Author: Ruby Elizabeth

Er was eens

De buurjongen zag er niet zo goed uit toen hij ons terras opliep, ruim een jaar geleden. De lente schoot overal uit de grond, maar het was net uit met zijn vriendin, hij was nog overtuigd van het feit dat ze de liefde van zijn leven was en Covid had de afstand tussen Wuhan en La Vachette vreemd genoeg overbrugd. Macron deed het land op slot en daarmee ook de herberg in het dorpscentrum, die onze buurjongen vlak voor de winter had overgenomen. Een sympathiek gebouwtje met een klein houten terras aan het water. Ik had hem subtiel duidelijk gemaakt dat het interieur van zijn herberg misschien wat gedateerd was. Hij was echter kok en had niets met interieur, noch met booking.com, voicemailberichten of publiciteit. Waar hij warm voor liep, waren verse groenten, wilde knoflook en kastanjes, morieljes bij zijn risotto, melk van de koeien van Prorel en bier van brasserie Col de Lauteret, alcohol die hij zelf op smaak bracht met mélèze of besjes of wijn met citroen, aangeschoten klanten of vrienden en kaartspellen …

Poëet

Je was om vijf uur ’s nachts vertrokken. Ik zette mezelf die namiddag achter de keukentafel, half vier, met koffie en een studieboek, mijn handen nog onder het pof van het klimmen. De bomen onderaan de rotsen hadden vol bloesem gezeten, een gordijn van roze bloesem waarachter mijn vriendinnetje omhoog had geprobeerd te klimmen. Het kwartsiet was oranje en geel geweest, de lucht strakblauw. Toen ik haar had laten zakken had ik gezegd dat ik wist wat ik wilde worden: poëet. ‘In dat geval word ik ‘de vreugde’, had ze geantwoord. Ik las drie woorden over chromosomen en dacht toen aan jou. Als je om vijf uur was vertrokken hadden jullie, Jon en jij, uiterlijk om tien uur bovenaan het couloir gestaan. Hoogstens om elf uur. Over het couloir zelf hadden jullie nooit langer dan een uur gedaan. Na een siësta in de lentezon had je vast bedacht mij even een berichtje te sturen, een berichtje dat ik niet in mijn telefoon had staan. Ik belde je maar je nam niet op, las weer over …

Dit is dus sportklimmen

Tenen in rubberschoentjes op heel kleine treetjes, het lichaam vastgeplakt aan de rots, diezelfde rots soms op slechts een centimeter van de neus, salamanders die geschrokken wegschieten voor het gevaarte dat omhoogklimt, vingers gesloten om grepen, voeten die losschieten, armen van de Hulk, magnesiumpoeder op het gezicht en dan die fameuze vlucht naar beneden: Sportklimmen. Het seizoen is weer begonnen. Voor de niet-klimmer-lezers van mijn blog geef ik vandaag een heel korte uitleg van het sportklimmen (ik dacht, daar is het misschien tijd voor). Het idee achter sportklimmen is dat je op eigen kracht een rotswand omhoogklimt. In zo’n rotswand zit een route (door iemand bedacht) die is uitgestippeld met haken (ijzeren ringen die voor altijd in de rots zitten). Je neemt een touw mee, een zekerpartner en setjes (zie hieronder) en volgt de route in de rots tot je valt (of niet). Als je valt, zit je gelukkig aan het touw. Hoe ver je valt, hangt af van je afstand tot de laatste haak. Dit kan bijna niets zijn (als je precies op de …

Roddelgeneratie

De hangjongeren van La Vachette zijn per stuk zo’n zeventig jaar oud. Tijdens de donkerste maanden van de winter ontmoeten ze elkaar voor het systematisch wegvegen van elke sneeuwvlok die het aandurft om hun oprit te vervuilen. Tip van de overbuurman: neem binnen vast even een flinke slok cognac, daar krijg je het warm van. Nu de lente aanbreekt loopt het hele dorp van huis naar huis niet voor de sneeuw, maar voor de gezelligheid. Om de boormachine van de ene te lenen of de printer van de andere, om even te helpen met het sjouwen van een zak aarde of de laatste roddels op de rails te zetten. Vooral dat laatste neemt tijd in beslag. Omdat ze er allen sinds decennia wonen, is de niet zo heel geheime kist vol interessante weetjes oneindig diep. Na een korte warming-up van luchtig gebabbel over het weer of corona, komt de buurman aan bod, de skileraar die een zoon heeft die aan zijn derde vrouw is begonnen en die hij net als zijn eerste twee al dreigt …

Die middag in het zonnetje

Ruim vijf jaar geleden zat ik op een terras in het zomerse centrum van Chamonix met een Nederlandse jongeman die me gedurende drie jaar had opgeleid bij de Amsterdamse Studenten Alpen Club: Jeroen Boomsma. Hij was op visite in het bergdorp, ik woonde er net. Mijn leven ging van bar naar berg en weer terug naar de bar en ik had een hele stiekeme, absurde, onrealistische droom die ik absoluut met niemand deelde omdat ‘ie te belachelijk was om hardop uit te spreken. Maar toen, die middag, in het zonnetje, zei ik toch tegen Jeroen dat ik eigenlijk wel berggids wilde worden. En hij zei toen: ‘je kan het’. Het probleem was, zoals jullie inmiddels wel weten, dat ik nog nooit had geskied en dat je onder andere een groot ski-examen moet halen om in de opleiding te kunnen komen. Uiteraard heb ik alles onderschat, anders begin je er niet aan. Mijn leven was op zijn zachtst gezegd nogal uitdagend, de afgelopen vijf jaar. Ik voelde me geregeld hopeloos verloren tussen de vele jongens die …

Nestelen

Mijn eerste keer mediteren deed ik samen met mijn ex-vriendje, die ene die vier uur lang stil kon zitten en zich niet liet afleiden door een vlieg op zijn neus. Ik voelde me clownesk, weet ik nog goed, zo met gekruiste benen en gesloten ogen. Alsof ik een parodie op mediterende mensen deed. Het heeft lang geduurd voordat ik me op mijn gemak voelde in de meditatiepositie. Nog veel langer deed ik erover om een houding te vinden die me relatief goed afging. Ik kreeg namelijk steevast na vijf minuten pijn in mijn rug en kon me moeilijk nog op iets anders concentreren dan die pijn zelf. In de hoek van mijn kamer ligt tegenwoordig een soort dik matje (het best te vergelijken met een kussen voor de hond) met daarop een ‘zafu’, een meditatiekussen dat wat harder en hoger is dan andere kussens, waardoor ik geen zes kussens meer hoef op te stapelen om daar heel kunstig in juiste positie bovenop te belanden. ‘De juiste positie’ laat ik omschrijven door Gunaratana (ja ja, daar …

Olieverf

Een enorme kist met olieverf komt aan in La Vachette. Ik open de kist, ruik de donkerhouten binnenkant en zie vierentwintig tubes met verschillende kleuren, potjes met doorzichtige formules, kwasten, een mes, een doek, een pallet. Allemaal emoties om te mengen, wereldmakers, fantasie-instrumenten. Omdat ik nog nooit met olieverf heb gewerkt, kijk ik alvorens in willekeurige tubes te knijpen naar reeksen YouTube filmpjes waar ik onverwacht maar direct doodsbang van word. Zo bang dat ik de kist geschrokken sluit en twee weken lang in een donkere hoek leg. Want olieverfschilderijen riskeren te verpulveren of nooit meer op te drogen, de media zijn giftig en dan is er ook nog iets met lagen, waarden, compositie, lichtval, kleurgebruik, perspectief en stijl – een eigen welteverstaan. Wanneer ik eindelijk een beetje blauw uit een tube durf te knijpen, en een beetje rood en oranje en toch ook groen, en dat zo een beetje meng met wit of elkaar, ben ik echter niet zo bang meer. De kleuren zijn veel te aantrekkelijk. Ik wil ze allemaal zien en aanraken …

Taart

Een van de jongens van de CRET wordt midden in de week vader van een tweede dochtertje. Ik mag zijn plek overnemen en ski voor twee laatste dagen mee met de groep. Het is zo’n buitenkans dat ik alleen maar kan genieten. Zelfs mijn ski’s voelen zich bevrijd. Twee dagen lang klopt elk detail binnen mijn leven. De bewegingen, het wit. De examens verdwijnen ver naar de achtergrond en het enige wat ik eventueel nog wil, is laten zien aan mijn opleiders dat ik goed kan skiën. Zij hebben me immers onder hun vleugels gehad sinds ik kwam aanglijden in pizzapunt, geen woord Frans dat uit mijn mond kwam. Nu voel ik me een skiër, een van hen. Niet zo snel, niet zo technisch, maar op mijn plek. Voor het eerst wil ik niet dat het over is. Ik zou alles weer opnieuw doen. Bij het afscheid weet ik niet zo goed wat ik tegen mijn opleiders moet zeggen om mijn dankbaarheid te uiten. Wat ze me gegeven hebben is veel groter dan een eventueel …

‘Mittenwald’ door Jaap de Witte

Mittenwald, 1 augustus 2020. Het is één van die paradoxale, bevreemdende dagen. De temperatuur tikt net de 32 graden aan, de lucht is strakblauw met één bijdehand, voorbijdrijvend schapenwolkje en in de verte hoor je het zachte getik en gekletter van wandelstokken in de hoofdstraat. Het Karwendelgebergte torent, vastgeketend in de tijd, boven het Beierse bergdorp uit. Geraniums hangen in bonte kleuren over balkons en Maria’s waken trouw over straathoeken. Er is niets aan de hand. De toeristen zijn toeristen, de bewoners zijn de bewoners en Bertha nr. 36 staat in de dorpsweide, waar ze al vijf jaar staat – zo blij als een ei. Alles is zoals het was en zoals het is. Maar het is niet zoals het is. In Mittenwald hangt de sfeer van een groot geheim. Een verstikkend, duister geheim, waar niemand het over heeft. Een omertà dat ieders leven beheerst. Soms prikt dat geheim door alle sereniteit. Dan beukt het geheim met alle macht door het zomergevoel en slaat het de zomerdroom aan gort. Je grijpt in je broekzak om …