Latest Posts

Annick Speur

Even langs bij Ruby

Er zijn vele soorten franse lekkernijen, tijdens mijn bezoek aan Ruby in Chamonix heb ik een nieuw geneugte ontdekt, een croissant au amande. Over het algemeen ben ik een simpel mens met simpele wensen, en zo bestel ik doorgaans een croissant, op een wilde dag misschien een pain au chocolat.

Maar niet Ruby. Ruby is geëmigreerd en inmiddels ook volledig geïntegreerd in Chamonix. Zij besteld dus onder de torenhoge druk geleverd door de stroeve blik van de franse madame bij de bakker niet zomaar een croissant, nee, zij besteld een croissant au amande. Bij het wachten op de bus eten wij onze lekkernijen op(een normale croissant voor mij, dat wel).

Ik ben op bezoek bij Ruby om haar eindelijk weer eens goed te spreken en ook om misbruik te maken van het feit dat haar vloer plek heeft voor een matje en pal midden in een (winter)sport walhalla ligt. Ik word toegevoegd aan de 301 Spanjaarden (zie ook de gastblog van Bas) en honden en maak me er gelijk thuis. Ik ski, zit op de bank, slaap, doe niks.

Maar niet Ruby, want Ruby is druk. Haar dagen zijn gevuld met werken, klimmen, skiën, schrijven. Nu denk je misschien, wat een luilekker leventje, beetje de piste op, af en toe klimmen, chillen met Spanjaarden, maar dat is niet wat Ruby doet. Ze wil en ze moet beter worden, harder klimmen, sneller skiën. En Ruby heeft geen tijd voor niks, geen tijd voor blowende huisgenoten, geen tijd voor zuipende collega’s. Gelukkig wel een klein beetje tijd om met mij te kletsen en te mijmeren over het leven. Heel even maar, dan moet ze naar werk, of schrijven, even snel een blog eruit, verder aan haar droom (“Wat kost eigenlijk een domeinnaam? Zoveel? Hoezo zoveel? Moet ik privé bescherming erbij? Kost wel tien euro..”)

Ik weet natuurlijk niet wat de lezers van dit blog denken over Ruby’s grote beweging naar de bergen. Ik wil ook niet een groots lofzang houden waarover Ruby zich genegeerd zal voelen en daardoor dit stukje het internet niet meer zal halen. Dus laat ik het bij het volgende houden.

Ruby werk hard, heel hard (te hard?) en dat vind ik knap. Te midden van de totale chaos van Chamonix en het chalet met Spanjaarden zal je Ruby tegenkomen, werkend aan haar droom, met super focus, en geen tijd voor afleiding.

Op woensdag word ik verblind van de berg afgesneeuwd en besluit ik enigszins bedroefd de bus naar Chamonix te nemen. Verloren en half griepig loop ik langs gesloten (lunchtijd is alles dicht, weet ik veel) en veel te dure winkels. Als de apotheek eindelijk weer open is koop ik paracetamol en een neusspray en loop ik door naar de bakker. Ai, weer een stroeve franse madame. Onder druk zeg ik het eerste wat in me opkomt, “un croissant au amande s’il vous plaît”. En dat was me toch verdomme een lekker croissantje. Door de natte sneeuw loop ik al etend naar de bus. In het chalet geen Ruby, wel een hond. Ik ga maar vroeg naar bed.

Mijn laatste dag brengt ons een dikke laag verse poeder en mijn herstelde gezondheid. Het is erg koud, maar zo makkelijk komen ze nog niet van mij af. Met een Spanjaard uit het chalet maak ik in de namiddag in de kniediepe sneeuw ergens naast de piste de beste runs van de week. Wanneer we moe en hongerig terugkomen in het chalet is er een brandende openhaard, warme choco en pasta en een tafel vol met Ruby en Spanjaarden.

Ondanks het feit dat Ruby en ik nog wel jaren zouden kunnen praten is mijn vakantie helaas voorbij. Op het vliegveld van Genève eet ik mijn laatste croissant, een gewone, en ga ik weer terug naar huis.

Roze bril

Sinds dat stuk van Bas vertrouw ik mijn eigen schrijven niet meer.
Ik ben inderdaad een beetje een romanticus, beweeg mezelf door Chamonix met een roze bril, of in elk geval lichtroze. Haren in een afvoerputje, hasjlucht of gevaarlijke wc-potten dringen niet echt tot me door als hinderlijke aspecten van het zojuist geëmigreerde bestaan, omdat ik heel gemakkelijk high word van dat bestaan zelf. Ik schrijf zo stoned als een garnaal en ben misschien zo stoned als een garnaal zolang het dagelijks leven me niet afleidt. Ik heb daar ooit hard aan gewerkt, ik heb die bril zelf roze geverfd, misschien zag ik de haren in het afvoerputje al aankomen en ben ik preventief gemakkelijk geworden.
Hoe dan ook, ik moet tegenwoordig een beetje lachen om mezelf en mijn woorden omdat ik me er bewust van ben geworden dat ik een hele gestileerde versie van mijn bestaan op deze blog naar voren breng – wat logisch is, maar wel geinig. Ik vind het geinig.
Ik ben nu eigenlijk wel getriggerd om over niet romantische dingen te schrijven. Even die bril afzetten.

Zoals: Ik vind nooit de tijd om boodschappen te doen en heb daarom nooit ontbijt. De dichtstbijzijnde winkel zit in Argentière en die bus gaat slechts elk half uur. Dat gaat dus niet. En ’s ochtends, als ik het liefst met een kop koffie vanaf de bank uit het raam staar, ligt er vaak al een Spanjaard op de bank, en dan weet ik niet meer waar ik met mijn koffie heen moet.
Mijn Iphonekabeltje is altijd weg, ergens nabij de slaapplekken van alle negen chaletgenootjes, en mijn Iphone zelf ook – maar dat ligt aan mij.
De bussen zijn sinds de komst van het hoog-hoog seizoen zo afgeladen dat zo nu en dan het eind van een skistok, een goggle of het puntje van een neus klem raakt tussen de busdeuren. Voor het poortje van de skilift staat een rij van meer dan een uur, met vuil kijkende toeristen die elke tien minuten met kromme benen in hun ongemakkelijke skischoenen een metertje naar voren schuiven. Diezelfde toeristen laten hun fatsoen achter op de piste en staan ’s avonds strontlazarus aan mijn bar, niet zelden walgelijk arrogant van door alcohol (of het bezit van geld, want we zijn nog altijd in Chamonix) aangemoedigde grootheidswaanzin.
Na de après-ski zijn mijn collegaatjes en ik ruim twee uur bezig om de boel weer schoon te krijgen, en als er een ‘ten o’clock wave’ binnen komt wens ik iedereen hele nare dingen toe, want dan mogen we alles opnieuw gaan schoonmaken en lig ik niet in mijn bed voor half 2 ’s nachts.
Ik ben de grootste partypooper ooit en wijs als een waar sociaal ondier elke mogelijke afspraak af, omdat ik prioriteiten stel die voor de gemiddelde seizoensarbeider onbegrijpelijk zijn (Sorry, ik wil mijn verhaal vanavond afschrijven. Waar gaat dat dan over? Over de onromantische aspecten van mijn Chamonix  bestaan. Oh… Ok).
Soms kijk ik naar Juna, de chalethond, op haar groene dekentje bij de kachel en ben ik jaloers op haar omdat ze alleen maar slaapt en eet. Ik wil ook wel slapen en eten.

Goed, dan nu die bril weer op.
Ik woon in de bergen.
Alleen dat is relevant.

Bas Visscher

photo (20)

Trouwe lezers van deze blog, jullie gaan vandaag niet in jullie vaste portie Ruby-schrijfsels bediend worden. Nee, in dit gastblog is het tijd voor wat anders.  Ruby is een romanticus, idealist, optimist, dromer, liefhebber van lyrisch schrijven, observator, doorzetter, vrije geest, bikkel en wereldburger. En daar zijn haar schrijfsels dan ook naar. In deze blog gaat het over een andere boeg. Afgelopen dagen heb ik Ruby haar Chamonix-experience van dichtbij  mogen meemaken. Tijd om de ontnuchterende waarheid op tafel te hebben, maar ook om de balans op te maken na ruim een half jaar Chamonix. Dan wordt het laagland weer geïnformeerd. Een puntsgewijze beschrijving van de situatie:

– Laat ik beginnen met de plek waar Ruby woont. Dit is in Le Tour, een klein dorpje tussen Chamonix en de col des Montets. De bekendste inwoner is de Spanjaard Kilian Jornet, de ultrafitte ultraloper die vanuit Chamonix de 1000m hoge Grandes Jorasses noordwand opsprint op hardloopschoenen. In Le Tour  wonen op zijn minst 5  andere Spanjaarden, namelijk in het huis van Ruby. Dit aantal is fluctuerend en door niemand definitief vast te stellen. Het is namelijk een kwestie van komen en gaan van Spanjaarden. Het aantal aanwezige Spanjaarden word ten dele beïnvloed door de huisstemming, maar daarover meer in het volgende punt. En tot zover de demografische gegevens.
–  Door naar de sfeer in het huis. Bij binnenkomst valt de geur van hasj op. Dit bleek een constante factor tijdens mijn verblijf. Naast het fluctuerende aantal Spanjaarden zijn er ook enkele Fransen. Iedereen is bijzonder hartelijk tegen elkaar en er staan 4 gitaren klaar om bespeeld te worden. Het onderlinge Spaanse converserende geratel overheerst, en zoals het een buitensportende blowende Spanjaard betaamt is er ook een hond die zich alleen laat aaien in ruil voor voedsel. Soms zijn er ook 3 honden, maar dat hangt van af van de fluctuatie in het aantal Spanjaarden. Iedereen in het huis nodigt namelijk zijn vrienden, familie en scharrels uit om op de bank te komen slapen. Het is volkomen onduidelijk wie er nou wel officieel huur betaalt en wie niet. Dit heeft al tot een heftige soap geleid die absoluut de moeite waard is om te beschrijven. Een van de Spanjaarden (met 2 drukke honden) had namelijk een permanente slaapplek op de bank veroverd. Na verloop van tijd was de sfeer niet meer zo tranquillo, en concludeerde de Spaanse inquisitie dat hij helemaal geen huur betaalde. De Spanjaard in kwestie weigerde echter het huis te verlaten. Er volgde een heuse huisstemming (ik stel me een Asterix&Obelix achtig tafereel voor), waarbij de Spanjaard het huis werd uit gestemd. Daarna (of daarvoor) leende de Spanjaard ook nog eens het snowboard van de andere Spanjaard zonder hiervoor toestemming te vragen. Toen beide heren elkaar toevallig genoeg op de mooie pistes van Le Tour tegen kwamen waren de rapen gaar. Na deze confrontatie verdween de illegale Spanjaard van het toneel. Maar inmiddels is de ruzie tussen de Spanjaarden toevallig genoeg weer bijgelegd. En zo zal het aantal Spanjaarden komende tijd blijven fluctueren. Ik kan dit wel waarderen.
– Los van deze soap: over het algemeen heerst er een prima sfeertje in het huis. Zo bakt de kamergenoot van Ruby lekkere brownies. Zonder suiker, want die is al weken op. Maar je humeur kan wel goed verpest worden als je onoplettend op het toilet op de onderste verdieping gaat zitten. De loszittende toiletbril vereist een secure plaatsing van je achterwerk. Je zou niet de eerste zijn die een ongecontroleerde val naast de pot moet ondergaan. Voor advies kan je Ruby vragen. Milieubewust zijn ze ook in dit huis. Om waterverspilling tijdens het douchen tegen te gaan wordt er bewust gebruik gemaakt van een natuurlijke, harige buffer in het doucheputje. Als je te lang doucht staat er te veel water in de douchebak en overstroomt de badkamer. Dit wil je natuurlijk niet meemaken. Handig en zuinig!
– Dan door naar de ski en klimmogelijkheden. De pistes van Le Tour zijn echt op loopafstand en dat is natuurlijk fantastisch. Pas wel op dat je niet door de Britse colonne overhoop wordt geskied. De beste kamikaze taferelen zijn te zien bij de BMW slalom snelheidsmeter. Ook is Ruby al in aanraking gekomen met de Franse kindjes op skies, die nietsontziend zijn. De nabijheid van de Albert Premierhut biedt trouwens veel mogelijkheden voor alpien vertier. De beklimming van de sierlijke Chardonnet prijkt op menig wishlistje, en als alternatief kan je altijd de toegankelijke Aiguille du Tour op. In Le Tour sneeuwde het tijdens mijn verblijf, terwijl het in Chamonix regende. Goed geregeld Ruby!

– Voor fatsoenlijk apres-skieen moet je echter niet in Le Tour zijn. Ruby haar eigen werk, café Chambre Neuf nabij Gare Chamonix, voorziet gelukkig in alle behoeftes van de doorgewinterde apres-skier. Toen ik polshoogte kwam nemen zag ik van buitenaf door de ramen heen al de bezwete en ontblote bovenlichamen op de tafel staan dansen. Binnen werd door iedereen hartstochtelijk Angels van Robbie Williams meegezongen. Tussen dit tumult tapt Ruby dagelijks de glazen weer vol. Elke avond vloeit de drank rijkelijk, swingt de band, gaan de shirts uit en worden de ski-ambities weer een jaar uitgesteld door de ziedende katers. In de wereldhoofdstad van het alpinisme heeft Ruby inmiddels als geen ander begrepen dat ongegeneerd zuipen en feesten de drijvende kracht achter de lokale economie is.

Laten we de balans opmaken. Ik kan me goed voorstellen dat je door bovenstaand verhaal nog niet volledig overtuigd bent van Ruby haar welzijn in het bizarre Chamonix. Toch kan ik jullie beloven dat het naar omstandigheden vrij goed gaat. Ruby klimt, skiet, traint, geniet, lacht en kijkt vooruit. Ze slaapt wel te weinig en ze zou nog wat vaker goed moeten koken. Dit komt allemaal wel goed. Hoort bij de opstartproblemen, zo zullen we maar zeggen. En met de hierboven beschreven taferelen gaat ze ook heel laconiek om. Waar menig persoon al drie keer gek zou zijn geworden, jaagt Ruby haar dromen na. Mijn goedkeuring en bewondering (eerlijk is eerlijk) heeft ze, maar ik verzoek ook de volgende Nederlandse bezoeker om als correspondent naar de laaglanders geen blad voor de mond te nemen. Dit maakt het jaloers zijn voor ons als achterblijvers hopelijk iets dragelijker, en dan weten we goed door wat malligheden je heen moet om in Chamonix te kunnen aarden.

7: Paarse Monsters

De zevende dag op ski’s

We zijn in Le Tour. Ik ski vaak met mijn huisgenootje, en op één of andere manier is het telkens slecht weer als ik met hem op de piste sta.
Dit keer is het bijna helderblauw.
Maar de monsters op de onderste piste zijn knalpaars.

Sinds mijn dag op de groene babypiste begrijp ik een stuk meer van het verbond tussen ski’s en zwaartekracht. Alhoewel ik gedurende de eerste twee runs onveranderlijk strijd naar controle voer, pik ik snel een soort van comfort op. Ik kan mijn onderbenen ontspannen en gaan op de golven van de piste, op wat voor manier dan ook.

Mijn huisgenootje brengt me in de loop van de dag naar het begin van een rode piste. Het is er zo één om beginners goed te laten voelen over hun eigen skikunst. Een verkapte babyspiste, en dus vloei ik er doorheen. Ik knal bijna in een twee meter hoge sneeuwwand die ik even niet aan had zien komen, verder voel ik me een Argentiërse superski baby.

Aan het eind van de dag staat me wederom de befaamde laatste rode piste te wachten. Ik poep hem al op de eerste meters. We komen een ander huisgenootje tegen, die me met zijn vrienden in een wolk van poedersneeuw voorbij vliegt. Come, Ruby, schreewt hij me toe. No, there purple monsters here, schreeuw ik terug.
Die zijn hier altijd.
Ik wacht tot een falende boarder uit mijn skiveld is en bocht het hele ding naar beneden.
Ik ben er nog lang, lang niet.

4: De Achtertuin

De vierde dag op ski’s

Mijn eerste zelfstandige alpine avontuur begon op de graspistes van Le Tour aan het begin van de weg naar Refuge Albert.
Twee jaar later kwam ik er weer en liep ik dezelfde route, heen, niet terug, omdat ik met de heli was afgescheept naar Zwitserland.
Afgelopen zomer was ik er met mijn ouders om ze Glacier du Tour te tonen. Heen én terug.
Afgelopen herfst liep ik er met Fieke voor een eerste buiten-seizoen alpine avontuur. Er lag al wat sneeuw. Op de terugweg dansten we op Lean on van Major Lazer, een gigantische mainstream hit die me nog steeds gelukkig maakt omwille van die willekeurige dans bovenaan de grasgroene pistes.

Le Tour was me al dierbaar voor ik er kwam wonen.

Nu heb ik negen fantastische huisgenoten in een chalet aan de rand van het dorp en beginnen de pistes praktisch in onze achtertuin. De keukenramen kijken uit op La Balme, het skigebied boven Le Tour, en tonen me ’s ochtends of de liftjes gaan of niet. Lange tijd was alleen de onderste piste open, kunstmatig in stand gehouden door sneeuwspuiters die ’s zomers ijzeren onkruid vormen. Een rode piste. Te moeilijk. Ik heb me een eeuwigheid verheugd op het openen van de andere pistes, zodat ik vanaf mijn ontbijtkruk naar buiten kon hobbelen en met nog slaperige ogen het eerste liftje kon pakken.

Vandaag kan ik eindelijk mijn eigen piste op.

Een beetje zenuwachtig zit ik in de lift, wederom, want al weet ik nu dat zowel Flegère als Brevent me niet opeten, het liftje in mijn achtertuin zou zomaar die ene kwaadaardige kunnen zijn.
Het is helder buiten. Met een liedje op wordt ik de berg opgetakeld, in mijn eigen ei, op mijn eigen avontuur tussen normaal geworden adembenemende schoonheid. Bovenaan klik ik mijn ski’s in en laat ik een stoeltjeslift me oppikken. De wereld blijft adembenemend.
Ik herken het landschap aan hobbels en liften, huisjes en bergen, maar het is een andere plek dan voorheen. Hier ben ik nog nooit geweest. Hier is het wit.

Ik ben natuurlijk vergeten hoe ik moet skiën en rem de blauwe piste van boven naar beneden. De sneeuw is hard, ijzig. Om me heen zijn beginners en ik haat ze, want mijn controle is er niet en die van hun is afkomstig van de skileraar die als mama eend de sloot domineert.
Ze bezetten in een megazigzag de hele piste. Ik heb liever een enkele kamikazepiloot dan een onvoorspelbare rij van tien trage pizzapunten.

Er is één steile helling waar alle pizzapunten zich boven verzamelen. En ik dus ook. Ik moet wachten tot elke pizzapunt zijwaarts de helling afglijd en voel mijn eigen moet in mijn schoenen zinken.

Stomme beginners.

Gedurende de tweede en derde piste zakt mijn ergernis, met name omdat mijn controle terugkomt en ik de brede zigzaggen enigszins kan ontwijken. Ik ski zo’n acht keer de steile helling af en alhoewel ik er niet angstloos aan begin, lukt het me wat vaart te behouden en in bochtjes naar beneden te gaan.
Het is weer een feest. Woosh. Vrijheid.

imageNa drie uur verlies ik zowel de euforie van controle als mijn concentratie en steven ik terug naar het liftje richting Le Tour.
Ik ben de enige die niet via de piste afdaalt, maar de rode piste is absoluut te eng voor mij. Vanuit mijn eenzame ei zie ik de sneeuwhelling voorbij glijden. Ergens halverwege skiet een nog geen meter hoge pizzapunt met dinosaurushelm achter zijn papa aan, bochtje naar bochtje, en ik realiseer me dat ik dat ook wel had gekunt.

Stomme beginner.

Beneden klik ik mijn ski’s uit en loop naar huis alsof de wereld van mij is, want ik heb geskiet in mijn eigen achtertuin. Ik zet mijn ski’s tegen de buitenwand, mijn skischoenen beneden in het skihok en ga zelf de keuken in. Terwijl ik wacht op het opwarmen van mijn chocolademelk staar ik uit het raam en zie ik poppetjes op de rode piste van La Balme.
Volgende keer ski ik hem ook, beloof ik mezelf.

 

Mam,

Ik was laatst een biertje aan het tappen in mijn café. De afgelopen paar dagen schijnt de zon in Chamonix, misschien niet het beste voor de pistes, maar wel goed voor ons gemoed. Ik keek naar buiten en zag mensen op het terras van het café tegenover ons. Mijn gedachten vlogen, zo even naar vroeger, shit, mam, wat lijkt dat lang geleden. Ik kan het niet eens vroeger noemen, maar op de een of andere manier heeft de wereld heel veel rondjes gedraaid sinds ik in de auto naar Chamonix ben gestapt. Andere rondjes voor jou en mij.

Gedurende het tappen van dat ene biertje wenste ik zo vurig dat ik met jou op een terras kon zitten dat het me de rest van de dag niet meer losliet. Ik fantaseerde over de gesprekken die we zouden hebben, over de nieuwe levensfilosofie die ik over je heen zou storten. Jij zou me corrigeren en inzichten geven in mijzelf, want al ben je het er niet mee eens, ik voel me nog immer een variant van jou. Misschien wat losgeslagen, maar een jou, ontegenzeggelijk.
Dat biertje was natuurlijk noch voor jou, noch voor mij.
Ik hou zoveel van jou en papa en ik mis jullie.

Tot snel, hoop ik.

Kwakkel

Het is niet verstandig een tekst te schrijven om 00:20, wanneer je zo moe bent dat de aftocht van bank naar bed een te grote opgave is. Maar nu ik eenmaal mijn laptop op mijn schoot heb kan ik het niet laten een kleine toer door mijn eigen moeheid te maken.

Ik vraag me immer af hoe mijn artsenvriendinnetjes hun coschappen door zijn gekomen. Ik zie best in dat adrenaline en verantwoordelijkheid je een eind brengt, maar wat dan op die schaarse vrije momenten? Hoe krijg je die lichaamsvezels dan nog als een eenheid in beweging? Fuck, ik kan dat niet hoor.

Mijn grootste en enige probleem is dat mijn fysiek het nog steeds niet trekt, dit leven. Mijn weerstand zit aanhoudend onder nul, zo ijzig als sommige pistes hier in Le Tour. En ik ben nog geen nacht uit geweest; dat is een indicatie an sich, ik blijf naar mijn feestbeestvriendjes herhalen dat ik met ze mee op pad ga wanneer mijn lichaam zich een korte nacht kan permitteren. Niet dus.

Ik vraag me bijna af of ik niet een paar dagen achtereen het skiën en klimmen moet laten voor wat het is, om alleen het venijn van mijn werklast te hoeven verdragen. 42 uur per week rondrennen achter een bar zou toch geen doodsvonnis moeten betekenen voor een kerngezonde 24 jarige met een klein geval van chronische keeltyfus in een winters milieu. Maar ik ben hier om te klimmen en te skiën, niet om te werken. Ik zou eigenlijk mijn werk even stil moeten leggen. Zo werkt de wereld helaas niet.

Ik lig voor pampus. Apathisch moe met hoofdholtes vol beesten die forten in mijn longen bouwen. Toevallig ben ik al twee keer langs een arts geweest voor een gezondheidscheck; de ene was voor werk en de ander voor een certificat d’aptitude voor het klimmen in een klimhal. Beide artsen waren verrast over mijn sterke hart. Gigantisch.
Ik heb een ijzersterk hart.
Blijkbaar heb ik daar nu weinig aan.

Ik weet het niet. Ik ben een klein kind dat niet wil stoppen. Tegelijkertijd kijk ik intens uit naar het moment dat ik dit allemaal kan doen zonder dat ik me in een constante modus van uithijgen bevind. Ik denk niet dat het werkelijk teveel is, ik denk alleen dat ik even 100% in orde moet zijn voor ik dit schema voortzet.
Kwakkel, kwakkel.

8: Teleski Difficile

De achtste dag op ski’s

Ik houd korte verslagjes bij van elke dag dat ik ga skiën, om mezelf een reflectie af te dwingen op de afgelopen sessie én om het schrijven van de blog over die dag uit te kunnen stellen, zonder dat ik cruciale informatie vergeet.

De eerste zin van het verslag van mijn achtste skidag luid (dikgedrukt): De eerste dag dat ik niet begin als een idioot.

De achtste dag begon goed. Het was inderdaad de eerste dag waarop mijn lichaam zich  kon herinneren hoe het een piste af moet bewegen. Ik was alleen op Le Tour en het weer was perfect. Elke hobbel op de piste was ver van tevoren zichtbaar. Ik begon aan blauw, die ene die ik al honderd keer ben afgeskied, en bleef daar het gros van de dag. Er liep een paddenstoelliftje langs omhoog en ik was vastberaden die trouw te blijven totdat ik de piste begreep, zoals ik de groene piste op dag zes had begrepen. Het was een mooie dag, écht een mooie dag, want de paddenstoellift was een ‘Teleski Difficile’ en ik zag dat pas na drie rondjes.

Progressie.

Af en toe maakte ik een uitstapje naar de rode piste, en de terugkomst bij blauw was keer op keer hartverwarmend. Ik heb weinig idee meer waar ik precies mee bezig ben, ik kan mezelf niet zien laat staan corrigeren, maar ik heb iets dat ik nastreef, een soort toestand die ik soms bereik waarin dingen lijken te kloppen. Iets gevoelsmatig. Het was voor het eerst dit keer dat ik controle werkelijk voelde, dat het me overkwam in plaats van dat ik ervoor vocht.

Een dag als deze achtste heb ik nodig. Waarschijnlijk ziet het er niet uit en moet ik honderd verkeerde gewoontes afleren wanneer ik weer een les neem, maar die frustratie is voor later. Nu voelt het goed en gaat het goed.

3: Bovenaan de Helling

De derde dag op ski’s

Brevent ken ik niet. Afgelopen zomer woonde ik tegenover het liftstation en zag ik de eitjes vanachter mijn raam omhoog getrokken worden, maar ik ben nog nooit boven geweest. Ik weet inmiddels dat Flegère zich niet specifiek munt op debutanten, ik heb gezien dat er sneeuw ligt en ervaren dat de liftjes me netjes bovenaan de piste afzetten. Van Brevent weet ik niets.
Ik had dus ook een dag Flegere geprefereerd, ware het niet dat mijn huisgenootje mee wilde skiën gedurende zijn drie uur lange middagpauze en zijn werk vlakbij Brevent ligt.
Rond tien uur liep hij ski’s te verkopen en zat ik al in één zo’n ei.
Het woei als een malle. Het moment dat ik uit het liftstation stapte werd ik aangevallen door duizend agressieve sneeuwvlokken. Ik zag een bordje Espace Debutant voor een soort liftgebouw en sjuffelde erheen, in de lift, tussen Britten die naar bier roken. Ergens in een wit niemandsland werden we afgezet, en ik had geen idee meer waar ik was of heen moest. Ik koos een helling links van me en stond twee minuten later weer voor het bordje Espace Debutant, met het vage vermoeden dat ik ergens het hele ding gemist had. Dit keer koos ik ervoor om de menigte te volgen en sloot ik aan bij de blauwe piste.

Mijn eerste blauwe piste.

Het einde is nabij, dacht ik bij mijzelf. Twee gescheurde kniebanden en een toertje in de banaan. Dag drie.
En inderdaad, opeens verdwenen hele stukken piste omdat ik ze niet kon zien waarvandaan ik stond. Ik sjuffelde een beetje, nog een beetje, sjuffelen in de pizzapunt tot ik een beetje meer piste zag.

De bocht was problematisch. Ik geloof dat de piste zo’n honderd meter breed was, maar de bocht kon ik absoluut niet maken zonder beneden in het dal te belanden. Het was zó steil. Die bocht.
Ik stond bovenaan de helling en van alles schoot langs me. Tig vallende snowboarders en debutanten durfden met wisselend succes het bochtje aan en ik stond nog steeds bovenaan de helling. Na het realisatiemoment dat mijn huisgenootje waarschijnlijk ergens op me stond te wachten sjuffelde ik tot ik vaart had. Ik bracht mijn gewicht over van mijn ene been op het andere, of niet, ik ging snel, heel snel, en toen vloog een ski af en lag ik twee meter lager.
Ik kroop terug naar mijn ene ski en probeerde hem in te klikken.
Het lukte niet.
Precisie. Geweld. Na tien minuten lukte het nog steeds niet en overwoog ik passanten om hulp te vragen. Als een ski afvliegt, moet je er dan iets aan veranderen? Heb ik hem kapot gemaakt? Wat is er aan de hand?

Je moet zo’n ding dus open zetten voor je je erin kan klikken. Ik leer zo veel.

Even later zat ik in het liftje met een spraakzame snowboarder die me aanraadde het beginnersliftje te pakken. Espace Debutant, schoot het door mijn hoofd – maar waar dan. Ik zag een sleeplift en probeerde uit te maken waar het ding begon. Onderwijl gleed ik gemoedelijk het begin van een rode piste af en panikeerde zodra ik aan het randje stond van iets dat heel steil naar beneden ging. Ik klikte mijn ski’s af en stampte terug omhoog. De sneeuwvlokken waren nog steeds in de aanval, mijn tenen liepen weer eens uit mijn schoenen en het skiën was één grote dramatische bedoeling.

Mijn huisgenoot herkende me wonderbaarlijk genoeg in de sneeuwstorm die ons omringde en begeleidde me de blauwe piste af. Zijn aanwezigheid en aanmoediging gaf me het idee dat ik niet geheel misplaatst was en dat deed wonderen voor mijn bochtje. En alle bochtjes die later nog zouden komen.
We werden twee ijspoppen. De anderen ook. Het weer werd slechter en slechter, zo slecht dat ik het gevoel had dat niets meer bestond buiten de ruimte tussen mijn twee ski’s. De wind stool het geluid en de mist het zicht.
Ik zag nog net het sluiten van de pistes en het laatste liftje terug naar het dal.
De pistes van Brevent zijn monsters.

6: Skiën

De zesde dag op ski’s

Ik heb niet elke dag tijd om omhoog te gaan, en ook zeker niet elke dag zin. Het weer lijkt soms op het einde van de wereld vanachter de ramen van het chalet en zolang ik nog in de overlevingsmodus verkeer, zoek ik regelmatig naar excuusjes om niet de kou in te hoeven.
Soms is het weer daadwerkelijk te slecht. We hebben een stel regenachtige dagen gehad, de wind speurt guitig de hoger gelegen pistes af en als lawinegevaar dreigt, dan is daar weinig op te antwoorden.
Maar er is altijd wel iets open.
Maandag de 11e was het Flegère. Het regende, het woei, het was verschrikkelijk, maar de groene piste van Flegère was open en ik sleepte mezelf aan mijn haren naar buiten, daarna mijn ski’s en skischoenen. Het moment dat ik het hele zootje bovenin Le Tour had gebracht (de weg vanaf het chalet naar het busstation stijgt enorm, met name wanneer een skiuitrusting op je schouders leunt) reed de bus weg. Ik draaide me abrupt om, in een mars naar de warmte van het chalet, tot ik poppetjes van de babypiste achter het dorp zag komen.
De paddenstoellift.

Tot nu toe had ik de gevaren van de hoger gelegen blauwe piste verkozen boven de gevaren van de paddenstoellift. De paddenstoelen zouden me vastgrijpen aan mijn enkel en me ondersteboven meesleuren, van beneden naar boven en boven naar beneden.
Er waren (weer) wat slingerende pizzapuntbaby’s voor nodig om me het zelfvertrouwen te geven de uitdaging van het sleepliftje aan te gaan.

De motregen sloeg in mijn gezicht en mijn goggles verloren het van de weersomstandigheden. De piste was kort en vlak en als ik even niet oplette was ik beneden.
Op, af, op, af.
En toen was het opeens heel leuk. De overgang van blauw naar groen permitteerde me vaart en controle. Ik zag geen hand voor ogen en werd als een kanon de ruimte in geschoten bij een onverwacht heuveltje. Er ontstond logica in de gewichtsverplaatsing van mijn onderlichaam. In het sleepliftje koppelde ik mijn Iphone aan en vervolgens sjeesde ik de piste af onder Moderat en Flume. Het weer werd beter, maar de piste leger. Ik had de wereld voor me alleen. De liftjes omhoog confronteerde me met ijzige witte bergen en euforische gedachten en de skipiste naar beneden met dit gevoel…skiën… De tijd vloog.
Het was de beste trainingssessie tot nu toe.