Latest Posts

Het Restaurant

Heb je weleens het gevoel dat je gestrand bent op een eiland wanneer je met een vriendengroep uiteten gaat? Ik word rusteloos van restaurants en ik weet eindelijk waarom: In een restaurant eet je met heel veel vreemde mensen die je nooit leert kennen. Elke groep zit op een eiland en alleen de obers hebben een boot.

Ik begrijp het concept van een restaurant: Gezelschappen willen (goed) eten terwijl ze tijd met elkaar spenderen, of vooral tijd met elkaar spenderen, of vooral (goed) eten. Prima. Dit concept werkt niet voor mij. Het werkt gewoon niet. Echt niet.

Hoe goed mijn eigen gezelschap of het eten ook is, ik kan nooit volledig loslaten dat er onbekenden om me heen lopen te dineren. Ik voel me altijd enigszins gevangen door het gezelschap waarin ik toevallig verkeer en een beetje bedreigd door de gezelschappen die niet aan mijn tafel zitten.

Ik geloof dat ik wil weten wie ze zijn, of in elk geval de mogelijkheid wil hebben om ze te leren kennen. Of laat ik het zo zeggen: Ik wil liever met ze zijn, al hoeft er geen woord tussen ons gewisseld te worden.

Mensen gaan niet uit eten om nieuwe mensen te ontmoeten en restaurants zijn er niet op ingericht om vreemden bij elkaar te brengen. Maar toch, ze doen het wel. Je eet nu eenmaal gelijktijdig met dertig, veertig man, maar je loopt hun tafels voorbij zonder hun aanwezigheid te erkennen. Wat is dat voor iets belachelijks.

Ik heb liever twee grote tafels, dan twintig kleine, en ik zit liever naast een onbekend gezelschap, dan dat ik ze achter me hoor lachen. Echt waar. Vreemde mensen zijn eng, stinkend vervelend of heel veel cooler dan je eigen gezelschap, tot ze aan je tafel zitten. Eten verbindt.

Ondanks dat ik zo culinair ben als een reep melkchocolade en koffie, wil ik een restaurant opzetten. Het merendeel van mijn werkervaring (wat zeg ik: al mijn werkervaring) ligt vooralsnog in de horeca. Ik heb gezien wat werkt en wat niet werkt en door de jaren heen, min of meer onvermijdelijk, een specifieke fantasie over mijn eigen restaurant ontwikkeld.

Ik weet niet of dit leven me de gelegenheid zal bieden om mijn restaurant te verwezenlijken, maar het geeft me in elk geval genoeg tijd om me met het concept te amuseren. Misschien kan ik er na mijn pensioen mee aan de slag, met een paar pittige bejaarden in de kelder van het verzorgingstehuis. Als het nog een aantal levens duurt, dan stop ik mijn businessplan bij het eindrapport over mijn verlichtte status en mijn aanvraag voor een zangcarrière (of een kattenlichaam) in mijn reïncarnatiekoffer.

Of, wie weet, ben ik over vijf jaar trotse eigenaresse van mijn eigen lievelingsrestaurant. Waar iedereen gewoon aan dezelfde tafel eet.

Shitpaard

Het vonnis: Ik zal de tijd hebben om alle seizoenen van Gilmore Girls te kijken en mijn restaurant tot in detail uit te werken, maar dat ticket naar Zuid-Amerika hoef ik (nog) niet te boeken. De tijd die ik aan revalidatie kwijt zal zijn, halveert onvermijdelijk mijn reeds geringe kansen en verdubbelt mijn afhankelijkheid van geluk. Maar, zoals Marcel het formuleerde: de druk is ervan af. Nu kan ik totaal ongetraind maar ontspannen het examen instappen.

Ik had mijn fysio-afspraak in een praktijk van kakelende Britse vrouwen die me op melige toon verzekerden dat ze ‘heus wel professioneel’ waren. Tegen de tijd dat een van de therapeutes me naar de behandelkamer begeleidde, was ik op van zenuwen. De behandeling werd onderbroken door een telefoontje van haar zoon die haar mededeelde dat hun hond was ontsnapt, waarop ze verzuchtte dat ze een erg slechte dag achter de rug had, nog voor ze een definitief oordeel over mijn knie had gevergd. Mijn eigen MCL-diagnose was juist gesteld. ‘Probably a serious grade two’, gaf ze me uiteindelijk.

Omdat ik een verwijzing van de dokter nodig had, bracht ik daarna een bezoek aan mijn schimmige, Franse, binnenkort gepensioneerde huisarts die zo’n jaar geleden mijn borsten had onderzocht terwijl zijn sigaret in een asbak op het balkon al rokend op hem wachtte. De muffige kamer met haar multomappen en donkere meubelen kalmeerde me. Ik had hem onbedoeld beledigd door eerst naar de therapeutes te gaan, want ‘het stellen van diagnoses was aan hem, niet aan hen’, zei hij mompelend. Zijn diagnose luidde min of meer hetzelfde, alhoewel zijn versie ruimte overliet voor meer scenario’s. Ik strompelde significant optimistischer zijn kamer uit. Het zou mee kunnen vallen (met de serious grade two).

Beiden waren er redelijk zeker van dat alleen de MCL was aangetast. Ze konden minder zeggen over de mate waarin, omdat de knie te kwetsbaar was om alle functies te testen. Na tien dagen van rust, ijs en existentiële crisis zouden ze meer weten.

De overgang van een uitputtend trainingsregime met accumulerend zelfvertrouwen naar de sofa in Coupeau is groot. Ik moet mezelf afleiden om niet te zwelgen in zelfmedelijden en mijn gedachten actief tot de orde roepen, met name wanneer ik begin te dagdromen over een tijdmachine die vlak voor de drie catastrofale secondes mijn geschiedenis een andere kant op stuurt. Het voelt alles bij elkaar zo stompzinnig, mijn verdriet, mijn lichaam, mijn toekomst, de obsessie waar ik twee dagen geleden nog over schreef, dat ene shitpaard.

Hoe dan ook, de huidige situatie is feitelijk, onvermurwbaar en op zichzelf shit (excuus: SHIT SHIT SHIT POEP POEP POEP) genoeg. Ik hoef geen emotioneel drama toe te voegen om de juiste diepgang te bereiken. De bank is daar, de knie ligt erop en ik lig er noodgedwongen bij, met een zee van tijd, een redelijke internetconnectie, de mogelijkheid om mezelf los te koppelen van de dichtgetikte skibubbel en mijn ogen te openen voor de andere mooie dingen in de wereld. Wie weet raak ik nog eens geïnspireerd.

_DSC0144

Shitpaard op Ski’s 

Gradatie van gruwelijkheid

De reusachtige, ouderwetse houten pickel in de woonkamer doet prima dienst als wandelstok, een potentieel dat ik er nooit eerder in heb hoeven zien. Gisteravond stopte ik een chocoladepizza zonder schuldgevoel in de oven en vanmorgen nam ik een schaamteloos lang bad. Marcel is buitenaards lief, geduldig en optimistisch en Adria’s relativerende humor heeft het juiste effect: Relativerend. Ik heb een excuus om mijn teennagels te lakken en alle seizoenen van Gilmore Girls af te draaien, waar ik oprecht van geniet, en mijn lichaam krijgt eindelijk een voldoende dosis rust. De sneeuw die vannacht is gevallen zal niet vrolijk onder mijn ski’s vandaan stuiven, maar laat zich gemakkelijk in een zakje scheppen, waardoor ik geen ijsblokjes in de vriezer hoef te leggen. Het enige probleem is dat de bus van Marcel vanwege de gladheid de weg naar Coupeau niet op kan en mijn benenwagen in nog onbekende mate naar de klote is, waardoor ik min of meer ben gestrand in mijn eigen chalet.

Dat het een blessure van de MCL (ligamentum collaterale tibiale in Nederlands) van de rechterknie is weet ik, na een flink staaltje zelfgedokter met behulp van het internet, vrij zeker. Schijnbaar zijn er drie gradaties van gruwelijkheid, waarvan de eerste na zo’n week geneest, de tweede langer dan een maand kan duren en de derde een game-over inhoudt. Als ik de derde had gehad, zou ik nu als een verslagen hoopje mens met een gezwollen, kleurrijke knie in de wachtkamer van het ziekenhuis zitten. We zitten dus nog relatief goed.

MAAR LAAT HET ALSJEBLIEFT GRADATIE ÉÉN VAN GRUWELIJKHEID ZIJN

Vanmiddag om half vier heb ik een afspraak met een fysio in het centrum. Het is vreemd dat ik hem of haar nodig heb voor het vonnis, terwijl ik mijn knie hier voor me heb liggen. Het ding zwijgt, zegt niet wat er aan de hand is, heeft veel te veel macht, de rechterknie, de onaangekondigde hoofdrolspeler van het komende tijdsbestek, doe me een gunst en wees niet kapot.

Boeddha door het keukenraam

Zo’n ski-examen eist een hoop aandacht op. Door mijn achterstand kan ik me geen ontspannen houding veroorloven; gedrag dat afwijkt van het obsessieve tast immers mijn slagingskansen aan. Boeddha blijft daarom buiten de deur en binnenshuis resideert maar één paard om op te wedden.

Op momenten dat ik het vertrouwen in mijzelf, de toekomst of de ski’s verlies, ben ik geneigd om uit te zoomen en het idee tamelijk belachelijk te vinden. Waarom doe ik dit? Welke mensheid wordt hiermee gered? Wat legitimeert de zelfobsessie? Is de weg ernaartoe nog waardevol genoeg? Op die momenten: Nee.

Op de momenten dat ik plotseling, eindelijk, weer een sensatie van controle heb, dan stel ik mezelf geen vragen meer. Het is gek hoe ‘vrijheid’ volgt uit een systeem van conventies en herhaling. Een gecontroleerde afdaling opent alle sluizen van het gelukhormoon.

Toch zou ik graag af en toe even op de rem willen trappen. Een adempauze, relativering, zodat alles omtrent ski’s – die twee op wereldschaal bizar nutteloze, overschatte plankjes – wat minder belangrijk zou zijn.

Maar nu op de rem trappen? Dat zou wel het domste zijn wat ik in dit stadium zou kunnen doen.

Ik haal enigszins de druk van de ketel met de gedachten dat ik, als ik het examen niet haal, ga reizen in Zuid-Amerika. Het helpt daarbij enorm om te denken dat ze allemaal knettergek zijn – de alpinisten, de ENSA, de CRET, skiërs in het algemeen. Ondertussen werk ik de plattegrond uit van het restaurant dat ik wil opzetten en open ik, op stille momenten, het document met mijn roman, dat telkens een paar regels groter wordt.

De meest effectieve methode om me af te leiden van dat ene paard binnenshuis blijkt onverwacht de schilderkunst, want dan zet ik mezelf aan de keukentafel met wat kinderverf en leeg papier, en schilder ik de minst prestigieuze vormen mogelijk. Dan zie ik Boeddha door het keukenraam naar binnen kruipen en ontspan ik tot in het diepste van mijn wezen.

(Foto’s: Jaap de Witte  https://www.flickr.com/photos/persijnenburg/sets/72157689846714892)

le-tour---03008_25061611857_o

Jaap de Witte, gastblog II: when it comes toè skiing

le-tour---03048_28153587979_o

Buslijn 12 slingerde door het besneeuwde landschap van de Vallée de la Chamonix. Ski’s vlogen door het gangpad, stokken bleven hangen in lussen en binnen de kortste keren waren de ruiten volledig beslagen. Druk babbelend hielden de meeste passagiers zich bezig met sneeuwkwaliteit, sneeuwdiepte, sneeuwdrukte en sneeuwkaters. ‘Yeah, there was some good snow at the Brwéévàh in Chjèmaunié‘ – blik op de smartphone – ‘oh really, we went to Léés Hautchjès. I’m completely in love with my new teacher, Frènchwoh Démiauwtéé‘. Te midden van deze wintersportscène: Jaap en Arnold. Volledig gekwalificeerd onkundig op het gebied van wintersport en volledig out-of-tune. Door zachte dwang van zus Ruby, volledig gekwalificeerd kundig op het gebied van alles boven de 10 meter op zeeniveau, denderden we in de volle bus naar Le Tour. Daar lag het skigebied waar de ontgroening op latten zou plaatsvinden. De bus uitgerold verbaasden we ons over drie meter sneeuw en ploegden enthousiast door de witte wereld. Het fototoestel kwam erbij en we hadden de grootste lol – bijna vergetend dat er iets veel groters te wachten stond.

Ruby, een bus later, plukte ons uit de sneeuw en wees met een glimlach de location ski aan. Binnen ontving de verhuurder van het spul ons met alle clichés die maar van toepassing zijn op groene Hollanders. ‘Ahh, ze furst time, right?‘ constateerde hij met fonkelende oogjes. De verhuurder keek naar beneden. ‘I’me not zjour mothèr é‘. Vrij vertaald: trek die schoenen uit en doe wat ik zeg. Na een half uur stonden we op skischoenen met ski’s onmogelijk bungelend in onze handen. De ontgroening begon onverwacht hard. De baby-piste was twee heuvels verder – niet noemenswaardig, maar met ski’s en stokken in je handen en die onwrikbare klompen aan je voeten niet om door te komen. Ruby zag de worsteling, poetste een ontsnapt glimlachje weg en begon uit te leggen hoe je als een profi al dat materiaal meezeult. Na deze eerste fase overleefd te hebben, zag ik Het opdoemen. Het ijzige helle-apparaat. Het martelwerktuig van Thor, Godan en welke wintergod er ook op deze wereld vertoefde: de skilift. Ratelend transporteerde het uiterst breekbare lijntje de ijzeren palen met ronde schijf de hoogte in. Gelukkig kon ik mij mentaal nog lang voorbereiden, want ik kwam vakkundig vast te zitten in het opblaasbare toegangspoortje naar de lift. Arnold gooide al zijn angsten weg en was binnen een oogwenk boven. Ik ploeterde mijzelf naar de kleine liftdame. ‘Allez, furst time fur you?‘ Verdwaasd keek ik haar aan en bestempelde de vraag maar als retorisch. Wat deed anders een 29-jarige vent op de baby-piste? Na wat fraai klinkende Franse zinnen pakte ze opeens de ijzeren paal en slingerde het geheel op een plek waar het nooit de bedoeling zou moeten zijn. Opeens schoot ik de lucht in.’Look forwáárd, forwáárd‘, schreeuwde de dame. Als gehypnotiseerd keek ik forwáárd en dreutelde eigenlijk vrij kalm de heuvel op. Een aantal seconden lang verdween alle angst. Eigenlijk ging dit best prima. Toen daalde plots het besef in dat ik ook weer van deze paal af moest. Daar had die vrouw niets over gezegd! Het einde van de lift kwam in zicht en had de opzet die ik alleen kende van de noodstopruimtes voor vrachtwagens in haarspeldbochten: een klein vlak plateautje en daarna een soort sneeuwbak waar je nooit meer uit zou komen. In al mijn tact beredeneerde ik dat ik best wat vaart had en het beste iets voor het plateautje kon loslaten, hetgeen spoedig de meest tactloze gedachte van de dag bleek. Het ijzerwerk schoot onder mij uit, ik stond voor een nanoseconde stil en begon daarna geheel onvrijwillig aan een spectaculair stukje achteruitrij-skiën dat abrupt eindigde in het hekwerk. Ruby ontvouwde mij uit de touwen en loodste mij met een bijzonder staaltje engelengeduld naar het plateautje.

Goed, dat was een soort van overleeft. ‘Pizzapunt is het allerbelangrijkste‘ begint m’n zus op een uiterst rustgevende toon. ‘Als je altijd in de pizzapunt blijft, heb je controle. Probeer je gewicht hierbij naar voren te plaatsen‘. Arnold en ik pizzapuntten een stukje horizontaal, dat an sich vrij goed ging. Blijmoedig constateerde ik dat langlaufen in ieder geval ook nog een haalbare optie kon zijn. ‘Bij het maken van een bocht leg je al je gewicht op de buitenste ski, maar blijf in de pizzapunt!‘ Arnold pizzapuntte een eerste bochtje en puntte er een ander bochtje bij. Met wat overmoed begon ik aan mijn pizzabochtje. Ik zwiepte naar links en maakte flink vaart. ‘Nu alles op de linkerski, de linker!‘ hoorde ik ergens in de verte. De linkerski hield zich echter maar gedeeltelijk aan de opdracht en ik kwam in de ultieme skischansstand terecht. In moordend tempo sneltreinde ik van de piste af. Krantenkoppen flitsten door mijn hoofd waarvan ‘Hollander verpulvert vier peuters’ nog de minst bloedige was. Al mijn kracht perste ik nu op de linkerski en via een indrukwekkende turnoefening met halve draai en driekwartschroef sloopte ik het hekwerk aan de andere kant. Arnold had zich intussen behendig naar beneden gepizzapunt. ‘Als je vertrouwt op jezelf en je denk dat je het kunt, dan gaat het je lukken‘, zegt Ruby rustig. Liggend in de sneeuw kwam deze diepgaande levensles maar half binnen. Weer op poten gezet – een sport op zich – puntte ik mijzelf stuntelend naar beneden. Bij de tweede skilifttour waren de goden wat meer vergevingsgezind en had de skilift-dame begrepen dat er lief tegen mij gedaan moest worden. Pas bij bocht drie puntte ik mij het hekwerk in. Vertederend prezen Ruby en Arnold, zelf absurd snel ontpopt tot pizzapuntprofessional, mijn vooruitgang. Pauze!

Ruby nam Arnold mee naar de gitzwarte piste ernaast terwijl ik in het zonnetje de wereld der skiërs en ski-instructeurs aanschouwde. Al vrij snel was de hiërarchie duidelijk. Hoe roder het pak en hoe witter de reflectiestrepen, des te hoger de betreffende persoon zich bevond op de rang der Franse alfa-skimannetjes. Lang haar en een bruin gezicht vol groeven waren overduidelijk onderdeel van het uniform. De sloot aanbiddende Engelse skiëressen vormden standaard het decor rond deze wezens. ‘Laidiès, when it comes toè skiing, one zing is very importànt‘ het stond waarschijnlijk recht voor hun neus en was rood met reflectiestrepen. Ik drommelde langzaam weg. Nadat Arnold heelhuids beneden was gekomen, er een tikje prijzige lunch was verorberd en Ruby in de tussentijd zelf alle pistes van het complete skigebied had afgewerkt, kwam de onvermijdelijke vraag: ‘Jaap, ga je nog één keer?

Met de moed der wanhoop ploegde ik mijzelf de piste op. Marcel, Catalaans topskiër en eveneens een alleskunner boven NAP, gaf nog wat handige tips. Al het gewicht moest in de tenen en tegen de schenen. En toen.. De lift gedroeg opeens zich als de vuurspuwende kachel in Home Alone; het metalen gevaarte schudde alle dreiging van zich af. Bovenaan de piste keken de kabbelende wolkjes mij zoet aan. De ski-instructeurs in het dal leken opeens allemaal te glimlachen. De liftmevrouw gaf mij een hartverwarmend knikje. Daar ging ik. Hoofd naar voren, kin omhoog, pizzapunt beneden. Bochtje één zoef, bochtje twee zoef. ‘Jaa, Jaap, kracht op links, kracht op rechts!‘ Bochtje drie zoef, bochtje vier zoef. ‘Yes!‘ Bochtje vijf zoef, bochtje zes boem. Daar lag ik. In alle euforie was ik de tenen vergeten. Skiën is keihard. Toch lag ik daar niet verslagen; ik lag er als een vijfbochtige winnaar waarbij stilletjes, heel stilletjes, de passie voor sneeuwvlokken zich een weg baanden naar het hart – met oeverloos veel dank aan m’n zusje, Marcel, Arnold en de Flamingiraffe*.

* Een zeer heilig dier in de Vallée de la Chamonix (Flamingo Giraffo Pinko).

chamonix---02928_25061618607_o

Beter gezelschap dan deze cadeaubroer is er niet.

le-tour---03022_25061986927_o

le-tour---03007_26060632328_o

Auteur & fotograaf & broer Mr. Jaap de witte (alle fotocredits zijn dus voor hem)

Herstelwerkzaamheden

De laatste dag van de CRET kregen we het proba blanc voorgeschoteld. Ze lieten ons 900 meter stijgen, 500 meter afdalen en opnieuw 500 meter stijgen en dalen, op weg naar een serieuze eindbeoordeling. De tweede afdaling heb ik grotendeels rechtdoor geskied, want mijn bovenbenen konden de bochten niet meer opvangen.

Mijn score was niet fantastisch en zeker niet afdoende, maar ik was blij dat ik genoeg had gefunctioneerd om aan het einde van de piste te komen.

Na een helse rit in de bus van Marcel, van meer dan acht uur, die twee keer werd onderbroken doordat het loodzware gevaarte gruwelijk vast kwam te zit in de berm vanwege een glijsessie op de verijsde weg, kwamen we de volgende avond terug in Chamonix. In de zeikende regen. Mijn bergdorp zag er niet uit.

Ik liet mijn benen los in het warme water van een bad in het chalet en zag ze voor het eerst in twee weken ontspannen. Zelfs mijn brein ontspande. Ik waste mijn haar met onzinnige dingen als avocadoshampoo, honingconditioner en een havermelk- en rijstcrème masker, mijn lichaam met lavendel badschuim en citroengel en mijn gezicht met pompelmoeszeep. Daarna rolde ik me in een dekentje op de bank en was het wachten op herstel.

De CRET heeft in korte tijd een hoop systemen in mijn lichaam en geest aangepast. Komende dagen geef ik mezelf de tijd om weer een vaste vorm aan te nemen. Hopelijk die van een goede skiër.

02894---les-houches_25061620257_o

Foto: Jaap de Witte

 

 

Skihuiswerk

Skitheorie

Ik had in mijn vorige blog gezegd dat ik mijn verbeterpunten zou publiceren en beken meteen maar dat ik geen idee heb hoe ik deze in een logische volgorde kan weergeven, omdat elk punt totaal afhankelijk is (of deel uitmaakt) van de andere punten en ik ze dus eigenlijk niet afzonderlijk kan omschrijven. Daarbij zijn ze in het Frans naar me gecommuniceerd en spreek ik de Nederlandse skitaal niet, dus vergeef me mijn vreemde woordkeuzes. Ik vrees dat deze blog meer verhelderende waarde zal hebben voor mijzelf dan amusementswaarde voor haar lezers.

1. De bocht

Ik begin bij de bocht omdat je voor rechtdoor skiën niet zozeer opgeleid hoeft te worden. De termen die mijn Franse leraren graag gebruiken in relatie tot de bocht zijn dérapage (slippen), pivoter (draaien), engagement (inzet, betrokkenheid, waar-is-mijn-woordenboek), appui progressif (progressieve ondersteuning, steun, gewichtsplaatsing) en carf ( ‘beeldhouwwerk’  luidt de vertaling vanuit het Engels).

Nu, een ‘goede’ bocht heeft drie fases (voor de amateuristische paint-tekening, zie hierboven):

Fase I: Van haaks op de piste naar recht naar beneden
Fase II: Heel super eventjes rechtdoor
Fase III: Terug naar haaks op de piste (andere kant op)

De bedoeling van de goede ENSA-bocht is in principe dat ‘ie mooi rond is. Je laat je als het ware vallen in het verlengde van de piste (pivoter, fase I), doormaakt een moment van engagement (rechtdoor, fase II) en beland dan in de carf: je maakt de bocht af naar gelang de vorm van de ski’s en de mate waarin je de randen van je ski’s in de piste duwt (appui progressief).

Wat we moeten vermijden, met name in de derde fase, is die slippende, remmende beweging die de bocht scherp maakt. Dat vinden ze namelijk niet mooi.

2. De houding

Om een ronde bocht te realiseren, moet je allerlei fratsen uithalen die te maken hebben met – wat anders – je houding.

Allereerst heb je de basishouding: zie eveneens de amateuristische paint-tekening hierboven. De schenen zitten netjes tegen de voorkant van de skischoen, de knieën zijn redelijk gebogen, de billen steken niet overdreven naar achteren, de rug is enigszins bol, kop omhoog en de armen vooral niet wijdt in de lucht (ik heb de neiging om als een gespannen bolletje mens naar beneden te duikelen).

Fase I van de bocht vergt een actieve voorbereiding die begint met het ‘planten’ van de skistok (die begraaf je in zijn geheel in de sneeuw, dan groeit er twee dagen later een skistokboom uit). Vervolgens doe je twee dingen min of meer tegelijkertijd: Je maakt jezelf lichter (door je voeten in de sneeuw te duwen / een hopje te maken) en draait je schouders haaks op de piste. Direct daarna volgt het engagement: je duikt als het ware de diepte in, met je gewicht naar voren, totdat je rechtdoor naar beneden skiet (op steile stukken is dat vrij heftig, fase II). Door de voorbereiding – superbelangrijk – maakt die eerste helft van de bocht zich redelijk vanzelf. Als je de bocht forceert creëer je te veel dérapage (geslipper) en verlies je de ronde vorm. Pas in Fase III van de bocht heb je het recht om af te remmen en het liefst, indien mogelijk, netjes in een carf. Dit betekent dat je progressief op (vooral) je buitenste ski duwt en de binnenste randen van de ski’s in de sneeuw duwt door je enkels én je knieën naar binnen te bewegen. Je bovenlichaam houdt je daarentegen redelijk recht omhoog, waardoor je – van voren gezien – een soort triangulation (triangulatie) creëert. Je zwaartepunt hangt op dit punt naast je ski’s. Wat omschrijf ik dit toch helder.

Triangulation is een gedeeld favoriet woordje van de vier leraren. Ze houden ook veel van dissociation (dissociatie) van het bovenlichaam en het onderlichaam, die andere bewegingspatronen behoren te volgen. Tijdens de voorbereiding van fase I (stiekem nog fase III van de voorgaande bocht) draait de borst naar het dal terwijl de ski’s nog haaks op de piste staan. In fase II staren ski’s en borst dezelfde kant op, maar aan het eind van fase III draait de borst weer het dal in.

In kleine bochten betekend dit in feite dat de borst altijd op het dal gericht blijft, en de benen eronder van links naar rechts bewegen. Gedurende een grotere bocht is er een moment waarop je meedraait met je carf en de borst in de richting van je ski’s hebt staan. Zodra je echter de volgende bocht voorbereid, bewegen de twee weer afzonderlijk.

Snap je het? Ik wel hoor.

Één van mijn zwakke punten is mijn jeu vertical (verticale spel): het moment waarop je je uitstrekt, met name op de off-piste. Ik blijf hangen in dat gespannen bolletje mens en put mezelf volledig uit na een bocht of drie. Op die manier ben ik namelijk totaal onderworpen aan het reliëf van de piste en vang ik klap op klap op klap. De grap is dat je jezelf daadwerkelijk ontspant in de voorbereiding van je bocht, op dat hop-moment, wanneer je je lichter maakt om de draaiing in te zetten.

Het zit helaas nog niet in mijn systeem. Daarom hoor je tegenwoordig hop, hop, hop als ik langskom.

Een ander zwak punt is mijn neiging om, met name in geval van stress, mijn voeten ver uit elkaar te zetten, op zoek naar een beetje stabiliteit. In de carf is dat prima, maar daar buitenom is het een beginnersfout van pizzapunt-categorie. Mijn ene ski volgt dikwijls een iets ander pad dan mijn andere, waardoor ik juist uit balans raak.

3. De blik

Mijn grootste zwakte volgens mijn leraren is mijn regard, mijn blik. Zodra ik op moeilijk terrein kom, word ik opgegeten door de piste. Ik kijk niet ver genoeg, in principe niet verder dan de bocht die ik op dat moment maak, waardoor ik systematisch te laat ben om mijn volgende bocht netjes voor te bereiden. Dat is deels een simpel gebrek aan controle (de bocht zelf vraagt nog even te veel aandacht), deels een gebrek aan zelfvertrouwen (ik word volledig in beslag genomen door de horror van de bocht die ik nog aan het maken ben – kom ik nog op terug) en deels een slechte gewoonte (ik moet een groter blikveld creëer en actief het terrein leren inschatten).

4. De stokken

Waar je precies de stokken plant is hyperbelangrijk, omdat ze je bochten initiëren en… waarom ook alweer nog meer? Omdat het er niet uitziet wanneer je ze naast je oren hebt vliegen. Ze verraadden meedogenloos elk moment van disbalans en verstoren zelfs je balans wanneer je ze op een vreemde plek houdt.

Het stokkenverhaal is nog een beetje moeilijk voor mij. Phillipe, mijn lievelingsleraar (want hij heeft een oorbel en lijkt op een zachtaardige piraat en heeft schijnbaar zijn huis zelf uit hout gebouwd), zei me het volgende (in iets andere woorden): Ruby, zodra jij je stokken leert gebruiken, zal je begrijpen hoe waanzinnig ze je kunnen bedienen.

In die fase zit ik nog niet.

5. Zelfvertrouwen

Dit laatste puntje komt niet helemaal van hen, maar voeg ik er zelf aan toe. Een groot probleem is mijn gebrek zelfvertrouwen. Ik heb me redelijk neergelegd bij het feit dat ik de zwakste schakel ben en mijn vrienden, vriendje of de CRET-groep regelmatig onderaan de piste op me moeten wachten. Mijn Ego huilt al sinds mijn eerste dag op ski’s en zal daar voorlopig niet mee ophouden. Ik realiseer me echter hoe ontzettend zinloos het is om mezelf in te schalen naast al die snelle gasten, om daar vervolgens hopeloos van te worden. Mijn waarde als mens hangt godzijdank niet af van mijn skikwaliteiten.

Wat wél een probleem is, een heel wezenlijk, terugkomend probleem, is mijn zelfvertrouwen ten opzichte van mijn skicapaciteiten wanneer ik geconfronteerd wordt met een eng stuk afdaling. Ik denk direct ‘dit kan ik niet’ en ‘waar kan ik remmen’.  Ik creëer ongetwijfeld liters stresshormoon, schiet in verdedigende houding, vergeet elk technisch aspect van skiën, leun naar achter, rem wanneer dat absoluut niet de bedoeling is en ski als een idioot naar beneden totdat ik val (en dan denk ik: zie je wel, dit kan ik niet).

De ontwikkeling van mijn lef loopt achter op de gang van mijn skicarrière. Van nature ben ik nu eenmaal geen monster. Mijn debuterende hart kan de afdalingen waarmee ik momenteel geconfronteerd word nog helemaal niet aan, terwijl mijn fysiek het er redelijk van af zou brengen. Du moment dat ik vergeet na te denken gaan de ijzige bosafdalingen best prima. Het verbaast me keer op keer dat ik niet gewoon ter plekke tegen mezelf kan zeggen: Je kan dit wel. In plaats daarvan moet ik de afdalingen en hun engheid met onvrijwillige heldhaftigheid normaal zien te maken. Confrontatie naar confrontatie totdat een sprong van drie meter niets meer is dan een neutrale handeling.

Er zijn ongetwijfeld belangrijke aspecten van het skiën die ik hier niet noem omdat ze simpelweg langs me heen gaan. De leraren zeggen zoveel. Ik weet ongeveer waar ik momenteel op moet letten, maar heb nog lang geen grip op de stof.

Misschien leer ik volgende week wel zoveel bij, dat ik een vervolg op deze blog kan schrijven, inclusief nieuwe tekening én een extra bijlage over het planten van skistokken.

Skistokboom

De eerste CRET-week

Gisteren rondde Marcel, drieëntwintig andere aspirantgidsen en ik de eerste week van de CRET af. Vijf dagen achter elkaar hebben we ons verstopt in skipakken en geskied van de vroege morgen tot aan zonsondergang.

Nu zijn we moe. Vijfentwintig paar benen van hout. Dit weekend wordt er bijgeslapen, gegeten en veel water gedronken.

Het skiprogramma van de CRET is vormgegeven door drie oude mannen met vriendelijke gerimpelde ogen en een wat jongere, door Salomon gesponseerde legende. Vriendelijk, geduldig, gepassioneerd, didactisch ijzersterk en zelf briljante skiërs: ze begeleiden ons in stijl langs de obstakels op weg naar de perfecte afdaling. Ik zou ze het liefst allemaal houden.

Omdat we specifiek voor het probatoire worden opgeleid, leren ze ons skiën volgens de regels van de ENSA, wat wil zeggen: Technisch foutloos. Voor de start van de CRET wist ik niet eens hoe een goede skiër er precies uitzag. Ik keek vanuit de lift naar de poppetjes op de piste en oordeelde naar gelang een schimmig, esthetisch waanbeeld. Nu weet ik hoe nauw het luistert. Skiën is maar tot zoverre intuïtief (of wat zal ik zeggen: de ENSA heeft niet zoveel op met intuïtie).

Ze leren ons de technieken op de piste en brengen ons vervolgens naar weerzinwekkend moeilijk terrein waar alles op snelheid moet worden geïmplementeerd. Diepe, zware sneeuw op steile wanden, ijzige moguls, lange beenvretende afdalingen, bomen, nauwe paadjes, mist, ze weten altijd wel iets gruwelijks te vinden.

En ik bungel onderaan de groep. Tachtig procent van mijn energie gaat op aan overleven terwijl ik de jongens en een drietal meisjes probeer bij te houden. Mijn medeleerlingen skiën misschien nog niet perfect, maar hebben op zijn minst genoeg ervaring om door elk soort terrein te walsen zonder op te kijken van een boom meer of minder. Ik overkom plichtmatig angst op angst en begrijp nog steeds niet waar ze het vermogen vandaan halen om ogenschijnlijk onbevangen af te dalen over zulk moorddadig terrein.

Woensdagmiddag stond ik zowel fysiek als mentaal op het randje, op het punt om op te geven, er heilig van overtuigd dat ik simpelweg het niveau niet had. Maar iedereen die aan mijn lunchtafel zat zei er niet beter aan toe te zijn. Ze waren lief. Dat helpt zoveel. En er is altijd nog het verhaal van Carlitos: Een lange, prachtige Argentijn met een indrukwekkende tochtenlijst die een jaar eerder net als ik de CRET inging met een minimaal skiverleden. Hij begon als het drama van de groep maar passeerde vervolgens tot ieders verbazing het skigedeelte van het probatoire. En ook Judith, het Franse meisje, skiede nog geen drie jaar voordat ze de ski-examens haalde. Dingen zijn mogelijk.

Nu, afgelopen week was zogenaamd nog een rustige week waarin de nadruk lag op techniek. We zijn het weekend ingegaan met een waslijst aan verbeterpunten die voor de start van de examenperiode via ons hoofd naar het lichaam moet worden gecommuniceerd. Hoe dat precies werkt, die connecties, de datatransfer, dat is het grote raadsel dat door elk van ons persoonlijk moet worden opgelost. Ik zal mijn lijstje bloggen.

Volgende week zetten ze in op kwantiteit en brengen ze ons onder andere naar de eindeloze afdalingen van La Grave. À mort. Diegene die vrijdag nog been overheeft, is gemaakt van staal. Ze geven ons die laatste namiddag een ‘proba blanc’, een afdaling gelijk aan het echte examen, inclusief beklimming (1400 hoogtemeter?), examinatoren, rugnummers en eindoordeel. Schijnbaar is de opzet zo ‘echt’ dat iedereen bibberend op zijn ski’s staat.

En dat is mijn enige voordeel: Ik sta tegen die tijd al zo consequent te bibberen dat ik het op het moment suprême waarschijnlijk niet eens meer doorheb.

De Kluizenaar van Coupeau

Vriendjes maken in Chamonix is best moeilijk. Seizoenarbeiders komen en gaan en komen nooit meer terug. Als bartender in een après-skitent worden de kameraden je in de schoot geworpen, maar wat blijft daar na een jaar van over? Facebookvrienden. Zweden in Zweden, Britten in Engeland en Spanjaarden in Spanje. Helaas ligt de valleitrouwe Chamoniard ver van het type dat je met open armen in de klimhal opwacht. Na drie jaar en een hoop gemeenschappelijke uren in dezelfde verstikkende ruimte, kijken ze je nog steeds aan alsof je hun privéfeestje crasht.

Slechts een klein, onlogisch netwerk doorstaat de wisseling van seizoenen; mensen waarvan je vergat dat je ze eens begroette, contacten die nieuw leven ingeblazen kunnen worden of vrienden die onverwacht tevoorschijn springen uit de krochten van hun eigen Chamonix. Maar bij gebrek aan zelfinitiatief, loopt de kluizenaar van Coupeau enigszins het risico haar dagen in eenzaamheid te slijten.

Soms denk ik dat ik toch contactgestoord genoeg ben om uiteindelijk ongeschikt voor het seizoenleven te blijken. Een mobiel die in de gletsjerspleet valt is namelijk een prettig excuus om dan maar van de aardbodem te verdwijnen. Ik ben graag alleen. Ik hou van boeken, stille skisessies en ongestoord dagdromen. Het ontmoeten van vreemden blijft een onderneming. Na zesentwintig jaar lijk ik toch nog niet geheel aan de andere mens gewend. In retrospectief had ik beter mijn nest trouw kunnen blijven, waar mijn oude kroegbaas me, vlak voor mijn emigratie, nog voor gewaarschuwd had ook. Die vriendengroep die je nu hebt, Ruby, die ga je nooit meer ergens anders vinden.

Ik schrijf dit verhaal omdat ik twee weken geleden een Frans (!) meisje heb ontmoet dat zich direct als een terriër in me heeft vastgebeten, en ik verbaas me daar nog steeds om. We liepen beiden – in ons eentje – op ski’s langs de pistes van Les Houches omhoog en raakten bovenin aan de praat. Toen ze erachter kwam dat ik me net als haar aan het voorbereiden was voor het gidsenexamen, veranderde ik ter plekke in een zeldzaam potentieel: Een vriendin die klom. Die losliep. Die het stugge karakter van Chamonix kende. Die muziek maakte. Die moeder wilde worden. Die het alpinisme niet als hoogste levensdoel koesterde maar wel verdomde graag de opleiding binnen wilde komen.

De kluizenaar van Coupeau klapt sindsdien ongecontroleerd in haar handjes.

Ik weet niet wat fijner is: De mogelijke vriendschap met haar of de wetenschap dat ogenschijnlijk sociaal functionerende meisjes net als ik moeite hebben om in (de mannenwereld van?) Chamonix te aarden. Misschien ben ik dan toch niet zo individueel ingesteld als ik dacht, of komt de vallei me eindelijk eens tegemoet door iemand pontificaal op mijn pad neer te zetten die mij net zo graag ontmoet als ik haar.

Misschien, realiseer ik me nu, mis ik vriendinnen meer dan vrienden. Vrouwfiguren die mijn queeste naar badschuim begrijpen en toch het touw dragen. Laten we in godsnaam niet voorbijgaan aan Marcel, Adria en Millan, die zo’n constante factor vormen dat ik ze klakkeloos onderwaardeer.

Dan, om af te sluiten een tip van mijn vriendinpotentieel: Als je nieuw bent in Chamonix en wil dat de Chamoniard naar je lacht, klim dan 8a. Dat schijnt behoorlijk te helpen.

_DSC3673Egzon

Fotocredits: Sam de Goede

Een warme storm

De regen probeert de sneeuw uit de vallei te spoelen en de wind blaast het poeder van de hooggelegen flanken. De bossen ogen donker, kaal en triest. Chalets druipen en krimpen met een meter, hun houten geraamte is plotseling weer zichtbaar. Een warme storm stopt onze lange, witte winter terug in de ladekast van onze hoop. Wat zijn we toch miezerig en afhankelijk.

Gisteren nog daalden Marcel en ik af door een laag poeder zo hoog als ons onderstel. Hij nam me mee door het bos boven Lavancher, door de steile, diepe sneeuw van een ogenschijnlijk succesvolle winter, langs bomen die niet voor ons opzij gingen en mijn lef bevroren. Gedurende die ene afdaling verloor ik al het zelfvertrouwen dat ik de afgelopen maand moeizaam bij elkaar had gesprokkeld. Daar stond ik weer, met mijn vreemde ski’s aan mijn onwennige voeten.

Alles dat resteert vandaag is het geluid van miljoenen druppels op de naakte grond en een vergelijkbare hoeveelheid onzekerheid. Wat doe ik in een smeltende wereld? En wat in een besneeuwde wereld die te hoog voor me gegrepen is? Hoe lang ga ik mezelf nog zoet houden met deze onvoorwaardelijke illusie?

_DSC3690Egzon

Fotocredits: Sam de Goede