Latest Posts

Willen Willen

Waarom wil ik wat ik wil? Waarom wil ik niet iets anders? Waarom wil ik niet wat jij wilt?

Kan ik dingen willen willen die ik niet wil? Kan ik invloed uitoefenen op mijn willen? Kan ik willen dat ik rijk en succesvol wil worden? Zodat ik uit liefde voor mijn ouders de kansen op een stabiele toekomst vergroot en mijn dwalingen over de aardbodem uitstel?

Waarom wil ik dan in eerste instantie losbandig en vrij zijn?

Waarom ik wil wat ik specifiek wil: dat begrijp ik niet. Ik snap dat ik van jongs af aan heb geleerd van alles te willen. Ik snap dat mijn omgeving me nog steeds dingen leert willen. Ik snap dat de objecten van mijn wil ergens in lijn liggen met mijn karakter. Maar het resultaat, de selectie aan dingen die ik eindig te willen, komt me volstrekt willekeurig voor. Want binnen de context van dwingende invloeden blijven er nog zo’n duizend paden te bewandelen; duizend dingen te willen.

Mijn wil lijkt een beetje verloren. Waarom zou ik mijn best doen voor mijn willekeurige wil? Wat als ik morgen toevallig iets anders wil?
Ik moet mijn wil niet willen snappen. Willen wat ik wil, en dan weer wil, en dan weer wil; dat is het motto.

Tsjoeke Sjoeke Puff Puff

Ik zit in de trein. Alhoewel ik er meestal vermoeid en geërgerd uitzie wanneer ik mijn kop tegen het glas laat steunen en mijn benen op het bankje tegenover me uitstrek, ben ik diep in gedachten.
De medepassagiers zijn welkome metgezellen. Ik krijg een intieme kijk in dit moment van hun leven en ik oordeel, en zij doen hetzelfde bij mij, waardoor ik maar een enkele denkstap hoef te zetten om mezelf te objectiveren. Brak, dromerig, vredig. En hoewel het te cliché is om de treinreis door de omgeving als synoniem op te vatten voor de reis die ik zelf maak, in dit leven, weet ik zeker dat het bijdraagt aan mijn gemoedstoestand.
Het gehobbel, ik heb het gehobbel nog niet genoemd. De zijwaartse trekkracht wanneer een trein van spoor wisselt (denk ik). Het maakt de trein tot een vertrouwde, vriendelijke aanwezigheid. Vraag me vooral niet waarom. In de auto zie ik meestal groen.
En dan nog specifiek de mensen waarmee ik mijn hokje deel. Ze zien er altijd uit als ik. Vermoeid wanneer ze niet zijn opgeslokt door hun mobiele telefoon. Het schokkende moment van oogcontact maakt het drukke hokje bijna strevenswaardig.
Het gefrummel, de afstandelijkheid. De complete afwezigheid op de gezichten die via de ruiten worden gereflecteerd wanneer het donker is, daarin zie ik slachtoffers van hetzelfde sentiment dat mij in zijn greep heeft.

Dus daar zit ik. Ik denk, onbewust van mijn gedachtes, en ik trek de mooiste, meest creatieve conclusies. En de volgende keer dat ik in de trein zit trek ik ze opnieuw. En opnieuw.

Entreeweek 2013

Waar de nieuwe studenten van de Uva deze week het spits van hun studentenleven afbeten, maakte de Asac ook een primeur door: Promoten voor lidmaatschap. We wilden het proberen; meer dan toevallige passanten op de hoogte brengen van het bestaan van de Asac of nieuwsgierige koppen in de klimhal aanspreken. Dus kregen we een plek toegewezen op de sportdag van de Intreeweek en bevonden wij ons op spannend, nieuw terrein.

De boulderwand moest uit Delft komen. Nog voor dageraad klommen Julius en Roel in de bus om het gigantische onding naar Amsterdam te vervoeren. Tegen de tijd dat ik aankwam en het Erasmuspark volstond met halve stellages van roeiverenigingen, SSA, curlingen en dammen was de wand nagenoeg af. We stonden wat afgelegen in een hoek van het park, naast twee grote bomen die ons van welkome schaduw voorzagen. Tegen de regels in bonden we er een slackline tussen.
Kaspar kon zijn genadeloos talent voor routesbouwen tonen. In het geraamte van de wand hingen we setjes, Cams, slinges en ATC’s. Fieke plakte foto’s van afgelopen zomer in een collage en Flo bevestigde stijgijzers aan haar D-schoenen, die de rest van de dag vervreemd op een plat houten tafeltje stonden.

Rond twaalf kwamen de studenten het veld op. In groepjes sijpelden ze langs de verschillende verenigingen. Sommige waren verlegen, de meesten waren afwachtend maar vriendelijk, een aantal waren al verveeld door de veelheid aan nieuwheid – niets was meer nieuw genoeg, zelfs hun groepje niet – en gedroegen zich opvallend bijdehand. En tussen al die mensen vroeg ik me af wie ons doelwit was.

Ons enthousiasme over de afgelopen weken in de Alpen laaide in volle hevigheid op en moest duelleren met de gematigdheid waar het converseren met potentieel nieuwe leden ons toe dwong. Het was leuk naar bestuursgenootjes te kijken die met ingetoomde geestdrift het gesprek aan gingen, ieder op zijn eigen manier. Soms voelde ik zelf de neiging studenten voor hun kop te rammen om ze maar aan het verstand te brengen hoe mooi bergen zijn, de Asac is, hoe hun leven zou veranderen wanneer ze maar… Dichtgetikt.

Het verbaasde me dat niet elke student als een magneet tot de boulderwand werd aangetrokken en overstag ging bij het horen van onze verhalen, maar toen ik beter om me heen keek en me de leden van de Asac voor de geest haalde besefte ik me dat de warme familie waarin wij ons wanen het gewenste gevolg is van het selectieproces dat ik voor me zag plaatsvinden. Niet elke gek sluit zich aan bij de Asac (of juist een specifiek soort gek).

Dus toen Fieke Asac naar de studenten toe karakteriseerde als avontuur, namen we slechts genoegen met iedereen die daarbij twinkels in de ogen kreeg. We ontmoetten potentieel nieuwe leden die we al met pikkel in sneeuwbruggen zagen prikken, in padvindersbroek over paden zagen dwalen, met dichte ogen achter een gitaar en kampvuur een lied zagen zingen en in de hal onder luid gekreun een laatste pas zagen maken.

De zon scheen de hele dag en tussen het vermaak van de studenten door vermaakten wij ons des temeer. De bus lag vol eten. De Aap keek uit over het Erasmuspark. Het huidige en toekomstig bestuur renden achter elkaar aan en hield versufte gesprekken, onderuitgezakt op de bouldermatten. Zo nu en dan werd iemand overvallen door een camera en stotterde wat verlegen woorden waarin de Asac niet uit de verf kwam. Maar dat deerde niet. De primeur, het promoten voor lidmaatschap, was geslaagd; de dag was mooi en elke geïnspireerde student was winst. Zij die maandag of woensdag op komen dagen wensen wij een warm welkom, overtuigd door de twinkels in hun ogen en simpelweg hun komst, wat, zo heb ik geleerd, genoeg zegt.

Yeti, bedankt voor de Boulderwand!

Dansen

Ik kwam thuis van de Alpen en ik dacht dat ik veel zou gaan schrijven. Het was een van de weinige dingen die me op mijn thuiskomst deed verheugen, naast de bevestiging van mijn welzijn die ik mijn ouders zou kunnen geven – net iets concreter dan over de telefoon bevestigen dat ik niet vanuit een hubschraub bel – en (natuurlijk) de mogelijkheid van dansen. Daarbij word ik dus schrijfster en zijn de belevenissen in de Alpen bij uitstek voer voor verhalen, boeken, zoiets.

Wat blijkt, ik ben alleen maar aan het lezen.

Misschien is het de carrièredruk: goede schrijvers moeten immers veel lezen en ik kan daar niet vaak genoeg aan herinnert worden. Elk boek dat ik niet gelezen heb ondermijnt mijn zelfvertrouwen. Ik logeer een paar weken bij mijn ouders, waar een stuk onbenut terrein in een oud, hoekig en chaotisch huis in regel vol met boeken is gestouwd. Wegens de filosofische voorkeur van mijn vader is het gros daarvan bikkelwerk, keiharde literatuur, duizend pagina’s dik. Dit huis is onleesbaar, maar ik doe verwoedde pogingen.

Het lezen kan ook voortkomen uit ontwijkinggedrag: de tijd die ik in lezen steek gaat niet naar schrijven, waardoor het moment van onderuitgaan nog even wordt uitgesteld. Toch zou dit hét moment zijn om me kwetsbaar op te stellen. Ik ben nog zo gelukkig van de Alpen dat er weinig is dat me deert. Ik filter moeiteloos op constructieve kritiek, waarbij het filtraat een nieuw bouwblok voor mijn optimisme wordt. Dus, kom maar op.

Maar ik denk eigenlijk dat het carrièredruk noch ontwijkinggedrag is. Ik ben ordinair slachtoffer van een oeroud verslavingsmiddel. Ik wil lezen, méér lezen, alles lezen. Ik wil een holletje in de bank dat precies mijn vorm aanneemt. Ik wil elk uur een nieuw kopje thee of koffie, cuppasoup of chocomelk, dat bruut mijn tijdelijke wereld verstoord, maar als enige mag verstoren. Ik wil de laatste bladzijdes van het ene boek verslinden opdat ik al met het andere kan beginnen. Ik wil elke avond beslissen of ik door mag lezen terwijl mijn ogen dichtvallen, een afweging tussen nog eventjes, nog één hoofdstuk, oké, nog ééntje maar écht de laatste, lezen maar steeds iets minder bewust de tekst op kunnen nemen, of een nachtrust moeten wachten, maar dan wel elke zin in al haar lagen kunnen begrijpen. Lezen, lezen, lezen.

Dus, ik denk dat ik maar ga dansen.

Gespuis in Ailefroide

Ailefroide staat helemaal vol met jonge gezinnen die elkaar af proberen te troeven in losbandige, makkelijke perfectie. Ze leven buiten met chaotisch gespuis en wekken toch de indruk dat alles gewenst en onder controle is. Het ene kind is nog een grotere mythe dan het andere, waggelend met gekleurde parapluutjes en geenszins aangetast door schimmelende tentdoeken, luiers in een supermarkt 30 km verderop of de val in een onschuldig ogend riviertje. Wat zouden ze ’s middags doen? Wat kunnen twee guppen onder de drie, naast hun ouders weerhouden van avonturen aan touw, zoals de ouders onmiskenbaar beleefd hebben? De verwassen boulderkleding, de verouderde D-schoenen, het trekkerstentje dat als babykamer dient: Het verraad een verleden. Hun komst naar Ailefroide eveneens. En nu staan ze daar, in eenzelfde omgeving, met eenzelfde filosofie, losbandig, makkelijk, maar in het allesbepalende ritme van hun kinderen.

Dus ja, een verblijf op Ailefroide laat de eierstokken rammelen als koeienbellen en het leven nagenoeg bepaalt lijken. Maar de mythes met gekleurde parapluutjes zijn weinig mysterieus. Wanneer de één stopt met huilen begint de ander, zo schemert het tentdoek luchtigjes door, en waar de boel normaal gesproken wel losloopt, is een loslopend kind hier een alles dodend gevaar. Het gespuis zal nog even moeten wachten.

Boekje

Afgelopen vakantie heb ik trouw een boekje bijgehouden, zelfs nog op advies van mijn vader. Een (reizende) schrijfster in spé moet de wereld vastleggen, zoals ooit een grote schrijver heeft gedaan. Ik herkende de redenatie, maar pakte gehoorzaam een boekje en wat pennen in. Ik was toch al van plan onderweg te schrijven, met onbegrip voor mensen die blijven functioneren zonder de aan reizen verwante hoeveelheid indrukken te verwerken.

Inmiddels is het boekje grauw en versleten, precies zoals ik ze het liefste heb. Op elke pagina staat gekras, een wirwar van emoties, simpele tekeningetjes van tochten of verslagen die alleen eerste indrukken formuleren. Ik krijg heimwee als ik ernaar kijk. De vakantie is voorbij en het boekje is een afgesloten document. Een intrigerend bewijs van mijn intense geluk, maar afgesloten.

Nu zit ik achter de keukentafel en tik ik woorden op mijn laptop. Mijn vingers gaan vrijwel net zo snel als mijn gedachten. Een typefout genereert nauwelijks verlies omdat mijn rechterringvinger uitzonderlijk goed getraind is op de backspacetoets.
Ik merk dat mijn gedachten luier worden. Ik denk niet na over de gehelen die ik denk, maar ik kots een stroom aan gemankeerde gehelen uit en corrigeer ze met eenzelfde eenvoud, zowel in mijn hoofd als op mijn laptop.

Ik grijp terug naar het boekje en lees korte stukjes waarvan ik me de gedachtestroom nog precies herinner. Elke letter heeft een ziel, mijn pen was een zielenvanger. Het ligt nogal voor de hand om moderniteit te haten na vakantie; er is geen zomer voorbijgegaan zonder dat mijn vader na afloop concludeert de tv uit het raam te gooien, wat hij overigens nooit heeft gedaan.

Maar nu mis ik de bergen, en ik mis de buitenlucht, en ik mis het overleven, en ik mis het intense contact tussen mij en vrienden en het spontane contact tussen ons en vreemden, ik mis het avontuur, ik mis de eenvoud en de vrijheid en de snelheid en traagheid van een dag die telkens gevolgd werd door een dag die nog mooier was. En ik mis het boekje waarin ik schreef hoe gelukkig is was.

Dus nu klap ik mijn laptop dicht en trek ik een oud dagboek van de plank, halfvol, en schrijf ik dat ik mijn laptop het raam uit heb gegooid. Ik herintroduceer mezelf en vertel over mijn vakantie. Als laatste beloof ik trouw het boekje bij te houden, als een schrijfster in spé, ongeacht of ik ooit een grote wordt. Misschien werkt de magie ook wel andersom: misschien schrijf ik met pen een ziel in mijn gedachten, avontuur in mijn wereld, geluk in mijn leven. Zelfs als ik niet op vakantie ben.

Wanneer mag ik me nou eindelijk Alpinist noemen?

Mijn tochtenlijst is indrukwekkend. Ik heb de hoogste berg van Oostenrijk erop staan, via de bikkelharde normaalroute, gezekerd en wel. Ik vertel mijn alpiniet-vrienden dat het ging om een grote berg en dat ‘ie dus hoog was, en dat ik touwen en pikkels moest gebruiken – in hun geest hangt dat samen, ik kan dat verkopen als solide bewijs van mijn prestatie. Als ik de Vaalserberg met pikkel en touw beklim zullen ze eveneens onder de indruk zijn.

Toch is er ook volk dat Oostenrijk afstreept wat betreft alpienmogelijkheden. Een keten Vaalserbergen. Zomaar, zo makkelijk, degraderen ze mijn zojuist ontdekte Walhallah. En mijn tochtenlijst; verdorie, ik heb hem nog zo mooi in een bestandje gezet, met tekeningetjes en al.

Ik heb nog wel iets achter de hand. ‘De Barre’, wederom een grote berg, maar dit keer in Frankrijk. En omdat ‘ie naast de Dome de Neige staat – beduidend minder indrukwekkend – en ik linksaf ben geslagen, pimpt ‘ie mijn tochtenlijst met verve. Dat viertje doet ook iets, zeker bij mijn alpiniet-vrienden.

Het is toch een beetje jammerlijk dat het overgrote gedeelte van mijn tochtenlijst touren beschrijft waarin ik uiterst vaardig achter de billen van een gids ben aangehuppeld. Ik weet niet eens of ik ze dan wel met recht op mijn tochtenlijst mag zetten, wat zijn immers de regels van een tochtenlijst? Gaat het om het zelfstandig percentage nadenken? Wat als een groep op tour gaat, en de één vogelt de route uit, de ander redt een derde doormiddel van logistiek briljante touwtechnieken uit een huiveringwekkend diep ravijn, en de laatste verdeelt het tochtenvoer, liggen er dan verschillende claims op de tocht? In dat geval heb ik 33,3333…% Barre op mijn lijst, want we hebben gedrieën alles samen bedacht. Zelfs de tijd van opstaan. En als er één in het ravijn was gevallen had ze ongetwijfeld een mening gehad over de te gebruiken touwtechniek.

Misschien ligt het procentuele aspect niet binnen mijn tochtenlijst zelf, maar bij de waardering van mijn tochtenlijst. Alle professionele, gidsende, expitiemakende, ervaren alpinisten zullen niet zozeer onder de indruk zijn. De groep rond mijn eigen ervaring, of gewoon niet zo bijster ambitieus, zal hun hoofd knikken en misschien wat ideeën opdoen. Zoals mijn papa, of een aantal van mijn alpiwel-vrienden. En dan is er nog de rest van de wereld, zo’n 99,9 %, die niet alpineert en heel diep moet nadenken wanneer je ze vraagt wat de hoogste berg van de wereld is, en wouw, die vinden mijn tochtenlijst toch indrukwekkend (zeker als ik ze vertel van die pikkel en het touw)!

Gezien dat dus het overgrote gedeelte is kan ik rechtmatig concluderen dat mijn tochtenlijst indrukwekkend is.

Ben ík even alpinist…!

De ‘Barre’

Morgen, 9 augustus om 03:00, de Barre des Écrins. De klok sloeg nog geen acht, maar met deze gedachte probeerden Fieke, Kim en ik slaap te vatten.

opweg

Goed (!!) weer op de heenweg

Een week eerder lagen we op het lager van de Refuge des Écrins, met onze gepakte tassen in het drooghok, maar woedde een storm die ons bij buitenkomst gedrieën in een enkele windvlaag voorbij de top had kunnen blazen. Twee keer voorbereiden en aanlopen: het hele project voelde aan als een expeditie.

De ‘Barre’, zoals we vriendschappelijk naar hem verwezen, rijst links achter de Glacier Blanc op en ziet eruit alsof hij recentelijk onder de gletsjer is gegroeid, als een verstandskies, met een dik pak sneeuw en ijs dat er afwisselend egaal of gekreukt en gescheurd overheen ligt. Hij vraagt zo’n 1000 meter steil sneeuwstampen en sluit af met een graatje waar het gidsje zo’n twee uur over doet. Naast de graat ligt de sneeuwtop Dome de Neige, als een veilige afslag rechtsaf.

DSCN1359

Om twee uur die nacht ging onze wekker en begon het lager onrustig naar de
hoofdlamp te zoeken. Beneden was het doodstil. Het geluid van het kletterende
water in ons havermoutpannetje klonk als een gevaarlijke inbreuk op de vrede. We lepelden de pap naar binnen en zeiden weinig, op wat fluisterende grapjes en de
verontrusting over de afwezigheid van de anderen na. In het drooghok
weerklonk wederom elke lichte tik, van een pikkel tegen de houten bank tot de
tas op de koude vloer, door een stilte die zich uitbreidde in het donker achter
de open deur. Het voelde alsof we een belangrijke geheime taak uitvoerde,
routineus en op elkaar ingespeeld, en toch misplaatst, alsof het eigenlijk niet
onze taak was. Waar was iedereen toch?

Aan de rand van de Glacier Blanc vormden we onze touwgroep. Het licht van onze
hoofdlampen toonde de eerste paar stappen van het spoor. De maan was
ons niet van dienst en de sterren waakten passief, in een ver verbond, overal en
hoog boven ons. Het spoor liep nagenoeg vlak naar de voet van de Barre, over de gletsjer die onze hele nacht in beslag leek te nemen. Ik had vooraf bedacht diep in gedachten weg te zinken en in een soort lichte slaap de lange gang te overbruggen, maar ik was eigenaardig scherp en vermaakte me door mezelf van een afstand te zien lopen. Af en toe keek ik achter me of anderen al besloten hadden de Barre te gaan doen, en soms doemdacht ik dat de waard tijdens zijn nachtwandeling had ontdekt dat drie seracs wat losjes waren komen te zitten en het hele lager terug het bed in had gestuurd, op ons na, want wij zaten verstopt achter ons pannetje havermout.

Dat Fieks hoofdlamp opeens de lucht in ging was een teken dat we bij de Barre
waren. We controleerden elkaars geest, verkortten het touw, staken iets te eten
in ons mond en accepteerden ons stijgende lot. Toen al was ik trots, alleen al
op onze keuze om de uitdaging aan te gaan. We waren zo alleen. Ik wist dondersgoed
hoe groot de berg rechts naast ons was, al zag ik hem niet. En de verwachtte
ondersteuning lag nog in het lager: het gekreun van Dome De Neigetoeristen en
altijd mannelijke gidsen met hun goedbedoelde zorgen om ons jonge drietal.

Het eerste steile stuk viel ons mee. Onze feilbaarheid kwam even aan het licht toen Fiek naar haar koplamp greep, die van haar helm schoot en in versnelling van de helling gleed, maar we konden ermee omgaan. Als middelste legde Kim de tocht af in het licht dat ik vanaf het eind van het touw bijscheen.
Tegen de tijd dat we bij de lawineresten waren, het baken dat we zo vaak vanuit de hut hadden gezien, viel het ons nog steeds mee. We zagen eindelijk een lichtsliert over de gletsjer lopen en voelden het genoegen al die meters al te hebben afgelegd, wetende dat mensen letterlijk tegen ons opkeken. De graat van de Barre werd zichtbaar in het
ochtendlicht, net toen wij eronder liepen.

Op het vlakke stuk tussen de Barre en de Dome in hielden we rust. Een ijzige
wind deed me beseffen dat we richting 4000 gingen, of althans, de wind leek me toepasselijk voor bij zo’n hoogte. Ik had het nog nooit koud tot in mijn kern gehad, naast alle afgevroren tenen en vingers op toppen en graten, maar nu leek ook mijn hart eraf te vriezen. We wilden vieren dat we boven waren en geen moment stilstaan tegelijkertijd. Het enige dansje dat we deden was een zonnedans, opdat ze boven de bergen uit zou komen en ons zou verwarmen.

Met stenen vingers in griploze handschoenen klom Fieke het eerste, lastige
gedeelte van de graat voor. Gillend van pijn in vingers waar het bloed weer
door ging stromen zekerde ze ons na. De rest van de graat sprak voor zich, met
vertrouwde rotspuntjes om slinges omheen te gooien, en diepe afgronden die als
een kaart zo plat door onze mentale filters drongen. Dallen links en rechts
reflecteerden de schoonheid van de berg die we aan het beklimmen waren. We
zagen de Roche Faurio, waar we de dag ervoor opstonden, en de Mont Pelvoux, waar
we plannen voor hadden liggen. De mogelijkheid van onze huidige situatie wierp
een nieuw licht op de mogelijkheid van al die toppen om ons heen, en eventjes
vlogen we.

Hlf3

Kim, Fieke en ik op de top

Ik moest een beetje gniffelen toen ik onder het kruis van de Barre in het zonnetje lag. Toppen zijn voor mij meestal een koude optelsom van het aantal afgelegde hoogtemeters en het tijdsbestek. De schrikbarende momenten, keren van twijfel, de objectieve prestatie van het bereiken van de top, en het altijd even unieke uitzicht. En dan denk ik: ‘oké’. Ik ben topneutraal.
Maar nu moest ik gniffelen. Ik zag Fieke en Kim staan, op de voorgrond van een klein stalen kruis en een verbazingwekkend uitgerekte Mont Blanc, en iets kwam volslagen ridicuul op me over. We waren met zijn drieën de Barre opgeklommen; alsof we het besloten en gedaan hadden, en in feite dus ook besloten en gedaan hadden. Dat kan dus.

Terwijl we onze topSnickers en tonijn-uit-blik aten en elkaar zo nu en dan een highfive gaven, zagen we op tegen de terugweg. De graat zat vol met Franse en Italiaanse tegenliggers en bood ons geen spanning van het onbekende meer. Weer was er weinig sprake van ‘even snel terug’, er lijkt nooit sprake van ‘even snel terug’. Gehinderd klommen we naar beneden en opgelucht hingen we de afsluitende abseil in. Onze dankbaarheid was groot en werd nog groter door de zon op onze voormalig morbide rustplek. We voelden ons veilig en gelukkig. Fiek en ik liepen nog even naar de top van de Dome de Neige, op vijf minuten sneeuwstampen van de Barre, opdat we onze tweede vierduizender konden zegevieren.

De terugweg leerde ons de heenweg kennen, en ik vroeg me af welke stappen in de sneeuw van mijn lijdende voorganger waren geweest. Onze afdaling was zo nu en dan volledig ongecontroleerd, met pogingen tot glijden waar onze gordel stuk van ging, en de dreiging van seracs die ons op het matje riep. Beneden voelde ik me wederom veilig en gelukkig, en voornamelijk heel trots. Die berg rechts, waarvan ik dit keer niet alleen de grootte wist, maar hem ook had ervaren, die hadden we zojuist ingetikt.

Van de voet van de Barre liepen we terug naar de Refuge des Écrins, om in één
ruk af te dalen naar de Refuge du Glacier Blanc en de parkeerplaats in het dal.
Van tegenliggers kregen we te horen dat we het hele lager hadden wakker gemaakt
door onze wekker om twee uur te zetten. We ontmoetten zelfs mensen die pas om
half vijf waren opgestaan, niet begrijpend wat dan hun redenatie, zowel als de
onze was geweest.

Dames aan de Chill

Dames aan de Chill voor de Glacier Blanc

Om een uur of vijf kwamen we aan bij een terras op Madame Carle, na een toer van zoveel hoogtemeters dat we ons afvroegen waarom onze benen niet afgesleten waren. De Barre lag niet meer in het zicht. Onze lichamen hingen slap in de stoel en onze ogen waren half gesloten, maar de alpinist in ons was wakker en gluurde door onze oogharen heen, euforisch maar onrustig, opzoek…

Chanel rode lippenstift

De Ici Paris begrijpt me niet. De kleinste flesjes parfum kunnen onmogelijk te groot zijn om mee te nemen op vakantie, volgens hen. ‘Mevrouw, ik wil er best voor betalen. Met twee proefmonstertjes ben ik al blij.’ Haar wimpers bewegen traag heen en weer, gehinderd door mascara. ‘Ik ga bergen beklimmen, mevrouw.’ Warempel. Uit haar laatje haalt ze Coco Chanel en Guerlain. Wat zal ik fatsoenlijk ruiken in de berghut.

Elke andere winkel waar ik kom heeft een nuttiger en vooral prijziger assortiment. Dagelijks bezoek ik de Bever en een maand lang twijfel ik over de aanschaf van of een tent, of een slaapzak. Het thema dit jaar is warmtebehoud en wol van acht merinoschapen ligt al op de meeneemhoop. Sokken, leggings, shirts. Mijn backpack zal mekkeren. De vraag is echter of een tent wel binnen het thema valt.

Ik koop kleine flesjes om mijn shampoo, wasmiddel en dergelijke over te verdelen. Mijn EHBO-doos vul ik met dinopleisters. In een kast bij mijn ouders vind ik de hoogtemeter, kompassen en gletsjerbril van mijn vader, blinkend van retro. In een magazine zie ik een helm die zo afstotelijk lelijk is dat ik hem niet los kan laten. Na anderhalf jaar vloeken op de eierschalen van de Asac schaf ik eindelijk mijn eigen, knaloranje en lichtgewicht, hoofddeksel aan. De stapel wordt steeds groter.

Trillend sta ik bij de kassa van wederom de Bever. Zoveel geld. Visioenen vanonder een brug, uitgezet omdat ik mijn rekeningen niet kon betalen, met de geruststelling dat ik nog een prettige nachtrust heb tot -10. Een maand huur in hartje Amsterdam, voor een slaapzak die me, verwacht ik op zijn minst, na elke nacht 300 hoogtemeter dichter naar het topje van de berg heeft gebracht.

Vanaf nu is het kosten besparen. Ik knip mijn lievelingsbroek af, en dan niet mijn ‘lievelingsbroek’, maar echt mijn mooiste thuis in spijker. Mooie softshells en nóg meer Buffs kunnen me niet meer verleiden. Voor een sportklimbroek en een nieuwe (broodnodige) bikini zoek ik in de voordeelbakken van de H&M. Ik koop geen fancy snappers voor mijn verlengde setjes, maar ruk op advies de slinges van een paar oude af. Een zwerm vinkjes vliegt over mijn paklijst.

Zoveel geld en aandacht besteed ik zo bewust en degelijk; honderden aan spullen die mijn veiligheid en comfort garanderen. Dus nu moet ik wel een tweede bezoek brengen aan de Ici Paris. Er is een balans te herstellen.
‘Ik ga bergen beklimmen, mevrouw. Rode lippenstift van Chanel graag.’

Geloof mij, nergens zal de lippenstift roder kleuren dan tegen de achtergrond van een spierwitte gletsjer.

Geen plek als thuis

Joos komt aangesneld als ik de straat inloop. Aan haar zwarte vacht zie ik welk seizoen het is; of het verbaasd me hoe dik ze is, of het verbaasd me hoe een scharminkel ze is. Ook de bomen dragen zo’n verhaal, logischerwijs, maar omdat ik er niet al te vaak ben is hun kleur en vorm altijd opvallend.
’s Zomers leeft de straat een sprookje. Kinderen spelen buiten, alsof de scholen altijd gesloten zijn. Bosjes knallen uit hun voegen en rozenstruiken kruipen voorzichtig over schuttingen richting het straatbeeld. De tuinen van de gepensioneerden krijgen eindelijk hun podium, met zorgvuldig uitgekozen bloemen en kleurpatronen, zoals mijn oma dat ook vroeger deed . Het gonst van de beestjes en ruikt fris en zoet.
’s Winters is het een straat zoals ik me die inbeeld wanneer ik ouderwetse goede boeken lees. Hoge bomen en kale takken die deinen in de wind, huizen die een eigen, stille eenheid vormen. Een zakenman in donkergrijze trenchcoat vertrekt van huis en steekt kort zijn hand op naar de bejaarde buurvrouw. Ze veegt tevergeefs de bladeren van het pad af en kijkt pas op als de man weer verdwenen is. Het geluid van een huilende baby klinkt door een open raam. Ik zou willen zeggen dat ik vossen over de straat had zien schieten, in het boek was dat waarschijnlijk waarheid geweest.

Joos loopt met me mee tot onze deur, miauwend om aandacht, geen aai over haar bol die haar stil krijgt. Ik verbaas me een momentje als de sleutel weer past, nog steeds. De kat glipt als eerst het huis binnen.