Latest Posts

Contouren

Nu het balletje is gaan rollen ebt langzaam de behoefte weg om te schrijven over het proces van emigreren. Mijn leven krijgt vanzelfsprekende contouren die het noemen niet meer waard zijn, of wat zeg ik, die ontsnappen aan mijn bewustzijn of interesse. Ik werk. Als ik niet werk ren ik ergens een berg op. Mijn sociale leven bestaat uit mijn gekke collega’s, de Getuige op de camping en de meisjes van mijn yogaclubje. Ik zou het hierbij kunnen laten; een vinkje zetten bij emigreren en een biertje gaan drinken bij een van de vele pubs waar heel jong en ons-kent-ons Chamonix zich verzamelt.

Nee, nee, nee, ik ben er nog niet, nu heb ik andere dingen om over te schrijven. De betrekkelijke stress van het achterlaten van zekerheid en het vestigen in nieuwigheid loopt misschien tegen het einde, maar daarvoor in de plaats komen de reflecties over de grote levensloop. Wat nu. Ik ben hier immers niet om tot in lengte der dagen Jäger te serveren.
Chamonix is ergens nog dat stadje midden in de bergen, zoals ik het kende voor ik er woonde en nog geen Britten of Zweden had ontmoet. Het stadje dat je uitnodigt om een avontuurlijk paradijs van je leven te maken. Dit is Chamonix: Elke morgen dwarrelen hier tientallen parapenters door de lucht. Trailrunners krioelen over de paden die vanuit het dal omhoog schieten. Door de winkelstraat zigzaggen mountainbikers in woeste outfits met helm en bescherming. Rond een uur of vijf arriveren groepjes alpinisten uit het hooggebergte.

Ik moet alles uit de mogelijkheden van deze plek halen, want ja, ik ben hier. Opzoek naar klimmaatjes en zorgen dat mijn enkel het aankan om straks door sneeuw en ijs te kachelen. En dan opeens heb ik het hele Mont Blanc massief aan de ene kant, en de Aiguilles Rouges aan de andere kant. Misschien ga ik een klimopleiding doen, mijn rijbewijs halen, leren skiën en tegelijkertijd een doorgeslagen après-skiseizoen meedraaien, misschien zelfs ga ik leren parapenten of trailrunnen.

Het kan hier, het kan hier allemaal.

Maar, zoals ik al zei, de grote levensloop is om de hoek komen kijken, en ik voel dat het niet genoeg gaat zijn om alleen mijn bergperikelen uit te breiden en na dertig jaar met een leren gezicht en gesloopte knieën nauwelijks verder dan die ene obsessie te kunnen kijken. Ik wil nog steeds dat grote huis met al die kippen en geiten, en ik wil nog steeds een schrijfster worden, dus op zich is dat al heel wat extra om me mee bezig te houden. Maar ook dat is niet afdoende.

Het achterlaten van Amsterdam heeft zijn uitwerking gehad op mijn reislust. Alsof er banden zijn doorgeknipt en sindsdien de wereld in mijn bereik ligt. Ik ben nog nooit buiten Europa geweest, terwijl ik verdorie Culturele Antropologie gestudeerd heb en de bergen op andere continenten twee keer zo hoog zijn.
En dat niet alleen. Emigreren maakte me héél erg zelf geobsedeerd. Langzaam sijpelt de realiteit weer binnen, die met andere mensen en een kleine aardbol met schaarse bronnen die we moeten delen. Het is slechts voor mezelf, maar ik wil daar iets mee. Ik wil een betekenisvoller bestaan. Ik wil me ergens voor inzetten. Gelukkig zijn we gezegend met een lang leven en heb ik tijd genoeg om iets uit te dokteren, een briljante combinatieactie waarin ik al mijn vredelievende wensen vervul en tegelijkertijd bergen beklim en mijn kippen voeder vanaf het bureautje waarop ik mijn romans schrijf – dat ik elk jaar verplaats van land naar land.

Kortom, sinds het ‘settelen in Chamonix’ een vaster en normalen karakter krijgt verplaatst het werkveld van mijn denken zich naar het manifesteren van een alpine leven aan de ene kant, en ‘iets met die grote wereld’ aan de andere kant. Waar gaat dit heenleiden? Ga ik mezelf in een masters tricken? Ga ik een wereldreis maken? Ga ik een ‘met dikke kindertjes naar de bergen’ cursus organiseren? Vrede stichten, mijn leven verliezen aan een heldendaad in plaats van een val van een gladde bergtop?

Een Fietstocht onder de Sterren

Kimberley is mijn profeet.

Een jaar geleden trok ze op de bonnefooi naar Zwitserland en begon daar een leven dat zich vormde naar de willekeur waarin zoiets zich voltrekt; de grillen van een stad en haar mensen, het eindeloze aanpassingsvermogen en tegelijkertijd de vechtlust er iets eigens van te maken, het zich voordoen van kansen of de stugheid van het nieuwe bestaan, pech, geluk, alles wat maar opdoemt of wegblijft. Ze is me voorgegaan en heeft me gegidst door de werkelijkheid van het emigreren.
Dankzij haar moet ik vaak om mezelf lachen. Er zijn een aantal wetten van weggaan: De wet van gemis, de wet van euforie, de wet van onverwachte vriendschappen en ‘wat doe ik mezelf aan’. Op sommige emoties en situaties kan ik gewoon gaan zitten wachten.

En er is me iets opgevallen, iets dat steeds maar weer terugkomt, en ik geloof zoiets ook in het traject van Kimberley te herkennen, alhoewel ik het nog niet heb geverifieerd.

Waar het mee begint is de wens om op een bepaalde plek een bestaan in te richten dat in zekere mate voldoet aan je verwachtingen (bergen, vriendschappen, zekerheid), en tegelijkertijd, in het kader van avontuur en ontdekking, duizend verschillende vormen aan mag nemen. Er zit een soort tweeslachtig principe achter: Zorgen dat het gebeurt, en het laten gebeuren zoals het gebeurt. Sommige dingen kun je afdwingen, andere dingen wil je of kun je niet afdwingen. Daadkracht, onverschrokkenheid, creativiteit aan de ene kant; manoeuvres, volharding, timing, trucjes en listen.
En aan de andere kant: Geduld, rust, en vertrouwen. Het vermogen jezelf ten alle tijden te kunnen vermaken, dulden van tegenstand, een goed boek, genieten van wendingen, zweven op het avontuur.
Kimberley, herken je dit?

Maar wat bovenal mijn gemoederen bezighoud en het hele schipperen tussen ‘afdwingen’ en ‘op zijn beloop laten’ doet vervagen is het volgende: (Vergeef me het cliché)
De ongelofelijke waarde van familie, vrienden en herinneringen, de immense kracht die ik daaruit kan putten en die me telkens weer verrast, en het bizarre, overweldigende gevoel van vrijheid dat me overvalt wanneer ik bedenk dat Chamonix slechts één stad is, één keuze, en de hele wereld en mijn hele leven aan mijn voeten ligt.

Dat is emigreren.

Ik fietste naar huis op een nacht, vanuit mijn werk, en was mijn koplamp vergeten. De weg naar de camping ontbreekt vaak genoeg lantaarnpalen en dus zag ik regelmatig niets, geen bochten of gaten in het wegdek, geen indicatie van mijn richting.
Maar boven me was de lucht bezaaid met sterren, en links lagen de allerhoogste bergen met hun witte gletsjers in het bleke licht van de maan. En ik voelde alles, de intensiteit van al mijn keuzes, van de afgelopen vijf weken en alle jaren daarvoor.

En ja, Kimberley, ik dacht aan jou.

De Redding is Nabij

Ze zijn van God los. De boeren, de Britten en bij toeval een deel van de mensen die ik onderweg ontmoet. Wiet, drank, seks. Ik ben beland in een foute videoclip geheimzinnig verweven door het meest dagelijkse leven. We waren heilig, in Nederland.

Het is dinsdagmiddag en ik ben afgezet op de camping door een jongen met opgeschoren haar, gouden oorbel, zonnebril op een grijze dag en sigaret tussen de lippen. Hij pikte me op bij Mègeve, hij en zijn ‘client’ want hij was een taxichauffeur zonder taxibordje op het dak. En de lift was fantastisch, hij was onwijs op het randje, mignonne, mignonne, en had zo’n lak aan mijn Frans dat ik me vrij voelde om te lullen alsof het Nederlands was.

Goed, hij zette me af bij mijn tent. De realiteit is mijn tent, ik zou het bijna vergeten. Ze staat er nog, donkergroen met rood, een beetje flodderig, mijn trotse onderkomen. Ik had haar niet heel strak opgezet omdat ik daar schijnbaar niet toe in staat was; de verkoper verzekerde me dat ze idiot proof was en ik voelde me gedurende het hele opzetten een grote idioot.
Iets weerhoudt me om te tekenen voor een 500 euro huurcontract dat me veroordeelt tot een luxe chalet met jacuzzi, veranda en weet ik veel hoeveel vierkante meter woonruimte. Ik betaal liever de helft voor een geïsoleerd kippenhok en wacht (on)geduldig tot een dergelijk concept me toekomt. Tot die tijd ben ik gelukkig in mijn tent.

Ik rol mijn yogamatje uit en tik naaktslakken van de rand. Ik vind een rol Oreokoekjes en mijn boek, en installeer me voor het enige droge moment van deze dag. En wie, wie oh wie dwaalt over de camping, op zoek naar het perfecte plekje, schaduw en zon, gezelschap maar rust, uitzicht op de Mont Blanc en al haar hoge kameraden, en kiest het plekje naast mij?

Een Johovagetuige.

Een vrouw van 64 met een angstaanjagende levenskracht, grote mond en doordringende waarschuwingen over de gevaren van het alpinisme en het rijden op een fiets met meerdere versnellingen. En natuurlijk, onvermijdelijk, het is een ontzettend lieve schat die zich het lot van een dwalend meisje aantrekt en haar verschillende kookspulletjes geeft om te vermijden dat het meisje de rest van haar campingverblijf droog voedsel eet (want ja, ze is zelf ook jong geweest en toen zij een dergelijke frats uithaalde eindigde het in ziekte en verderf).

Wat blijkt, de dame van de camping is ook Johova’s Getuige, en sindsdien verdenk ik het gros van mijn buren ervan Johova’s Getuigen te zijn. Dus als ik ’s avonds naar mijn verdorven bar ga, make-up ik mij stiekem in mijn tent in plaats van achter de spiegels van het washok en als op een dag de zon gaat schijnen, weet ik niet of ik mijn bikini tevoorschijn haal. Ik heb geen idee wat precies de heersende ethiek op de camping is maar vanaf deze dinsdagmiddag zal ik me gedragen.

Soms heb ik het vage gevoel dat men erop uit is mijn nieuwe leven hilarisch te maken. Ik lach wel, ik lach altijd wel, maar andere keren denk ik; verdorie, geef me een kamer, een handjevol klimmaatjes en een laat me in vredesnaam die bergen beklimmen waar ik de godganse dag naar staar.
Een gebedje zal wel helpen.

Talenfuck-up

Ik ben een schrijfster. Woorden bepalen mijn manifestatie. Zonder dat taaltje van me ben ik slechts een schim van mezelf.

Ik dacht in Nederland: Mwah, dat Frans, dat leer ik snel genoeg als ik er ben. Tsjah.

Werkgevers zijn weinig happig op het aannemen van gestotter en pardon, je ne comprends pas. Ik neem het ze niet kwalijk, ik heb zelf al geen geduld om naar mijn eigen frans te luisteren. Dat ze bij het café bereid zijn geweest om me aan te nemen kwam door een moment van verbluffende vaardigheid tijdens een klein testgesprek met de manager op mijn sollicitatieronde. Nu versta ik geen woord meer van het snelle geratel tussen collega’s. Ik ben nieuw, ik kan niet meepraten en ik kan mezelf als nieuw-zijnde niet positioneren zoals ik dat gewend ben. Dat is verdomde lastig.

Ik moet geduldig zijn, accepteren en rustig blijven, mezelf vergeven wanneer het fout, en fout, en fout gaat. Want dat is de realiteit. Falen in horen, falen in spreken en falen in sociale situaties omdat je simpelweg niet elke drie zinnen kan vragen wat er is gezegd en dus reageert op het verkeerde moment of de verkeerde wijze.

De praktijk van het leren van een nieuwe taal blijkt simpelweg vermoeiend. Ik heb me dat niet voldoende gerealiseerd, al had het weinig veranderd. Mensen bleven aanvankelijk maar vragen: Spreek je Frans, spreek je Frans, en ik dacht: Maakt het uit? Ik ga het leren, toch?

Ik vraag me af of de hoge dosis Engels in dit nieuwe leven mijn redding of mijn doem betekent. Het is enerzijds comfortabel dat ik erop kan terugvallen, maar anderzijds slechts uitstel van executie. Elke keer dat ik van Frans op Engels overga verlies ik een leermoment, dat ik nodig heb tijdens de penibele conversaties met de alleen-maar-Franse Fransoos.

Tegelijkertijd voelt het vaak genoeg alsof ik twee nieuwe talen leer. Britten spreken geen Engels, ze spreken Brits. Ik niet. Daarbij, er bestaat een groot gat in mijn Engelse woordenschat waarvan ik nooit op de hoogte was. Ik heb in het Engels heel veel minder mogelijkheden om me uit te drukken dan in het Nederlands, en eerlijk, het voelt alsof een heel deel van mijn persoonlijkheid wegvalt.

Wie ben je, in handen- en voetentaal?

Er is meer.

Woorden zijn zoveel meer dan conventies. Ik was me daar op een vaag theoretisch niveau wel van bewust, waarschijnlijk door Antropologie of Filosofie, maar de praktijk van een talenfuck-up levert me bijzondere ervaringen. De fundamenten van mijn brein rommelen. Mijn intuïtie schommelt. De structuren van Nederlands, Frans en Engels zijn zo door elkaar gaan lopen dat mijn taalgevoel soms niet meer in staat is het juiste concept aan een indruk te koppelen en het gewoon opgeeft. Soms voelt het alsof ik de structuur van taal in het algeheel, van het benoemen, betekenis geven, afbakenen enzovoort, alsof ik die in het geheel aan het loslaten ben. Alles wat dan nog resteert is de indruk zelf, vliegend in het niets van mijn ervaring.

Voor mijn denken en schrijven is het interessant. Voor het dagelijks leven is het een uitdaging en voor mijn toekomst is het een grote investering. Ik zal het leren. Ik weet niet wanneer, maar ik zal het leren.

De koeien van Savoie

– zaterdag 13 juni

Het is stil in huis. Tim heeft zijn reis door Europa hervat en de boerin slaapt.

Een week geleden belde een boer uit een hogerop gelegen dorp met de mededeling dat hij en zijn 62 koeien hulp nodig hebben, omdat de voormalige melkster de laatste dagen van haar doodzieke moeder bijwoont.
Sindsdien werkt de boerin van drie tot zes ’s nachts en ’s middags.

De lokale bevolking van Savoie, zij die hier altijd zijn geweest, zijn niet ver van primitief of bekrompen. Als ik de boerin mag geloven.

De boeren komen zelden of nooit uit hun bergketen. Ze zijn het minst functionerende jongetje van de familie, zij die niet kozen voor de opleiding, de stad. Ze zien vrouwen als niet anders dan koeien en de wijze waarop ze de liefde bedrijven harmonieert met die visie.
De bazen zijn volslagen geldbelust en onaangenaam naar hun werknemers.
Men is rechts, extreemrechts, anders is eng.
De vrouwen zijn jaloers en wantrouwend.
Er worden lijstjes bijgehouden met een opsommingen van alle incidenten (verkeerde opmerkingen, per ongeluk gebroken tuinhekjes, leugens…) van buren, collega’s, zelfs vrienden.

Nu, mijn boerin is niet erg van het nuanceren dus er zullen voldoende boeren, bazen of vrouwen rondlopen die weinig stroken met deze omschrijving. Maar ik maak me wel zorgen om de nieuwe wending binnen het leven van de boerin, zo tussen de mensen van Savoie, hoe zij ook moge wezen.
De boer met de 62 koeien kan niet lezen of schrijven en schreeuwt als primair communicatiemiddel. Hij is 42, zonder vrouw en dus zonder seks. De werkdagen zijn te overleven naar gelang de schommelingen in zijn gemoedstoestand. Zijn ‘binaire brein’ functioneert alleen binnen het kader wat het gewend is. Mijn boerin krijgt geen werkcontract en haar salaris is nog onbekend.

Ze is moe. De hap van vier uur uit haar nachten kunnen maar half worden gecompenseerd door ochtenddutjes, terwijl ze geen concessies wil doen op haar niet koe-gerelateerde en doorgaans al drukke leven. Maar het past zich aan, zelf, want het kan niet anders. Het krokusveld groeit onkruid en de Wwooffers weten niet meer zo goed wat ze moeten doen, behalve herhalen dat de boerin op tijd naar bed moet, zorgen dat Salut af en toe buiten komt en dagen spenderen op de slackline.

Tim heeft zijn reis vervroegd voortgezet en vanwege mijn baan vertrek ook ik eerder. Maandag komen nieuwe Wwooffers. Dat is goed, dan laat ik de boerin in gezelschap achter.

En toch, de boerin is me dierbaar geworden. Haar leven is een complexe chaos waarin ik drie weken lang verstrikt ben geweest, en nu ik los dreig te komen voelt het slecht haar daarin achter te laten.
Maar goed, het is haar zijnswijze, haar geluk, haar keuze voor de typische Savoiaan hogerop in het dal. De 62 koeien. Ik heb een eigen chaos om op te lossen.
Op naar Chamonix.

Tussenstand

Ik heb een baan.

Het hotel schuin tegenover het station van Chamonix wordt gerund door Zweden. De baas is Zweeds, de chef-kok is Zweeds, de receptioniste is Zweeds, en ze zijn allemaal blond. De manager van de bar is Iers. Ze hebben een probleem. Normaal gesproken komt er elke zomer een lichting verse Zweden overvliegen om de drukte van het hoogseizoen op te vangen. Recent is gebleken dat de Zweden er niet meer zo’n trek hebben. Opeens zijn de eigenaren gedwongen om een stelletje locals aan te nemen. Lisa uit Groot-Brittannië. Nela uit Groot-Brittannië. Ruby uit Amsterdam.

Ik heb een proefdag gelopen en ze hebben me aangenomen. Om vier stond ik voor de deur en pas om zes uur was de manager klaar met zijn andere afspraken. Om zeven uur verliet hij de bar en om acht uur kwam hij terug om met mij het diner te draaien. Ze zijn grappig. Spontaan. Ongeforceerd relaxed. Vooruit, ik moet wennen aan de nieuwe horeca conventies. Wennen aan het feit dat je samen met de baas filmpjes van helikopters kijkt terwijl een groep van 28 man voor je neus aan het dessert begint. Alles wat ik heb geleerd bij mijn vorige baan, leer ik nu af. Alles wat niet mocht, mag nu wel. Ik voel me stijf, conventioneel en mierenneukerig. Chaos is het devies.

Collega Lisa heeft me bijgepraat over het leven in Chamonix. Een dorp waar het krioelt van jonge mensen en reputaties snel zijn opgebouwd. Lisa zelf is…een type. Blond haar, klein en springerig, werkt in een nachtclub, doet aan ‘vechten’ of eigenlijk ‘worstelen’ en ik heb het idee dat ze daarbij weinig verhullend gekleed gaat. Ze is naar Chamonix gekomen vanwege een Fransoos en in Chamonix gebleven om hem te irriteren nadat hij bleek te zijn vreemd gegaan.

Na een uur was ik op de hoogte van haar seksleven.

Dankzij haar weet ik dat Franse vrouwen op zoek zijn naar veiligheid terwijl hun vriendjes hen bedriegen (waarvan ze op de hoogte zijn). En dat Franse jongens grappig zijn maar dus hun vriendinnen bedriegen. En dat iedereen elkaar kent en als je dingen uitspookt, je het ofwel heel subtiel moet houden, of zelf het nieuws zo snel mogelijk de wereld in moet brengen.

De 15e begint officieel mijn leven in Chamonix.

Ik heb nog geen kamer, maar ik heb een baan. Drie tot vier dagen per week. Afhankelijk van het loon en mijn huur moet ik op zoek naar iets ernaast.

Het begin is er.

Paraat

De dagen waarop je gniffelt, nestelt, krioelt in nieuwigheden en vaak denkt: Ja joh, dan doen we ’t zo.

Constant aanpassen. Constant leuk doen. Vloeibaar als wat ben je. Kies mij. Accepteer mij.

Er zit een groot verschil tussen drie weken op vakantie zijn en drie weken vorderen in je emigreren.
Op vakantie ben je een vervelende toerist, de koning, geld. Tijdens emigratie ben je in eerste instantie overbodig. De samenleving draait al zonder jou. Dus je steekt je handen in de lucht en je springt.

Tegelijkertijd manifesteert de samenleving zich anders: als een keuze. De hele tijd als keuze. De ijscoman verkoopt ijs en jij kiest niet alleen het bolletje, maar ook de ijscoman. En de straat waarin zijn winkel staat. En de bergen die de straat omringen.

-Het voelt alsof ik de afgelopen weken naar een film heb gekeken waarover ik verplicht een mening moest vormen. Als een schoolopdracht des levens. Nu wil ik van mijn bioscoopstoel weglopen, in de film kruipen en leven, in plaats van bekijken.

En ik wil niet meer springen.

– Het ligt allemaal gevat in een enkele denkmodus. Weggaan, ontdekken, nieuw zijn; het bestaat in mijn eigen hoofd. Ik zou mezelf niet zijn als ik dat niet heel interessant zou vinden. Ik vorm weer een nieuw onderwerp voor mijn eigen analyses.
Het gaat dus ook goed met me, ondanks dat ik mijn rol als ‘wil mij’ zat ben en de keuze voor Chamonix als gekozen wil afdoen.
Ik heb avonturen beleeft in mijn eigen gedachten.

-Nu is het tijd voor de echte avonturen. Ik ben opgefokt, blij, energetisch. Ik wil de bergen op en af, mijn relatie met ze onderzoeken nu ze immer zo dichtbij zullen zijn, testen waartoe mijn fysiek in staat is. Mensen leren kennen, dansen met mijn nieuwe omgeving. Mezelf werkelijkheid maken op dertig nieuwe manieren.

Dus, laat maar komen.

Donder in NDBC

Zomaar een Dag

Het Schilderij

Het onweert. Zojuist sprong het ligt uit. Het internet ligt eraf. Flits, flits, flits. De regen tikt zachtjes, voor hoe serieus het gedonder klinkt. Salut loopt met zijn staart tussen zijn benen door de kamers, op zoek naar een plek waar hij niet geraakt zal worden. Ik zoek vast mijn koplamp, voor als de avond straks valt.
De boerin is nog weg. Tim werkt boven aan de site van het plantenbedrijf, of zal op het balkon rondhangen en kijken naar het weerspektakel. Ik ga op mijn bed liggen en klap mijn laptop open.

De wekker ging om kwart voor vijf vanmorgen. Ik werd uit een droom getrokken en strompelde in onduidelijke stemming naar de douche. Het zweet eraf van het fietsen van gisteren. Ik wilde er niet uit, ik wil er nooit uit, maar ik hoorde het gerommel van Tim of de boerin door de houten muren. Het was tijd.
Tim zette koffie. Salut trippelde om ons heen terwijl wij de kastjes uitkamden op eten. Melk op, kwark op. Ik herinnerde me dat ik gisteravond een stokbrood uit de vriezer had getrokken. De Calvé Pindakaas definitief op, dag Nederland.
Een paar minuten voor half zes kwam de boerin in een lange, wijduitlopende rok en opgestoken haren uit haar kamer. Ze moest alleen nog even haar tanden poetsen. Twingtig minuten later zaten we in de auto.
Naast me lagen twee manden met wilde planten. Ik voelde mijn ogen prikken, slaap in heel mijn lichaam, maar achterin bij de boerin lijkt doezelen alsof je op een rodeopaard probeert te ontspannen. Af en toe stopte ze abrupt om een extra bosje wild te wieden.

Dit was een grote ochtend. We hadden om zes uur afgesproken met de chef-kok van een chique restaurant in Ugine, die de boerin om hulp had gevraagd bij een les in wilde planten aan de peuters van een crèche in het dorp. Tim en ik hebben ons gedurende de vele voorbereidingen afgevraagd wat precies het cognitief vermogen is van een twee jaar oud kind, en met name deze vroege morgen schoot de vraag met regelmaat door ons hoofd.
CheffieTwee uur lang verdwenen de boerin en de kok in de keuken, terwijl Tim en ik onze tijd op het terras doodden. We zijn er inmiddels goed in. Onze dagen op de boerderij tonen grote gaten waarin de boerin met deze of gene in gesprek is of ‘even’ iets gaat halen. ‘Even’ bestaat niet, vijf minuten van ruim een half uur wel.
Dus daar stonden we, tussen de keurig gekapte bosjes en bijgehouden bloemenveldjes, roze parasols en tafels die glas voor glas werden ingedekt door twee karikaturaal Franse dames. Ik zat en lag, deed oefeningen, yoga, mijn enkel, keek naar de blauwe lucht, voelde mijn slaap, deed niets. Tim ook.

Met twee gebakken cakes van beslag en plantjes en de resterende bossen wild kwamen we de crèche binnen. Overal waggelden baby’s met grote ogen. In de ruimte waar we onze plantenles zouden geven stonden vier kleine tafels met vier kleine krukjes waarop zestien kleine kinderen zaten te puzzelen. Zoek het vakje waarin de hond past, en het huisje, en het meisje.
Met de KindjesHet was het idee dat de kinderen vertrouwd zouden raken met het idee van eetbare planten. De chef-kok vroeg hen of ze planten kenden (jaa, een roos) en liet de wilde planten doorgeven. Frottez, frottez, et sens la main.
Deze kinderen waren nog niet geland op aarde, ze leefden op hun eigen parallelle aardbodems en keken soms verlegen naar de onze. Kleine, schattige dieren waren het, die geen enkele boodschap hadden aan eetbare planten en de smaak van de cakes vergaten zodra ze de deur uit waggelden om de plastic grasmaaier door de speeltuin te duwen.
De chef-kok was blij, de boerin was blij, de begeleidsters waren blij en Tim en ik wachtte buiten in de zon opdat de boerin eindelijk klaar was met praten over van alles en nog wat.

Salut SchildertVanmiddag moest de boerin wax kopen in Geneve en kreeg ik een opdracht voor thuis. Eerst moest ik de blaadjes van de frambozenplant plukken en te drogen leggen in de zon. Rond het huisje vond ik tig frambozenplanten, en Salut in de schaduw, gevlucht voor de hitte.
Daarna wachtte me een leuke klus: De boerin had een pallet ergens rechtop in de tuin staan, als een soort schot waarachter Salut niet mocht komen, en wilde die geverfd hebben. Ik haalde een krat met potten en spuitbussen verf naar beneden en deed maar wat. Achter me graasden koeien. Naast me was Salut komen liggen.
Verven met Koeien
En toen gebeurde er iets bijzonders. In een naastgelegen dal sloeg het weer om. Het was bloedheet, de lucht blauw, de zon verblindde me, en ik hoorde donder na donder weergalmen door de vallei. Een reus was opgestaan om met zijn blokken te spelen.
Pas een uur later waaide wind door mijn pallet, betrok onze eigen lucht en vielen druppels op Salut. Ik maakte mijn schilderij af onder het balkon. Twee centimeter naast me was het noodweer.

Het pallet ligt in de schuur. De storm gaat tekeer. Ik ben nog steeds moe, het vroege opstaan voor de kinderen van Ugine heeft zich niet vertaald in productiviteit. De boerin is over een uur terug uit Geneve, om ons op te pikken van huis en mee te nemen naar een documentaire over wereldproblematiek.
Mijn dagen zijn interessant.

Plantjes Plukken

Notre Dame de Bellecombe is een stil dorp. Het kerkje staat aan het begin van de straat, grote, lege appartementen aan het einde. Pubs, een bakker, een kapper en een souvenirwinkeltje volgen elkaar hellingopwaarts. De omgeving ziet groen van pistes. Als poten van een spin kruipen grijze skiliften vanuit het dorp de hoogte in.

Paard1000 meter na de kerk, op een bergflank net om de hoek, in de nederzetting van Cheloup, daar vind je de boerderij. Later hoor ik van de boerin dat haar grootouders hier als eerste hun huisje bouwden. Inmiddels staan er een stuk of twintig chalets, allemaal nieuw, met keurige gazonnetjes, gekamde honden en loslopende modelkindertjes. En al die verse gezinnetjes hebben zich aangesloten op de enkele elektriciteitskabel van haar grootouders, waardoor het medium in de war is en de boerin elke twee weken haar lampen moet vervangen.

Een bron van conflict.

Wij zijn ‘de anderen’. Daar waar het gras ver boven de enkels groeit en een hond zichzelf een ongeluk blaft, daar waar je wakker wordt door het basgeluid van de didgeridoo en het plukken van plantjes in levensonderhoud voorziet, daar waar een wit autootje elke dag een levensgevaarlijke koers over smalle weggetjes inzet en ik God dankbaar ben voor het ogenschijnlijke functioneren van de gordel, daar spendeer ik mijn eerste officiële dagen in Frankrijk.

Het is mooi hier. De skiliften en hellingen richten schade aan, maar de gestalten van hun bergen zijn nog altijd imposant genoeg om het landschap te bepalen. Het zijn er simpelweg te veel. Ze zijn te hoog. Elke ochtend komt de zon op boven een massief, elke avond gaat de zon onder achter een massief.

In Het GrasIk spreek zoveel mogelijk Frans, maar het valt me zwaar. ’s Morgens hoop ik steeds weer dat ik ’t zal verstaan of dat de Fransen zijn gaan articuleren. De boerin en mijn medeWWOOFer uit Colorado spreken vloeiend Engels, en ik in principe ook, tot ik moe raak en mijn strot geen Engels of Frans meer kan onderscheiden. Nederlands is mijn lievelings. Mijn taal is me dierbaar.

We eten warm eten. Drie keer per dag, als ontbijt, lunch en avondeten. Dat is een hoop koken, een hoop nadenken over combinaties. Kaas, worst, wijn. Ik kom uit Nederland en ben een brood met hagelslagbarbaar. Ik eet het liefst om de twee uur, yoghurt, fruit, chocolade of toast, het interesseert me niet zoveel. Ik hou van de act van eten, maar eten zelf is niet mijn ding.

De boerin weet alles over planten. Ze kent ze allemaal. Ze weet ook alles over bomen en de bergen in haar omgeving. Ze kent de processen van de natuur, de cyclus, het spel, en het is fantastisch. Voor eeuwig zal ik anders door de bergen lopen.

Het huisjeDe eindeloze reeks aan voorvallen of wetten die hier anders gelden, ik kan zo veel meer schrijven, maar ik houd het even bij het volgende. In feite zijn er twee bestaanswijze gaande: Het conservatieve Franse bergdorpleven dat vooral uit de verf komt in de (soms hatelijke, soms kritische, soms spottende) verhalen van de boerin, en het totaal losgerukte, grillige, volledig chaotische en conflict zoekende leven van de boerin zelf, verborgen achter saffraan krokussen, klavertjes vier en lieve bedoelingen.
Om zeven uur haal ik melk van de koeien van de buren. Voor twaalven heb ik drie keer over grotten, ruzies en seks gesproken. Rond vier uur leen ik het paard van een bevriende boer om hem rond het huis te laten grazen en schraap ik duizend bloemetjes van hun steeltjes. Om acht uur zijn we verdwaald of te laat. Na twaalven zit ik met tabak en drank rond de tafel in de eetkamer.

En altijd pluk ik plantjes.

4810 Verdwenen Meters

Een week lang struinde ik door de straten van Chamonix. Op zoek naar indrukken en gezichten, kijken of het beroemde oord mijn habitat zou kunnen vormen. Een regenachtige middag tussen twee alpinetochten is in principe genoeg om vertrouwd te raken met de winkelstraat, het gidsenbureau, McDonald’s Wifi. Het is een klein stadje.
En toch, woont ergens maar één ziel, zelfs dan kan een plek vreemd en onontdekt aanvoelen. 9000 duizend zielen en een hele hoop toeristen, ik zeg je, Chamonix is een oneindig groot continent voor mij. Ik snap nog niet hoe dag en nacht zijn opgebouwd, de glans in de ogen van een Chamonees zegt me weinig.
Misschien heb ik onderschat hoezeer een stad waarin je gaat wonen uitgroeit tot een mysterieuze en opdringerige aanwezigheid. Complex als een mens, ontvankelijk naar gelang je eigen inzet en aanpassingsvermogen.
Aan de andere kant, misschien overschat ik nu, na deze eerste week, het belang van Chamonix als stadseenheid. Het is een locatie, een verzameling mensen, een historie of een specifiek pakket aan mogelijkheden. Maar voor mij zal het slechts mijn vrienden, mijn woonadres, mijn supermarkt en mijn kleine geschiedenis worden. Mocht dat allemaal lukken.

De manier waarop Chamonix zich manifesteerde heeft in elk geval de hoogste bergen van Europa naar de achtergrond verdrongen. En dat is amusant, want zij zijn alles waar ik de afgelopen vier jaar over gedroomd heb. Ze zijn “de reden”.
In Amsterdam begon dat al.
Begin april bleef ik maar wachten tot de realiteit van weggaan zich aandiende. Het voelde alsof de beslissing tot emigreren moeite had om het heden bij te benen en zich liever schaarde bij een verlangen in het verleden. Maar vanaf het moment dat ik bewust gezichten ‘voor het laatst’ zag, leek het weggaan zich in elk facetje leven te nestelen. De laatste dagen in Amsterdam waren mooi en heftig. En ik begreep het niet helemaal. Want de bergen hielden zich stil, ze waren ver en ongrijpbaar, en ik liep maar afscheid te nemen van iedereen, van mijn vrienden, mijn ouders. De reden was weggevlucht. Het loeder, alsof je ‘ja’ zegt op een huwelijksaanzoek en zodra je familie op de hoogte is, de vent er als een scheet vandoor gaat.

Het is mei.
Het is tijd dat ik op zoek ga naar de bergen.
Ik heb afscheid genomen van Amsterdam, ik heb kennis gemaakt met Chamonix. Nu de mentale hectiek langzamerhand wegebt vind ik tijd om weer om me heen te kijken. Nog een kamer en een baan, en dan zal ik die malle bergen terugvinden en hoog op hun oude troon zetten. Met hun kop 4810 meter in de lucht.