Latest Posts

Voeten in het water

Ik dacht dat er langdurige zenpraktijken voor nodig waren om mezelf te bevrijden van mijn decennia oude gedachten die me verplichtten tot zoveel dingen en emoties en zelfs meer gedachten. Ik dacht dat ik, totdat ik al mijn jonge jaren en onrust achter me zou laten, slechts momenten zou hebben van alleen maar zijn, alleen maar bestaan.

Het blijkt echter genoeg te zijn om vrije tijd te hebben en door de natuur te scharrelen.

Ik weet dat de realiteit me weer zal verplichten tot het inleveren van een deel van deze vrijheid en dat wil ik ook, want dat is in ruil voor vrienden en familie, betekenis en verhaal, een beetje toekomst voor de zekerheid. Maar ik weet ook dat de herinnering aan deze dagen me voor altijd rustig zal maken, want vanaf nu is het gegeven dat alleen maar zijn, alleen maar bestaan de hele bedoeling van logica voorziet. Dat het nulpunt het beginpunt en het eindpunt is en daartussen niets van belang is dan de ervaring van het in leven zelf zijn.
Een lichaam hebben, ademhalen, de wind voelen, de bomen ruiken, een hart dat klopt en benen die lopen en armen die zwemmen en ogen die zich sluiten voor de zon.

Een tocht naar het Zuiden

Ik wist dat Chamonix niet het enige dorp op de wereld was, maar als je er een winterseizoen draait zegt je gevoel dat na Fayet een grote, vlakke woestijn elke vorm van beschaving onmogelijk maakt. Ik schrijf vaak dat het ademen in de bergen makkelijker gaat, maar als afwisseling brengt het platteland een hoop verse lucht. Een context als Chamonix is goed om bij tijd en wijle in te ruilen, want anders neem je de vreemde trekjes van de Chamoniard over en zie je überhaupt geen reden meer om je uit het dal te bewegen.

De contextverandering was echter drastisch toen Marcel en ik de wereld inreden om vier goedkope banden voor zijn bus te vinden, want vanuit onze glamourvallei raakten we ongenadig verstrikt in de louche bedrijventerreinen rondom Annecy en Chambery. Zijn linker voorband was recent op de snelweg geëxplodeerd en de resterende banden rolden als drie tijdbommen onder ons. Om niet in een soortgelijke explosie vijfhonderd euro lichter te zijn vervielen we onvermijdelijk in het twijfelachtige circuit van mannen met dikke buiken, sigaretten en net zozeer twijfelachtige banden op de lelijkste plekken van Frankrijk, en als het dan ook nog eens regent alsof elke millimeter beton aan een grondige reiniging toe is, dan is het woord lelijk niet eens meer toereikend.
Ook daarom is het goed Chamonix te verlaten; om haar schoonheid weer te waarderen.
(De lelijkheid werd niet normaler naarmate we ons er langer in bevonden. Er trad geen gewenning toe, in tegendeel; hoe langer we er rondreden hoe meer we ons afvroegen hoe het mogelijk was dat mensen zelf al die mistroostige ellende hadden ontworpen en met name hoe ze het vervolgens voor elkaar kregen om het te laten voortbestaan.)

De laatste keer dat ik een krant had opengeslagen was ergens midden in het skiseizoen, in een vlaag van groter bewustzijn, maar de wereld kwam toen zo buitenaards op me over dat ik nauwelijks kon ontcijferen wat er zich in afspeelde. Sindsdien hadden er oorlogen kunnen uitbreken of engelen in mijn oude woonplaats kunnen arriveren zonder dat ik er iets van meekreeg. Ik wist dus ook niet dat Frankrijk in rep en roer was en staakte, en nietsvermoedend bleven Marcel en ik tankstations passeren zonder oog te hebben voor de lange rijen auto’s die zich voor hen vormden, terwijl onze eigen tank leger en leger raakte en we ons uiteindelijk geduldig achterin de rij aansloten.
We might have to pass the night here’, zei Marcel na zich uit nieuwsgierigheid te hebben gemengd in een gesprek van geënerveerde automobilisten bij de ingang van het tankstation. ‘Can you look up what grève means in English?’
Staking.
Voor ik me de implicatie van het brandstofgebrek kon realiseren reed er een grote wagen vol brandstof het terrein op en hoefde ik me niet af te vragen hoelang zo’n staking zou kunnen duren. Er werd ons vriendelijk gevraagd om de brandstof met iedereen te delen en de tank slechts voldoende te vullen om met zekerheid thuis te komen, en wij moesten naar Spanje dus gooiden de hele tank vol, in goede hoop dat de staking zich niet tot over de grens uitstrekte.

Op de tocht naar het Zuiden kroop de regen terug haar wolken in en schoof de Ardèche helder en stralend langs. Marcel reed maar en reed maar terwijl ik af en toe op keek van mijn slaap of mijn boek. De Ardèche blijft een sprookje en zodoende bleef ik in een sprookje, want ik las al drie dagen Honderd Jaren Eenzaamheid en de magie van mijn boek liep ongemerkt over in het Zuid-Franse landschap, de oude stenen huizen, de rotsen en heuvels en de ondergaande zon.

We parkeerden ergens langs de snelweg, sliepen en werden ‘s morgens gewekt door een touringcar vol kwebbelende toeristen die hun benen strekten onder het zuidelijke zonnetje. Marcel rook thuis en ik legde mijn boek naast me neer om me mee te laten voeren langs het laatste restje Frankrijk, langs de wegen en dorpen die Marcel al tig keren was gepasseerd, langs de eerste palmboom en het laatste Franse verkeersboord, door het bleke Mediterrane landschap richting de eerste tweeduizender van de Pyreneeën gezien vanaf de zee. Ik was in het Zuiden.
Rond het middaguur parkeerde Marcel de bus in een klein straatje tussen de witte Spaanse huisjes van zijn woonplaats Olot. Ik maakte kennis met de buurvrouw die te dement was om haar buurjongen te herkennen, zijn schilderijen aan elke muur van het huis, de kat die schrok van mijn Nederlands, de gastvrijheid van zijn ouders en met name hun vreugde om hun eigenzinnige dwalende zoon bij verassing weer even bij zich te hebben.
Onder de avondzon bracht hij me naar de nabijgelegen bossen van Savernes, langs helderblauwe riviertjes en meren en de eindeloze oranje en gele rotswanden waartussen hij al zijn jonge jaren had gedoerakt, geklommen, vuurtjes gemaakt. Chamonix was verdwenen en de wereld ook, geen stakingen of oorlogen of engelen, de lelijkheid van de bedrijventerreinen als een absurde herinnering, alleen nog het zuiden en de lichtgroene bomen en de zachte aarde waarop we naar het vallen van de nacht staarden.

Mijn Hippie

Chamonix heeft veel meer jongens dan meisjes. De klimhallen bulken van mooie mannen, atleten van onbegrijpelijke kracht, gebruinde huid en felle ogen overal. Je hoeft niet bijzonder mooi te zijn om als meisje hier een Goliath aan de haak te slaan. Goliath huist in de normale mens, de skiër, de boarder, klimmer, trailrunner, alpinist, je ontkomt er niet aan.
Het is min of meer een kwestie van tijd voor je naast alle andere avonturen aan de hand genomen wordt voor een avontuur in de liefde.
En nu is het aan mij.

Voorheen schreef ik nooit over mijn romantische rondzwervingen omdat ze al doodliepen voor ik er woorden aan kon wijden. Ik werd niet verliefd en bewaakte mijn tijd en vrijheid als een terriër, want jongens leiden af en dat is gevaarlijk als je zelf al iets voor je leven gepland hebt. Tot – en dat zei ik ook tegen mezelf – iemand wél met je hart aan de haal gaat.
Dus, schrijft Ruby, ik heb een vriendje en ik vind hem heel leuk.

Al mijn voorspellingen over wie dat dan uiteindelijk zou worden zijn min of meer uitgekomen. ‘Ongetwijfeld een warrige hippie (die bergen beklimt)’, zei ik vaak, en wat er nu voor me zit kan ik met geen andere woorden omschrijven. Van tussen al die Goliaths weet ik precies diegene te kiezen die niet stereotype Chamonix is. Een gemiste kans.
Hoe dan ook, mijn hippie is fantastisch en ik zal je vertellen waarom.

Deze jongen rent de berg op sneller dan ik iemand ooit een berg op heb zien rennen. Hij walst ongehinderd over de conventies van mijn brein. Hij is kunstenaar en reiziger en straatmuzikant en vaak genoeg zo gek als een deur. Ik ben een nuchtere Hollandse terwijl hij de wereld wilt redden. Hij spreekt vier talen. Hij is intelligent en goed voor me.
En het maakt allemaal geen donder uit want mijn bril is roze en al was het een seriemoordenaar, dan had ik het hem nog vergeven.

Het avontuur van de liefde is net zo interessant als dat het leuk is. Nu ben ik het een keer zelf die alle typische processen doormaakt en zich vertoefd in cliché na cliché. Misschien vechten we elkaar morgen de tent uit en mag ik op avontuur in het gebroken hart; ik beloof jullie dan ook te schrijven.
Zijn en mijn leven zijn in elk geval equivalent in onbepaaldheid – bepaald in zoverre er sprake is van bergen –  en evenzeer gevoelig voor wendingen en ik verwacht dat onze relatie niet heel veel anders zal zijn. Vandaag zijn we zo spontaan op weg naar Spanje gegaan dat we Chulé beduusd achterlieten.
En dit is nog maar het begin.
Dit is nog maar het begin.

Lognan

De standaard in Chamonix is vrij bizarre.
Hier kun je niet skiën als je supergoed bent. Hier kun je pas skiën als je een middagje steile pas tomber couloirs aftikt en het moet wel heel steil of gevaarlijk zijn wil het de aandacht wekken van een iets groter publiek.
Iedereen kan alles hier en de rest is al gedaan. Het niveau is belachelijk hoog en ook die stervelingen die ver onder de top meelopen zijn naargeestig goed in wat ze doen.

Die standaard.
Marcel waagt het om mij niet sportief te noemen. Ik vraag hem wie hij dan sportief acht en zijn voorbeeld omschrijft een jongen die als training drie keer Flegère oprent (3x1000hm) en gesponsord wordt door Arcteryx vanwege zijn bliksembezoeken aan de moeilijkste toppen hier in de vallei. Hardloopsessies van een uur tellen niet mee. Het begint bij 1000 hoogtemeter (dat noemen ze een lichte training) en eindigt nooit, want zolang er types als Killian Jornet rondlopen falen we allemaal ongeacht onze snelle spillebeentjes of belachelijke afstanden.

Het niveau in mijn klimhal ligt zo hoog dat ik me afvraag of ik ergens per ongeluk een selectiemechanisme ben gepasseerd. Ik weet niet wat die mensen precies klimmen, maar ze houden dingen vast die zich volgens mij ernstig thuis zouden voelen in 8a’s. Training is het devies, prima, doen we, maar hun acrobatische toeren aan het hangboord kan ik niet relateren aan mijn zes moeizame pull ups.
Ik train, écht.
Vandaag rende ik van Argentière naar Croix de Lognan, in totaal iets van 800 hoogtemeter, nauwelijks een training in de opinie van die gekken hier maar genoeg training volgens mijn kuiten.
Ik realiseer me echter dat ik het met deze standaard zal moeten doen en het is geinig hoe dat gaat, want je internaliseert het voor je het weet. Momenteel kan ik mezelf niet om een ongemoeide sprint naar de top van Grand Montets vragen (+2000hm), als ik echter mee wil doen met de grote jongens dan is dat wel het minste. En het kan hè, het is namelijk training.
Het is allemaal training.

Die spurt naar Croix de Lognan liep overigens vast op 200 meter onder de top omdat er nog teveel sneeuw lag. Ik was er niet heel verdrietig om. Het is zo stil in Chamonix dat ik nooit meer een dansje doe en tegelijkertijd stil genoeg om dansjes te doen op de verlaten bergpaden. Dus dat is wat ik deed. Ik luisterde naar een Zweeds nummer uit mijn tijd bij Chambre Neuf (Placebo – Movits) en danste op de sneeuw, pal tegenover de Aiguilles Rouges en ik zweer je, ik zag ze met me meebewegen.

IMG_3338

De Dromenvolger

Dit ben ik, tegenwoordig. Ik ben een dromenvolger van beroep. Mijn dromen zijn losgekomen van die van de anderen en er heel hard vandoor gegaan, en vervolgens zijn ze ergens in de bergen blijven hangen. Daar heb ik ze gevonden. Ik ben een dromenvinder en een dromenvolger tegelijkertijd, want ik weet nooit wanneer en waarheen die dingen ontsnappen.

Het is nog steeds een beetje een controversieel beroep. Het dromenvolgen levert zo nu en dan een kleine strijd die zo cliché is dat zelfs zij die überhaupt niet dromen haar kunnen uittekenen. Je komt uit een goed gezin, gaat naar de universiteit, vind een baan en een vent, worstelt wat met modern ouderschap en leeft nog vijftig jaar in harmonie met geld, zekerheid en status; het pad dat je met veel kabaal niet volgt. Ik zou er bijna voor tekenen en toch niet.

Ik zit opgescheept met aan de ene kant een cultureel betonblok dat nog steeds in stilte word aangemoedigd door mijn ouders en de occasionele ‘normale’ mens en aan de andere kant een hart dat schreeuwt om vrijheid en nooit rust zal vinden binnen het evidente toekomstperspectief. Het zou makkelijker (of in elk geval duidelijker) zijn geweest als mijn fantasieën parallel zouden lopen met die van zoveel anderen, maar mijn dromen zijn ervandoor gegaan en ik ben het mezelf verschuldigd ze te volgen, zolang ik de kwaliteit van mijn leven serieus neem.

Natuurlijk is het eng in die zin dat de garantie van geluk zich baseert op louter mijn gevoel en niet op datgene wat het Westerse gros al millennia als geluksmachine ziet. Op momenten van confrontatie word ik herinnert aan mijn kinderideeën van succes en zie ik opeens de kloof tussen mijn huidige leven en het weggedrongen einddoel.
Maar ondanks de verleiding van de oude zekerheid is er geen vezel in mijn lijf dat daar werkelijk weer voor zou tekenen. Ik onderschat mijn gevoel niet. Het liegt nooit over de voorwaarden van mijn geluk, terwijl de samenleving dat wel heeft gedaan.

Ik ben een dromenvolger van beroep. Waar zij gaan, ga ik. Dat betekend niet dat ik altijd aan het hollen ben naar iets in de toekomst, want ik ben ook een dromenvinder. En zelfs een dromenmaker, al winnen ze vanaf dag één van hun bestaan al hun autonomie.

photo (31)

Waterskiën op de Vallée Blanche

De Aiguilles Rouges schitteren onder een blauwe hemel, absurd weinig sneeuw op hun flanken, de treurigheid van de skiliften voor het eerst weer zichtbaar. Mont Blanc hult zich in wolken en ook Aiguille de Midi onttrekt zich aan het zicht. Als ik bij de rotonde achter het toeristenbureau de Franse vlag horizontaal in de greep zie van de wind vraag ik aan Marcel wat precies het plan is vandaag. Een poging wagen, zegt hij. Naar boven naar de Midi en zien wat de condities op hoogte zijn.
Dat is de luxe van het hebben van een seizoenpas; zelfs een willekeurige lunch kan op 3842m hoogte zonder op eigen energie een enkele hoogtemeter overbrugd te hebben.

We delen het liftje met twee Roemenen en een oud Argentijns koppel dat foto’s neemt van de white-out waar wij we ons op voorbereiden. Het is de tweede keer dat ik de Vallée Blanche intrek, dit keer ben ik overtuigd van haar schoonheid en eenvoud (als je een winterseizoen in Chamonix werkt en dag in dag uit toeristen over de Vallée Blanche hoort orakelen raak je haar zat, met name als je skiniveau nog niet afdoende is om zelf ‘dat wonder’ gade te slaan).
Maar we zien niets. Geen bergen, geen spoor, geen gletsjerspleten. Geeneens wind.
Marcel baant zich gestaag een weg door de mistige eindeloosheid, op zijn hoede voor obstakels die zich alleen bij verassing tonen. Ik volg en zelfs de digitaal goed uitgeruste GPS Roemenen volgen. Soms zakt de wereld onder mijn voeten vandaan omdat ik de helling niet zie. Soms rem ik zo plotseling dat ik over mijn ski’s struikel.

We skiën op de tast door de poedervallei.

Onder me suist een laag poedersneeuw uiteen die elke wintersporter high zou hebben gemaakt en ik heb het hier zomaar in miljoenen kilo’s.

Plotseling skiën we uit de wolken, precies daar waar Glacier de Lesschaux en Glacier des Geants uit de Mer de Glace ontspringen (wat samen de Vallée Blanche maakt?). Midden op de versnijding eten we onze broodjes, omringt door fel zonlicht en bergen die met veel kabaal afbrokkelen, lawines links en rechts, rotsblokken ter grootte van vrachtwagens die vrolijk de hellingen af stuiteren. Wij zijn veilig op het midden.

En dan moet het gebeuren: De Cardiotraining op hoogte, meters for Ruby, want Marcel benodigd niet zozeer meer training. Zijn hart is gemaakt van een technologie die slechts eenmaal werd geïmplementeerd en zijn conditie is daar het wonderbaarlijke resultaat van.
We leggen de tassen achter een rots en skiën de Lesschaux op, drie keer heen en weer, op zijn minst, op zijn minst. De zon bijt zich vast op mijn huid en mijn goggles vullen zich met zweet. De gletsjer toont zich net zo eindeloos als al die gletsjers in deze vallei en een uur later bevind ik me nog steeds in dezelfde spurt omhoog. Cardiotraining op de voorgrond van de Grandes Jorasses is echter niet zo erg.

We keren terug wanneer de sneeuw te nat is om fatsoenlijk op naar boven te gaan en arriveren weer in het poeder. Meer poeder.

Het is fijn dat sommige soorten sneeuw me een skiër laten voelen, zoals al die anderen die al jaren op ski’s staan.

We houden het bij één keer dankzij de onverwachte lengte van ons cardioproject en beginnen aan de staart van de Vallée Blanche. De Vallée Jaune vanwege de integraal smerige sneeuw die de hoge temperaturen genadeloos tevoorschijn smelten. Haar gloriedagen zijn voorbij, in minder dan een week is ze uitgemagert tot een skelet van ijs met stroompjes water die onrustig naar het dal stromen. De resten sneeuw remmen dusdanig dat we onszelf met onze stokken vooruit moeten duwen. Af en toe skiën we kniediep in het water, als gebonden aan een jetski, geluiden die thuishoren in de grote oceaan in plaats van op de gletsjer.
Ver voor de lift resteert er geen sneeuw meer om over naar beneden te glijden. We klikken de ski’s af en lopen over het maanlandschap naar de ladders die leiden naar het treinstation van Montenvers. Het treintje arriveert tussen de Japanners juist wanneer wij verhit en bezweet aankomen. We blijken de enige alpinisten; de wind heeft de rest af geschrokken waardoor de volle lading aandacht voor het exotische op ons gericht is.

Beneden in Chamonix is het zo warm dat ik al mijn alpine lagen in mijn rugtas stop en in een hemdje naar de bushalte loop. Mijn broekspijpen zijn nog nat van het waterskiën.
Marcel beklaagt zich over het tempo van degradatie van al die besneeuwde flanken die hem zo lief zijn, maar de zomer houdt je niet tegen.
Ik geloof dat we moeten genieten van de sneeuw die hoog, hoog boven nog valt alsof de wereld niet warmer wordt en het sprookje van ijskristallen oneindig aanhoudt.

Hier Schrijf Ik…II

Het is zomer en ik ben op vakantie. De buurman heeft me zojuist geleerd hoe ik water kan aftappen van de kleine brandslanginstallatie op de parkeerplaats. Zijn hond, Faija, is bij me op het kleed voor de Caravan gaan zitten. Ze is als een Husky maar dan een vuilnisbakvariant, met een dikke zachte vacht en wolfachtig hoofd, bruine ogen en een groene tennisbal in haar bek. Als ze blaft wil ze dat ik de bal gooi. Dat is niet heel welopgevoed van haar maar daar kan zij niets aan doen.
Ze is prachtig.
Het geluid van vogels en de l’Arve wordt zacht doordrongen van de beats van de buurman. Hij is een echte. Een vrachtwagenbewoner zoals je die veroordeeld in gedachten. ’s Avonds zit hij met bier en sigaretten rond een plastic vat, zijn lach over de parkeerplaats, en hij helpt ons de hele tijd bij het alternatieve bestaan, zegt bonjour bij passeren, stelt ons voor aan zijn vrienden.

De dag is rustig. Chulé zit op het strand in Italië en Marcel in Annecy. Eergister heb ik mijn knie licht verdraaid op de Valleé Blanche waardoor ik gebonden aan het kleed mogelijke verhaallijnen uitpluis. De trailrunners zijn echter al op weg Chamonix te domineren en dit jaar wil ik ze bijhouden, dus ik kan niet lang wachten.

Net op het moment dat ik heb besloten van schrijven mijn beroep te maken crashed mijn computer. Te gierig om geld te besteden aan een virusscanner en te sceptisch om een van het internet te halen en met name te naïef om de vijandigheid van virussen in te zien, zit ik nu met een Internet dat slechts op eigen initiatief opent en een Word dat louter reageert met Reageert Niet. Het ontbreekt me aan het vertrouwen van mijn laptop, maar ik heb pen en papier en zeg tegen alle sceptici dat ik all-in ga. Ik wil schrijver worden en dus schrijf ik, en lees ik, en ik wil alpinist worden en dus alpineer ik.
Wat een toekomstperspectief.

De Caravan en het zomerweer brengen me terug naar de vakanties in mijn jeugd en die zorgeloosheid dringt door tot diep in mijn wezen. Ik zit in een transitiefase die nog op elk front vorm moet krijgen en ik laat het gaan, gedisciplineerd waar mogelijk maar ontspannen wat betreft de wendingen die uit kunnen monden in avontuur en romantiek.
Ik aai de hond en kruip in mijn hoofd, in welke gang dan ook, de zon op mijn rug en een pen in mijn hand.
En daar ontstaan hopelijk de verhalen.

Hier Schrijf Ik Mijn Eerste Roman

Het sneeuwde weer onverwacht het hele dal onder een sprookjesachtig witte laag en daardoorheen liep ik in de richting van Argentière. Mijn contract bij Chambre was zojuist afgesloten met een tafel vol bier en wijn in de hoek van het café, omringt door dronken bazen en blije collega’s die mooie dingen probeerden te zeggen of eigenlijk zeiden. Aan het eind van zo’n seizoen betrap je jezelf plotseling op sympathie, zo gaat dat. Dat waren toch de mensen waarmee je de hel deelde.

Ik liep over de parkeerplaats van Grands Montets tot ik de Caravan in de verte zag opdoemen. Ze leek vreemd vertrouwd, een ding dat sinds een aantal dagen in mijn gedachten bestond maar nu opeens de realiteit van mijn slaapplek, mijn huis, mijn thuis bezat. Onder de sneeuw, een klein lief wagentje waar Chulé en ik de afgelopen drie dagen al onze bezittingen in hebben opgestapeld.
Ik stak de sleutel in het slot en duwde met wat kracht en gekraak de deur open, want dat vraagt een dertig jaar oude caravan. Chulé lag in haar slaapzak onder extra dekens in het donker, links zag ik de contouren van stapels dozen en tassen die we moesten organiseren.
De volgende morgen zagen we vanuit het bed hoe de takken nog gebogen gingen onder sneeuw. Het was zo koud dat we ons gedwongen zagen in bed te blijven tot de kachel haar kracht vond. Na het zorgvuldig uitsorteren en plaatsen van al onze spullen (zijnde: Denk aan twee gewone levens samengeperst in een aantal kleine kasten én winter en zomer alpine materiaal) zaten we aan ons tafeltje, ik met mijn laptop en Chulé met een boek, en af en toe keken we om ons heen en daarna  elkaar grijnzend aan. Een beetje ongeloof, nog steeds, om de wending die onze levens haast autonoom genomen hadden.

We spraken over organisatorische en iets wat lastige dingen als de waterbron, elektriciteit en toiletten, maar ik kon nergens werkelijk de ernst van inzien. Want het enige wat ik dacht is: Hier schrijf ik mijn eerste roman.

De Piano

Elliot speelde onder werktijd een klassiek stuk op de piano in de receptie van het hotel. Ik speel het ook. Mijn oma leerde het mij toen ik nog op de basisschool zat. Ik zei haar keer op keer dat ik naar het conservatorium wilde, maar liet het consequent na te studeren voor onze afspraken.
Haar vingers werden op een gegeven moment zo oud dat ikzelf onder haar begeleiding moest voorspelen wat ik later zou instuderen.

Een aantal jaren later pikte ik het zelf weer op.

We hadden een voorkamer in het huis in Heemstede waar je eigenlijk nooit hoefde te zijn. Er stonden meubelen nog van oma’s en betovergrootoma’s, een groot tapijt hing aan de wand en de platenspeler draaide klassiek of jazz naar gelang het gemoed van mijn vader. Boeken van filosofen en reizigers, boeken van de beste Nederlandse schrijvers of ’s werelds beste schrijvers, boeken. Alles rook er anders en klonk er anders want het kraakte en was oud. Omdat je er alleen maar kwam als je rustig was, werd je rustig door de kamer binnen te treden.

De piano stond ook in die kamer. Mijn vader speelde altijd dezelfde deuntjes en ikzelf eigenlijk ook, waarschijnlijk tot ergernis van de rest van het gezin. Het huis en haar muren waren oud genoeg om geen kamer ons spel te ontzeggen.

Ik ben verandert. Soms kan ik nauwelijks nog het pad terugvinden dat me leidt naar mijn verleden in Heemstede, al moet mijn leven haast nog beginnen.
Ik stond met een schaal warme broodjes in mijn handen te luisteren naar Elliot zijn spel en voelde de liefde van mijn oma en ouders zo sterk dat ik zeker wist waar voor altijd mijn fundament lag. Zij die me hebben grootgebracht.

Na mijn shift nam ik zelf plaats achter de piano en zaten ze allemaal naast me.

Atletiekbaan

Hier in Chamonix bestaat de wereld niet.
We zijn de bubbel der bubbels.

We jagen op vermaak en een gemakkelijk leven. Maar op een charmante manier, met romantische overtuiging, omringt door hele esthetische plaatjes. En we doen het zo intens dat we dat gemakkelijke leven ook gemakkelijk op het spel zetten.
De filosofieën die er mogelijk achter zitten komen terug in pakkende kreten van gesponsorde freeriders of alpinisten in online filmpjes, ‘you have to live now’, ‘we worked for it together and that’s what it’s all about’, ‘be free’, ‘I want to inspire people to go out there and live their passion’, enzovoort. Het is nooit heel veel langer dan twee zinnen, want daarna moet er weer een smal couloir doorgeskied worden.

In Amsterdam werd ik omringt door denkertjes die korte zinnen wantrouwden. We waren allemaal studenten van het één of ander en we lazen boeken en de krant. Er was een wereld en een pad naar de toekomst, een bewuste manier van leven en een gevoel van maatschappelijke verantwoordelijkheid, niet altijd heel expliciet maar doorgaans op de achtergrond.

Ik kan niet zeggen dat niemand in Chamonix een boek leest en – hoe kan ik überhaupt zo’n gek dorp generaliseren. Mijn sociale kring hier is divers genoeg om me te realiseren dat Chamonix veel verschillende mensen aantrekt.
Maar ik merk dat ikzelf meer in het gemakkelijke nu leef dan ooit tevoren en delen van mijn brein lichtjes in slaap zijn gevallen. Ik zoom zelden meer uit. Niets prikkelt me tot denken dat dieper gaat dan hoe ik mijn leven in de bergen wil leiden.

Het is geen verlies voor de wereld, want mijn intellectuele, sociale, wereldreddende output in Amsterdam was net zo nihil als dat het hier is. Het is ook niet zozeer een verlies voor mij, want ik heb gedaan wat ik wilde doen en filosofie (of de buitenwereld, de buiten-bubbel-wereld) kreeg daar geen plaats in. Ik merk alleen dat ik langzaamaan weer nieuwsgierig raak naar wat er zich in het grote geheel afspeelt en ik denk dat, misschien, het grote geheel veel kan betekenen voor mijn bubbel. Iets met creativiteit, betekenis, diepte, magie.

Het zal in ieder geval mijn schrijven geen kwaad doen. Ik heb het gevoel alsof mijn brein inmiddels de vorm heeft van een atletiekbaan waarover ik eindeloos rondjes ren. Het is tijd om uit de bocht te vliegen. Voor ons beider vermaak. (Ik kan ook de metafoor van de bubbel aanhouden, dan glijd ik in rondjes over de binnenwand en is het tijd om uit de bubbel te spatten).

Splats!