof minikoeien, kippen en apen en mini-Nepali op scooters en fietsen en te voet allemaal hun drukke wegen banen over mijn armen en benen. Vrouwen in prachtige stoffen die rieten manden verslepen, hun kind ergens weggestopt, mannen die krakende violen aan de man proberen te brengen, dragers met hun 60 mini-kilo zware lasten, jonge jongens met hun speakers en opgeschoren en geverfde haren, meisjes in schooluniform, giechelend, schoolbussen vol prachtige koppen, oma’s en opa’s vastgelopen aan de zijkanten, met hun stok en waterige ogen.
En dan stap ik thuis onder de douche en spoel ik ze allemaal weg. De reis is een voldongen feit. Nepal ligt weer ver weg op de kaart en ik ruik naar biologische, Catalaanse rozen.

_DSC9103

Tijd om naar huis te gaan

Vanavond om half acht vertrekt onze vlucht naar Quatar, waar geluidloze witte treinen door kristallen ruimtes bebaarde sjeiks naar hun vertrekhal vervoeren. Onze wereld staat op het punt te veranderen. Na de lachwekkende controles van medewerkers van vliegveld Kathmandu, die verveeld staren naar een scanner die er volgens mij meer voor de vorm is neergezet, is het afgelopen met Nepal. Dan zijn er slechts nog de foto’s, herinneringen en mijn verweerde opschrijfboekje, dat me zo dierbaar is geworden dat ik erachteraan spring als het uit het vliegtuig waait.

We spenderen onze laatste rupies aan masalathee en nutteloze souverniers. Ik neem mezelf voor om foto’s van Nepalezen te nemen, want na een sessie terugscrollen op de camera ontdek ik dat ik vooral koeien en apen heb vastgelegd, omdat mijn verlegenheid tussen hen en de camera niet opspeelt, terwijl ik de schaamteloze en hardnekkige straatverkopers niet om een foto durf te vragen. Ondertussen heeft internet zijn intrede in onze logementen gemaakt en staan we al met één been thuis. Thuis ja. De laatste bladzijdes van mijn opschrijfboekje zijn gevuld met gedachtes over thuis, dat de afgelopen jaren in een analyseerbaar concept is verandert. Maar teveel energie wil ik er niet aan wijden, zolang het stof van Thamel nog onze longen vult en ik duizend sjaals heb om uit te kiezen. Ze hebben gebedsvlaggetjes en handgemaakt papier met gouden patronen, traditionele maskers, stoffen, zepen van yakmelk, gongs, wierook, vilten olfifantjes en henneptassen en ik heb dat allemaal nodig. Vooral de tijgerbalsem en houten miniviolen. Morgen is de gekte van Kathmandu een verhaal, maar ik kan niet zonder bewijs dat het waargebeurd is het vliegtuig instappen.

_DSC0122

De bootjes op het meer van Pokhara

Terwijl ik nog in Pokhara ben en onze vlucht pas over vier dagen gaat, ben ik al in de fase van het reflecteren beland. Alsof de herinnering te vroeg is ingezet en overlapt met het heden. De Nepalese impulsen onderscheiden zich niet meer van elkaar, ze vallen direct in de grote kist met plakker ‘Nepal’. De camera haalt het buitenlicht niet vandaag. Ik zwerf door de stad en dwaal langs het meer, drink een lassi of een kokosnoot – wat zich als eerste aandient.

Maar misschien, als ik iets minder moe was geweest, dan had ik nog midden in mijn Nepalese verblijf gestaan. Als ik wat minder had moeten overleven afgelopen week, dan had ik de toeters nog gehoord, de frituurlucht nog geroken, de grote bruine ogen van al die kiddo’s gewurmd in een doek op de rug van hun mama nog gezien. Ik ben dood op. Zelfs al sliep ik vannacht tien uur en kijk ik inmiddels een dagdeel loom uit over het water, dan nog ontbreekt de energie om geïnspireerd te raken.

Marcel en ik gooiden het roer om zodra we zijn vader achterlieten bij de Butterfly Inn in Centrum Pokhara voor de beklimming van de onbekende berg. Het eerste halfuur van de Annapurna Sanctuary Trek vormde het gewicht van onze tassen nog een mooie anekdote, maar nadat we het eerste dorp waren gepasseerd, realiseerden we ons wat we onszelf die week zouden aandoen. En we hadden geen tijd. We konden niet rusten. Het pad richting de bergen liep steil omhoog en dan weer steil naar beneden. We gingen door in het donker en zetten onze tent pas op toen we beiden door onze poten zakten. Dag twee maakte ons niet sterker. ‘s Middags was het zo warm dat Marcel het opgaf, alles, maar net toen ik me had neergelegd bij de teloorgang van het grote, belachelijke avontuur hervond hij zijn krachten. Dag drie bracht ons op 3700 meter, waar kachels ontbraken en de vrieskou geen hindernis zag in de extra deken die we van een guesthouse leenden. We hadden het beginpunt van onze beklimming bereikt, maar de onbekende berg lag voorbij een diepe canyon die we nooit snel genoeg zouden overbruggen, gegeven de tijd die we nodig hadden om weer thuis te komen. En één van de grapjes die we onderweg hadden gemaakt werd waarheid: het weer betrok op de dag van aankomst.

Dan maar ‘Tent Peak’, was onze conclusie: Een commerciële expeditietop, 5700m, niet technisch, wel mooi uitzicht, waarschijnlijk zo’n duizend keer beklommen. Dan waren onze tassen voor niets bepakt met al dat materiaal, maar hadden we op z’n minst een hoogtepunt (overigens: we sliepen praktisch naast de Annapurna’s en Mount Fishtail stak prominent achter ons uit; tijdens al dat afzien bevonden we ons tussen de sterren van de Himalaya).

Maar wat vonden we bij verassing links van ons, op weg naar het eerste basiskamp van de Tent Peak? Een bevroren waterval over de lengte van een berg, geperst tussen de wanden van een mistige kloof, dik ijs voor zo’n vierhonderd meter. Ik zag Marcels blik en wist dat onze koers zich weer zou wijzigen.

De beklimming en de terugweg deden qua intensiteit niet onder voor de heenweg. Als ik nu naar mijn lichaam luister, denk ik dat er zelfs sprake is geweest van een optelsom. Ik heb acht dagen aan uitputting te verteren. Misschien, dus, dat Nepal daarom even niet binnenkomt.

Waarschijnlijk, hopelijk, zal ik nooit meer zo’n frats als afgelopen week uithalen. Maar de lassi smaakt wel heel goed vandaag. En al begint de herinnering aan Nepal vroegtijdig: ik waan me in soort gedrogeerde tevredenheid. Een acceptatie die me ongeïnspireerd, maar wel schaapachtig naar de bootjes op het meer laat kijken, die nu geheel volgens de romantische setting van Pokhara, door het weerkaatsende licht van de ondergaande zon varen. Als de komende dagen dezelfde vorm aannemen, dan win ik misschien weinig meer aan diepgang, maar stap ik wel zielsgelukkig het vliegtuig in.

_DSC9805

 

Een hooibaal met een smartphone

Na een halve maand in Nepal heb ik geen idee wat als eerst geschreven moet worden. Ik zit momenteel in het relatieve paradijs van Pokhara, ten Westen van Kathmandu, waar boottochtjes over het meer en pashminasjaals tussen de hipstertentjes het meest relevant zijn. Een cocktail zoals Wiskey Sour kost 285 rps, nog geen drie euro. Angel en Marcel zijn niet te motiveren voor een cocktailavond, maar als ik me niet in kan houden, dan zijn er genoeg reizigers om van de straat te plukken.

Geïnspireerd door Pokhara dwalen mijn gedachten vaak af naar het restaurant dat ik zelf op zou willen zetten. Zolang je niet van de toeristische paden afwijkt is Nepal erop gericht om het verblijf van de toerist zo comfortabel en Westers mogelijk te laten verlopen. Je hoeft hier niet persé te lijden onder een afwijkend idee van hygiëne en kunt rustig je toekomst uitwerken zonder spirituele afleiding of shock vanwege de praktijk in de derdewereld.

Maar als je wilt, is er genoeg om over na te denken dat betrekking heeft op een reis door Nepal. Mijn schrift is bijna vol en als ik, zoals veel reizigers, een Macbook had meegedragen, dan had ik tweedaags blogs kunnen produceren. Waarover? De Himalaya. Nepalezen. Plastic. Een brede ‘dirtroad’ die elke dag wat verder tot het beschermde natuurgebied van Annapurna doordringt en zowel ontwikkeling (ontwikkeling?) als destructie brengt. Reizen met een vermoeide schoonvader. Jonge vrouwen die hooibalen dragen van ogenschijnlijk het dubbele van hun eigen gewicht en ondertussen kwetteren in hun smartphone. Een trekking over Thorung La, een pas op 5416 meter hoogte tussen de giganten van de Himalaya. Hindoeisme, boeddhisme en alle vormen van religie die ze ons, toeristen, in allerlei vormen serveren. Een huilbui vanwege het verliezen van een pluchen pinguin (en de realisatie dat Marcel de man van mijn leven is omdat hij de ernst van de zaak inzag en me troostte). ‘Busrides from hell’. Bloedmooie kindjes. Tibetanen. Stupa’s die zich verstoppen achter selfiemakende Aziaten met glanzende zwarte haren. Het boek While the Gods Were Sleeping van antropologe Elizabeth Enslin over haar onverwachte studie van Nepal door haar huwelijk met een high caste Nepali. Hoogte, droogte, hitte, kou. De mix van authentieke kledij en skinnyjeans. Diarree en hurkwc’s. Wifi. De wetenschap dat armoede zich verstopt in andere valleien en zo niet, zich manifesteert in de gedaante die we al kennen van thuis: de occasionele zwerver. Waanzinnige landschappen. Een straalbezopen receptionist die de kamersleutel verstopt. Kathmandu, waarover ik pas later durf te zeggen dat ik het, als onwetende toerist zonder specifiek doel of leidende interesse, vrij verschrikkelijk vind (stof, vervuiling, chaos, plastic en herhaling van dezelfde winkels voor toeristen; maar goed, zoals gezegd wijken wij niet van de gebaande paden). Apen, jonge koeien en honden die zich gedragen als katten.

Ik zit momenteel in een café met een kop ‘Ruby’ thee en een stuk worteltaart. Een zeldzaam moment alleen. Vanmiddag komen onze alpinetassen aan in Pokhara, met ijsbijlen, stijgijzers en touwen. In een waanzinnig krap tijdsschema trekken Marcel en ik morgen richting het Annapurna basecamp om daar, over een dag of vier, een willekeurige, naamloze berg te beklimmen die onze persoonlijke geschiedenis in zal gaan als Mount Pinguin, mochten we de top bereiken. Angel laten we in Pokhara, waar het comfort en de aanwezigheid van een Spaans tappasrestaurant ons allen geruststelt.

Ik heb zin in de tweede helft van de reis. Maar ik heb ook zin om thuis te komen en mijn indrukken uit te werken, om vervolgens een leven op te pakken waarin ik actief meedraai. De rol van toeschouwer is beperkt houdbaar, zelfs in Nepal.

_DSC9030

 

 

 

 

 

 

 

 

Kikkervrienden

Ik ben in Nederland en ik heb geen jas meegenomen. Ik dacht dat het wel mee zou vallen. De wind, de regen en de grijze luchten; dat is het Kikkerland. Het is eind oktober. Maar ik ging ervan uit dat de wereld overal aan het opwarmen was. De zomer in Chamonix was dikwijls bloedheet en Angel zegt keer op keer dat de herfsthitte in het voorportaal van de Pyreneeën nieuw is.

Het stelt me gerust, die wind. En mijn moeder heeft een jas te leen.

Nederland. Ik weet niet precies uit welk land ik ben vertrokken noch in welk land ik terug zal keren, begin volgende week. Maar of het nu Spanje of Catalonië is: Deze oktober dragen tieners er naveltruitjes en oma’s wijde bloezen met korte mouwen. Hoogstens een fijn wollen vestje over de schouders. Je hebt daar nog even geen jas nodig.

Mijn moeder haalde me gister op van Schiphol en ging mee op zoek naar het Nepalese Consulaat aan de Herengracht. De vrouw die de stempel in mijn paspoort zette was erg leuk. Zo leuk als mijn moeder, maar dan met een Nepalese ketting om.
‘Kijk, mam, mijn eerste visum.’ Trots liet ik haar mijn paspoort zien. Toen we het consulaat uitliepen, regende het zo hard dat we maar zijn gaan rennen. Onder de serre van een café aan het Rembrandtplein vonden we bescherming, soep en een broodje oude kaas.

Het is fijn om terug thuis te zijn. Ik had mijn vader al meer dan jaar niet gezien en trof hem onveranderd aan. Heel erg mijn lieve papa. En Nederland bestaat nog gewoon uit al die Nederlandse dingen. Uit mijn jeugd en herinneringen. Tegen de wind in fietsen met losse haren en koude wangen op een fiets met achteruittraprem, daar kom ik vandaan. Dan lijken mijn Franse en Catapaanse levens uit een roman te komen en mijn échte leven uit die straten waar de wind door waait.

Maar naar Nepal ga ik toch echt met Marcel en Angel. Mijn vriendje en zijn vader.

Het is best wel veel, stiekem, al die landen die plotseling onder mijn paadje zijn gekropen. De schakel tussen Catapanje en Frankrijk maak ik inmiddels wel makkelijk, maar een terugkeer naar Nederland is altijd even een dingetje. Nepal vind ik ook wel een dingetje. Ik had liever nog wat langer in de ogen van mijn papa, mama, broer, broer en zus gekeken en even tegen de wind in gefietst, maar het leven ontbreekt die achteruittraprem. Ik sukkel gewoon door naar Kathmandu. Mijn kikkerland en kikkervrienden worden vervangen door yaks in het 8000 meter hoge yakland.

Maar als de wind er waait, dan weet ik waaraan ik zal denken.

Een ander mens

Over precies een week ga ik met Angel en Marcel naar Nepal. Ongeveer een week geleden hebben we de tickets geboekt. Dit valt wel onder de noemer spontaan. Zelfs ik vind het vrij spontaan. Een vlucht op zich is snel gevonden en de plotselinge wending is mijn leven niet persé vreemd. Maar Nepal? De Himalaya?

Ik hoop dat het vliegtuig niet neerstort. En ik hoop dat Angel het trekt. Hij is 62 en loopt nog fit door huis, maar wat Nepal met zijn tred uithaalt… Kathmandu lijkt me niet ingericht voor Westerse gepensioneerden. Maar er ligt een twinkeling in zijn  bruine ogen, echt waar, een onzekere twinkeling die niet kan ontsnappen.

Ik probeer de gedachten aan Nepal te laten passeren zolang ze niet gaan over het organiseren van mijn visum. Zojuist nam ik een kop lauwe koffie op de veranda aan de achterzijde van het huis en daagde het me plotseling waarom. Ik ga namelijk op een avontuur waarvan ik de grote lijnen hier ter plekke kan uitschrijven. Daarmee bedoel ik niet de logistiek, van de logistiek heb ik geen idee, maar ik doel op de gehele ervaring. Ik ga zien wat ik al heb gezien in documentaires en ruiken wat al tig keer aan me is omschreven als een specifieke mengeling van geuren. Meer van dat.

Wat die hele sloot aan twintigjarige reizigers al heeft uitgeplozen in reisverslagen op het internet wordt de komende maand gecopy-pasted in mijn wezen. Armoede, massatoerisme, authentieke ervaringen met locals, natuur, vrijheid, overvloed aan indrukken, verveling, hectiek, dat het hier toch wel anders werkt, overweldigend, ik als westerling, ik als experiment, ik als emotioneel wezen; één ding staat als een paal boven water en dat is dat ik terug zal komen als een ander mens. Toch? Wat kan ik nog fotograferen dat niet al op Instagram is gepubliceerd? Waar in godsnaam zal ik over kunnen schrijven? Over een ander mens dat iedereen al kent?

Ik vestig al mijn hoop op Angel, de gepensioneerde bankmedewerker, want die staan doorgaans niet op de paklijst. Maar ik vrees de teleurstelling. Ik vrees het moment waarop de pen in mijn hand boven een blocnote zweeft en ik ondanks de intensiteit van mijn eigen Nepalervaring op zoek moet naar originaliteit.

Misschien denk je nu ‘houdt die ervaring dan voor jezelf’ en dat zou inderdaad een oplossing zijn. Dan kan ik ongegeneerd gaan zitten veranderen in een voorspelbare directie en precies datgene denken wat jullie allemaal al eens gedacht hebben onder de invloed van een magistraal andere wereld. Prima. Maar ik ben een schrijfster.

Kom op, Angel, redt me van deze teloorgang.

Met Fiek Électrique op Chic

IMG_2758

‘Jumpy’ is de naam van de nieuwe auto van Fieke. Beiden zouden afgelopen week op bezoek komen, maar alleen Fiek kwam aan in Spanje (Catalonië?). Jumpy zat vast in de garage vanwege een defect klepje. Stom, ja, want anders waren we in één klap doorgereden naar Siurana en hadden we die wanden daar plat geklommen. Zo zonder auto was Siurana plotseling wel ver weg.

In de buurt bij de varkensgenocidefabriek in Olot pikte ik haar op. Mijn lieve, blonde, langpotige Fransoos. Ik toonde haar mijn tijdelijke burgerbestaan bij de ouders van Marcel, het witte wijkje, de kat, en vond het eigenlijk wel grappig dat ze daar zo plotseling doorheen liep. Grappig en heel fijn, want nu kon ik haar de oren van het hoofd tetteren. En zij de mijne.

Hoofdsubstitutie van Siurana was het klimmen in Sadernes, dat in eerste instantie niet doorging vanwege het wantrouwen van de Catalanen. Ze weigerden ons op te pikken toen wij bepakt en grijnzend aan de rand van de weg stonden, zodat we ons gedwongen zagen om koffie te drinken bij Adria. We klopten spontaan bij hem aan en namen het leven door alsof het normaal was dat we ons allemaal in Olot vertoefden. De vreemde loop van zaken is altijd het leukst.

IMG_2711

De volgende dag spendeerden we vanwege noodweer in Barcelona. De regen was zo agressief dat een zware tak vlak naast ons van een boom brak. Maar het was heerlijk. Heerlijk om zeiknat van winkel naar winkel te traverseren, gedwongen aan het bier te zitten en met Fiek een soort van op chique te gaan. We pasten satijnen rokken en hingen gouden oorbellen in onze oren. Het was lang geleden dat ik schaamteloos publiek voor de spiegel heb staan draaien, en Fiek draaide gewoon naast me mee. Ik schafte zelfs een witte nepbondjas aan die ik bij thuiskomst voor Marcel verstopte, want ik vrees nog steeds zijn oordeel.

Uiteindelijk belandden we toch in Sadernes. We zetten de tent op een camping en wandelden en klommen drie dagen lang. De wereld was even simpel, ver van satijnen rokken en gouden oorbellen, maar de gesprekken waren diep als vanouds. Boven de dichte bossen van Sadernes klonken onze nieuwe plannen om de wereld te veroveren. Er zouden boeken geschreven worden en cafés geopend en tiny houses gebouwd, en mannen gevonden en bergen beklommen en aarde omgespit. En nog iets met die arme varkens van Olot, het aanschaffen van een elektrische fiets en de kaasverslaving.

Vanmorgen werd ze om 07:10 opgehaald bij het treinstation van Figueres. Hop, Fiek was er. Hop, Fiek is weg. Terug naar de garage waar Jumpy hopelijk is hersteld van het defecte klepje, weg van de ouders van Marcel die zo’n vrolijke Fieke aan de keukentafel wel zagen zitten. Het is misschien prettig voor Jumpy dat zijn verpleegkundige zich spoedig over hem kan ontfermen, maar wij hier in Olot moeten het weer zonder haar doen.

IMG_2776

Nepal

‘Papie’, zegt Marcel. ‘We gaan naar Nepal’.
De vader van Marcel doet een siësta op de bank in de woonkamer. Hij opent zijn ogen en ziet de grijns van zijn zoon op nog geen twintig centimeter van zijn eigen gezicht. ‘We gaan naar Nepal’, herhaalt Marcel.
Hij mompelt wat.

‘En?’ vraag ik als Marcel later mijn kant op komt.
‘Ja.’ Die grijns is er nog. ‘En jij?’

Naar Nepal, heel November, uit het niets, uit de spontaniteit van Marcel, uit het universum van waarom-niet; ga ik mee of blijf ik thuis? Waarom niet ja. Misschien is het geen ideale voorbereiding voor de examens, maar Marcel beloofd me dat we gaan klimmen, dat je sowieso in Nepal kunt klimmen, en anders trekken we ons wel ergens aan op. Dan ren ik een rondje door de Himalaya en doe ik sit-ups in een klooster. Een tocht in het hoog, hoog, hooggebergte zou overigens niet misstaan op de tochtenlijst. ‘Kunnen we met al het materiaal het vliegtuig in?’
‘Ja joh.’

De vader van Marcel is sinds ruim een halfjaar met pensioen en het blijkt best lastig om plotseling zoveel tijd te hebben. Zoveel nadenken. Elke dag een dagprogramma uit de grond stampen. Een leven lang werken bereid je niet specifiek voor op de jaren die daarna komen. Dan zit er niets anders op dan met een zeilboot de wereld over varen, onmisbaar worden in de opvoeding van de kleinkinderen of met je zoon en zijn vriendin een maand in Nepal naar inzichten zoeken (of een hond nemen, toch mama papa, hond, hond, hond? Woef?)

De tickets zijn geboekt. Ik heb zelfs nog een ticket naar Nederland geboekt, vlak voor de gang naar Nepal, zodat ik het thuisfront gedag kan zeggen. Onze lieve kat is helaas naar de hemel vertrokken, maar die reïncarneert ongetwijfeld in een Nepalese berggeit.

De vader van Marcel loopt lichtelijk overdondert door het huis. Naar Nepal, dus. Waarom niet.

De varkens van Olot Meats

De toegang tot elektriciteit, internet en comfort transformeert me in een computerfreak die bijna in staat is een roman af te schrijven, tot ik me realiseer dat de zon schijnt en de dag buiten het digitale spectrum beter is.

Maar als we het dorp uitrijden en de belangrijkste fabriek van Olot passeren, dan is diezelfde dag even pikdonker. Niet voor lang; voor hoogstens een minuut of twee. Want voor de rood geblokte gebouwen staan altijd grote vrachtwagens met horizontale luchtgaten die prijsgeven wie er binnenin het noodlot wacht. Of je ziet de roze billen, of de roze snuiten, en het zijn er veel. Ik weet niet hoeveel precies in zo’n vrachtwagen passen, maar ik weet wel hoeveel er per dag geslacht worden: ‘Handling 10,000 units per day, and with the capacity to increase this to 15,000 in the near future, we are one of the top European companies in the sector.’
Units zijn varkens. Maar dat dacht je misschien al.

Soms laat ik mijn fantasie vieren en stel ik me voor wat er gebeurd met al die varkens zodra de rood geblokte deur achter hen gesloten word. Mijn gedachten zijn in staat tot horror. Als ik daar al van schrik, dan zal de realiteit me verzwelgen. Ik ben bijna zover om Marcel om te laten rijden, waar werkelijk geen varken wat aan zou hebben.

Al jaren zweef ik een beetje tussen flexitarïer en vegetariër in (dit is niet de eerste blog die ik erover schrijf). Maar ondanks die fabriek in de achtertuin kan ik niet eens garanderen dat het nu over is met vlees, want tijd en afstand is het lot van de varkens slecht gezind. Hoe minder ik meekrijg van de vleesindustrie, hoe minder beest er in mijn vlees zit. Nu maakt het me razend, misselijk en sceptisch over de aard van de mens, maar als ik straks in een berghut een stuk worst krijg aangeboden, dan eet ik het. Misschien moet ik vooral sceptisch zijn over mijn eigen aard.

Het is zo’n, zo’n, zó een afschuwelijke aangelegenheid, die varkenssnuiten die straks morsdood in rijen aan een haak hangen, dat ik ze het liefst op mijn hand tatoeëer, op de hand die hun gebraden vlees naar mijn mond beweegt, die schuldige, kwade, gewetenloze hand.
Misschien ben ik eindelijk op het punt dat het werkelijk afgelopen is. Handling 10,000 units per day, dat zinnetje vat voor mij samen waar het misgaat: Zij zien varkens als units, de schurken, en ik zie spekjes als units en ik ben ook een schurk. Klaar daarmee. Ophouden nu. Geen vlees meer.

Olot Meats zal vast een feestje vieren als ze eindelijk die 15.000 per dag de kling over kunnen jagen.

Het skischoenproject

Marcel maakt een skischoen. Niet van papier-maché, hout of fimoklei, maar van carbon. Al zijn we nog niet in het carbonstadium.

Als je het gros van zijn passies en karaktereigenschappen bij elkaar neemt, dan rolt daar vanzelf een soortgelijk project uit. Marcel is boven alles een skitourfanaat. Hij is een (menselijke) variant van Kilian Jornett. Als je hem ’s winters zijn gang laat gaan, dan kom je hem louter tegen in zijn rode skitour-onesie, met zijn vederlichte ski’s en zijn haren warrig. Tegelijkertijd heeft hij een grenzeloze passie voor objecten en de wijze waarop ze functioneren. Materialen. Eigenschappen. In mijn eigen universum groeit alles aan een boom, in het zijne krijgt geen object rust voordat het ontleedt en begrepen is. En het liefst ook verbeterd.

Inmiddels hebben we (ik zeg ‘we’ want de skischoen is min of meer mijn stiefkind) een lang traject achter de rug dat sinds gisteren een griezelig reëel ‘ding’ heeft voortgebracht. Een skischoen.

In het begin was ik sceptisch, want ik dacht dat skischoenen door de kraamvogel in de etalage van winkelketens werden gezet. Net zoals vaatwasmachines, auto’s en alles dat niet met schaar en lijm in elkaar geplakt kan worden. Maar inmiddels weet ik beter. Particulieren zijn tot alles in staat, met name zij die beschikken over een goede internetconnectie. En bij voorkeur een schuur. En, laat ik eerlijk wezen, een hoop nieuwsgierigheid en doorzettingsvermogen.

Een tourskischoen is best een ingewikkelde eenheid. Je wilt hem flexibel hebben voor de weg omhoog, maar rigide voor de weg naar beneden. Het systeem dat die verandering mogelijk maakt, mag vooral niet te ingewikkeld zijn, en de schoen zelf niet te zwaar. Ik moet eerlijk zeggen dat ik nog geen grip heb op Marcel zijn innovatie met betrekking tot dit systeem, maar ik vind het desondanks spannend. Het moment is namelijk bijna daar. We zijn van karton naar gips naar glasvezel (dat in het bed terecht kwam en dodelijk jeukt) naar een 3D-ontwerp gegaan en inmiddels heeft een 3D printer (!!!) zijn schoen uitgeprint.

(Ik herhaal: Een 3D printer heeft zijn schoen uitgeprint. Ik ben er nog getuige van geweest ook. Vind je dat niet eng? Ik vind dat eng.)

Na twee jaar is er dus plotseling een skischoen die alles wegheeft van een skischoen. Marcel is momenteel bezig met het testen van zijn systeem en als dat blijkt te werken, dan is er een kans dat hij van de winter zijn eerste carbon prototype op de piste kan uittesten.

Omdat ik het allemaal van dichtbij heb meegemaakt en ik me nog steeds verwonder over het feit dat dit-dus-kan, vind ik het mega, megacool. Ik hoop met heel mijn hart dat het resultaat correspondeert met de hoeveelheid moeite die Marcel in het project heeft gestopt. Inmiddels geloof ik alles. Als de skischoen op een dag in de etalage van zo’n winkelketen staat, dan ben ik vast nog wel verbaasd, maar vooral trots. Oneindig trots op mijn skischoenproducerende vriendje.

(Op de foto hieronder staat het gelukkige drietal: Marcel, de skischoen en 3D-technicus Aniol, een onmisbaar karakter binnen dit verhaal, die eindeloos veel geholpen heeft en hopelijk voor altijd betrokken blijft).

_DSC8729