Morgen ben ik mank.
Gelukkig voor maar een tijdje. Ik herstel gewoon, weet niet precies hoe lang ’t zal duren, maar in de toekomst ligt huppelen als een geitje door de weide. Door de alpenweide.
Het is vooral het idee dat de hele affaire spannend maakt. Vreemde mensen die aan de haal gaan met de functie van mijn enkel op een gepland tijdstip. Alsof ik sta ingeschreven bij het instituut der verboden fysieke experimenten. Nu loop ik, morgen niet meer, en daartussen zit een kwaadaardige dokter die pezen verzameld in glazen potjes, op eindeloze planken aan de wand van lange gangen op de immer gesloten en in duister gehulde afdelingen van het AMC.
De waarheid is anders. Ik heb een goede arts die zijn best gaat doen om me ongehinderd terug de bergen in te sturen. Bergen die ik overigens laatst nog zag. Vorige week bezocht ik Sion, het kleine stadje waar de helikopter me bracht na de val. Als je maar hoog genoeg uit het dal van Valais kruipt zie je in de verte het massief van Chamonix. Helemaal wit, zo vroeg in de lente. De magie die ervan uitgaat is nog steeds zo machtig dat het niet uitmaakt hoelang mijn revalidatie is. Een jaar, twee jaar, dan had ik het nog gedaan.
Nog een dag. Overal heen te voet, dansen, springen, de realiteit zoals ik haar ken. En dan is het leven eventjes anders. Breien, ik ga leren breien. Ik ga schrijven en lezen, schilderen en gitaar spelen. Dingen regelen voor de verhuizing naar Frankrijk en bang zijn voor de uitbreiding van mogelijkheden, in plaats van de inperking ervan. Voor ik het weet huppel ik weer door de alpenweide.
Latest Posts
Bachelor
Ik verbaas me niet, dat ik heb het gehaald. Het principe verbaast me niet. Ruby gaat studeren en zij haalt haar bachelor. Ik verwonder me alleen over het feit dat wat ik de afgelopen jaren heb gedaan, het nachtwerken, de excuusmails, de manoeuvres, alles rondom theorie die me bij hoge uitzondering in beslag nam, nu tot een papiertje leidt. Chaos leidt tot een diploma dat in mijn bezit waardeloos voelt.
Ik haatte studeren en ik mis het niet.
Mijn ouders en de overheid hebben betaald voor mijn studie. Ik ervaar het al jaren als een groot blok aan mijn been. Ik kan er weinig aan doen, maar ik mis de liefde voor het curriculum, het mooie pad binnen de theorie dat mensen door de geschiedenis heen, van die grote wijzen, en gewoon de professor van de maandagmorgen, uitstippelden om anderen – zoals ik – thuis te maken in belangrijke zaken.
Vlak na het begin van mijn tweede jaar studeren bekroop me het gevoel erin te zijn geluisd door de samenleving, door fladderende en naïeve achttienjarigen te doordringen van de vanzelfsprekendheid van studeren wanneer ze van het VWO kwamen. Dat heeft me nooit meer losgelaten. Vanwege financiën had ik geen andere optie dan het afronden van op zijn minst een bachelor. Ik voelde me de Sjaak.
Ik lees best veel, ook boeken die zouden passen binnen verschillende bachelors. Uit mezelf. Maar de verplichting tot lezen heeft me vier jaar lang de lol van mijn studieboeken ontnomen. Ik kon het gewoon niet. Echt niet. Misschien was het in het begin nog stoer om laks te zijn, de laatste jaren werd ik er volkomen paranoia van. Die nachten, die ellenlange nachten. Ik durf te wedden dat ik driekwart van mijn studie tussen tien uur ’s avonds en de ochtend voor de tentamengelegenheden heb gehaald. Overdag spendeerde ik tijd aan het staren naar lege zinnen en loze verplichting. Als de druk hoog genoeg werd, dan bleek mijn brein een topsporter. In elk geval genoeg om net de staart van de theorie te vatten en daarmee de herkansing krapjes in te tikken. Maar ik haatte het.
Ik ben simpelweg iemand die niet had moeten studeren.
Ik ben me bewust van alle kanttekeningen. De waarde van het studeren, mijn ondankbaarheid en luiheid. De schoonheid van filosofie en antropologie. Alleen al de concrete levensinvulling direct na school, de rust daarvan, en de sociale omgeving met gelijkgestemden op een presenteerblaadje maken studeren een buitenkans. Hele goede vriendjes en vriendinnetjes dank ik aan het studentenleven. Ik ben een denkwijze rijker, ook dat geloof ik, en er is vast iets dat het papiertje van een bachelor Antropologie me zal opleveren.
Het is daarbij onmogelijk en zinloos te bedenken hoe mijn leven was gelopen wanneer ik niet was gaan studeren. Wat ik had gedaan, gevonden, hoe ik me tot het studeren van anderen had verhouden. Reizen, pottenbakken, professioneel schudden met mijn billen. Zo is het niet gegaan.
Het enige punt is, dat ik verdomde jong was op mijn achttiende (daar gelaten hoe jong ik nog steeds ben), me nog niet realiseerde wat studeren behelsde (zoals ik me nog steeds niet realiseer wat de waarde van gestudeerd hebben behelst) en ook niet die keuze had kunnen en moeten maken. Want nu, achteraf, was het geen hele wijze beslissing. Voor veel mensen is het een uitzonderlijke kans, een verstandige investering van overheid en ouders, een voorrecht. Maar dat alleen maakt het voor mij geen passende levensloop. Studeren had iets minder vanzelfsprekend moeten zijn, een klein beetje minder, net zoveel minder dat mijn achttienjarige schlemiel zich de omvang en realiteit van die keuze had beseft. Een enkele kritische blik op mijn studiehouding op de middelbare school had genoeg gezegd. Leren voor topografietoetsen op de basisschool stelde ik uit tot de pauze voor de toets, toen had al een belletje kunnen rinkelen.
Ik had simpelweg niet moeten studeren. Of nog niet, misschien. Het papiertje had meer waarde gehad in andermans bezit. Maar ik kom er nog op terug, als ik wat meer afstand heb, afgekoeld ben, wijzer misschien, volwassener, zoals het een bachelorbezitter betaamd.
Sprookje
Het is al lang geleden dat ik me realiseerde dat alles wat mijn leven is, voortkomt uit mijn eigen handelen en perceptie. Dat ik de wereld moet leren lezen zodat ik mezelf daarin kan schrijven. Dat ondanks alle wetten ik als mens, juist als mens, in staat ben om magie te maken of te vinden. Dat sprookjes me niet overkomen maar ik ze vorm of ontdek. En dat, mocht dit allemaal niet waar zijn, mijn ervaring van het geheel toch precies zo is, als een verhaal, als magie, en er niets voor mij verandert.
Weggaan uit Amsterdam is de grootste toverspreuk die ik ooit gebruikt heb. Alle vaste dingen zijn gaan vliegen, kopjes tot leven gekomen, dieren gaan praten. De stad schittert. Mensen lopen rond met prijskaartjes waarop waarden van miljoenen staan. Het huis op de Sibogastraat is van snoepgoed. Elke vreemdeling is een potentieel, een sliert van een verhaal, een passerende emotie. Papa is een grote tovenaar en mama moeder Aarde. De oude gebouwen in het centrum worden bedreigt door een grote draak. Ik ben een klein meisje op de vooravond van haar ontdekkingstocht.
Ik verklaar mezelf regelmatig voor gek deze plek te verlaten. Ik ben blij, elke dag. Maar Amsterdam was lang niet zo mooi geweest als ik veroordeelt was er tot in lengte van dagen te blijven. De bergen waren niet zo mooi geweest als ik Amsterdam niet had gehad.
In Pretty Woman zegt Julia Roberts tegen Richard Gere: ‘I want the fairytale’. Ze wil hem wel, maar niet gevat als een alledaagse regeling. Ze wil de prins, de romantiek, het avontuur.
Telkens als iemand aan mij vraagt, waarom ga je, dan opper ik van alles. Maar precies dat zinnetje schiet door mijn hoofd. Ik wil het sprookje.
Ze geven haar mee
Ik heb gezien dat hij knap is, maar kan nu niet kijken, want ik mag mijn hoofd niet bewegen. En al zou ik mogen bewegen, dan zou dat niet kunnen, want er zit een berg plastic om mijn nek.
Ze hebben me geparkeerd op een bed in de gang van het ziekenhuis in Sion. Naast me breekt de helikopterpiloot constructies af, rode voorwerpen waarin ik heb gevlogen. Meer weet ik niet, meer zie ik niet.
Soms duikt een hoofd op in mijn gezichtsveld en zegt of vraagt het dingen. Zuster één, zuster twee. Arts één, arts twee. Est-ce qu’elle parle Françias? Do you speak French? Est-ce que vous avez douleur? How is your head? Do you have pain? No?
De redders nemen afscheid. Good luck with your accident.
Ongeluk? Ik denk aan auto’s over fietsers en thee over baby’s. Neergestorte vliegtuigen en poep in de broek van een zindelijk kind.
Ik zucht.
Dus.
Het ziekenhuis.
Van gang naar IC
De kleuren komen overeen met wat ik verwachtte. Beigegrijze vierkantjes vormen het plafon, en de muren zijn witachtig, net als alle zusters en dokters.
Wat ik voel is maar een beetje. Ik voel me een beetje ongemakkelijk; mijn vingers liggen onder de deken in elkaar gefrummeld. Ik voel me een beetje nieuwsgierig. Ik voel me een beetje alleen en een beetje verzorgd. Ik voel me een beetje zielig en een beetje beschaamd.
Ze laten me lang wachten. Eerst was ik maximaal urgent, het middelpunt, en nu lig ik op de gang. De pijn in mijn bil voelt alsof mijn huid een wespennest heeft ingesloten.
Links boven me hangt een digitale klok met rode cijfers. 1600. Het vorige tijdstip was na drieën, vlak nadat we kozen voor de snelle afdaling. Dat hebben ze rap gedaan; nooit meer zal ik zo snel van een gletsjer in civilisatie raken. Mijn lichaam is nog koud van de sneeuw.
Zonder iets verklarends rijden ze me een ruimte binnen en lopen zwijgend weg. Ik hoor een vrouw met raspende stem rechts naast me, achter een gordijn, in gesprek met haar artsen. Mon mari, waar is hij, is hij al hier?
Een zuster legt een brede band om mijn linkerarm, een knijper om mijn linkervinger en koppelt slangen aan mijn rechterhand. Ze loopt weg.
Een zuster vraagt me naar mijn gegevens en heeft moeite om ‘de witte’ en ‘sibogastraat’ correct op te schrijven. Ze lacht veel. Ze heeft rode sproeten en een tatoeage op haar arm. Ze loopt weg.
Zes zusters en verplegers kleden me in minder dan een minuut uit tot op mijn thermokleding. De ene houdt mijn nek stil, de ander knutselt aan mijn gordel – waarvan ik de aanwezigheid was vergeten – , een derde probeert mijn bergschoenen pijnloos van mijn voeten te trekken en de anderen nemen elk een kledingstuk voor hun verantwoordelijkheid. Na drie dagen inspanning in dezelfde kleding zal ik wel stinken. Ze voelen mijn koude vingers en tenen en leggen een verwarmde deken over me heen. En ze lopen weg.
Ik wou dat ik kon volgen wat die vrouw hiernaast mankeert. Ze is het enige blijvende in dit universum.
Een arts komt naast me staan en laat me het ongeluk doornemen. Ze controleert mijn lichaam, van mijn hoofd tot mijn tenen, en schrijft op haar formuliertjes.
We first want to know if there is something with your neck, so we take you to the MRI. We have to wait until they have a place for you, ok? Are you ok? Do you have pain?
Ik heb een vaag vermoeden dat me niets mankeert. Niets echts, niets buiten een geschiedenis van een val van twintig meter. Ik sla pijnstillers af, om een beetje in het reine te komen met de toestand om me heen. Om aan hun te tonen dat ze het misschien rustig aan moeten doen met hun MRI’s en slangetjes. Maar als ze wegloopt heb ik spijt, mijn bil danst van pijn.
Ik begin één van de zusters te onderscheiden als mijn zuster, alhoewel ze niet sympathiek is en haar ogen spreken van hectiek. Zij staat het vaakst aan mijn bed. De band om mijn arm is actief en blaast zichzelf om de zoveel tijd op, tot mijn vingers om adem schreeuwen. In schokjes loopt de druk weg. Dit is bizarre, denk ik. Nog steeds ril ik van de kou. Ik ben uitgeschakeld, zo immens overgeleverd aan onbekende processen dat het geen zin heeft om een wens of wil te vormen. Ik krijg het niet eens voor elkaar om te reflecteren op de val. De realiteit sijpelt binnen als een vage verplichting tot denken. Alles wat ik voel is maar een beetje. Een beetje verlaten, nu.
Van CT naar slaapzaal
Een zuster loopt langs mijn bed, naar het hoofdeinde, en wandelt met me de deuren uit. Ze rijdt me door een dolhof van verschillende plafons, allemaal weer van een andere tint wit. Bocht naar links, bocht naar rechts. Ik land in een kamer met onbeduidende uitvindingen die in mijn ooghoeken nog vreemdere vormen aannemen. Met vier man tillen ze me van het bed op iets anders. Mijn nek wordt zorgvuldig vastgehouden en beschermd.
When I tell you to breath in, then breath in and hold your breath. You understand? Keep your eyes closed. Ik begrijp niet waarom mijn ademhaling relevant is. Mijn bil is relevant, dat kan ik ze wel vertellen.
Iedereen verdwijnt, ikzelf in een witte plastic buis. Een elektronisch stemmetje commandeert me zacht om in te ademen.
Doordat ik mijn ogen gesloten moet houden weet ik niet of ik de buis al uit ben. Ik hoor stappen, maar durf niet te kijken.
Ok, we are now going to give you a fluid that can feel a little bit hot in your body. It is so that we make the contrast bigger. So you might feel it. Haar accent is fantastisch, zo mooi. Ze pakken mijn hand en knutselen er iets aan. Opeens stroomt een golf warmte mijn lichaam door, naar elke uithoek, elke cel, langs mijn oogleden en enkels en nekvel. Het is bloedheet. Holyshit. En weer verdwijnen zij en verdwijn ik.
Ik heb inmiddels door dat ik een klein taakje ben binnen een werkdag van veel verschillende mensen. Ik ben de scan van de ene, de administratie van de ander en het raadsel van de laatste. Nadat ik terug ben gekoerierd naast de vrouw met de raspende stem laten ze me weer lang alleen.
Ik ben het taakje van mezelf. De tijden die ik moet wachten veroordelen me tot denken, er is niets anders dat ik kan doen, maar ik heb niets om specifiek over te denken. Mijn denken lijkt wel leeg, ik kan nergens op aanhaken. Alle gedachten die ik aan het normale leven wijdt komen in deze context volslagen ridicuul over. De val wil ik niet vaker afspelen. Invullingen van of zorgen over de komende dagen voelen zinloos zolang ik niets weet. Mijn denken is leeg. Er is alleen een gevoel, een beetje een gevoel van totale overweldiging. Maar dat is zo nieuw dat ik ook daar niet zinnig over kan denken. Toch glijden tranen langs mijn wangen.
De arts staat met de uitslag naast mijn bed. Ze vertelt me dat mijn nek en bil er goed uit zien, maar dat ze lucht in mijn borstholte hebben gevonden en niet weten waar dat vandaan komt. Misschien van de klap van de val, misschien van een geschrokken inademing tijdens het vallen, in elk geval moet het daar niet wezen.
Huh, denk ik. Uit welke blauwe hemel komt dit. Ik heb geen last van mijn borstholte. Wat een onzinnige aandoening. Mijn bil spat nagenoeg uit elkaar, maar nee, de aandacht gaat uit naar iets dat alleen waarneembaar is op een scan.
So, we are going to keep you here tonight and if necessary, take you to surgery tomorrow. Until we know what is there, you cannot eat, I’m sorry.
Ik ben in de war. Hoezo niks aan mijn bil? En niet eten? Ik heb vanaf vanmorgen zes uur niets constructiefs gegeten, en ondertussen wél twee zinloze gendarmes van de Purtscheller beklommen. Ik ga dit niet trekken. Ik ga niet slapen vannacht.
Ze ziet dat ik geschrokken ben. Is there anything I can do for you?
Yes, I do am a bit thirsty.
Oh, I’m sorry, you can also not drink. Because, we don’t know where it is coming from. I will let them give you something that makes you feel less thirsty.
En weer lig ik daar een tijd alleen. Maar nu is het anders. Mijn verpleegster heeft het plastic van mijn nek gehaald, en dus zie ik voor het eerst de ruimte waar ik al uren in lig. Ik zie de kleur van het gordijn van de inmiddels verdwenen mevrouw. Ik zie een aanrecht met een kraan en handenwasvoorschriften in het Frans. Ik til mijn hoofd op en zie de deuren waar ze me in en uit hebben gereden. De band, die weer om mijn arm gebonden zit en zich af en toe opblaast, en het knijpertje om mijn vinger lopen via draden naar apparaten links in de kamer. Een scherm toont gekleurde lijntjes. Ik herken meteen het lijntje van mijn hartslag. Maar de andere kan ik niet plaatsen.
Eerst probeer ik mijn hartslag te beïnvloeden, maar ik merk dat het lijntje ondanks mijn toeren het ritme aanhoudt. Een ander lijntje blijft ook stoïcijns golven, maar het gele lijntje is wisselvallig en lijkt op me te reageren. Ik houd mijn adem in en ontdek de connectie. Dit is leuk.
Mijn verpleegster vraagt of ik niet mijn ouders wil bellen. Daar heeft ze best een punt. Ik probeer het eerst met de mobiel van Dorien, die ze op het laatste moment voor de helikopter wegvloog in mijn zak heeft gestoken, en bedenk tijdens het overgaan hoe ik dit ga formuleren. Mijn vader neemt op, de verbinding is slecht.
Hooi pap, met Ruby. Hooi. Niet schrikken, het gaat goed met me, maar ik lig wel een beetje in het ziekenhuis.
Ja, nee, ik ben gevallen. Maar het gaat goed, er is niets ergs.
Pap?
De tweede keer bel ik met de telefoon van het ziekenhuis en neemt mijn moeder op. Ze klinkt heel rustig, opvallend rustig, en ik vertel het verhaal tussen duizend zinnen van ‘het gaat goed’. Ik dacht haar te moeten kalmeren, maar zij kalmeert mij. Was ik onrustig dan?.
Dorien en Menno. Zullen ze al in het dal zijn?
Mijn verpleegster wordt eindelijk ontslagen van haar hectische werkdag, en ik ben blij voor haar. Een andere verpleegster rijdt een gigantisch ziekenhuisbed naast me en met hulp word ik over getild. Ik land in kussens, onder dikke dekens, en grinnik om het comfort dat me opeens ten dele valt. Dat is lang geleden. De zwerver krijgt een bed; mijn bil doet even minder pijn.
De verpleegster legt een grote plastic tas met mijn spullen aan mijn voeteneinde en duwt me door het ziekenhuis. Het is nog vreemder dan eerst, in dit bed-bed. Ik voel me weer ongemakkelijk worden. Haal me hier weg, dit is overdreven. Ik heb een officieus gekrenkte bil, dat is alles. Komt daar mijn gene vandaag, nu ik zo openbaar onder de dekens lig, gevloerd en overgeleverd?
De afdeling van Chirurgie is knalgeel.
Nacht
Ik lig. De tijd is me een beetje ontgaan. Naast me, achter het gordijn,ligt een roggelende oude vrouw. Ik hoor haar praten met de verpleegsters en geef haar een willekeurig uiterlijk. Vervolgens bedenk ik me dat ze misschien niet eens oud is. Ik heb alleen haar stem.
Aan mijn bed komen twee nieuwe verpleegsters. Ze zijn beide lief. Via sms weet ik dat Menno en Dorien op weg zijn, alhoewel het bezoekersuur versteken is. En weer, weer is er zo’n loos tijdsbestek waarin ik opgescheept zit met niet-denken. Slapen doe ik ook niet. Sneller dan ik verwacht staan mijn tochtgenootjes aan mijn bed. Ik ben me sterk bewust van hoezeer zij geschrokken moeten zijn en voel me, zonder nobel te willen zijn, oprecht blij dat ik diegene ben die zowel de fout heeft gemaakt als in het ziekenhuis ligt. We nemen alles door, vol verbazing en een beetje hilariteit, vol what the fack. Het wordt een eerste reflectie van vele. Ik merk een vreemd vermogen op om er een willekeurige draai aan te geven, zonder de waarheid teniet te doen. Nu wordt de basis van een verhaal gelegd, vanaf nu krijgt het feit ‘de val’ steeds meer woorden en emoties, steeds meer wending en kleur, reflectie en mening, fictie en realiteit.
Menno en Dorien vertrekken en ik word achtergelaten met de nacht. De vrouw naast me blijft roggelen.
Nu moet ik slapen.
Ik lig op mijn rug en mijn bil brandt tussen mijn lichaam en het bed. Ik draai op mijn linkerzij, maar de zwaartekracht drukt mijn bil pijnlijk op mijn andere bil. Een draai op mijn buik lost niets op, want weer drukt de zwaartekracht mijn bil op mijn lichaam. Shit, moet ik dan op mijn rechterzij gaan liggen? Op de bil? Met omslachtige bewegingen draai ik langzaam linksom. Warempel, het werkt. De bil vind steun op het bed, terwijl mijn lichaamsgewicht zich spreid over de oppervlakte.
Maar dan slaap ik nog niet. Ik heb honger, denk ik. Maar heel eventjes.
Twee uur later wekt de zuster me, en ik besef me dat ik meteen in slaap ben gevallen. Ze stopt een koud apparaat in mijn oor, zet een knijper op mijn vinger, legt een band om mijn arm en schijnt een lichtje in mijn ogen.
Twee uur later wekt ze me weer. En twee uur later weer, en weer. Ik speel gedisciplineerd in op haar handelingen door mijn hand uit te steken, dan weer mijn hoofd te draaien en mijn arm op te tillen. Telkens val ik in slaap haast nog voor ze deur uit is.
De laatste keer is het licht en blijf ik wakker.
Ik staar voor me uit. Ja, Ruby, wat nu?:
Ik sms Fieke. Mijn schrijfboekje ligt op een kastje, naast een ouderwetse telefoon en een knop om het bed of de verduistering aan te sturen. Ik murmel wat op papier, maar ga al snel door met voor me uit staren. De zwaarte van de vorige dag is verdwenen, en dat voel ik nu pas, want nooit was het expliciet aanwezig. Slechts vaag in alles wat ik een beetje voelde.
Nu ben ik een toerist in het ziekenhuis van Sion en aanschouw ik de gang van zaken die wisselend op mij van toepassing zijn. Op het moment gebeurt er alleen niet zo veel.
De vrouw naast me krijgt haar ontbijt. Ik ruik koffie en hoor toast kraken. Ze heeft slechts iets met haar been, zie ik door een kier die is ontstaan tussen de gordijnen. En ze is inderdaad oud.
Een jonge arts komt aan mijn bed en zegt me dadelijk onder nieuwe scans te leggen. Alsof het gedurende de nacht minder druk in het ziekenhuis is geworden, wordt ik snel daarop de deur uitgereden richting nieuwe kleine kamertjes met grote apparatuur. Het went niet, dat rijden in dat bed, ik kruip het liefst met kop en al onder de dekens.
Terug in mijn kamer blijkt de oude vrouw verdwenen. De lucht is weg, deelt de arts me een uur later mee. Ik mag bewegen en eten en plassen. Ik voel me ongedeerd en nog steeds wat gegeneerd. Die lucht ervoer ik meer als het probleem van de artsen dan het probleem van mij, maar goed, ik ben gezond.
Op een karretje serveert een tweetal me ontbijt. Thee en koffie, toast en jam en een plastic bekertje met chocolademousse. Dorien en Menno hebben me wat chocola achtergelaten, dat in kruimels op het bed valt en ik er niet uitgekrabd krijg. De lakens zijn zo wit. Even later komt het duo met cordon bleu en gebakken aardappels, sla en fruit op siroop. Mijn stemming wordt steeds beter, want de situatie is absurd: ’s ochtends om elf uur avondeten in een spierwit bed.
En dan.
Ze rijden een meisje binnen van rond mijn leeftijd. Het gordijn is volledig naar achtergetrokken, dus we delen de ruimte in meer dan geluid. Ze is ziek. Niet een beetje, ik heb geen idee wat, maar haar ogen zien grauw en haar spraak klinkt traag, haar hele sfeer is ziek. Ze belt haar moeder, tot zover reikt mijn Frans. Haar vriend stapt binnen. Godverdomme, denk ik. Shit, shit, shit. Mijn hoofd stroomt vol en maakt een volledige inhaalslag op de vorige dag. Ik lig in het ziekenhuis omdat ik mijn leven riskeer voor mijn plezier en mankeer geen fuck, en naast me ligt dat zieke meisje. Ik schaam me, zo erg dat ik hoop dat of zij, of ik naar een andere kamer moet. Niet lang daarna wordt ze weggereden. Ik haat mezelf.
Opstaan en weglopen
De wervelwind in mijn hoofd gaat liggen. Eigenlijk vrij snel. Het ziekenhuis en vooral mijzelf daarin vraagt mijn aandacht. Ik vergeet het meisje niet, maar stel mijn gedachten aan haar effectief uit. Later zal ze het gezicht worden van alle gene die ik heb gevoeld gedurende mijn verblijf in Sion.
Een verpleegster komt me uitleggen dat ik in feite alles mag, en die middag gewoon naar huis kan. Ze vertrekt en ik sla mijn slag, denk ik althans. Ik richt mezelf op en voel hoe elke cel van mijn bovenlichaam in tienvoud zichzelf draagt. Jesus. Meteen zak ik terug op bed. Ik ben echt, onmiskenbaar, een eind naar beneden gedonderd.
Het lukt me uit bed te kruipen door overal op af te steunen. Als ik eenmaal sta verbaas ik me over het feit dat ik blijf staan. Ik voel aan mijn bil. Gigantisch. Ik zet een stap en besef me weer dat mijn enkel gebrast is, maar net als mijn bil in een groot ziekenhuis haar relevantie verliest. Strompel, sleep, steunend naar het washok.
Vanuit de spiegel kijkt een onwijs normaal meisje terug. Ik ga wat dichterbij staan, en nog steeds zie ik normaal. Maar, onmiskenbaar, met een rechter megabil. Die linkerbil, die gaat een minderwaardigheidscomplex ontwikkelen.
Het is een groot gedoe om te plassen, vrouwen kunnen beter geen gehavende billen ontwikkelen, maar ik ben opgelucht. Alles komt goed. Ik waggel terug naar mijn bed en zak in de kussens, mijn hoofd dankbaar.
Ik weet niet zo goed waar ik nog op moet wachten. Het meisje wordt weer de kamer ingereden en dit keer ben ik erop voorbereid. Rond het middaguur komen Menno en Dorien aan mijn bed zitten en wachten we samen op niets. De dokter stapt binnen, kijkt naar mijn enkel en wil haar onder de röntgen hebben. Ze is toch relevant. Go enkel. Maar zo gezond als ik blijk, is (of lijkt, weet ik pas later) zij ook.
De foto is het laatste taakje dat ik vorm voor het ziekenhuis van Sion. De dokter geeft me formulieren mee voor mijn huisarts en verzekering. En een cd. Een cd met mijn lichaam erop, doorzichtig, met geheimzinnige lucht in mijn borstholte, een gezonde bil en een gezonde enkel. Met de cd in mijn handen loop ik langzaam de kamer uit. Ik zwaai naar het zieke meisje en fluister good luck bij volslagen gebrek aan beter, terwijl ik geen idee heb waarvoor ze geluk nodig heeft en twijfel of ik het wil weten.
Ik heb mijn gezonde lichaam op cd. Ik neem haar mee. Ze geven haar mee. Ik mag weg.
Niets van het ziekenhuis herken ik op mijn uittocht, maar ik kijk ook niet naar het dak wanneer ik naar buiten schuifel. Mijn hoofd deint mee met mijn bewegingen. Mijn bil steekt naar achter alsof ze heimwee heeft naar witte ruimtes. De zon verlicht mijn zware lichaam. Kijk me gaan, denk ik. Kijk me gaan, gekreukt, maar zo levend.
Oranjerood
Gillou popt op, willekeurig, een aantal keer per dag. Als gevolg van gedachtegangen, via Fieke of Roel, Frankrijk of de bergen, auto’s of ongelukken. Soms speel ik herinneringen van afgelopen winter af en zie ik de ronde tafel waaromheen we met zijn familie en dochter de Thaise gerechten van zijn vrouw probeerden, het oranjerood van de Ardeche of het statische beeld van de eerste ontmoeting, toen hij ’s avonds aan de andere kant van de weg op ons wachtte en een lange zwarte jas droeg. Andere keren verbaas ik me over dood en niet-zijn. Ik huiver nu en dan om de fragiliteit van de hele bedoeling, niet alleen de zijne, iets fluistert ‘wie is de volgende’. Of ik denk, shit, ik moet hier nog iets mee. Maar vaak ook spoelen andere gedachten eroverheen.
Ik weet niet hoe je schrijft over doden, want ik heb het nog niet hoeven doen. Nu voel ik dat ik wel moet, dat ik niet kan schrijven over dagelijkse sores zonder dat ik aandacht heb geschonken aan het overlijden van Gillou. Misschien om het gemak te compenseren waarmee mijn bezigheden zich voortzetten nadat ik het nieuws had gehoord. Alsof er niets was veranderd in de wereld. Feit was; er was niets veranderd in de wereld. Niet in de mijne.
De herinnering aan Gillou had al een begin, middenstuk en einde. Zijn verhaal was afgerond en bestond naast alle andere verhalen.
Het vreemde is dat er middelen zijn om een verdriet te voelen. Als een goede auteur het verhaal van zijn begin en einde optekent, dan zou ik razend emotioneel worden. Ik vind dat stom, ik vind het stom dat alleen de wetenschap van zijn overlijden en zijn herinnering tezamen niet voldoende zijn om iets te voelen. Het is alsof hij van mij niet de eer krijgt die hem toebehoort, tenzij er trucjes worden gebruikt.
Tegelijkertijd erger ik me aan het individuele project dat hij is geworden. Ik kan niets voor zijn familie betekenen, hoogstens wat woorden reserveren voor Fieke en Roel. Hoe ik verder tegenover hem sta is van totaal geen belang; het is mijn eigen ‘er iets mee moeten’ dat mijn gedachten aan hem karakteriseert.
Ik kan ook niet tegen Gillou zelf spreken, alhoewel het best mag zijn dat hij nog ergens is. Voor zijn familie is het ongetwijfeld mogelijk om zich tot hem te richten. Ik steek kaarsjes op voor mijn oma en dan is zij er ook. Maar zo’n aanwezigheid moet besloten liggen in de ervaring, en Gillou’s aanwezigheid voel ik niet. Ik kan dus niet spreken tegen Gillou en me op die manier verhouden tot zijn overlijden.
Er is niets dan de herinnering. Ik realiseer me dat ik verkeerd denk. Ik ben niet in de positie en niet in staat om te rouwen om zijn overlijden. Het zit hem slechts in die herinnering. Als ik me wil verhouden tot zijn dood, dan moet ik me verhouden tot die herinnering. En die spreekt voor zich. Ik hoef niets daaromheen te fabriceren. Ik hoef niets daaraan toe te voegen, geen emotie of vraagstukken. De verandering die zijn overlijden voor mij teweeg heeft gebracht ligt slechts in het belang van het bewaren van die momenten, die anders misschien waren vervaagd. Precies zoals ze zijn.
En ze zijn prachtig. Ik durf ze niet te omschrijven omdat ik bang ben geen recht te doen aan wie Gillou was en hoe ik hem heb ervaren tijdens die drie dagen in Frankrijk. Maar het zit in mijn hoofd, rotsvast. Daar laat ik het. Dit is de manier.
Plof
Ik ben van de zomer een kapot eind naar beneden geflikkerd. Twintig meter. Stuiter, stuiter. Mijn helm lag aan diggelen en ik op een sneeuwbrug, twee meter diep in een gletsjerspleet.
Tijdens het vallen centrifugeerde de wereld om me heen. Precies zoals kleding in een wasmachine. Misschien had ik binnen die seconden van vliegen al dezelfde associatie, maar kon ik de rake, restloze vergelijking niet op waarde schatten. Omdat ik snel op weg was naar een hele onbepaalde plek.
De wereld beukte met macht twintig in op mijn lichaam. Drie, vier keer. Pure razernij. Ik wist niet hoe vaak ik nog tegen de wand zou klappen, ik kon de wand niet onderscheiden van de andere materie. Daardoor voelde het alsof de omgeving me in elkaar aan het slaan was, als een doldwaze kwajongen, een sadistisch monster. Ik legde mijn armen rond mijn hoofd en krulde mijn lichaam. Ik herinner me trots te zijn op die reactie, de bescherming van mezelf, die gelijktijdig plaatsvond met een smeekbede; ‘laat dit stoppen, stop, stop, stop, alsjeblieft, stop’.
Plof.
Ik opende mijn ogen en zag een hoop wit en een hoop blauw. Mijn bovenlichaam lag iets lager dan mijn benen. Ik hief het op en zat als een baby in de sneeuw. Het onderzoek begon tegelijk met de verbazing en de paniek. ‘Wat de fack was dat’ de ene impuls, ‘waarom leef ik nog’ de andere. Ik spuugde bloed uit en schrok ervan, maar realiseerde me snel dat ik ergens op gebeten had, mijn tong of mijn wang. Ik haalde de stukken helm van mijn hoofd, die verbonden waren door de nylon bevestigingskoorden. Alles deed het nog, daar leek het op. Maar tegelijkertijd was alles mis. Het ging goed, maar alles was mis. Ik hoorde Menno en Dorien, zag ze langzaam naar beneden komen, zag hun pogingen me naar boven te helpen. Ik probeerde zelf overeind te komen en dat lukte.
Mijn geest kroop uit mijn lichaam. Er ontstond een scheiding tussen mijn denken en mijn manke doen. Ik zag mijn lichaam onhandig handelen met zichzelf, testen, ik zag het de brug op rommelen, uit de spleet morren. Ik zag het een touw inbinden dat van boven kwam, van Menno en Dorien. Ik dacht, ‘Ruby, dit is vreemd, nu moet je sterk zijn Ruby, dit is raar hè Ruby, dit is wel een moment, dit is zo’n moment waarop je sterk moet zijn, hierop ga je reflecteren, kom op.’ Maar al dat denken had geen relatie met wat mijn lichaam deed. Ik raakte ontzettend in de war van mijn ratio, van het feit dat ik totaal op een rijtje had wat er zojuist was gebeurd. De helderheid in mijn geest maakte me gek en ik begon te huilen.
Menno was dichtbij gekomen. Ik zei heel veel, ‘Menno wat was dat, het gaat goed, ik heb pijn, ik heb best veel pijn, maar het gaat goed.’ Ik zei ‘Menno, ik weet niet waarom ik moet huilen maar ik moet heel hard huilen, ik hou zo wel op denk ik. Dit is niet goed hè, nee, dit is niet goed.’ Ik begreep zelf niet waarom tranen uit mijn ogen bleven komen, het was weer mijn lichaam dat zelf handelde, terwijl ik het met grote ogen gade sloeg. We maakten grapjes over het bellen van een helikopter. Mijn hersenen waren gekneusd.
Er was geen marge. Iets meer naar links of rechts betekende een koers recht in de bevroren krochten van moeder aarde. Mijn helm was zo kapot dat het een extra klap niet had kunnen opvangen. Ik had ontzettend dood kunnen zijn. Heel veel engeltjes.
Nu ik dit opschrijf voel ik beter de relatie tussen mij en het vreemde feit van ‘de val’ in mijn geschiedenis. In mijn dagelijkse leven bestaat de val als niets meer dan een enkele zin in een gesprek of een af en toe opspelende obsessie met tophaken. Ik ben iets spaarzamer geworden met het uitspreken van alpineambities, maar koester precies dezelfde dromen. De relatie tussen mijn enkeloperatie en de val is weggeëbd, ik had net zo goed van de keukentrap kunnen vallen. Soms speur ik naar een trauma en vind ik niets. Maar wanneer ik mezelf of anderen betrap op een achteloze reflectie op het abrupte eind van mijn avondturen dan kom ik meteen daarop (van binnen) fel in opstand.
Ik ben van de zomer een kapot eind naar beneden geflikkerd en sindsdien ben ik Ruby plus val. De val is een reus. Een verhaal in mijn hoofd waarbij niemand in de buurt kan komen. Mijn mythe, een gedachtewereld die ik deel met de bergen, waarin gesproken wordt over straffen en belonen, nederigheid en bewijsdrang, wederzijds respect. De val is volstrekt van mij, geen lotgenoot kan zich eraan relateren, ook al vloog ze mijn afstand maal dertig. De val is als een geboorteplek, een alcoholverslaving, een zielsverwant. Op eigen gelegenheid dient ‘ie zich aan als de mogelijkheidsvoorwaarde van mijn huidige bestaan, gegoten in de mal van een alpineavontuur van een stel jongelingen. Alles bepalend. De val sluimert, komt soms met veel kabaal naar boven, in de ogen van mijn moeder. De val vergezelt me als ik langs het water loop en de zon schijnt, de lucht blauw is, als ik mijn ademhaling hoor en mijn voeten zie, als ik denk, ‘dit is mooi, dit is mooi’.
Verandering
Ooh bergen, stomme bergen, ik heb jullie nodig want mijn perspectief is aan gort. De verandering die zich altijd stiekem in mijn wereld heeft verscholen toont zich plotseling met overgave. Mensen verdwijnen op alle mogelijke manieren, ik verdwijn zelf. We hebben ons leven massaal te dicht bij de kaars gezet en zijn te bedwelmd om erop te kunnen reflecteren. Ik althans.
Bij jullie was er niets dat kon veranderen. Ik mis dat. Geef me alleen de diepte. Of alleen de hoogte. Laat me even wat lucht inademen. Toon me de kleuren in een flits. Laat jullie geluiden klinken, die van de wind of het water of mijn voeten in een ritme op jullie bodem. Geef me alleen dat gevoel van bij jullie in de buurt zijn, want als dat door mijn lichaam stroomt is er geen sprake meer van perspectief. Dan maakt het ook niet uit dat ‘t nu aan gort is.
Ziekenhuizen en Alpine Plannen
Ik ben er nog steeds niet vanaf. Mijn bil is op wat gêne na genezen en mijn hoofd denkt zoals het altijd heeft gedaan. Maar mijn enkel weigert dienst.
In de pees van mijn enkel zit een scheurtje. Dat scheurtje kan gehecht worden. Ik ben gewend om antwoorden van artsen te krijgen, maar ze stellen me vragen. Hoeveel last heb je? Zou je er mee kunnen leven?
De operatie gapt zes maanden van dit jaar. Gips, loopgips, revalidatie. Daarvoor een wachttijd van drie tot zes maanden.
Gisteren besloot ik definitief naar Grenoble te gaan vanwege haar ligging tussen de bergen. Misschien verleg ik mijn passie van het beklimmen naar het afbeelden van de toppen. Vraag ik iemand een kruk en een ezel naar een heide te dragen, klim ik zelf op een muildier, penselen in mijn tas.
Hoeveel last heb je? Zou je er mee kunnen leven?
Ik heb lang geleden geleerd flexibel te zijn. Om mijn geluk af te stemmen op alle mogelijke kaders. Kimberley vertelde me hoe veranderlijk kaders zijn, die van de wereld, die van ons denken, alles altijd in beweging. Ik concludeerde dat ik meester in anticiperen moest worden en van mijn geluk een elastiek moest maken. Ik zou inmiddels met veel ‘kunnen leven’. Zowel met een enkel in huidige staat, als met een tergend traject van nagenoeg een jaar. Die laatste vraag is de vraag niet.
Hoeveel last heb ik? Op een schaal van 1 tot 10: weet ik veel. Kan ik doen wat ik wil doen? Eerlijk waar, geen idee.
Tot voor kort was mijn lichaam immer in staat tot genezing, al dan niet met hulp van fysiotherapeuten of gips . Ik heb nooit een ander eindpunt gehad. Verkoudheden gaan over, botbreuken helen, pukkels verdwijnen (ik ben een geluksvogel met een luxeprobleem). Het idee van ‘genoegen nemen met minder’ is me vreemd, wat betreft mijn fysieke functioneren. Ongefixt rondlopen kan geen eindstadium zijn. Nu wordt dit me wel voorgelegd.
Het enige wat ik dacht tijdens het gesprek met de arts was: Dude, ik wil gewoon dat die shit het doet. Als mijn moeder erbij was geweest, had ze dat in nette verwoordingen kunnen uitleggen. Het enige dat ik deed was lief knikken en zeggen dat ik er twee weken over na zou denken.
Nu zit ik thuis en denk ik na. Last, wat is last? Ik kan pijnvrij een dag draaien. Ik kan hardlopen; eerst een beetje door de pijn heen, dan gaat het prima, volgende ochtend is de enkel wat dikker, gevoeliger. Boulderen gaat, maar vertaalt zich ook naar de ochtend. Een lange dag in de horeca, idem. Het gaat, alles gaat, maar ik wantrouw het branden van mijn enkel als ik ‘s avonds in bed lig, en ik wantrouw de pijnscheut als ik roekeloos een trap af ren. Wat met ijsklimmen, trailrunnen en voorklimvallen? Wat met de Traverse van de Aillefroide of Sialouze, de herkansing van de Aigneaux, de Migot op de Chardonnet, die stomme Mt. Blanc eindelijk eens, de Biancograat of de Traverse van de K2 naar de Everest? Hoe kan ik de komende twee weken inschatten of ik teveel ‘last’ heb voor de bergen?
Een klein pijntje kan een hel worden tijdens een alpine tocht. Het kan ook verdwijnen.
Kansberekening?
Mijn hele zomerseizoen is naar de klote als ik over drie maanden voor een operatie ingepland wordt.
Mijn zomer- en winterseizoen is naar de klote als tijdens de zomer blijkt dat ik de operatie toch nodig heb.
Niets is naar de klote als mijn enkel niet zo erg naar de klote blijkt te zijn.
Is mijn enkel naar de klote?
Komende twee weken ga ik de bergen simuleren. Ik moet ergens op en af rennen, ergens mijn stijgijzers in zetten, ergens die pees twaalf uur achtereen belasten. Onderwijl heb ik genoeg tijd om aan beide scenario’s een positieve draai te geven. Met de operatie in gedachten zal ik googelen naar de huurprijs van een muilezel en fantaseren hoe ik in een enkele zomer uitgroei tot een befaamde portretschilder van bergmassieven. Mocht ik niet voor de operatie kiezen, dan zal ik floreren als een bom van optimisme, als vertegenwoordiger van de kracht van de gebroken pees. Mijn geluk is een elastiekje.
Winter in de Mas
-met Jeroen, Lieke, Fieke, Kim, Roel en Ruby
De ochtenden in de Ardeche waren koud. Een enkele vroege uitstap toonde het vorst op de auto’s en onze adem in de lucht. Meestal gingen we niet vroeg op pad. We sliepen en ontwaakten naar wens van onze lichamen. Dan scheen de zon al zo fel dat we ons realiseerden hoe krachteloos ze was geworden gedurende de maanden in Nederland. We ontbeten met croissantjes, koffie en thee, stokbrood, kaas, yoghurt, muesli en ananas.
De avonden waren ook koud. Voordat het huis onze warmte vasthield zaten we onder donsjassen en dekens of vlakbij het haardvuur. We aten pasta met kastanjes of zalm en spinazie, ravioli met pittige tomatensaus, curry met rijst. We lazen of spraken, rookten of dronken, tikte vertraagde essays en keken een film. Dikke sokken aan onze voeten.
In de middagzon was het warm. Soms zo warm dat onze hemden en broeken als teveel voelden. ’s Nachts was de temperatuur afhankelijk van ons slapen en onze gedachten. De vogels die snel slaap vatten hadden nergens last van. Diegene die geteisterd werden door verwerking of verandering probeerden dwangmatig elk ledemaat onder de dekens te houden.
Mas des Oisaux. Zo heet het huisje waarin we onze winterpauze hielden. Ontwaken na een heenreis richting het onbekende, volbracht in het donker, is altijd memorabel. Alsof het gebied losstaat van de afstand die is afgelegd; lange kilometers voor Roel, WC’s en benzinelucht. Nee, iemand had ons in de kraag gepakt en gedurende een moment van gesloten ogen in de lichte, geelgroene omgeving van Zuid-Frankrijk gezet. De bosjes prikten en de bomen droegen amandelen. Het land was heuvelachtig en het gras was droog. Een paar stappen uit de schaduw van de opgeknapte ruïne gaf de zon voldoende kans om ons stadswezen te laten verdampen. Ze drukte tegen onze oogleden en maakte ons tegelijk licht als veertjes.
Overal in de omgeving lagen ruïnes. Kleine en grote, vervallen en begroeid, sommigen opgeknapt als die van Roel zijn familie. Grote beige stenen en rechthoekige vormen, vriendelijke verjaarde onderkomens, net als de prikbosjes en de amandelbomen en het geelgroene kleurenpalet. De eerste dagen reden we langs een klein stenen gebouwtje dat opgeslokt werd door een boom. Het begin van een sprookje, het liet me de rest van de week niet meer los.
De Mercedes van de ouders van Roel werd de zevende man van ons gezelschap. Hij reed zelf. Trillende stoeltjes als de strepen werden overschreden, gepiep als de voorganger naderde, verwarmde billen als het koud was, knopjes als de verveling toesloeg. We klommen op verschillende locaties langs de rivier, op minstens een halfuur rijden van Mas des Oiseaux. Bochten en bochten, Franse landweggetjes naar nog meer Franse landweggetjes. Snowy kachelde er vrolijk achteraan.
Het klimmen was prachtig, onvergetelijk, kalm. Ieder volgde zijn eigen lijn. Soms was er wat teleurstelling, andere keren euforie. Maar het geheel was weinig beladen. Alsof de zon ook dwingende gedachten van presteren of progressie verdampte. We waren misschien een keer geen apen, we waren vogeltjes en de rots was onze lucht. Het water kabbelde meters onder ons naar plekken die we niet kenden. De heuvels verdwenen achter andere heuvels. De lucht was felblauw. De dorpen van Aubenas verborgen ridders en jonkvrouwen, verhaallijnen en romantiek. Een grote brug in de avondzon. Een eindeloze oever. We hadden geen keus dan hier te zijn en te zijn en te zijn.
…
Viering van Oud en Nieuw bracht ons tijdelijk in de beschaving van Montpellier. Met Franse vrienden van Roel – Gillou en Bua – aten we Pizza in een verborgen steegje, ver van het schorem dat zich op de pleinen verzamelde. Fieke dronk Ricard, de rest dronk wijn of cola. De vierkante pizza’s vulden de tafels als een spelletje Tetris. We spraken Frans en Nederlands.
Het Nieuwjaar werd beklonken in een Irish Pub, tussen tientallen dronken nationaliteiten en jolige Ieren. We deden een kort dansje, spraken wat lieve woorden, keken verdwaasd om ons heen en besloten terug te keren naar de vogelboerderij. Een Nieuwjaarswandeling door de straten van Montpellier. Roel, Gillou en Bua verdwenen in de krochten van een Franse club, de rest klom in de Mercedes en liet zich naar huis rijden door Jeroen.
Het dagelijks leven in de Mas had voor ieder een eigen uitwerking. Alle winterbewoners waren tijdelijk uit een betekenisvolle periode gerukt. We bespraken weinig, reflecteerden nog minder, misschien had het temaken met de zon en de stilte die ons denkvermogen verlamde en ons overliet aan de ervaring. Ik kan dus niet zeggen wat de Mas deed voor diegene die op het punt stond om zich aan te melden voor Artsen Zonder Grenzen of zich te storten op een nieuwe carrière, diegene die herstelde van Afrika of Sion, diegene die tevergeefs zocht naar een mooie baan.

…
…
Voor mijzelf betekende het verblijf nagenoeg alles.
Ik werd geconfronteerd met de reden achter elke grote beslissing die ik de afgelopen jaren had genomen.
De eeuwenoude droom naar een eigen vogelboerderij kreeg een soort proefrealiteit. De adrenaline van het stadsleven had me even laten vergeten hoe diep je kon ademen, hoe ver je kon kijken. Nu liep ik over de veranda van het oude stenen huis, langs de wilde begroeiing van de tuin van de Ardeche. Ik dacht niets, maar ik droomde alles, en wist de rest zeker.
…
Gillou en Bua hadden ons uitgenodigd om bij hen te komen eten. Bua wilde een eigen Thaise restaurant en kon ons gebruiken als proefkonijnen. Ze kookte plakkerige rijst die we met onze handen mochten pakken, sausjes die onze wangen liet branden, vlees en vis en groente in alle kleuren op grote schalen. Wij kwamen direct van de rots en hadden Ardeche onder onze nagels en in onze haren. We zaten tussen opa en oma, Gillou’s broer en zijn vriendin. Het jonge dochtertje Kita met de grote bruine ogen klom zo nu en dan over oma heen. Frans en Nederlands vloog over tafel en ieder ging er op eigen wijze mee om. Fieke flirtte met opa, Jeroen converseerde met Kita. Na het Thias kwam de alcohol, na de alcohol het gegiechel, na het gegiechel de lange weg terug naar huis. We hadden een avond mogen doorbrengen in het gezelschap van een ontzettend mooie Franse familie.
…
In Nederland wachtte een grijze winter. Die realiteit leek lachwekkend, met name wanneer we na een lange dag klimmen terugliepen door het oranje licht van een ondergaande zon, in de auto tegen elkaar aan kropen en door de ruiten van de slingerende Mercedes duizend verschillende kleuren wolken zagen. Mas des Oiseaux, de vogelboerderij. Zaterdag vlogen Jeroen en Lieke terug naar Amsterdam, Kim en Roel naar Sion en Fieke en ik naar Grenoble. Volgend jaar vliegen we terug.
Studeren
Het nieuwe universiteitsgebouw van de Uva heeft een hoop ramen. De lijnen van de muren en de trappen en de daken zijn allen recht. Als de zon schijnt en je zo’n mooie wintermiddag door het gebouw dwaalt, stap je opeens het licht in. Soms lang genoeg om ervan doordrongen te raken. Je knijpt je ogen samen, ziet even niets, voelt alleen duizend dromen zacht ontwaken.
Ik was zojuist even tussen de bergen. Kroop mijn tent uit omdat ik voelde dat er buiten iets gaande was. Koele lucht raakte alle plekken die mijn slaapzak warm had gehouden. De zon bewoog omhoog, achter rijen pieken vandaan, ze zei ‘zie me, Ruby’. En ik kon niet anders, want in korte tijd was ze overal.





