Latest Posts

Wetten

Een klein voorwoord uit de toekomst: Ik ben het niet meer eens met deze blog, of laat ik zeggen dat ik niet meer begrijp of invoel wat ik schrijf, maar ik laat hem bestaan omdat…’ie me toch dierbaar is geworden. 

Ik had een vrij stevige levensfilosofie voor ik naar Chamonix vertrok (in zover je dat kunt hebben op 23-jarige leeftijd). De afgelopen jaren ben ik niet bijster veranderlijk geweest in mijn denken en daardoor voelt de grote schaal van mijn leven een soort van uitgedokterd aan.

Na mijn twintigste besloot ik dat het aan mij was om iets moois van mijn dagen te maken. Dat er niets relevant was buiten mijn eigen ervaring. Een zoektocht naar de wetten van mijn geluk binnen de wetten van deze wereld. Zoiets.

Sinds mijn nestelen in Amsterdam, zomer 2011, is mijn context stabiel geweest en waren zowel de wetten van mijn geluk als de wetten van de wereld vrij eenvoudig. Een studie in een stad met een gefixeerde hobby en vriendenkring: Het was nooit echt een vraag waar ik moest gaan om te floreren.
Ik draaide enerzijds mijn blije dagen en kroop anderzijds terug in mijn fantasie, in de fantastische tijd die na mijn studie zou komen en vorm kreeg op basis van mijn oude wettelijke context.

Die tijd is nu.

Mijn levensfilosofie is hetzelfde gebleven, ook hier in Chamonix, maar de zoektocht naar wetten van mijn geluk binnen de wetten van de wereld is omgetoverd tot een gigantisch avontuur. De wereld blijkt immens en mijn geluk lijkt driehonderd dimensies rijker. Wat precies belangrijk voor me is niet meer gelokaliseerd of gebonden aan een dagindeling of gedeeld met een gelijkgestemde sociale omgeving.
Nee, wat belangrijk voor me is op dit moment neemt slechts de vorm aan van krioelende mogelijkheden binnen een context ter grote van een aardbol. Ik heb een lading aan vage vermoedens die me ingegeven worden door een duizendtal opeenstapelende ervaringen en gedachten die een heelal aan speelruimte hebben gevonden. Het is interessant. En complex.

Omdat het dagelijkse goed zit en Chamonix geen dringende houdbaarheidsdatum heeft, kan ik rustig dwalen door mijn ervaringen en simpelweg opbotsen tegen de dingen die belangrijk voor me blijken. Ik hoef geen beslissingen te maken. Pas na de winter wil ik uitvogelen waarin ik ga investeren, en vooralsnog kan dat alles zijn.
Als ik genoeg geld verdien kan ik gaan reizen en mijn context van wetten nog eens radicaal groter maken. Echter, als mijn Frans het toelaat kan ik ook een klimopleiding starten of verder studeren(!?). Als ik mijn vrienden en familie mis, zal ik hen hierheen moeten halen, als ik de boerderij wil, dan zal ik moeten werken en sparen.
De wereld lonkt gigantisch. Zuid-Amerika of Azië, bergen die nog twee keer zo hoog zijn, culturen die nog twee keer zo anders zijn, maar tegelijkertijd heb ik steeds meer de behoefte om niet simpelweg mijn leventje af te draaien en me te voegen naar mijn eigen op mijzelf gerichte verlangens. Ik wil iets waardevols creëren, iets dat groter is dan ikzelf, mijn talent en energie in iets steken waar de natuur of de mens nog iets aan heeft.

Het is allemaal belangrijk voor me.

Een zoektocht naar de wetten van mijn geluk binnen de wetten van de wereld. Ik hoop dat ik nooit uit het oog verlies dat het een zoektocht zal blijven. Ik hoop dat ik in staat zal zijn tevreden te blijven met wat ik heb, met het Chamonix van het moment, en tegelijkertijd alert blijf op de mogelijkheden en hetgeen mijn ervaring me ingeeft.

Droomvlucht

Er rijdt een treintje tussen St. Gervais en Martigny.
Langs Les Bossons, Chamonix, Vallorcine en andere kleine plaatsjes kruipt ze door de lengte van het dal.
Steil gaat ze omhoog, zo hoog dat je het even niet meer begrijpt en met verbazing de ruimte in tuurt. De afgrond begint waar de laatste steen in de breedte van het spoor eindigt.  Als je met je neus platgedrukt tegen het raam naar buiten kijkt, dan vlieg je of dan krijg je hoogtevrees. Aan de overkant zijn bomen, alleen maar bomen, bergen afgedekt met donkergroene bomen, sommige vechten om een bestaan op steile rotswanden. Daar waar ze verliezen loopt de rots door tot in een rivierbedding, ergens diep beneden, meestal buiten zicht.

Ik stapte op in Martigny op dinsdagavond achttien augustus, een dag met donkere lucht, mist en regen. Het was het staartje van mijn vrije tijd, die ik gespendeerd had met een bezoek aan mijn Zwitserse avonturier Kimberley.
Deze wereld…
Ik was moe, nog steeds van het werken maar dit keer ook van het klimmen, en ik nam plaats naast het raam. Het dal was gevuld met wolken, plukken mist die her en der tussen de ketens hingen alsof ze achtergelaten waren voor de mystiek. Dorpjes op de rand van hellingen verschenen en verdwenen in donkergroen en donkergrijs.

Zo kan een leven dus zijn. Een vrije dag, even met de trein naar Zwitserland, een retourtje door de onbegrijpelijke magie van een naastgelegen dal.
Doe mij dit maar.

Drie Maanden

Er zijn twee uitspraken over Chamonix die ik vaak hoor: ‘In Chamonix blijf je veel langer dan je wilt’ en ‘je vergeet de bergen, tot je weer eens op opkijkt en denkt: Wat is het hier bijzonder’. Ik ben vooralsnog niet van plan hier heel lang te blijven, maar ‘dat zeggen ze allemaal’. Wat betreft het tweede: Ik leef naast gigantische rotswanden, spierwitte gletsjers en de lange, puntige, agressieve aftekening van het Mont Blanc massief tegen een felblauwe of inktzwarte hemel. Ik maak een middagwandeling met een collega en bots verbaasd tegen de Dru op, omdat ik me even niet had gerealiseerd dat ze zo zichtbaar zou zijn als je bij Montenvers omhoog klimt. Ik passeer drie gletsjertongen wanneer ik ’s nachts richting Les Houches fiets en zie bekende alpine routes lopen wanneer ik vanachter mijn dienblad omhoog kijk. Ik vergeet de bergen niet.

De voorwaarden van het leven in Chamonix veranderen constant. Bij Kitsch Inn lijkt het hoogseizoen nu pas aan te vangen, misschien omdat Frankrijk heel augustus vrij heeft. Tegelijkertijd sluipt er bij de collegaatjes van Chambre Neuf al een laksheid in die karakteristiek schijnt te zijn voor het tussenseizoen.

De verstrikkende hitte heeft plaats gemaakt voor onweersbuien, warme middagen of koude nachten. Alles kan. Ik kijk niet meer naar de weerberichten en zie op de dag zelf wat zich boven me afspeelt.

Vanaf vrijdag ga ik wonen in een kippenhok midden in het dorp. Er passen net aan twee kleine bedden in, het keukentje is nauwelijks groter dan de koelkast en de badkamer nauwelijks groter dan de douche. Ik deel het appartement met een Iers meisje dat ik ken van facebookfoto’s en een rondleiding van vijf minuten. Ze omschrijft zichzelf als “honestly the most chilled person ever” en ik geloof dat wel.
Hoeveel persoonlijke ruimte heb je nodig? Geen idee. Ik zal het ondervinden.

Samen met de Zweden en Britten spendeer ik mijn dagen grotendeels in Chambre Neuf, de tweede huiskamer waar niemand wil zijn, maar toch iedereen immer is, omdat iedereen er altijd is. De dynamiek op de werkvloer is uniek. Ik dek een deel van de lading als ik zeg dat, wanneer er één begint te dansen en een ander erop aanhaakt, binnen de kortste keren íedereen schaamteloos meedoet: De receptionisten, afwassers, chefs, managers en barmedewerkers, al is het midden op de dag en kijken gasten verbaasd op van hun eten.

Het nachtleven is me inmiddels eigen. Niet als iets waaraan ik deelneem, maar als iets wat ik bestudeer vanachter de bar, vanaf mijn fiets als ik na sluit naar huis rijd, vanuit verhalen van collega’s en vriendjes. Ik wist niet zeker of het me zou aantrekken nu het zo prominent aanwezig zou zijn. Maar nee, niet dus, uitgaan interesseert me nog steeds niet. Ik geniet van mijn eigen baravonden, de vaste gasten en het brouwen van drankjes, maar de ochtenden zijn me te dierbaar om op te geven voor georganiseerde dronken losbandigheid. Tenzij er gedanst wordt. Dan sluit ik wel aan.

De weekenden zijn nog steeds zwaar, maar ik kan ze beter aan dan in het begin. Soms ben ik pas na tweeën thuis en begint de volgende shift om acht uur in de ochtend. Gelukkig zijn mijn collega’s doorgaans brak en worden we vrolijk van gedeelde koffie en ellendigheid.

Ik heb al dagenlang geen bekende Nederlander meer gezien. Ze zijn weggetrokken, ze hebben me achtergelaten tussen de gekken. Zo nu en dan vergeet ik dat ik zelf van plan ben om in het buitenland te blijven en nodig ik mensen uit om me in Amsterdam op te komen zoeken.
Het voelt absurd dat die stad werkelijk niet meer mijn thuisbasis is. Haar hele realiteit lijkt ermee verloren te gaan. Ze is het decor van dat vorige leven in mijn herinnering en heeft niets te maken met Chamonix.

Ik ben er zo trots op, op Amsterdam. Ik schreeuw het als iemand naar mijn herkomst vraagt. De laatste paar maanden voor mijn vertrek manifesteerde ze zich al als iets onvoorstelbaar moois, en in de kleuring van mijn gedachten is ze inmiddels monumentaal. Het enige wat haar toentertijd mankeerde was het feit dat ze een stad was.

Chamonix blijft voelen als een groot experiment. Sinds ik vrij ben van mijn studie en het gedoe rondom mijn enkel heb uitgezeten, ervaar ik elke stap die ik zet als een bewuste keuze. Mijn leven is mijn project geworden, ik mag bepalen wie ik wil zijn, waar ik wil leven, welke tijdsschaal ik wil hanteren en welke investeringen ik wil maken. Ik kan trial en erorren in een wereld vol wetten die ik nog maar half ken, en voorlopig neemt die wereld de vorm aan van Chamonix.
De deceptie rondom mijn loon heb ik kunnen relativeren en zit me niet meer dwars. Het klimmen neemt langzaamaan vorm aan en ik heb goede hoop dat ik binnen niet al te lang het gros van mijn dagen kan spenderen aan de wand. Ondertussen oefen ik mijn Frans in een Engelse omgeving, lees ik boeken en denk ik na over talloze mogelijke, volgende experimenten. Ik leer beter wat belangrijk voor me is (het concept van ‘missen’ is daarbij een heilige indicatie) en kan mijn keuzes steeds meer fundament geven. Als ik besluit verder te studeren, dan doe ik dat met een goede reden. Als ik besluit de wereld over te gaan, dan is dat op een solide basis. Als ik een hippie word, dat word ik één met overtuiging, als ik boerin word, dan kies ik met heel mijn hart voor mijn koeien, kippen en ezel. Maar voorlopig is het nog Chamonix.

Fieke

Soms heb je gewoon heel erg veel geluk.
Zoveel geluk dat je je afvraagt of je niet stiekem een hele grote investering hebt gedaan, zodat het niet slechts geluk is, maar tevens een verdienste.
Nee, het is gewoon geluk. Dom geluk. Kaliber loterij, liefde van je leven, vallen op de sneeuwbrug van een gletsjerspleet, geboren worden in gezondheid en welvaart.

Jou ontmoeten.

Ik heb het beeld van ons eerste contact haarscherp in gedachten. Zelfs al zijn er duizend ervaringen omheen ontstaan; nog steeds weet ik precies hoe je was, hoe ik je ervoer toen je naast me op het tafeltje zat met een biertje in je hand. Op zich is dat niet heel bijzonder, ik onthoud wel meer, maar dat moment daar, als dingen iets anders waren gelopen; hoe was jij dan in mijn historie komen te staan? Had het zo kunnen wezen, dat zo een immens groot geluk naast me had gezeten, haar biertje op had gedronken en naar huis was gegaan, zonder dat ik haar ooit weer had gezien?
Dat idee is toch belachelijk, onmogelijk?

Godzijdank liep het anders en ken ik je nu.

Fieke, de wereld kent minder grenzen als ik met jou ben. De dagen dat je hier was betekende vrijheid voor mij. En het voelt tegenstrijdig: Net nu ik de vrijheid heb om mijn leven in te richten zoals ik wil en ik, met jou aanmoediging, de wereld in trek, moet ik inboeten op de vrijheid die mijn vriendschap met jou me geeft.
Eerst heb ik het geluk je te ontmoeten, nu heb ik de pech je te moeten missen. Domme pech, domme pech dat we beide avontuurlijk in elkaar steken en dit nu eenmaal de realiteit is. Hetgeen wat ons zulke maatjes maakt is tevens hetgeen dat hemelsbreed kilometers tussen ons in legt.

Het is een luxeprobleem.

Ik mis je en ik hou van je en ik hoop dat, op een dag, onze vrijheid ons naar dezelfde plek leidt. Als het schijnbaar niet anders heeft kunnen wezen dat wij elkaar ontmoetten, dan kan het ook niet anders wezen dan dat we over vijftig jaar met een biertje in ons hand, rimpels van het lachen, spierwitte haren van de bergzon, kapotte gewrichten van het leven in een grote wereld, kunnen zeggen: Shit, wat een onmogelijk geluk dat jij nog steeds hier naast me zit.
Toch?

De Bankrekening

Ik heb me nog nooit zo obsessief beziggehouden met geld als deze twee maanden in Chamonix. Eerst omdat ik mijn spaarrekening er doorheen zou jagen voor ik zicht had op een stabiel inkomen.
Dat is me niet gelukt, mede omdat ik in een tent leefde en grootgebruiker was van de 95 cent Taboulé.
Daarna omdat ze me een fulltime contract opdrongen bij Chambre Neuf en ik de geldbomen in mijn tuin gepland zag. Ongelofelijk hoe snel mijn fantasie met me op de loop ging. Een rijbewijs, reizen, alpine kleding, Aiguille de Midi liftpassen; shit, dacht ik: de wereld verandert als je geld hebt.
Het extra baantje bij Kitsch Inn verhinderde het opbouwen van wat voor soort klimcarrière dan ook, maar daarvoor in de plaats kon ik mijn financiële fantasieën verder uitdiepen en alhoewel ik nog steeds schuchter was met uitgeven, liep ik met veel genoegen langs de outdoorwinkels van de hoofdstraat.

Maar dan nu: bij beide bedrijven blijk ik geen ruk te verdienen. Bij Chambre Neuf heb ik gevochten voor een beter salaris en een soort van gewonnen. Ik verdien nog steeds niets noemenswaardig, maar ik zit in elk geval niet meer op het hongerloon dat ze me eerst wilden aansmeren.

Ik ben bij Kitsch Inn gebleven uit loyaliteit naar de bazin, die zelf zeven dagen per week op de werkvloer stond en de baby dan maar bij haar man dumpte, maar sinds ik mijn eerste loonstrook binnen heb is elke vorm van sympathie verdwenen. Pats. Ik verbaas me er zelf om, ik verbaas me om mijn primitieve, ongenuanceerde reactie op iets dat met geld te maken heeft.

Maar het offer is zo groot, ik frustreer me dusdanig als ik klimmers door de straten van Chamonix zie lopen terwijl ik zelf nog geen halve mogelijkheid heb gehad om één fatsoenlijk klimmaatje aan me te binden, dat ik écht, écht geen heil meer zie in het afwassen van borden zonder dat mijn bankrekening er aanzienlijk van groeit.
Ik bevind me op onbekend terrein, wederom. Mijn eigen heftige reacties fascineren me, maar ook het dilemma erachter: Hoeveel ‘verdien’ ik dan? Waar komt mijn idee van een rechtvaardig loon vandaan? Nederland?
Mijn baantjes vergen verantwoordelijkheid noch opleiding. Maar juist het feit dat ik me dag in dag uit nederig opstel naar verwende toeristen en hun onbelangrijke wensen vóór al mijn eigen moet stellen, het feit dat het meer en meer voelt alsof ik mijn zelfrespect opzij moet zetten, maakt het voor mij een grote investering.

Welkom in de wereld, Ruby. Dit zijn de wetten die gelden in Chamonix, dit is werken, dit is geld.

Ik ben weldegelijk financieel iets aan het opbouwen. En nog steeds kan ik genieten van mijn collega’s, zelfs van het draaien van een vlekkeloze avond, de dronken locals aan de bar. Maar ondanks dat ik geen idee heb wat de relatie tussen werken en geld zou moeten zijn en ik de regels van het spel niet ken, weten ze me hier bijzonder succesvol tot het uiterste te drijven.
Ik heel benieuwd hoe mijn komende jaar eruit gaat zien.

Chamonixbubbel

Ik ontkom niet aan de Hollanders hier. Vrienden, kennissen, vage bekenden; ik loop over straat en vrijwel elke dag ontmoet ik er een paar. Soms logeren ze in mijn appartement, soms zitten ze op mijn terras. Dat is vreemd emigreren.
De eerste weken was ik nog alleen, in het staartje van het laagseizoen. Een Chamonix waar nog doorheen te fietsen valt, waar ik me een nieuwkomer tussen de dorpelingen voelde.
Het hoogseizoen heeft hordes Aziaten gebracht, de Zweedse hotels opgevuld met Zweden, Britse families herenigd, rijke Fransen in chalets gevestigd en heel veel Nederlandse alpinisten in de context van mijn nieuwe leven gedumpt.

Kijk, zeg ik ze, daar werk ik. Dit is mijn collega, hier doe ik boodschappen en misschien zie je het niet, maar Chamonix is een gek stadje. Ze lachen met me mee, pakken hun tassen en gaan omhoog.

De situatie doet me denken aan zo’n glazen bol met vloeistof rond een klein winterschouwspel, huisjes, mensjes, een Kerstman en een kerk, sneeuw dat dwarrelt als je het door elkaar schudt. We staren ernaar, ik wijs ze op het kleine gezichtje achter het bovenraam en de oranje wortel van de sneeuwpop, en het moment dat zij hun aandacht verliezen kruip ik er terug in. Mijn leven binnen de Chamonixbubbel: Erin bestaan geen Hollandse vriendjes en geen Hollands vriendje ziet ooit de werkelijke inhoud.

Over een paar weken trekken ze massaal weg. Alleen een paar Nederlandse hardcore alpinisten zullen buiten het seizoen nog naar Chamonix komen; de rest hervat studie of werk en denkt alleen nog aan de Alpen als wat ze afgelopen zomer hebben bezocht en in een ander hoogseizoen misschien weer bezoeken. Dan ben ik werkelijk overgeleverd aan de gekken van Chamonix.

Een Soort van Ruby

Ik leer mezelf kennen. Al mijn hele leven lang, en nu weer. Maar niet alsof ik steeds dichterbij die eenheid kom die ik ben, die ene substantie Ruby die écht Ruby is. Meer alsof ik telkens weer een nieuwe glimp opvang van iets dat constant in verandering is, en dat met het opvangen van die glimp nog verder verandert. Zelfs als ik de wetten van het Ruby zijn opstel, dan nog voelt het tijdelijk van aard, omdat ik weet dat er nog zoveel wereld over is om mij te kunnen overdonderen dat ik nooit definitief kan maken wie ik ben, waarom ik zo ben of hoe ik mijn leven wil leiden.

Het is zo interessant, het is zo… Vreemd eigenlijk om mijn eigen verschijnsel te zijn, ook omdat ik nooit niet mijn eigen verschijnsel zou kunnen zijn en mijn toevallige interesse in mijzelf een soort van onvermijdelijk is.
En het is ook vreemd omdat ik aan de ene kant mijn verschijnsel ben, maar aan de andere kant mijn verschijnsel maak, en hoe ik het verschijnsel maak is vervolgens weer deel van hoe ik het verschijnsel opvat, deel van hoe ik mezelf vastpin aan bepaalde karaktereigenschappen, deel van hoe ik overkom op mezelf.

Het experiment Ruby. Ik woon in Chamonix en word sinds twee maanden onderworpen aan een hele sloot nieuwe indrukken en situaties. Nieuwe gezichten en karakters, sociale verhoudingen, toestanden van zekerheid, mogelijkheden en stugheden, successen en mislukkingen. Ik leer mezelf kennen maar dan met een grotere intensiteit dan daarvoor, en daardoor voel ik meer dan ooit mijn eigen veranderlijkheid. Niet perse dat ik veranderlijker ben dat ik dacht: meer dat een relatief klein uitstapje naar ieniemienie Chamonix al heel erg veel nieuwe wereld geeft waar ik me toe kan verhouden.
Ik doe niet heel raar. Mijn hele reageren ligt in lijn met hoe ik altijd een soort van ben geweest en hoe ik waarschijnlijk voorlopig een soort van zal zijn. Een soort van. Het gaat me juist om dat soort van; ik ben een soort van Ruby.

Het punt van dit verhaal is dat ik me onverwacht heel erg prettig en thuis voel in de toestand van ontdekking en nieuwigheid. Dat ik méér wil uitvinden over de wereld, de mensen erin, en het meest belangrijk, dat het ontdekken van de wereld (al is die wereld nu slechts ieniemienie Chamonix) me meer dan ooit laat voelen dat ik slechts een soort van Ruby ben.
Ik vind vrijheid in het zijn van een soort van Ruby. Een bewegelijk, veranderlijk iets dat niet gebonden is aan een woonplaats, studie of vriendengroep om iets te zijn, maar als een soort van interessant en blij verschijnsel over een interessante wereld gaat, een soort van bolletje wezen dat ervaart, zich ontwikkeld, en open en toegankelijk door het leven stuitert.
En ik vind rust in het zijn van een soort van Ruby. Want het is niet afhankelijk van geniepig fragile vastigheden in de wereld. Het enige dat het als vastigheid heeft is dat ik het ben. En zolang ik ben, ben ik. Een soort van.

Ik zal niet concluderen dat mijn toekomst ligt in het zwerven over de aardbol, high van mijn eigen vrijheid, beste vriendjes met alleen mijn eigen vage theorie over het zijn van een soort van Ruby. Het voelt onverwacht goed om de ontdekking aan te gaan en ik hoop op nog veel meer wereld dat me kan overdonderen, opdat ik mezelf beter en beter leer kennen, opdat ik meer en meer ervaar dat wie en hoe ik ben in beweging is en me zo vrij blijf voelen als ik me nu voel.
Tegelijkertijd zijn er toch een aantal wetten in mijn soort van Ruby waar ik liever niet de bewegelijkheid van wil inzien en die, hoezeer ze me ook binden, als voorwaarde bestaan voor de waardering van de vrijheid van het zijn van slecht een stuiterend bolletje ervaring: Het belang dat ik hecht aan papa, mama, zus en broer, vriendinnetjes en vriendjes, de bergen en Amsterdam.

De Trucs van het Hotel

De telefoon van de receptie ging. Het was de baas van het hotel en ze wilde me spreken, zei de receptioniste. Ik onttrok me van mijn collega’s en nam aan.
De baas, zelf op vakantie, zei me dat mijn contract opgesteld moest worden. De vorige keer viel ik over de hoogte van mijn salaris en moest ze een nieuwe maken, maar het kwam er nooit van om een ander salaris vast te stellen en dus ook niet om het alternatieve contract op te stellen. 7,50 was het SMIC, het minimumloon in Frankrijk wat ze me wilde uitbetalen. Zeven. Facking. Vijftig.
Ik heb nooit eerder onderhandeld over mijn salaris en alhoewel ik in eerste instantie trots was dat ik een keer positie heb aangenomen, word ik er nu bloed en bloed chagrijnig van. Hoe kun je tot een salarisovereenkomst komen over de telefoon, een vluchtig belletje, terwijl de een op vakantie is en de ander aan het werk? Wat is dit voor iets belachelijks?
We hebben een voorlopig bedrag vastgesteld en als ze terug is van vakantie praten we verder. Maar ik ben het zat.
Die middag kwam de barmanager naar me toe met ‘slecht nieuws’: dat het hem niet is gelukt om mijn voorkeuren voor het komende werkrooster door te voeren omdat de baas (die nu op vakantie is) al een volledig afgerond rooster heeft doorgestuurd waar hij zich aan moet houden. Ik sta er weer fulltime op, vijf nachten aaneengesloten. Opmerking daarbij was dat ze in het hotel eigenlijk alleen maar iemand voor fulltime nodig hebben en dat ‘t of mij, en zo niet, dan iemand anders wordt. Vijf weken lang is me voorgehouden dat ik drie dagen per week kon werken, vijf weken lang roosteren ze me fulltime in, en nu komen ze met dit bericht. Ik ben het zo verschrikkelijk zat.

En er is meer. Inmiddels heb ik door hoe het hotel werkt. Het vergt geen jaren van hogere wiskunde om het soort bar te draaien dat het hotel als ondergeschikt broertje runt en ik heb genoeg horecaervaring om de conventies per onderneming op te pikken. Sinds al het nieuwe eraf is en ik me ontspannen door de tafels manoeuvreer, vervalt elke uitdaging, elke prikkeling met betrekking tot het werk zelf. Ik tolereer het eindeloze willekeurige delegeren van de barmanagers niet meer omdat ze net zo jong en ervaren zijn als ik en we allemaal dezelfde truc doorzien. Het enige wat er overblijft is de werkomgeving zelf, de gekke collega’s en de gekke gasten, en als ik me daar niet dusdanig in had vermaakt, dan was ik nu definitief klaar met het hotel geweest.

Zondagavond. Ik was chagrijnig. Ik was moe en ik kon het niet meer opbrengen om mijn lachende, foefjes uithalende zelf te zijn. Elke kleine misser van mij of de buitenwereld bracht reden tot gigantische irritatie. Mijn geduld voor de nieuwe Zweedse meisjes die onbeholpen fouten in de kassa maakten was weinig afdoende. Ik kon niet lachen om vreemde muziek, niet onder de bar kruipen, niet dansen, niets. En diegene die me vroegen wat er mis was legde ik om.
De diensten van het 32 uur durende horrorweekend vallen me steeds zwaarder en nu ik in mijn achterhoofd heb dat ik niet naar behoren betaald wordt kan ik me er moeilijk overheen zetten. Het komt uiteindelijk neer op een keuze; een keuze voor dik een maand teveel werken, tot eind augustus, wanneer alle toeristen het dorp verlaten. Of niet.
Ik zit nu nog in de nasleep van dit dieptepunt en geef mezelf even de tijd om uit mijn slechte humeur te komen. De sociale omgeving waarin ik terecht ben gekomen is me op het moment heel waardevol en ik wil daar nu nog niets tegen beslissen. Ik kan wel janken als ik al die Nederlandse klimmertjes voorbij zie komen, maar tegelijkertijd weet ik dat mijn klimseizoen nog komt en dat ik momenteel investeer in een stiekem best nabije toekomst. Best nabij.

Zomerkamp Chamonix

Wat is alles toch anders. Anders dan ik het me ooit ingebeeld had. Het is veel makkelijker geweest dan ik dacht, enerzijds, emotioneel gezien. Ik mis mensen en Amsterdam en heb de grenzen van mijn fysiek enigszins overschreden door teveel te werken. Maar nooit echt heb ik het moeilijk gehad.
Chamonix is stadje vol vreemde feestvogels en jonge avonturiers uit honderd landen, en het hotel des temeer. In een dergelijke context ben je niet gemakkelijk eenzaam of verloren. Er is altijd wel iemand die je, happig naar kameraadschap, mee naar een kroeg trekt en zijn of haar sores over je uitstort, iemand die wil gaan dansen, iemand die wil gaan drinken. De Zweedse collega’s vormen inmiddels een hechte groep die samen naar het park gaan of op het voorterras van het hotel liters bier naar binnen slaan. De rest van het bargespuis is doorgedraaid op een goede manier, wars van een groot aantal sociale conventies, zo nu en dan verandert er een in een krokodil, kruipt onder de bar, drijft af naar hogere sferen en kraamt grote onzin uit.

Anderzijds heb ik nog lang, lang niet het leven dat ik wil en moet ik nog een hoop rommelen voor ik dagen kan draaien die enigszins overeenkomen met mijn ambities. Het voelt een beetje vreemd om niet tevreden te zijn terwijl ik (zeker nu ik weer fit ben) elke dag geniet van alle vreemde perikelen waarin ik word meegesleurd. Maar het komt er vrij letterlijk niet meer van om te klimmen en dat is een toestand die ik niet ingecalculeerd had. Ze woont in KlimWalhallaChamonix en het lukt haar niet om te klimmen. Hoe leuk ik het hier ook heb, ik ben hier voor een reden en die reden domineert nog steeds.
De truc met de twee baantjes werkt momenteel behoorlijk in mijn nadeel. Beide werkgevers plannen me veel meer in dan vooraf afgesproken was. Ik werk nu per week vijf shifts bij het hotel en twee in Les Houches, wat erin zal resulteren dat ik straks tijdens mijn spaarzame vrije minuutjes in een MammutExtremepak met Nommics en een arm vol GPS horloges door een helikopter op de top van de Mont Blanc afgezet kan worden.
Maar, als mijn plan werkt en ik uiteindelijk werk naar slechts de afgesproken uren, dan heb ik een fulltime baan in drie dagen en kan ik vier dagen per week omhoog. Dat zou toch wel mooi zijn.

Tot die tijd ben ik ondergedompeld in de hotelwereld, de feestwereld, en ik ben blij dat ik een keer in mijn leven zoiets mag meemaken en dat ’t dan ook nog eens in een dergelijke omgeving is. Ik heb een vaag vermoeden dat er veel concepten leven zijn waarin ik me goed zou voelen. Zolang ik maar mijn eigen concept leven in het vizier houd.

Microscopische Beestjes

Het vele werken heeft me uiteindelijk toch te grazen genomen. Afgelopen dagen spendeerde ik deels in bed met strepsils, ibu’s en telefoontjes naar mijn moeder, en deels in het hotel, gênant kuchend en snuitend boven de steriele borden van hotelgasten.
Het heeft iets geks om ziek te zijn hier in Chamonix, gedwongen tot bedrust in een appartement dat ik pas sinds een week bewoon. Ik ken dit soort snotterende malaise alleen als een klassieke hindernis in een uitgedokterd leven waar het studie of hockey aantast. Het hoort niet bij de obstakels van een nieuw leven, of althans, als ik denk aan avonturiers en veroveraars dan denk ik aan zwaardwonden en schipbreuk, niet aan hardnekkige verkoudheid. Mijn rampspoed zou zich beperken tot eenzaamheid, geldgebrek en twijfel over de koers van mijn leven. In plaats daarvan vecht ik de aloude microscopische beestjes van mijn vorige leven.
Wat het misschien vreemder maakt is dat ik ziek zijn associeer met de zorg van mijn ouders of oma, het regenachtige weer in Nederland en de kleurrijke dekentjes thuis op de bank die een vrolijk holletje van warmte en veiligheid vormen. Het is een soort beroerde maar vertrouwde staat van zijn onder de vleugels van een liefdevolle omgeving.
Hier betekend ziek zijn voor pampus liggen in een groot bed met een stel grotere bergen die achter het raam in een immer blauwe lucht prijken. Mijn vrije dagen zijn al spaarzaam en het leven daarbuiten gaat in sneltreinvaart. Als ik er niet eens de aandacht van een paar verwanten of vrienden mee kan vragen, wat voor punt heeft het dan om hier te liggen en de verleidelijke buitenwereld aan me te laten passeren?