Latest Posts

Voie Piola – Barberine

Begin Freja

Acht uur ’s ochtends. Freja en ik staan langs de hoofdweg van Chamonix met onze duimen hoog in de lucht. Om elke uitgestoken hand een handschoen, want het is bitterkoud. In de berm liggen onze touwen en langs ons scheuren de auto’s. We worden meegenomen tot Argentière. En dan tot Col de Montets. En dan tot Vallorcine. En dan tot Barberine.

De zon schijnt fel als we langs het tiental huizen van Baberine lopen, maar herfstochtenden in deze vallei laten zich niet opwarmen. Ik trek mijn vingers terug in mijn donsjas en volg Freja langs de gele velden, over een houten bruggetje naar een donker paadje tot onze route. De voet van de 300 meter hoge rotsmuur van Barberine ligt tussen de bomen en is bezaaid met een tiental korte plaatroutes en multipitches. Dalles du Bas. Freja en ik klimmen twee 5b lengtes tot het officiële begin van onze geplande multipitch: Vipère aux pieds.

Zoek RouteOf toch niet. Vipère aux pieds ligt zo’n vijftig meter links van de route die wij instappen, zie ik later in de topo. In plaats daarvan beginnen we aan Voie Piola; een zeven lengtes multipitch met een hoop 6a/6a+ en een enkele 6b, volledig uitgestippeld door een reeks klimmers die ons al zijn voorgegaan. Fileklimmen tussen Zwitserse vijftigplussers met anekdotes en de neiging bij elke standplaats de zojuist geklommen lengte op te hemelen.

Klim FrejaDe lengtes zijn inderdaad mooi. We klimmen door geslepen vierkante dakjes, buigen onze rug in vreemde hoeken, zwiepen aan onze handen naar de andere zijden van de schoorsteen en balanceren en traverseren op een plaatachtig maanlandschap (de 6b). Na een uur trekken we onze truien uit en klimmen in de zon, een warmte die binnen dit seizoen nog beter is dan in hartje zomer. Halverwege grijp ik in iets fluffigs: de twee paarse oren van een gekleurde koalabeer, verstopt tussen een stel bamboestokken vlak voor de vijfde lengte. Het dal van Vallorcine is kalm, geen Chamonix, en Freja en ik kijken regelmatig de leegte in, naar alle meters onder ons en achter ons. De toppen van het Mont Blanc Massief liggen spierwit aan het eind van het dal.

Zoek MBHet klimmen gaat vloeiend en we zijn negen lengtes lang dolgelukkig. Het enige moment van onzekerheid vindt plaats wanneer Freja gedachteloos haar bananenschil naar beneden gooit en we ons gelijktijdig genoodzaakt zien banana!! naar onze nieuwe Zwitserse maten te schreeuwen. Rond vijfen staan we boven, een beetje verslagen door de mooie dag en de moeheid die nu pas ons lichaam in sluipt.

photo 1 (8)De rots van Barberine kun je eenvoudig aflopen. Klettersteigs, dwalingen en glijpartijen. We struikelen bijna over twee klimgebieden (ik denk Afrique en La Zone) die zomaar tientallen absurd mooie routes in de bossen verstoppen, lang en overhangend en veel te hard om zomaar in te stappen. Nieuwe dromen.

Klik hier voor Freja’s verslag van de route.

Een nacht op Genève Aéroport

21:00 Ik ben de Starbucks uitgekickt. Ik dacht dat mijn café allongé van vijf euro een nachtelijk vrijticket voor de suède donkergroene fauteuils zou betekenen, maar de kroeg sluit stipt negen uur. Om twintig voor zeven in de ochtend gaat mijn vlucht. Dat is nog een kleine negen uur te gaan.

21:05 De goedkoopste vliegtickets corresponderen met vluchten op de meest onorthodoxe tijden. Het dal van Chamonix kom je niet uit voor het fatsoenlijk licht is geworden, tenzij je in het bezit bent van een auto of een ijzersterk paar benen. Arme seizoensarbeiders crashen daarom ’s avonds al op het vliegveld. Waar-dan, is mijn vraag. Ik verwachtte rond dit tijdstip hoopjes mensen op de harde vloer van de vertrekhallen aan te treffen, opgerold onder hun jassen, mutsen over hun ogen. Maar ik tref alleen een zwerver,

21:10 Vondst: Een redelijk afgeschermde reeks rode stoelen achter een rolstrap, deels bezet door keurige burgers. Een plug voor mijn laptopsnoer. Ideaal.

21:15 Ik heb op voorhand nagedacht. Wat doe je een nacht lang op een vliegveld als je na twee uur doezelen en kwijlen op je bagage opschrikt van het gekwetter van twee stewardessen, en het TL-licht als een plots hels schijnsel alle slaap uit je lichaam drijft?

Lezen. De Engelse vertaling van Pierre et Jean, Guy de Maupassant.

En bloggen. In deze negen uur kan ik alles schrijven dat maar geschreven wilde worden. Een nacht zoals ik die had tijdens het uitbraken van essays voor mijn studie.

En nadenken.

22:00Talent is simply long patience”, schrijft Maupassant in zijn voorwoord. “It is a matter of looking at anything you want to express long enough and closely enough to discover in it some aspect that nobody has yet seen or described. In everything there is an unexplored element because we are prone by habit to use our eyes only in combination with the memory of what others have thought about the thing we are looking at.” (pag. 32, in het Frans was het waarschijnlijk mooier geweest, maar zo ver ben ik nog niet).

Schrijverstalent vloeit voort uit het aantal uren dat je in het schrijven steekt. “To describe a fire burning or a tree on a plain let us stand in front of that fire and that tree until for us they no longer look like any other tree or any other fire.”  En dan ben je in het bezit van een origineel verhaal.
Arbeid. Dit is waarom ik geen groot wat-dan-ook ben geworden en mijn schrijven bij gekwakkel op een blog blijft. Ik train niet. Ik heb geen long patience.
Maar misschien dat een nacht van negen uur staren naar de stille burger tegenover me, me zoiets treffends laat schrijven over zijn wezen, iets dat hem onderscheid van alle stille burgers ooit, dat ik in elk geval één schrijfsel heb dat het lezen waard is.

22:26 De tijd gaat snel als je nadenkt.

22:28 De man voor me leest. Hij beweegt nauwelijks en eet niet. Ik durf hem niet te omschrijven na geschreven te hebben over de strenge eisen van Mauppassant, maar ik wil op zijn minst zijn onverstoorbaarheid weergeven. Wanneer er een schreeuw of een knal uit het vliegveld klinkt kijkt iedereen op, maar hij niet. Hij zal zijn twee buren niet gezien hebben, en mij ook niet. Hij gaapt niet en heeft geen kriebel aan zijn neus. Hij draagt een net pak en hij leest, dat is het.

23:05 Het lukt me niet meer om te lezen noch te schrijven. Mijn gedachten zijn leeg. Mijn fantasie is gesloten. Mijn record van line runner, het enige spel dat ik op mijn Iphone gedownload heb, kan ik niet verbreken. Wat rest me nog dan doezelen en kwijlen op mijn bagage?
Ik daal af van de rode stoelen en nestel op de harde vloer van de vertrekhal, opgerold onder mijn jas, muts over mijn ogen.

Fuck, die vloer is koud.

23:52 Twee Portugezen hebben ontdekt dat ze beide Portugees zijn en praten en geinen met lage stemmen, in eenzelfde ritme, onderuitgezakt in hun stoelen, hun voeten hoog op hun koffers. Of zijn het Arabieren?

3:31 Ik heb een droom die zo dicht bij de realiteit zit dat ik de twee door elkaar haal. Ik open mijn ogen en mijn laptop ligt opengeklapt op mijn bast. Om me heen zitten veel meer mensen dan eerst. Ze zijn als vaatdoekjes over de stoelen gelegd, met hun nek in zo’n knik dat ik weet dat ze stijf zal zijn als ze zo wakker worden.
Ik kom van mijn vloer af, trek mijn kleding recht en zigzag tussen de mensen door naar het elektronische bord met de vluchten. Het is nog leeg. De Portugezen zijn ook op grond gaan liggen.
De man die aanvankelijk voor me zat heeft zich niet verplaatst. Hij leest. Morgenochtend zal hij aankomen op bestemming en zal zijn vrouw vragen hoe zijn vlucht was. Prima, zal hij zeggen. En dan heeft hij een dag zoals alle andere dagen.

4:57 Mijn vlucht staat op de borden.

5:15 Iedereen staat op en begint te rommelen. Ik pak mijn spullen bij elkaar en volg de meute naar een andere hal. Het vliegveld loopt vol met reizigers die zich in rijen formeren voor de incheckbalies. Ik word naar boven gedirigeerd en zelf deel van de rij voor de bagagecontrole. Ik voel me een spook. In de belastingvrije zone vind ik een stoel en zodra ik zit en mijn ogen sluit merk ik dat mijn gedachten door elkaar lopen en ik in slaap dreig te vallen. Veel van mijn mede vliegveldovernachters staan in de rij voor de koffie. Ik sluit achterin aan, drink mijn koffie, loop naar mijn gate en wacht tot ik mijn vliegtuig in kan. Nog twintig minuten.

6:00 Nederlands. Allemaal Nederlanders om me heen.

6:30 “Ik wens u een fijne vlucht”. Het vliegtuig rijdt, rijdt harder en stijgt op. Door het raampje ik Genève Aéroport kleiner worden. De lucht kleurt oranje. Ik ben op weg naar Amsterdam.

Zoek de Zwerver

Ik zit in de trein naar Sallanches om zorgverzekeringszaken op de rails te krijgen. Want ik snap er niets van. Frankrijk is een papieren ramp vol handtekeningen en andere instanties die er meer in thuis zijn. In Sallanches zit een bureau voor ontspoorde jongeren, werklozen en types zoals ik, die geen zin hebben om op eigen houtje het doolhof van de Assurance Santé te betreden.
Sallanches ligt in het naastgelegen dal. De trein duikt na de vallei van Chamonix even de wildernis in, maakt een grote bocht tussen de bomen en rijdt daarna de vlakte van Saint-Gervais en Sallanches op.
Sallanches.
Hangjongeren begroeten me op het perron. Zwervers ruiken hetzelfde in Frankrijk als in Nederland. Ik loop door eentonige straten op zoek naar een supermarkt, want ik heb niet ontbeten en onder mijn trek maakt Sallanches weinig kans. Ik kijk uit naar een centrum. Wat ik zie is een park omringt door een parkeerplaats, bankautomaten en een café met mannen met zonnebrillen. De zon schijnt niet. Er zijn geen toeristen en de stoelen staan opgestapeld langs het terras. Kinderen zitten waarschijnlijk op school, volwassenen op werk, de straten overgelaten aan de rest.

‘Fuck, dat Chamonix’, denk ik, dat is werkelijk van een andere orde. Hoge bergen die selectief mensen doorlaten. Zij die zich binnenin het gratis traject van de trein begeven – Servoz tot Vallorcine – zullen geen zwerver tegenkomen.

Wat doen ze ermee? Serieus? Worden ze in het holst van de nacht door een stel gesponsorde Wingsuiters de gletsjerspleet in gedreven of is de hoge concentratie aan slenterende elite al genoeg ze uit het dal te houden?

De vreemdelingen zijn sjeiks, de drugsdealers zijn jonge seizoenarbeiders uit Engeland die een rebelse fase doormaken, de hangjongeren – ik heb geen idee waar ze zijn, misschien wordt hen ski’s onder gebonden en een duwtje gegeven, eindigen ze in de landelijke competitie of als gids. Ik weet het niet.
Ik vind een bakkerij langs een rivier en eet een stokbrood op een bank onder een boom en een streep zon. Met een beter gemoed zoek ik naar het bureau voor jongeren die de weg kwijt zijn, de werklozen, en vind het in een zijstraat. Het is druk en ruikt er naar crèche. Rechts zitten twee mannen achter een ouderwetse computer, links een aantal jonge moeders met gepeinsde gezichten en onrustige kinderen op hun schoot. Ik loop naar de balie, leg mijn situatie uit en krijg een briefje in mijn hand gedrukt: l’Assurance Maladie vous informe…Cluses et Bonneville. Een andere stad.
Ik verlaat de werklozen, werkzoekenden, en loop terug naar het treinstation. De hangjongeren en zwervers hebben zich niet verplaatst.
Samen met een verdacht aantal sportievelingen in kleurrijke regenjasjes stap ik op. De trein rijdt terug het bos in, maakt een grote bocht en brengt me in het vertrouwde landschap van gigantische bergen en vlekkeloze samenleving.
Chamonix.

Oude Intro

Ik heb een droom, een monsterplan, een einddoel. Deze blog vertelt je over de weg erheen. De gekke creaturen die zich verborgen houden achter elke bocht, de lange gedachten en kleine avonturen in een onbekende wereld. Je mag het allemaal met me meemaken. Als je wilt.

Wat is dat monsterplan?

Ik wil een stuk grond kopen op een bergflank in de Franse Alpen, het liefst met een bouwval erop. Dan vraag ik iedereen om me te komen helpen timmeren en verven, loodgieten en dakbedekken, net zolang tot er iets staat met een hele grote keuken en woonkamer, een bibliotheek en een steenoven, een reuzentafel en een Chouffetap. Buiten leg ik een moestuin aan, omringt door fruitbomen en grond die me nagenoeg zelfvoorzienend maakt. Daarnaast komt een grasveld waarop ieder bergbeest mag kamperen, in ruil voor dat hij of zij de kapotte poort of het avondeten maakt. Jij ook, als je maar genoeg geprikkeld wordt door deze woorden.

Ik tik wat kippen op de kop, twee geiten en twee schapen, een Friese Stabij, een berggids of een tuinman (of een berggids én een tuinman) en in de loop der tijd wat kinderen. Niet te vergeten een ezel, die onze spullen naar de hut tilt op elke bergtocht die we maken.
Op zolder komt het allergrootste materiaalhok ooit, groter dan dat van Ueli, met setjes in alle kleuren (zelfs roze en paars). Langs de wand bouw ik een reusachtige boekenkast met topo’s en gidsjes, en daarvoor zet ik een zachte fauteuil met een tafeltje en een kaars.  Op de overloop maak ik een donkere ruimte voor de foto’s. Op de houten tafel in de achtertuin, tussen rozenstruiken en klimop, leg ik een boek waarin we onze tochtenplannen schrijven voor we de bergen in trekken.

In de buurt, bijkeuken, boomhut of schuur komen vrienden wonen. In mijn wildste dromen zelfs mijn ouders. Elke morgen halen we brood bij de bakker en kaas bij de kaasboer, zolang we nog niet zo handig zijn met het melken van de geit. Elke middag is het een chaos van volk dat in en uitloopt, gillende kinderen die we uit de bomen moeten plukken om aan de lunch te krijgen en een schaap dat in het bed is gaan liggen. Elke avond zitten we samen, met gitaren of discussies, tot de zon ondergaat of de wijn ons naar bed begeleidt. In het weekend dansen we.
Mits we er zijn, want ieder beleeft eigen avonturen op continenten of in de bergen. Zolang er maar iemand thuis is om op de ezel te passen en in de moestuin te prikken.

Dit monsterplan komt niet uit de lucht vallen. Mijn vader nam ons mee naar bergen, elke zomer, met een afgeladen auto vol kampeerstoelen, verrekijkers en wandelschoenen. Op een onbewaakt moment, ik zat waarschijnlijk op een rots met een roze hoedje op en een broodje jam in mijn hand, hebben de bergen mijn hart gestolen. Nu ga ik het terugveroveren.
Stap voor stap. Verhuizen, aarden in Frankrijk, een leven opbouwen en kijken hoe het loopt. Doe je mee?

Als romantiek bestaat, dan lukt het me uiteindelijk mijn droomplan, het fort, kasteel te realiseren. Als de wereld zo rauw is als in de waarschuwingen, dan zal ik interessante dingen hebben om over te schrijven.

AAvoorblog

De Climbing Buddy’s Blues

De Blonde Zwever in zijn wijde broeken en lange Nepalese vesten zocht klimmaatjes. Hij schreef op een groot kartonnen bord: “looking for climbingbuddy’s” en installeerde zich onder een boom midden in een klimgebied. Die dag had veel geklommen, zei hij.

Het Ierse tienermeisje met de blonde haren tot op haar billen klom pas net een maand, maar vond het zo’n leuke sport dat ze besloot een bericht op facebook te plaatsen: “desperately looking for climbingbuddy’s”. Inmiddels heeft ze met haar nieuwgevonden maatjes een road trip gemaakt langs alle beroemde crags in Frankrijk en Spanje en klimt ze 7a.

Ik had een andere tactiek. Ik dacht: dit is Chamonix, als ik heel hard schreeuw dan zal er vast een klimmer zijn die me hoort. Maar ik stond op de verkeerde plek; ik stond in de kroeg, met een constante in- en uitloop van twintigjarige drankfestijnen op wankele poten die liever elkaar beklommen dan de rots.
Ik had naar Gailland moeten gaan, of naar het liftje van de Brevent. Misschien had ik een gitaar naast mijn touw op mijn rugtas moeten binden en ter plekke de Climbing Buddy’s Blues moeten zingen.

Hoe dan ook, ik had afgelopen maanden toch geen tijd gehad om met ze op pad te gaan. Nu heb ik dat wel, nu kan ik op jacht.
Dus, hoe doe je dat? Hoe maak je vriendjes?

Gisteravond ging ik naar de klimhal in Les Houches. Ik was er al drie keer eerder geweest: De eerste keer om de kat uit de boom te kijken, de tweede keer om te falen in het vinden van een klimpartner en te eindigen in het boulderhok in hartje zomer, handruggen glimmend van het zweet en energie verloren aan de hitte, en de derde keer om een collega thuis te maken in het topropen.

Gisteravond zou ik slagen. Ik vroeg aan de barman of er toevallig iemand opzoek was naar een klimpartner. ‘Oh, ga maar even binnen kijken, er is vast wel iemand.’ Zó makkelijk: gewoon even de hal in, er is vast wel iemand.
Ik voelde me als een kleuter op haar eerste schooldag. Had ik maar een teddybeer meegenomen, dan had ik me eraan vast kunnen klampen, midden in de hal, net zolang totdat één van de klimmers me als een ervaren kleuterjuf liefdevol aan een potentieel nieuw vriendje had gekoppeld. Zo werkt het dus niet.

Ik moest naar één van de klimparen toe om te vragen of ik mee mocht klimmen. Wie kies je dan? De twee oude pezige mannetjes? Het stelletje? De gespierde dames onder de overhang? De jonge jongens, de alpinisten, de dikke vrouwen? Fuck, dacht ik, ik wil terugkrabbelen. Tegen de barman zeggen dat er niemand was, niémand van alle ruim dertig aanwezigen, niemand die met mij wilde klimmen.
Ik bracht mezelf zover mijn strot te openen tegen twee magere, getatoeëerde klimmers met een zuidelijke teint en dreadlocks. Bingo. Ze bleken met een groep van vijf en koppelde me aan hun ‘buurman op de parkeerplaats’, Jona, een veertigjarige busbewoner zonder baan en zonder klimvrienden. Ahh, oui, je veux aller tous les jours, grimper, grimper, grimper. Precies de gek die ik nodig had.

Jona en ik hebben nummers uitgewisseld en zullen de komende dagen de rosten van Chamonix onveilig maken. Dat was het plan, althans, want het regent aanhoudend en ik heb (weer eens) mijn enkel gebrast door in de allerlaatste route van gisteravond een voorklimval te maken. Blauw. Dik. Onmogelijk.

Hoe dan ook, ik heb een Climbing Buddy achter de hand. Samen met diegene die ik stiekem al had kan ik in principe elke dag naar de rotsen.
Als mijn enkel genezen is moet ik ook de jacht op alpine maatjes openen. De Alpine Buddy’s Blues zingen op het tussenstation bij Plan de Aiguille. Mocht mijn sociale vermogen er tegen die tijd op vooruit zijn gegaan, dan maak ik misschien nog een kans ook.

Berghuppelen

Ik woon in Chamonix en werk in de bar tegenover het station. Ruim een maand geleden legde mijn manager het nieuwe rooster voor mijn neus. UTMB, stond erboven geschreven. Ik was elke dag ingepland en ik had geen idee waarom.
Twee weken later kreeg ik antwoord: Het dorp werd brutaal overgenomen door honderden trailrunners in schreeuwerige outfits. De trein, kroegen, winkels, pleinen, mijn lievelingsbakkerij: Ze waren overal.
Ons terras stroomde vol met zongebruinde waterdrinkers en uitgemergelde pastaeters. Een op de twee gasten liep in felgekleurde shirts, hoge sokken en groene UV-Buffs.

Ik kende het trailrunnen als een plotselinge hype in de outdoorwinkels van Amsterdam. Het commerciële gedoe rondom en met name de absentie van een fatsoenlijke Nederlandse naam ergerde me. Spoorrennen. Berghuppelen. Padrollen. Modderworstelen.
Tijdens het wandelen in de bergen rond Chamonix kwam er nu en dan een trailrunner langs en dacht ik: Dit kan niet, toch? Je bent hier toch niet daadwerkelijk omhoog aan het rennen?

Waarom?

En als ik de deelnemers van de UTMB hun laatste meters door het dorpscentrum zag lopen had ik alleen maar verschrikkelijk veel medelijden.

Maar tegen het eind van het evenement betrapte ik mezelf op een licht soort jaloezie naar al die hinkende, kreupele wezens die zich traag maar hardnekkig door Chamonix bewogen. Ik hoorde hun verhalen terwijl ik met een dienblad vol lege waterglazen naast hun gehavende knieën stond en kon hun sensatie van teleurstelling of overwinning bijna grijpen. Er hing een intensiteit om hen heen waar ik niet omheen kon.

Ik had het niet gezien, niet gedaan, ik had niet geleden en niet doorgezet. Ze maakten een groep uit waar ik geen deel van was.

En daar ontstond de gedachte: Zou ik het kunnen?

Niet al te lang na het vertrek van de renners vond ik mezelf scollend door de lijst van puntenraces die konden kwalificeerden voor één van de races van UTMB 2016. Ik kwam erachter dat de UTMB zelf, laat staan de PTL, volslagen onmogelijk zouden zijn (165 en 300 km), maar de CCC (101 km, 6988 hoogtemeters) was dat wel.
Besloot ik.
Ik had nog nooit een trail gelopen.

Misschien is mijn jaloezie naar andermans uitputting geen fantastische eerste motivatie voor trailrunning, maar het heeft me wel tot het eigenlijke trailrunnen gebracht. Want een dag na mijn besluit moest ik wel een berg op rennen.

Ik hees mezelf in een hardloopbroek, liep het trappenhuis uit en koos een willekeurig pad omhoog. Het leidde me naar het Petit Balcon Sud, een trail op ongeveer 250 meter hoogte parallel aan het dal, door bossen en over riviertjes die vanuit de Aiguilles Rouges naar Chamonix stromen. ‘Ik ben gek, ik ben gek’, dacht ik tijdens de eerste hoogtemeters. En daarna was ik verkocht.

Trailrunnen is niet onmogelijk. Het is geen uitputtingsslag die de omgeving doet vergeten. Ik voel me elke dag een beetje meer als het rode treintje dat bij Montenvers omhoog kacheld. Hoe vaker ik ren, hoe langer mijn spoor door de bergen wordt. Soms, als het pad lang steil blijft, sterf ik een beetje, maar daartegenover staan zoveel vergezichten en mooie paden dat ik het twee meter na de helling al vergeten ben. Het is alsof ik investeer in een razend goede motor die me op alle plekken in de Alpen zal brengen. Mijn benen, mijn ademhaling, mijn hartslag. En dan de mooiste bergen die er zijn.

Ik wil proberen om de punten voor de CCC bij elkaar te sprokkelen, maar het gaat me er allang niet meer om. Op het moment is het trailrunnen voor mij niets meer dan een simpel dagelijks verlangen om ergens omhoog te rennen en uit te kijken over de bergmassieven. De kleine pijntjes en mijn veranderde eetgedrag in dat van een onbevredigbaar beest neem ik op de koop toe.

Ik ren nog niet lang genoeg om te weten of het meer dan een opwelling is. Misschien loop ik binnenkort in een fluorescerende clownspak met hoge sokken, misschien serveer ik de renners van UTMB 2016 met een vaag sentiment dat afstamt uit die septembermaand waarin trailrunnen me kortstondig in zijn greep had. Het Spoorrennen. Berghuppelen. Padrollen.

Modderworstelen.

We zullen zien.

Boulderavond

Het gangenstelsel van het sportcentrum in Chamonix geeft toegang tot een klein, donker hok waar bezwete klimmers zich vastbijten in projecten die pas interessant worden als de rotsen buiten nat zijn of het geld ontbreekt om naar een fatsoenlijke hal te gaan.
Dat is niet helemaal waar, trouwens, want de plek krijgt charme als je er vaker komt. Omdat je weet welke grepen onder het gewicht van een klimmer gedraaid zijn, waar ongeveer je rammend hard je kop hebt gestoten omdat het te donker was om een gigantische bak in de hoek van de houten wand te onderscheiden,  dat de allerlelijkste route er nog minstens een jaar in zal blijven.
En het is reuzegezellig: het is klein genoeg om bovenop elkaar te vallen wanneer een boulder faalt. Na drie maanden ken je de fysieke details van tientallen figuren die er immer lijken te zijn – de twee jonge, gespierde klimknapen, het meisje met de Ipod, de oude man met de passievolle verhalen…

Ik kom er graag.

Het regende gisteravond. Ik was te lui om de trein naar Les Houches te pakken en me daar onder de leadklimmers te mengen. Dus stopte ik slechts mijn klimschoentjes in mijn tas en zette koers naar het sportcentrum.
Twee uur later kwam ik weer naar buiten, pof op mijn legging, vingers met rood geworden eeltplekken, en liep via het centrum terug naar huis. De straten waren nat en glansden in de verlichting, toeristen achter de ruiten van hun hotels, restaurants, kroegen, huizen die Frans aandeden zonder commerciële zomergekte.
En daar, ergens achter Chamonix, rezen de bergen op. De afgelopen dagen werden ze witter en witter en nu zag ik ze bijna plotseling. Ik stond stil midden op de straat en kon voor een moment alleen maar naar ze kijken.

Een gewone avond. Een training in het boulderhok. Chamonix.
.

Chamonix Centrum

Laagseizoen

‘Ruby, I don’t have hours for you anymore. And I’m not sure if I can give them to you in October or November’.

Het is stil bij Kitsch Inn in Les Houches. Ze komen niet meer ontbijten. In plaats van bestellingen schrijf ik verhalen op in mijn notitieboekjes. Of eigenlijk, beginnetjes van verhalen, een hele hoop, want er is veel om over te schrijven.
We proberen alle producten de deur uit te krijgen en maken geen voorraden meer aan. De helft van de opties op het menu is niet meer verkrijgbaar. Locals begrijpen het, restjes toeristen moet ik vertellen dat wanneer zij vertrekken, Les Houches verandert in een spookdorp.

Chamonix blijft in leven, maar lijkt niet meer op het feestterrein van de zomermaanden. De ochtenden zijn bitterkoud en het looptempo in de winkelstraat wordt bepaald door zestigplussers. ‘How was your season?’ is een veel gestelde vraag. ‘What you’re going to do in interseason?’

Op een reguliere middag bij Chambre kwam de baas achter de bar en zei me dat ik geen baan meer had. Ze ‘dacht dat ik dit wilde’ omdat ik haar had laten weten dat ik met dit schema geen tijd over hield voor klimmen. This is what you wanted, this is what you wanted.
Veertig uur of geen uren; ik had het kunnen weten.

Kitsch Inn gaat dicht eind September, daarna ben ik werkloos.

Ik kan me verheugen op de herfst. Ik heb de Alpen slechts onder sneeuw en zomerhitte gezien, maar nog nooit onder de kleuren van de herfst.

Maar ik weet niet of ik blijf.

Het verliezen van mijn baan maakt mijn verblijf in Chamonix wederom een keuze en de rest van Frankrijk – of de wereld – opnieuw een mogelijkheid. Ik hou van de bergen hier, ik hou van ze uit alle macht, maar ik stuit te vaak op de oppervlakte van het dorp dat ze omringen. Hier vier je vakantie, hier ben je rijk, hier draai je een seizoen, hier bestaan alleen luxeproblemen. De wereld speelt geen rol in Chamonix.

Ik geef Chamonix nog een kans, want ik kan écht die bergen niet achter me laten.

Het is me nog niet gelukt om alpinemaatjes op te doen en het ziet ernaar uit dat het wel of niet slagen van die zoektocht doorslaggevend zal zijn voor mijn keuze hier te blijven – of niet.
Ondertussen spendeer ik mijn laagseizoen zoals ieder ander. Van dag tot dag. Vandaag speel ik gitaar of kaartspelletjes in de kroeg, vandaag klim ik naar Lac Blanc of op de rotsen van Gailland, vandaag herstel ik van gisternacht of wandel ik door mijn bergen, mijn bergen, mijn bergen.

Mijn Lievelingspad

Kippenhok

Klein is kleinIk woon in een kippenhok.
Samen met een hippie. Een echte, een product van hippieouders. Jong maar vastbesloten.
Stel je voor; een ruimte waarin twee bedden passen, maar je elkaar niet fatsoenlijk in het midden van de twee kunt passeren. Een keuken gepropt in een keukenkast en een wc die nagenoeg de helft van de badkamer uitmaakt.
Ik kende haar niet. Het was een gok, wederom een avontuur.
Soms denk ik; zou ik niet een soort van progressie in de grote van mijn leefruimte moeten maken. Ik ben 23, kan ik het nog verantwoorden om op die leeftijd een kippenhok te delen?
En dan denk ik; nee, er zou geen ‘zou moeten’ meer op mij toepasbaar moeten zijn. Niet in dit kader althans.

KippenhokHet leven in een kippenhok voelt als een feest. Alsof het ridicule van de grote van de kamer het legitimeert om het soort leven te leiden dat bij het hebben van een kippenhok past. Als het niet belangrijk is een zekere mate van privacy, ruimte en eigendommen te hebben, dan vallen daarmee ook een hoop andere geveinsde belangen weg.
Het maakt allemaal niet uit, zolang we het maar goed hebben. Dat idee.

Het is een gok geweest en mijn mede-kip en ik hebben elkaar getroffen. Ik vermoedde dat ze niet al te moeilijk zou zijn, daar ze bereid was met een onbekende deze deal aan te gaan. Tegelijkertijd was ik tot hetzelfde bereid en uit die wederzijdse beslissing kon ik al een soort gelijkgestemdheid opmaken. Toch had ze op alle mogelijke manieren razend irritant kunnen zijn – zoals ik dat zelf had kunnen zijn voor haar– maar dat is ze niet. Ze is leuk. Ze leest en schrijft en tekent en schildert.
En we maken muziek.
Ik heb mijn gitaar en mijn beperkte aantal akkoorden, en we hebben beide een troebel geworden achtergrond van zanglessen. Het is een kippenhok vol klanken.

Ik weet niet of ik op een zeker moment behoefte zal krijgen aan ‘een eigen plek’. Maar vooralsnog ben ik dankbaar voor haar aanwezigheid in mijn thuis, al struikel ik praktisch over haar heen wanneer ik onzorgvuldig uit bed stap. Er moet iemand ‘hoi’ zeggen bij binnenkomst en de theekopjes verzetten bij afwezigheid.
Dat heeft iets eindeloos geruststellends.

Huisbeest

Koningin Savi

Ze stond midden in de receptie. Haar armen langs haar zij, hangende schouders, nek en ogen van een stokstaartje.
Oh nee.
Ze had haar sokken hoog opgetrokken en droeg een synthetisch sportshirt op een voetbalbroek.  Om haar asblonde haar zat een zwarte band waaruit plukken ontsnapten. Ze leek niet ouder dan 18 en daar buiten haar eigen medeweten neergezet. Zomaar.
‘This is your new colleague, Savi’, stelde de manager haar een dag later aan mij voor.
Ongelofelijk, dacht ik, waar hebben ze die vandaan gehaald.

Uit Zweden. Het geïsoleerde hoge noorden, daar waar ze jagen, sissen als een jawoord en in generaties bij elkaar leven.
Savi paste niet in het restaurant. Wij waren met skateboardbritten, trashy Fransen en hipsterzweden, zij was niet eens het tegenovergestelde. Zij was van een andere oorsprong.

Ik twijfelde even aan de gezondheid van het management Savi aan te nemen. De laatste keer dat ik erover nadacht ging horeca voor een groot deel om representatie en alhoewel hetgeen dat ‘hip’ is in Chamonix bepaald wordt door tig verschillende sociale achtergronden en vrijwel gelijk is aan ‘gek’, wist ik zeker dat Savi ernstig af zou doen aan de hipheid van Chambre. Daar het floreren van de zaak me weinig interesseert was het me geen zorg, maar ik moest wel even knipperen wanneer ik haar met een dienblad en ongeschoren benen door de tafels zag zigzaggen.

Savi, hoe zou ik haar omschrijven. Leergierig, intelligent, eigenzinnig, stoïcijns, ruimdenkend, praatgraag. Voor iemand als Savi is de praktijk van horeca een kinderlijk eenvoudige truc. Het was niet de vraag of ze het technische aspect van serveren en schenken en kassa’s tellen onder de knie zou krijgen, maar eerder hoe ze zich zou manifesteren in een omgeving die door en door sociaal is.

Savi lacht veel. Niet uitbundig, ze heeft een oprechte glimlach waarmee ze zich van tafel naar tafel beweegt. Na een week kregen we het commentaar van een groep weinig ingetogen toeristen dat ze nog nooit bedient waren door zo’n lief meisje en dat ze dat ‘toch echt even moesten laten weten’.
Mannen kwamen misschien niet voor haar terug, groepen feestgangers bleven niet hangen door haar ophitsende uitbundigheid of gevatte opmerkingen, maar ze won zichtbaar de waardering van de gasten.

En ondertussen zag ze er nog precies zo uit zoals ze binnenkwam. In het begin werden er wel eens fantasieën uitgesproken, ‘wat als we haar nu een spijkerbroek aantrekken en naar de kapper sturen’, ‘kunnen we met een subtiele opmerking die opgetrokken sokken naar beneden krijgen’, maar inmiddels ziet niemand nog dat Savi van een andere oorsprong is.
De hipsterzweden, trashy Fransen en skateboardbritten hebben haar opgenomen precies zoals ze is, en in feite kon dat ook niet anders, want Savi is niet zo gevoelig. Ze praat over hetgeen haar interesseert, draagt wat comfortabel is, doet wat ze leuk vind en is, tot haar en stiekem mijn verbazing, gelukkig in Chamonix.

Soms zitten er drie collega’s achter de bar cocktails weg te stouwen, wordt er deephouse gedraaid, danst een gast met drie kleuren haar ergens op een tafel en leest Savi haar boek.
Soms zitten we met zijn allen bij elkaar en heeft ze het hoogste woord in een discussie over onzin.
Soms slaapt ze in een hoek van het café.

Omdat Savi houdt van de natuur en sporten en ik een slachtoffer zocht om op te leiden, sleep ik haar om de zoveel dagen mee naar de rotsen en laat ik haar klimmen en verzuipen in karabiners, touwtechnieken en klimverhalen. Net als de horeca pikt ze het klimmen op in slechts een paar weken.
En we wandelen en we praten.
Ik ben zelden zo van iemand onder de indruk geweest.
Ik ken de mensen van Chamonix als een reeks grote persoonlijkheden die weinig schroom hebben, schreeuwen als het nodig is, altijd voor zichzelf op zullen komen en leven naar hun eigen voorwaarden. Maar geen van hen heeft het zelfvertrouwen van Savi. Geen van hen is zo loyaal naar de eigen principes als Savi en zij is nog maar achttien jaar.
Mijn eerste oordeel zat er zo naast.

Ze komt uit het hoge noorden van Zweden en heeft de gigantische stap gemaakt naar Chamonix. Ze heeft geproefd van het avontuur en wil weten wat het leven nog meer inhoudt. Ik ben zo onwijs nieuwsgierig welke toekomst iemand als haar wacht en ik hoop zo onwijs dat het mooi zal zijn.
Op één of andere manier twijfel ik daar niet aan.