Latest Posts

Week 2: Bergvoet (Plattelandsvoet. Stadsvoet.)

Op een paar Hollandse voeten ren ik over enorme granieten rotsblokken. Ik volg een parcours tussen twee rode linten en wordt getimed door mijn opleider. Mijn bergschoenen zijn er speciaal voor gemaakt, soepel en licht maar stevig, ik vind ze nog mooi ook. Soms moet ik springen, soms afklimmen. Maar dan. Plotseling loopt het parcours steil naar beneden, zo steil dat ik keihard op de rem trap en voor de passage tot stilstand kom. Ik durf niet. Onderaan de passage gaapt een gat waarin ik van alles zou kunnen breken: Mijn enkels, mijn benen, mijn nek. Het ziet er ongeveer zo uit:

TerrainVarrie

Het is niet de bedoeling dat je omdraait en afklimt. Je doet dit op frictie, met je neus naar het dal.

‘Ga er maar buitenom’, zegt mijn opleider, die meekijkt vanaf het midden van het parcours. Ik vind mijn snelheid en ritme terug en voel me heel even een Chamois, tot de volgende passage:

TerrainVarrie1

(Later werd me uitgelegd dat ik met een aanloop op frictie naar de top had moeten rennen. Ik heb dat toen geprobeerd; het probleem is echter dat je ofwel met volle overtuiging naar boven rent, of halverwege tot stilstand komt en naar beneden glijdt. Ik heb deze manoeuvre nog niet onder controle.)

Aan het eind van het parcours hebben ze nog een kleine verassing voor ons. ‘Zijn ze helemaal gek geworden?’ Dat is mijn gedachte wanneer ik ervoor tot stilstand kom (voor de duidelijkheid: Stilstaan is falen). Ik ben inmiddels uitgeput, mijn hartslag staat op 180 en voor me ligt dit:

TerrainVarrie2

De oplossing is dit:

TerrainVarrie3

Ik doe ruim vier minuten over een parcours dat ongeveer anderhalve minuut zou mogen duren. Het ontbreekt me aan een ‘pied montagnard’, een bergvoet. Ik heb een plattelandsvoet, een stadsvoet, een voet die eventueel zou kunnen dansen in een lakrode hak.

Het is inmiddels donderdag en ik ben moe. Heel de week hebben we door de blokken gerend en telkens is het parcours iets moeilijker, iets gewaagder. Toevallig hebben we een groep vol bergvoeten en ben ik de enige die schrikt van de passages. En het parcours is maar één van de drie onderdelen: We klimmen granieten 6b plaatroutes voor op bergschoenen, we klimmen granieten 5c plaatroutes af met ons gezicht naar het dal. De absurditeit ervan daagt me pas later. Ik overkom mijn angsten keer op keer, leer over de frictie tussen schoenzool en graniet, doe alsof ik hard ben als alle anderen, maar aan het eind van de dag ben ik fysiek en mentaal op. Leeg. Niets meer.

Met een lichaam vol blauwe plekken, handen vol kleine wondjes en een geblesseerde schouder lig ik om negen uur ’s avonds in mijn bed. Voor het eerst twijfel ik. Aan alles. En vooral aan mijn voeten. De volgende dag kan ik mijn arm niet bewegen en neem ik een noodgedwongen een dag vrij. Ik keer terug naar mijn zonnebloemen en win gedurende de dag iets van mijn zelfvertrouwen en kracht terug, maar niets is gegeven.

Het word nog eens wat, die CRET. Die examens. Die willekeurige droom van mij.

Mijn zonnebloemen staan gelukkig steviger dan ik:

Week 1: Balise (juf Marie in kippenpak)

Als een doldwaze vocht ik me een weg door een muur van takken met doornen, ik voelde me een beest met een missie, over een modderhelling waar ik een meter naar beneden gleed voordat ik grip onder mijn voeten vond, naar een graat, het regende, het donderde, het was donker voor de dag en waar was mijn balise? Niet op de graat, ik vloekte en gleed weer naar beneden. Daar zag ik haar bungelen aan een tak.

Toen ik terugkwam bij het startpunt op de parkeerplaats onderin het dal moesten mijn opleiders lachen. Ze wezen naar mijn neus. Ik keek in een autospiegel en zag dat ik het topje ervan had opengehaald, waardoor erop een perfect rood bolletje plakte. Dat was een doorn op weg naar mijn graat geweest.

Met een kompas, hoogtemeter en kaart stuurden ze ons afgelopen week de heuvels in, waar we vijf balises moesten vinden die op onze kaart stonden omcirkelt, in beperkte tijd en uiteraard niet allemaal naast elkaar, met een flink aantal hoogtemeter ertussen. Het regende zo hard dat zelfs een Hollander als ik ’s ochtends even slikte bij een blik uit het raam. Maar eenmaal in een paar trailschoenen, met zo’n kaart om de nek en een parcours in het hoofd, voelde ik geen regen meer. De donder hoorde ik wel, maar ver weg. Mijn taak was die balise en die van mijn CRET-genootjes ook. We kruisten elkaar verfromfraaid maar lachend op het pad, in het bos, tussen de stenen, rivieren, hellingen, de ene met een uitgescheurde broek, de ander met modder tot op de kin, mopperend over verstopte balises of verkeerd gekozen richtingen.

De course d’oriëntation leek nog het meest op een vossenjacht. Het tempo lag hoog en het parcours vol valstrikken, soms ontbrak de zuurstof om na te denken, soms waren de balises gemeen; het vermaak was echter hetzelfde als voor tienjarigen in het bos op zoek naar juf Marie in kippenpak.

De dag van het examen, waar het vinden van de balise plotseling belangrijk is, moet ik mezelf die vraag maar stellen. Waar is Marie in het kippenpak?

Plantjes en gletsjerspleetklimmen

De gecoördineerde jacht op dwalers buiten hun gepermitteerde kilometerzone in Vallée de la Claréé is bijna voorbij. Maandag mogen we zonder papiertje naar buiten. Voorlopig.

De ENSA heeft inmiddels een nieuwe datum voor het ski-examen opgegeven: Eind Juni, op een gletsjer, vlak voor de zomerexamens, wanneer geen van ons nog enig idee heeft van de globale vorm van een skistok. Sommigen worden er zenuwachtig van, anderen laconiek.

Om ons op al die examens voor te bereiden begint de CRET komende dinsdag, met een week achterstand, een klein beetje halsoverkop. Thibault en de buurman zijn er niet persé blij mee, omdat ze daardoor maar één dag hebben om vrij door de natuur te dwalen (de opleiding is nogal tijdrovend en intensief), en dat is maandag: Een dag vol storm en regen.

Maar ik, ik ben wel blij. Elk alternatief op papiertjes en patrouillerende politiewagens klinkt me als muziek in de oren. Ik zie eveneens tevreden aan hoe de tijd plotseling weer gespannen trekjes vertoont. Dagen lopen niet meer ongemerkt in elkaar over sinds ik plotseling mijn materiaal op orde moet krijgen, mijn lichaam in vorm en mijn mentaal veerkrachtig en stil.

Het is nogal een omslag, maar de hoop op een zorgvuldig uitgedokterd leven heb ik lang geleden opgegeven. Zo zit het blijkbaar allemaal niet in elkaar.

Mijn enige zorg ligt bij de tuin. Ik heb van alles gezaaid en in de grond gestopt en links en rechts schiet het inmiddels ongetemd de lucht in. Trots als Moeder Plant staar ik dagelijks zo’n uur naar de grond, want ik heb nog nooit iets geplant in mijn leven en toch groeit het allemaal zo graag.

Nu hoop ik dat ze me vergeven wanneer ik ze wat minder aandacht geef. Want ik kan Fieke (groentetuinspecialist) niet vragen om dagelijks een uur naar mijn bloementjes te staren voordat ze haar eigen courgettes en aardappels water geeft.

De zes examens die ik van de zomer moet afleggen zijn de volgende: Ski, cartografie, blokkenterrein (rennen tussen de blokken door en klimmen op bergschoenen), sportklimmen en ijsklimmen (in een gletsjerspleet). Tijdens de CRET zullen we ons voorbereiden op elk van deze onderdelen, en omdat het allemaal best wel gek en specifiek is zal ik proberen om per onderdeel een klein verslagje te schrijven. Uiteraard zal ik eveneens de progressie van mijn plantjes weergeven. Die zien er nu zo uit:

(Die bak is afgedekt omdat Tigrou de Poepkat het een prachtige poepplek vond)

20200506_1736568984531490677454376.jpg

Fiek in de groentetuin

Bakker. 13:35.

De dag waarop we vergaten een briefje mee te nemen waarop stond dat we naar de bakker gingen toen we naar de bakker gingen en daarom een boete van totaal 270 euro ontvingen: 28-04-2020. Tijdstip: 13:35

De bakker ligt op vijf minuten rijden van huis.

Ik zei huilend tegen de ene politieman: Meneer, dit is beangstigend. De meneer zag eruit als een gezellige beer. De andere meneer niet, die was lang en dun en het kon hem allemaal geen ruk schelen want hij deed zijn werk en ik was vast niet het eerste meisje dat zo in ene een paniekaanval kreeg.

Toen we terugkwamen in huis, zonder brood maar toch 270 euro lichter, zei Thibault: Dat was wel dom, om dat briefje te vergeten. Op de keukentafel lagen er zo vijf, verkreukeld omdat ze altijd ergens in een broekzak of onderin een tas meereizen. We nemen altijd briefjes mee.

Sindsdien koester ik de wens dat die lange, dunne politieman alle komende nachten niet in slaap valt, gewoon de hele nacht wakker ligt, zonder reden, dat hij opnieuw en opnieuw denkt ‘waarom val ik nou niet in slaap’ tot het eerste licht in de morgen.

En dan ga ik de hele nacht heel lekker slapen.

Met die gedachte red ik het eventueel tot 11 mei.

De rondjes die ik ren

Het waarderend grommen van Tigrou als ik hem achter zijn oren krab is niet genoeg om met een lekker gevoel wakker te worden. De rondjes die ik ren in de cirkel van een kilometer evenmin. Thibault is inmiddels te veel aan me gewend om nog dagelijks te zeggen hoe verschrikkelijk mooi en leuk ik ben en Fieke maakt daar ook geen dagbesteding van, die heeft wel wat beters te doen.

Dankzij de huidige crisis ben ik er nog maar eens een keertje achter gekomen dat mijn eigenwaarde geworteld ligt in de sociale interacties die ik heb en de dingen die ik doe.

Natuurlijk had ik mijn eigenwaarde aanvankelijk nooit bij externe factoren moeten leggen, maar ik ben ook maar een mens, dwars gezeten door allerlei onproductieve, onzekere gedachten die ongetwijfeld het product zijn van een maatschappij waarin ik goed en leuk moet zijn.

Goed en leuk zijn in quarantaine is misschien wel net zo’n grote uitdaging als werkelijk voelen dat ik intrinsiek van waarde ben. Zie hier het nut van het Coronamonster, terug naar mijn mat word ik gefloten, niet om daar in een hippe split waardering voor mijn uitgebalanceerde leven te zoeken, maar om weer dat beetje afstand tussen mijn gedachten en mij te creëren.

Ik heb er in elk geval de tijd voor.

Thema Dier

Toen Tigrou als een lapje op de behandelbank van de dierenarts lag, kreeg de dierenarts een telefoontje van een dame. Ze was hoorbaar overstuur. Haar kat werd een half uur later binnengedragen en ik denk dat er niet veel van over was; de dame was ontroostbaar. Wij namen Tigrou stilletjes mee en zetten hem op de achterbank, hij keek versuft door de gaten van zijn plastic kooi.

Tigrou doet er momenteel ongeveer dertig seconden over om op de bank te springen, want zijn achterpoten lijken zo’n vijftig procent van hun functionaliteit te hebben verloren en hij twijfelt zichtbaar over de mogelijkheid van zijn eigen lancering. Het keukenblad was voorheen zijn favoriete attractie, waar hij zich groot voelde als een mens en heen en weer paradeerde als een bewaker van zijn eigen verboden terrein, maar voorlopig moet hij zich voegen in de rol van bank-, bed- en vloerkat. Niets hogers.

Hij mag dus nog steeds niet naar buiten. En dat is jammer voor hem, want het dierenrijk viert feest aan de zijlijn van het dal, waar plotseling geen mens meer komt. Tigrou moet alles missen.

Een week geleden zagen we een wolf. Het beest leek op een gigantische hond en ik zei tegen Thibault ‘kijk, die gigantische hond aan de rand van het bos, bovenaan het sneeuwveld’, maar Thibault, stekeblind zonder bril, zag niets. We naderden de voet van het sneeuwveld, ‘zie je hem nu?’, vroeg ik hem. Het beest sloeg ons roerloos gade, zittend op zijn achterpoten. ‘Maar dat is geen hond, Ruby. Dat is een wolf.’ Precies op dat moment liep de wolf het bos in, met de tred van een wild dier. ‘Wooooow!’ schreeuwde ik. ‘Woooow! Dat was een wolf!’ We fotografeerden zijn voetjes in de sneeuw en werden later door het internet bevestigd.

‘Je hebt een wolf gemist’, zei ik die avond tegen Tigrou.

Gisteren schoot een drietal jonge reeën geruisloos voor ons uit toen we langs de rivier liepen om eieren te halen in Alberts, stuk voor stuk met een setje witte billen dat vrolijk boven het gras heen en weer sprong. Ik kon me niet herinneren dat ik ooit zoiets gezien had. Wat een geluk.

Naast de rivier en de gemotoriseerde patrouilles van de gendarmerie zijn vogeltjes de grote lawaaimakers. De radius van één kilometer vanaf het huis ligt vol keutels en voor het eerst vraag ik me af met welke poepende dieren ik precies mijn bergen deel. Ik zou graag een keer wilde zwijnen zien en zoek naar de Lynx. Misschien komen die ook wel naar de rand van het bos om te kijken hoe de mensen opgesloten achter het raam zitten. Ik denk dat Tigrou zo’n Lynx misschien wel leuk zou vinden, zij het niet angstaanjagend, zeker nu hij moeite heeft met opstapjes.

Hoe dan ook, hij mag het huis niet uit, en daar ben ik eigenlijk wel blij mee. Want hij is er nog en zo blijft hij tenminste nog even onder een autoband vandaan. En ik vind het tevens niet erg om tijdelijk in zijn plaats van het dierenrijk te profiteren.

Het arme beest

Parijs en Lyon zit in La Vachette. Zij met tweede huis zijn massaal naar de bergen getrokken. Parkeerplaatsen staan vol en luiken staan open, het leeft hier schijnbaar nog meer dan met kerst.

Ik kan het ze niet kwalijk nemen. Quarantaine in La Vachette is onvergelijkbaar met quarantaine in een appartement in de stad. Ons dorp tjilpt en zoemt van lente, blote voeten kunnen ongehinderd door het eigen gras lopen. Schijnbaar zitten de wachtkamers van het ziekenhuis in Grenoble vol met stadse slachtoffers van tuingereedschap, een oproep aan onervaren tuiniers is al gedaan. Of ze wat voorzichtiger kunnen zijn met de heggenschaar, want het verplegende personeel heeft al genoeg te doen.

Na een succesvolle start staat de kroeg van het dorp verlaten tegenover de kerk, het terras geveegd en naar binnen gehaald, kale tegels in de zon. Briançon’s slijterij staat echter op de lijst van services essentiels en blijft dus gewoon open. Je vraagt je af of zij daarboven hebben besloten dat alcoholconsumptie bijdraagt aan de vrede binnen het opgesloten gezin.

Gisteravond maakte ik een grapje tegen mijn moeder dat de weg tussen La Vachette en Briançon, ook wel de Dodekippenkattenweg, nu in elk geval geen gevaar meer vormt voor Tigrou. De wegen zijn immers zo verlaten dat bendes vogeltjes de buurt in handen (klauwtjes) hebben.

Maar om twee uur vanmiddag stortte Tigrou neer voor mijn voeten, niet meer in staat om een enkele stap te zetten, onder de modder en grommend van de pijn.

Met een overreden kat op de achterbank reden we daarom via de Dodekippenkattenweg richting de dierenarts, dwars door het uitgestorven coronaland, met een schuin oog op de ademhaling van het grommende slachtoffer. Hij gedroeg zich erg slecht bij de dierenarts. Hij stribbelde tegen, blies en haalde zo vaak uit dat ik me gedwongen zag om me voor hem te excuseren. Maar goed, hij had pijn. Ze spoot er noodgedwongen een dubbele dosis medicatie in, waarna de koning van La Vachette als een lapje op de behandeltafel lag.

Het bleek dat Tigrou niets had, behalve heel veel pijn, dus heb ik nu een gedrogeerde kat.

De dierenarts heeft gezegd dat hij de komende zeven dagen moet rusten en dus binnen moet blijven. Hij zit dus een week lang in quarantaine.

Het arme beest.

Quarantaine

Dag 1.

17 maart. Als iemand me afgelopen herfst had gezegd dat mijn examens niet door zouden gaan wegens de bescherming van het territorium van een zojuist ontdekte sneeuwhellingkikker, of de inslag van een meteoriet op het ENSA-gebouw, of de verspreiding van een vleermuisvirus dat heel Europa plat zou leggen, dan had ik gezegd: ‘Grapjas.’

De grap is nogal indrukwekkend. Europa ligt plat en mijn leven ook.

Ik zou bezig moeten zijn met een wereld in crisis, iedereen die ik liefheb overhoop of in gevaar, potentieel leed in mijn eigen stad tot zo ongeveer alle steden waarvan ik de naam ken, maar het lukt me nog even niet om over mijn eigen mesthopen heen te kijken.

Dag 2.

Het domein van onze quarantaine is buitengewoon mooi. Ik mag de deur niet uit zonder goede reden, maar nooit is het buiten zo stil geweest. De bergen zijn teruggegeven aan de natuur en ik beschouw mezelf eventjes, illegaal, als dier.

Ik heb het nodig.

Tussen de sporen van herten in de lentesneeuw, de verlaten paden en die stilte, die onwennige, absolute stilte, kan ik de krankzinnige wending van mijn leven relativeren. Alleen daar kan ik omgaan met de spanning van de restricties die van hoog boven zijn gekomen, die ik snap, begrijp me goed, maar me toch angst inboezemen. Alleen daar kan ik de wonderlijke wereld aanschouwen die onbedoeld is ontsprongen uit dezelfde restricties, een wereld waarover ik zo vaak gedroomd heb.

Dag 3.

Het virus lijkt vooralsnog vooral op een nieuwsitem of het gesprek van de dag of een obsessie met het internet van mensen om me heen. Briançon wacht op een schrijnende situatie, maar we zijn er nog net niet. Het monster zwijgt in onze lichamen en wij zijn het die praten. Misschien zal het voor ons jonge mensen in quarantaine wel zo blijven; de rampspoed zal zich immers afspelen op een plek waar we niet mogen komen, al is het bij de buren.

Alleen Fieke (verpleegkundige) staat direct in contact met de crisis.

Het Italiëscenario weergalmd tussen onze bergen en de schermen van onze computers. Ik maak me zorgen om de escalatie. Fiek is het enige tastbare deel ervan en ik wil dat het meevalt voor haar. Ik wil ook dat het meevalt voor iedereen. Ik droom over mijn ouders en heb niet het gevoel dat het toevallig is.

Quarantaine komt met een overweldigend gevoel van nutteloosheid.

Dag 4.

Als ik drie thema’s aan de afgelopen dagen zou moeten geven, dan zou ik zeggen: Cijfers, stilte en tijd.

Cijfers. Ik weet niet hoeveel zin het heeft om ze op te blijven zoeken. Aantallen. Leeftijden. Besmettingen, doden, hypotheses. Het zijn cijfers die kuchen, aan de beademingsmachine liggen en worden begraven, cijfers die in andermans realiteit namen hebben. Wij hebben ook namen. Wij zijn ook cijfers. Cijfers in quarantaine, vooralsnog.

Stilte. De weg naar Italië is breed en maakte een hoop lawaai in de wereld van hiervoor. Ik haatte haar. Nu is ze stil tot in Italië, als een spookweg naar een spookland die ik ongezien moet oversteken om naar mijn bergen te kunnen. Als de politie patrouilleert, dan hoor ik ze aankomen. Maar ik hoor het gefluit van vogels en het suizen van de wind.

Tijd. Elke dag begint met tijd en eindigt met tijd. De teloorgang van mijn grootste project haalt de druk van mijn dagen. Ik kan de interactie tussen Tigrou en zijn nieuwe vriendin gadeslaan, waar heel veel humor en schoonheid in schuilt. Ik kan een boek schrijven in ochtenduren die een dag lang duren. Ik kan mezelf wederopbouwen op een rustige, fundamentele manier.

_DSC9967

Vleermuizig

Sinds gisteren heb ik zin om het virus een gestalte te geven. Ik denk aan een vleermuizige bezoeker van de vismarkt in Wuhan, een mysterieus mannetje met lange jas, hoed en grote bruine reiskoffer, dat daarna overal in de wereld opduikt (wat een vreemd figuur, denken mensen). Of ik denk aan een reislustig blubbermonster van bruine kleuren en veel te veel armen, aangetrokken door de ouderen en zwakken, dat zwabberend uit de kraan of het putje van de zorginstelling stroomt en zich naast hen in bed flaneert.

In welke gestalte dan ook, ik vraag het vriendelijk om de (iets- ) ouderen waarvan ik veel houd met rust te laten en ook alle andere (iets-) ouderen en de (iets-) zwakkeren en om eigenlijk gewoon terug naar die vismarkt te gaan en dus naar die vleermuis en daar te blijven want al dat gereis is wel gewoon genoeg geweest.

Dinosaurustand

Ik heb een duur probleem. Het is een klein probleem, nog geen vierkante centimeter groot, maar het is duur. Het is een probleem van 1600 euro.

Het probleem is niet alleen duur, maar ook ijdel. Het valt in de categorie van neuscorrecties, iPhone 11 en de aanschaf van een tweedelig Norrona-skipak voor een week op de pistes.

Het heet als volgt: Het Tandimplantaat.

Mijn benen zijn robuust en mijn schouders solide, maar mijn tanden hebben niets van die weerbaarheid meegekregen. Ze zijn zwak. Ik heb tevens een kleine (maar niet absurde) voorliefde voor zoet (chocola) en een diepe angst voor de tandarts, voor de pijnlijke maar vooral de financiële kant ervan. Toen een tweetal woedende tanden me na drie jaar uitstel toch naar de tandarts dwong, zei de beste man: ‘Uw mond verkeerd in slechte staat’.  Zo’n vijfentwintig afspraken volgden.

Ik heb enorm geluk gehad met het Franse zorgsysteem, dat niet-rijke mensen van een zorgverzekering voorziet die veel tandproblematiek vergoed. Als dat niet het geval was geweest, dan had ik mijn berggidsidee zeker een jaar lang aan de kant moeten schuiven om een hoop biertjes voor stamgasten te tappen.

Helaas was het voor mijn rechterboventand, tandartscode nummer 14, te laat; die hebben ze met wortel en al eruit moeten scheppen. Sinds een maand of zes leef ik dus met een gat in mijn gebit, een niet-te-vergoeden gat dat 1600 euro kost om te dichten, dat mensen niet direct opvalt maar zich niet laat verstoppen voor mijn eigen bewustzijn, een gat waarmee (uiteraard) te leven valt maar dat me toch dwarszit.

Waarom?

Gat nummer veertien is in conflict met het schoonheidsideaal. Soms doe ik mijn best op de presentatie van mijn hoofd, mascara op mijn wimpers en oorbellen en al, en dan prijkt dat gat in mijn mond als ik glimlach naar de spiegel. Hé piraat, zeg ik dan, waar is je schip. Dat gaat nog wel. Die kan ik aan.

Het probleem is vooral dat ik er goed van op de hoogte ben dat verwaarloosde of ontbrekende tanden armoedig overkomen. Zo beoordeel ik anderen zonder dat ik het wil en zo word ik zelf ongetwijfeld, zonder dat mensen het willen, beoordeeld.

Voor het ontstaan van mijn eigen tandproblematiek realiseerde ik me niet afdoende hoezeer zo’n rechte reeks tanden een luxeproduct is, een teken van welvaart. Alle kindertjes uit mijn klas hadden beugels van een godsvermogen, we woonden in Heemstede, het was normaal. Slechte tanden ontbraken integraal gedurende het eerste deel van mijn leven, want die waren rechtgezet, gebleekt of vervangen.

Sinds ik op eigen benen sta en die benen een financieel onstabiel pad hebben gekozen (probeer vooral geen berggids te worden) ben ik arm, van een vreemd soort armoede dat een skipas, ski’s en skiën kan veroorloven, maar geen auto of spontane avonden in de lokale bistro. Mijn prioriteiten liggen al jaren op een heel specifieke plek.

Het wringende is nu dat ik zou willen dat het gat in mijn mond me dan ook geen moer kon schelen, maar de waarheid is dat ik het implantaat er het liefst meteen eigenhandig in zou schroeven.

Kan ik het naar mezelf toe verantwoorden, een besteding van 1600 euro, om zo’n piepkleine etalage van mijn geringe welvaart te verbergen voor willekeurige voorbijgangers?

Nee. Mijn geld heeft zo’n honderd bestemmingen die voorgaan. Klim- en skimateriaal, opleiding, auto, studieschuld. Als ik op de afbetaling van die laatste moet wachten, dan heb ik over een jaar of twintig misschien mijn tand terug, tenzij ik kinderen voortbreng die beugels moeten. De neptand zal in welk scenario dan ook nooit de status van prioriteit verwerven.

Maar er zijn oplossingen.

Nummer één: Ik geef het implantaat niet de status van prioriteit, maar van cadeau, van superdeluxe top-cadeau, een cadeau dat ik mezelf mag geven nadat ik iemands leven heb gered of klimaatverandering significant heb doen afnemen. Dat geeft me niet persé de financiële middelen voor het implantaat, maar doet me mijn eigen twijfelachtige investering vergeven.

Nummer twee: Ik organiseer een benefietconcert voor mijn tand, ‘chant pour un dent’ of iets van die strekking. Het probleem daarvan is dat ik (nog) niet zo goed voor grote groepen durf te zingen en voor 1600 euro heb ik nogal een publiek nodig, met name in Briançon, waar ik slechts een van de velen met tandproblemen ben.

Nummer drie: Ik accepteer de realiteit. Ruby zonder tand 14 is niet minder waard dan Ruby met tand 14. Imuun word ik voor het deels ingebeelde oordeel van de buitenwereld. Als ze me als armoedig classificeren, dan zitten ze er niet ver naast, en hoor ik met trots bij hen die in gammele bakken rondrijden en liever niet naar hun bankrekening kijken. Het is een categorie vol met superleuke mensen. En het is, laat ik dat nooit vergeten, relatief, mijn armoede. Het feit dat ik überhaupt nadenk over die tand is extravagant en komt zonder twijfel voort uit de bevoorrechte start die ik heb gehad, daar in Heemstede. Mijn armoede was in zekere zin een keuze, en als ik de ballen heb gehad om die keuze te maken, dan moet ik ook de ballen hebben om te leven met de gevolgen ervan; plaatsten die me in een bepaalde categorie mens, dan moet ik mezelf daar niet stiekem van willen distanciëren.

Maar ik vraag me af of ik hier werkelijk toe in staat ben. Teleurstellend genoeg.

_DSC0119