Latest Posts

Ongelukje

IMG-20200301-WA0008

Loca is een rashond. Madame Loca, zouden we haar op zijn minst moeten noemen. Ze volgt uit een zuivere lijn van Border Collies en heeft haar baasje nogal wat centen gekost, maar ze doet dan ook goed haar werk.

Want Madame Loca is een echte herdershond. En haar baasje een echte herderin.

Madame Loca en de herderin zijn op bezoek in La Vachette, tot mijn grote vreugde, want het is een gezellig duo met interessante verhalen over schapen en schapen en nog meer schapen (350 stuks), weidelandschappen in de Pyreneeën en het leven daarboven, waar… niet zo heel veel is. Behalve schapen.

Laure heet ze, de herderin. Wanneer ze hier in skibroek door het huis loopt, kan ik me haar moeilijk voorstellen in een herdershut met alleen een rivier om zich in te wassen, 350 schapen om te melken en een stuk heidelandschap om mee te converseren. Herders los van de kudde ken ik eigenlijk niet, laat staan herders op ski’s of in zachtroze vestjes aan de keukentafel. Laure is zo mogelijk het coolste meisje dat ik ken.

We bereiden ons beiden voor op het ski-examen van de ENSA. Als ze het examen niet haalt, herenigen Madame Loca en zij zich deze zomer weer met de 350 wollige zieltjes. Als ze het wel haalt, dan mag Madame Loca mee met de vervolgopleiding voor de zomerexamens.

Tot zover het leven zoals gepland.

Ongepland is de Australische Herder-bastaard- buurhond die zijn kans schoon zag toen Madame Loca vanmorgen hoogst onverwacht door La Vachette paradeerde. Hij sprong erbovenop. Dertig minuten schijnt dat te kunnen duren, Laure stond erbij en keek ernaar, want scheiden kun je de (gepassioneerde) beesten kennelijk niet.

Nu is Madame Loca zwanger.

Dat de buurhond een bastaard is kunnen we hen nog wel vergeven, al zou een adellijke afkomst financieel gunstig zijn geweest: dan waren de puppy’s duur als Madame Loca de toonbank over gegaan. Het probleem is echter dat een zwangere Madame Loca zich niet kan bekommeren om 350 schapen, laat staan haar achttal schaapige, schattige baby’s. Het herdersbestaan deze zomer is geen optie meer.

We gaan er dus maar vanuit dat Laure de examens haalt.

Dat geeft mij nog een reden extra om mijn best te doen 17 maart. Dan mag ik namelijk de vervolgopleiding in met Laure, Madame Loca en de acht baby’s, en dat lijkt me erg gezellig.

IMG-20200301-WA0011

Ski Ellende

Mijn vriendje kan erg goed skiën. Zijn favoriete bezigheid is ski galère (‘ski ellende’), wat ongeveer zo gaat: Hij ziet een bos, duikt erin, en ongeacht wat hij tegenkomt, zij het gevallen bomen, rivieren, ijzige wanden, heuphoge hobbels of een absoluut gebrek aan sneeuw, hij vindt altijd zijn weg. Zonder een seconde te aarzelen.

Zodoende brengt hij me langs de meest verschrikkelijke afdalingen, afdalingen waarvan de gemiddelde skiliefhebber ‘s nachts gillend wakker wordt, waarvan je zegt ‘ja maar dit kan toch niet?’, en dan kan het dus wel, met eventueel een schram op de neus vanwege een onverwachte confrontatie met een laaghangende tak.

Tijdens die afdalingen moet ik al mijn twijfel overboord gooien en in beweging blijven. Ademhalen en doorgaan, ademhalen en doorgaan. Dat is niet mijn sterkste punt: aanvankelijk stopte ik, viel ik, huilde ik of schold ik tot mijn geliefde zin had om me in het bos achter te laten (bonuspunten voor hem: Hij heeft altijd gewacht.).

Maar steeds vaker blijf ik overeind en zet ik zonder aarzelen de volgende bocht in. Soms moet ik zelfs aan hem toegeven dat ik zijn ellendige afdaling haast leuk heb gevonden, maar niet met al te veel overtuiging, want dan zoekt hij de volgende keer naar nog wat gevallen bomen extra.

In elk geval weet ik dit zeker: Na een winter lang ski gàlere kan het examen in Maart alleen maar meevallen.

IMG-20200127-WA0000

Overdekking

Het is warm, buiten. Het is warm voor Februari en voor ons. Wat we ’s winters doen, waarvoor we zijn gekomen en gebleven, bestaat alleen wanneer het vriest. Maar het nulpunt ligt deze maand te laag voor ons soort winter. Het regent. Het lijkt wel op Nederland, zei Fieke vandaag nog, in opengeritste jas op 1353 meter hoogte.

Op wat voor toekomst bereiden we ons eigenlijk voor, dat vraag ik me zo vaak af. Misschien wordt zomeralpinisme ons winteralpinisme en klimmen we ‘s zomers alleen nog op rots. Plooien waarvan we zeker zijn dat ze niet bij elkaar gehouden worden door permafrost, daar vinden we elkaar terug. Steeds iets hoger opzoek naar sneeuw en ijs, tot op een dag geen berg meer hoog genoeg is.

En skiën, misschien kunnen we dat nog een jaar of twintig. Of tot in de eeuwigheid, op overdekte pistes. De vraag is dan hoelang die eeuwigheid het zelf uit zal houden. Misschien kunnen we haar ook overdekken.

20200213_165737 (2)

Alfa Muis

20200126_0938416049717779415331414.jpg

Farid reed zondagochtend om half zes de markt van Briançon op. Zijn gedroogde vruchten, noten en thee lagen achterin de bestelbus en hijzelf was warm aangekleed. Maar zijn handelswaar verkopen zou hij die dag niet, want op zijn marktplek stond een Alfa Romeo.

Bruno, olijvenverkoper en melancholisch man met een erg dikke buik en vier ex-vrouwen, staat al jaren met Farid op de markt. Vroege ochtenden in de kou scheppen een band, en nu was zijn marktmaatje geërgerd naar huis gekeerd. De eveneens afwezige eigenaar van de Alfa Romeo had daarom niet alleen een hoge boete in het verschiet, maar ook een probleem met Bruno.

Zodra het stopte met sneeuwen veranderde Bruno de Alfa Romeo in een muis.

En dat was nog niet genoeg: Hij vroeg om de linkerschoen van mijn collega, die hij over het dak liet lopen, en daarna om de rechterschoen.

Farid ontbrak misschien, maar Bruno had het erg naar zijn zin.

20200126_0942172765645370346040704.jpg

Het essay van Thibault

Mijn vriendje had geschreven : « Il était une fois, dans un monde, dans un monde simple, sans méchant ou rien n’était droit, la symétrie n’avait jamais été inventé, dieu l’avait laissé pour un autre monde. Si bien que toutes les choses qui existaient, n’existait que par elle-même, les formes n’avaient pas de cohérence et les objets pas de place. L’harmonie était naturelle, primaire mais naturel si bien que personne n’avait rien à ranger, le mot n’existait d’ailleurs pas dans ce monde. »

« Er was eens een wereld, een simpele wereld, een wereld zonder kwade bedoelingen, waar niets recht was en symmetrie nooit was uitgevonden, want God had die voor een andere wereld in gedachten gehad. Alle dingen die bestonden, bestonden alleen voor zichzelf, de vormen hadden geen coherentie en de objecten geen plaats. Harmonie was natuurlijk, primair maar zo natuurlijk dat niemand iets op te ruimen had, in deze wereld bestond het woord niet eens. »

Zie hier de diepgaande gedachten die ik tegen kwam in een open document op mijn rondslingerende laptop, vlak nadat ik Thibault had gevraagd om zijn rommel in mijn kamer op te ruimen.

Hij zei me schrijver te willen worden. De kamer is in dezelfde staat gebleven.

 

Het Nest

Mijn fijnste herinneringen van Nederland zijn die waarin mijn ouders een boek lezen. Met een kop koffie of thee naast hen op de bijzettafel, mijn vader iets onderuitgezakt met zijn bril wat lager op de neus en mijn moeder kaarsrecht met de benen over elkaar geslagen, klassieke muziek van de radio, een kat in de vensterbank en achter de ramen onze kalme buurt, vaak in regen, want het is Nederland.

Soms heb ik het gevoel dat ik allerlei omwegen maak om uiteindelijk weer hetzelfde terug te krijgen. Alsof die scene in mijn hart is gegrift als beste uitkomst van mijn leven. De variabelen mogen echter verschillen; uitzicht op een bergachtig Frankrijk in plaats van regenachtig Nederland, een kat in de vensterbank maar die knabbelt aan de kamerplanten (default van Tigrou), mijn ouders als boeklezers maar ook mijn vriendje, languit op een bank met één hand onder het hoofd, en eventuele andere bewoners met andere brillen op andere neuzen.

En wie weet, een volgende generatie aan kroost die opgroeit in een nest net zo warm als het mijne van Nederland.

Ritme

Aanvankelijk dacht ik dat Bruno de enige magiër in de omgeving was, maar na een nacht van zo’n twaalf uur en een levendige droom op het einde, weet ik dat ook Yann, mijn opleider, een dubbelleven leidt.

Hij verscheen in mijn droom gekleed in een lange, vilten, paarse jas, een mager silhouet met een bruine hoed op het hoofd, zijn donkere hertenogen precies het donker van de nacht waarin hij rondliep.

Zo kende ik Yann nog niet. Hij is al jarenlang een van de vier opleiders van de CRET, diegene die ik het minst heb gesproken omdat hij altijd binnen zo’n tien seconden verdwijnt met de sterken onder ons. Hij skiet alsof skiërs bestaan in het besneeuwde woud, snel, licht en soepel als een horde elegante dieren dat het open veld traverseert.

Niemand weet precies wat hij technisch gezien met zijn ski’s doet. Dat er magie rondom heerst verbaast me daarom niet. Misschien had ik hem al eerder voor magiër aan kunnen zien.

Want ook zijn karakter is markant. Hij houdt zich op de achtergrond en lijkt zich vanaf daar stil te amuseren, vriendelijk maar ondoordringbaar en altijd kalm. Altijd. Met een lichte ironie in zijn glimlach, alsof hij dingen weet die wij toch nooit te weten krijgen.

Maar nu weet ik iets. Yann is een magiër.

Na de lange nacht van gisteren volgde een lange morgen, waarin we in het kader van een oefenexamen met alle eenden van de CRET zo’n 1400 meter omhoog moesten en beoordeeld werden gedurende de afdaling. Ik had mijn gelukoorbel in, een klein gouden boompje in een kleine gouden cirkel, en was wonderbaarlijk genoeg niet eens zo moe daarboven op de berg. Het was Yann die het startsein gaf voor mijn afdaling.

Ik maakte een aantal scherpe bochten in de richting van een couloir, waarnaast twee andere opleiders met hun notitieboekjes stonden opgesteld. Ritme, was mijn nieuwe uitdaging, snelheid en ritme. Bocht, bocht, bocht. Diep verzonken in het skiën zag ik niet dat er beneden een rood lint was gespannen, nee, ik maakte bocht na bocht en kwam zo, hop, in het diepe gat terecht dat erachter lag.

En daar had ik een idee.

Het gat was zo diep zijn dat ik bleef vallen en uiteindelijk terecht kwam op de aarden grond van een kleine donkere ruimte, vlak naast een eikenhouten bureau en een stoffen lamp die amper verlichtte. Daar, in dat zwakke schijnsel, zat Yann, nog steeds in zijn lange, vilten, paarse jas met de hoed op het hoofd. ‘Welkom… Ruby’, zei hij, met een twinkel in de ogen. ‘Heb je jezelf geen pijn gedaan?’ Ik stond op en klopte sneeuw uit mijn kraag en capuchon. ‘Nee…nee, ik geloof het niet’.

In werkelijkheid had ik mezelf wel pijn gedaan: Ik was zo’n twee meter naar beneden gekukeld en met mijn hoofd op de rand van het gat terecht gekomen. Mijn ski’s lagen scheef over elkaar heen en mijn benen begraven in de sneeuw. Ik moest verifiëren of ik nog uit één lichaam bestond en of dat lichaam nog kon bewegen, uiteindelijk bleek ik slechts een klap op mijn kop te hebben gehad en die zat er nog aan. Ik groef mezelf uit en gleed, enigszins kierewiet, over de piste naar beneden.

Een remedie tegen een klap op de kop is een kop thee en een boek, en voortkabbelende siësta’s waarin ik me steeds afvraag wat Yann zou hebben gezegd of gedaan, ware ik echt in zijn werkkamer terecht gekomen.

Zou hij me het geheim van skiën hebben verteld? Of mijn ski’s hebben betoverd? Zou hij me mee hebben genomen met zijn horde elegante dieren, een winterse ochtend door een woud waar geen liften of skiërs  bestaan, de stilte van de sneeuw alleen doorbroken door ons gedempte hoefgetrappel?

Hemelse Modder

Het huis waarin ik opgroeide was doormidden gedeeld. Boven woonde oma Sienie, een pittige oude dame en tevens de moeder van mijn vader, en beneden woonde wij, in het prachtige, warme, krakende labyrint van mijn jeugd.

In het deel van oma stonden zware houten meubelen, cactussen, een piano, een enorme witleren hoekbank en een televisie op luid (zo luid dat we het nieuws beneden beter konden volgen dan zijzelf daarboven: ouderdom). En twee olifantenslagtanden zo groot als wijzelf bewaakten de toegang tot haar woonkamer.

Tweede kerstdag was oma de chef en aten we aan haar ronde tafel, waar vaak ook, in de vakanties, een enorme puzzel lag (ik herinner me niet meer of we die afbraken voor de gelegenheid, dat moet haast wel). Ze maakte dikke Surinaamse pinda kippensoep en hemelse modder, een dessert met slagroom, ananas, lange vingers en rum voor de volwassenen.

Ik heb dat laatste recept gemaakt op mijn verjaardag voor mijn Franse vrienden en ze keken er vreemd naar. Een dot met slagroom, ananas en lange vingers die met een flats in een bak terecht komt en als zodanig wordt geserveerd is niet zo Frans. Fransen zoenen wanneer ze kennismaken, drinken alleen goede wijn en eten laat en delicaat.

Uiteindelijk waren ze nieuwsgierig genoeg om te proeven, maar zo snel als oude stinkkaas ging het niet.

Soms vergeet ik dat de wereld van thuis er anders uitziet, tot ik hemelse modder serveer aan mijn Franse vrienden. Tot de familie van Fieke over de vloer komt en dineert met Hollandse humor, directheid en gezelligheid. Tot ik denk aan de hockeysticks die staken uit de rieten mand in de gang of het gesneden, rechthoekige brood van de Albert Heijn of de slagtanden van oma Sienie.

Het cultuurverschil is misschien niet enorm, maar ze hebben hier toch echt geen idee waar ik vandaan kom.

Sinaasappels

De weg naar het ziekenhuis is glad, steil en alleen voor auto’s. Telkens wanneer ik er afgelopen weken langs naar boven liep, dacht ik: Handig dat het ziekenhuis toch al in de bestemming ligt. Ook vroeg ik me af waarom ze het mortuarium precies langs die weg hadden geplaatst, alsof de dood slechts een paar passen van het ziekenhuis verwijdert ligt.

Ik moest erheen voor mijn tanden. Vijf tanden hebben ze er gister uitgetrokken, vijf gapende gaten en wangen zo gezwollen als sinaasappels, die ik niet eens mag eten. Soep, yoghurt en aardappelpuree, dat stond er op het boodschappenlijstje van de jongen die me ophaalde uit het ziekenhuis.

De laatste keer dat ik onder narcose ging, was voor de operatie aan mijn enkel. Een stukje bot was losgeraakt na mijn val in 2013, de eerste scène in de bergen waarin ik eigenlijk dood had moeten gaan. Maar toen was alles nog anders. Toen overleefden we nog alles, het tijdperk van elastiek.

Gisteren werd ik wakker en vlogen de helikopters nog boven het ziekenhuis van Briançon, één met twee lichamen die in het mortuarium terecht zouden komen, één met twee alpinisten en mijzelf, sinds veertig minuten in de moeilijkste periode van ons leven. De slaap die volgde uit de narcose zat vol beelden die niet vager worden met de tijd.

Vandaag leef ik op medicatie, de enige manier om die gapende gaten door te komen. Als ik iets heb onderschat, dan is wel die ene afspraak in het ziekenhuis waarbij ze even mijn verstandskiezen en een overleden tand eruit zouden trekken. Ze hadden nogal moeite met die linksonder zeiden ze me, het voelt alsof ze er de drilboor bij hebben gepakt.

En het ziekenhuis is geen plek meer waar ik graag ben.

De winter en haar sneeuw maken de wegen zo glad. Plakken met ijs liggen op alle stukken weg waar niet vaak genoeg gereden wordt, niet altijd zichtbaar. Maar mensen zijn eraan gewend. Alles begint weer opnieuw. Het skiën, de opleiding, de maand februari. Je zou bijna zeggen dat we opnieuw naar La Grave konden, met zijn vijven. Dan zouden we net een ander parcours nemen en winters blijven herhalen zoals we ze gewend zijn.

Maar een winter is nooit meer slechts een winter. En boven het ziekenhuis van Briançon zal ik altijd helikopters horen vliegen.

Achtentwintig

Een heel mooi verjaardagscadeau lag vijf december, zo rond een uur of elf, op het tapijt in de woonkamer. Ik gilde toen ik het zag. Fieke riep geschrokken, Ruby, wat is er, en ik schreeuwde, er ligt een dooie muis op het tapijt.

Tigrou zat ernaast en keek ons afwisselend met grote ogen aan.

Mijn vriendje heeft het beestje bij zijn staart gepakt en naar buiten gebracht. Zo bij de rivier van La Vachette ligt een grafje met een kruisje dat net boven de sneeuw uitsteekt (zij het in mijn verbeelding).

Ik weet niet of Tigrou de muis al eerder had gevangen en voor mijn verjaardag heeft bewaard of dat hij die ochtend speciaal voor mij is gaan jagen. Het muizenprobleem was in elk geval al weken oud en hij moet ergens toch hebben begrepen dat we, als kat zijnde, niet louter voor ons plezier achter muizen aan gaan, maar ook voor ons baasje.

Een ander mooi verjaardagscadeau klonk zo’n tien uur later door dezelfde woonkamer, een lied op de melodie van Bella Ciao, begeleid door een viool en geschreven en gezongen door mijn vrienden. Ik wist van verlegenheid niet zo goed hoe te reageren, maar mijn hart groeide en vulde de hele ruimte.

Het mooiste verjaardagscadeau was echter slechts een cijfer. Achtentwintig.

Ik ben me misschien niet voldoende bewust geweest van de betekenis van mijn verjaardag, anders had ik ze wel met wat meer overtuiging gevierd. Nu weet ik dat we moeten dansen voor dat jaar dat nog geleefd mocht worden en dat volgende jaar dat we in mogen gaan. Elke rimpel die op ons gezicht verschijnt is bonus. Elke rimpel op het gezicht van onze vrienden en familie is eveneens, bonus.

Zoveel jaar is achtentwintig jaar, zo gelukkig ben ik dat we allemaal relatief in orde zijn en gestaag ouder kunnen worden.

Behalve dan die muis.