Latest Posts

Wat de Chamois ons leert

Een tijdje geleden schreef ik over de Chamois die Marcel en mij bekogelde met stenen. Er heeft zich inmiddels een boel meer afgespeeld.

Chamonix is namelijk weer eens aangesloten op het toeristennetwerk en de auto’s scheuren door de lengte van de vallei met een eindeloos lawaai dat door al die hoge bergen blijft weerklinken tot je er doof van raakt. Mont Blanc wordt elke seconde twintig keer op de foto gezet. De bussen rijden godzijdank weer met enige regelmaat, want in het laagseizoen kom je nergens hier, en de rijen Britten voor de kassa’s van de supermarkt zijn in lengte verdrievoudigd. Op elke straathoek loopt iemand met een ijsje en het is maar beter dat die krengen zo schandalig duur zijn, want anders zou ik er elke dag wel tien kunnen eten en moest ik tien kilo meer de berg opslepen.

De sneeuw is weggesmolten, behalve op een paar plekjes, en geinig genoeg heb ik een week geleden nog met een stel skifreaks/freeriders op de pistes van Grands Montets gestaan. We hoefden slechts vijf minuutjes door het gras te lopen naar het tussenstation. Ik denk dat je nu alweer een boel meer moet lopen.

Ik ben nog niet zo trouw aan het wandelen als zou moeten voor de AMM, omdat het met de liftpas veel te gemakkelijk is om links en rechts een beetje te klimmen, even naar 3842, naar Brevent, Flegère, duizenden hoogtemeters die ik per week aan een draadje overbrug.
Maar het doet geen afbreuk aan mijn conditie, want de helft van de tijd over vermoei ik mezelf op hoogtes die me lang nadat ik me alweer tussen de toeristen van de vallei vertoef, nog hoofdpijn bezorgen.

Na het Chamoisincident besloten Marcel en ik wat trad (klimmen op eigen protectie) te oefenen onder de Refuge des Cosmiques en ik geloof dat de absentie van berggeiten en presentie van een zomerzonnetje de Alpen weer wat gunstiger stemden. Het was leerzaam en leuk.

Twee dagen later begonnen we aan een route – de Contamines op Pointe Lachenal – dat een eigen verhaal zal krijgen, want dat is nogal een affaire gebleken.
Na afloop trok Marcel de conclusie dat hij niet zeker is of hij nog wel een berggids wilde worden, omdat hij eigenlijk een hekel heeft aan dat gevoel van discomfort dat hem achternazit zodra hij zich in het hooggebergte bevind.
Die twijfel veranderde veel en heeft ons beiden heel hard laten nadenken.

Ik ken dat gevoel van discomfort dondersgoed, want het is mijn alpine metgezel geweest sinds mijn val. Langzamerhand begin ik periodes te hebben dat ik me voel zoals vroeger in de bergen, toen ik achter berggidsen aansukkelde of met vrienden PDtjes klom. Die periodes zijn magnifiek en intens, maar is dat voldoende?

Je lichaam en brein halen bovendien een truc uit zodat je je soms ter plekke of zelfs een route lang miserabel en angstig voelt, maar na een dag in de vallei… gaat het allemaal wel weer. Dan heb je het overleefd en hoorde het bij het avontuur.

De Alpen zijn meedogenloos. Het leren beklimmen van bergen gaat gepaard met eindeloos vallen en opstaan en niets wordt je op een dienblaadje aangereikt. Het is bij tijd en wijle een gevecht en dan soms weer zo sereen en vloeiend dat je je wonden niet meer voelt.
Er is echter meer aan de hand.
Chamonix is een vreemde plek. Ik heb al eerder over de standaard van Chamonix geschreven, maar ik realiseer me nu pas de gevolgen ervan. Het is een vallei vol risicosport. De meest leipe shit (sorry) is hier normaal. De buurjongen soleert het Chèré couloir en het vriendje-van wingsuit vanaf Brevent. Je bent een held als je eens even goed je leven riskeert en er ongedeerd uitkomt, en eigenlijk, zo’n held ben je niet, want dan zou de hele vallei vol helden zitten.
Je leert hier opkijken tegen de mensen die de hardste en engste routes klimmen.
Niet tegen de mensen die het meest van de bergen houden.
Ik weet dat het overal zo is – zo werkt het nou eenmaal – maar het feit dat in Chamonix de gemiddelde alpinist zulke dingen uithaalt maakt dat als je ook maar een beetje gevoelig bent voor de sociale buitenwereld, je zelf ook dat soort dingen gaat uithalen.

Tot je op een dag concludeert dat je je eigenlijk de helft van de tijd oncomfortabel voelt in het hooggebergte en dat dat helemaal niet zo leuk is.

Waarom alpineer je? – wordt dan de vraag.

En dan heb je ook nog dat dingetje van de gidsenopleiding: Op de lijst aan tochten die je moet volbrengen voor het probatoire staan op zich vrij harde en enge routes. De wetenschap dat elk jaar tig mensen proberen binnen te komen dwingt je eigenlijk nog iets hardere en engere routes te klimmen dan die anderen. Daarbij vragen ze een klimniveau van 7a (wat 7b+ is in Chamonix).
Vervolgens, in de opleiding zelf, gaat het gewoon in dezelfde trend door.
Als je op een dag geïnspireerd wordt tot het aangaan van de uitdaging tot gidsen hier in Frankrijk, dan is dat wat je te wachten staat.
Maar is dat ook wat je als gids zou doen: Je klanten enge en harde routes doorjagen?

Waarom wil je gids worden? – is dan de vraag.

Marcel wil mensen op avontuur nemen in het hooggebergte, letterlijk gidsen door het terrein dat hij zo mooi vindt, hier in Europa, in Zuid-Amerika, in de Himalaya. Daarvoor hoeft hij geen Pointe Walker te kunnen klimmen. Noch 7b+. Hij heeft een hoop liefde voor de bergen en wil dat doorgeven.
Ik zou mensen willen leren klimmen zoals mijn gidsen mij hebben leren klimmen. Ik zou ze over de jaren heen willen volgen, van hun eerste achtknoop tot hun eerste rappel op een abalakov, ik zou ze eerst willen zien struikelen over de rotsen van het basisterrein en daarna willen zien rennen over graatjes, ik zou met ze om een tafel en kaart willen zitten en ze vertellen van de hoogtelijntjes, om ze drie jaar later tegen te komen in een hut boven dezelfde kaart met allerlei tochten in gedachten.
Daarvoor hoef ik geen Pointe Walker te kunnen klimmen. Noch 7b+. Ik heb een hoop liefde voor de bergen en wil dat doorgeven.

Sinds de Contamines route zijn we beide weer even op zoek naar onze oorspronkelijke motivatie om hier in Chamonix ons leven te leiden en telkens maar weer die bergen op te gaan. De ontberingen zijn even te veel.
Het klimmen van routes ging bijna meer om het resultaat, zijnde het intikken van de routes, dan om het klimmen zelf. En ook het binnenkomen bij de gidsenopleiding (met name voor Marcel, voor mij is dat überhaupt nog ver weg) nam de boventoon.

Het moet louter en alleen, zonder een haartje uitzondering, gaan om het plezier van het klimmen zelf. We riskeren er immers onze levens voor.

Dus nu, naast de komst van eindeloze bendes buitenlanders die met ijsjes door de lawaaiige dorpsstraten struinen, zijn we de fundamenten van ons Chamoniaanse leven aan het heroverwegen.
Er zal waarschijnlijk niet heel veel veranderen, maar het proces is interessant.

In wezen kunnen we alle kanten op.

Naampje

Ik heb hier boven allerlei filosofieën staan die tevoorschijn komen als je op de plaatjes klikt. Toen ik mijn site verbouwde, streefde ik naar een eenduidig karakter dat mensen zou verleiden tot vaker terugkomen of in elk geval eventjes mee zou slepen in mijn wereld. Als je naar de blog van Ruby gaat, dan kun je dit en dit krijgen en de volgende keer is het er weer. Zoiets.
Maar… dat is lastig. In al mijn filosofieën zit verandering inbegrepen, omdat ik mezelf in relatie tot het leven goed genoeg bestudeerd heb om te concluderen dat ik elke dag een beetje van gedachten verander. Die vrijheid kan ik nemen, want mijn leven toont zich flexibel als een acrobaat en als er opeens naar links gegaan moet worden, dan gaan we naar links, en als er opeens naar rechts gegaan moet worden, dan gaan we naar rechts.
Dat resulteert echter onvermijdelijk in blogs die ook van links naar rechts schieten. Ik geef alle blogs bij elkaar genomen een impulsieve, ongeorganiseerde wereld weer. En het is leuk dat ik al waarschuw voor verandering in mijn filosofieën hierboven, maar dan nog steeds – of juist daardoor – dring ik mijn lezers chaos op die ze eenvoudig de draad laat verliezen. Ik moet op zoek naar een concept Ruby. Een label, een merk. Ik moet mezelf vastpinnen, mijn digitale zelf, blogRuby incl. verandering.

Ik kan bijvoorbeeld een lifestyle poppetje worden en in plaats van wortelsapjes en groentenshakes (mocht dat nog de trend zijn), de bergen introduceren als dé nieuwe manier van healthy living. Of iets zen-achtigs anno rusteloze meisjes 2016 aan de man brengen. Of de ‘van corpsmeisje met hockeystick en toekomst tot hippie zonder geld maar geen bullshit in het brein’ beweging als ‘denk hier eens over na’ promoten.
Ik heb geen idee hè. Ik zeg maar wat.

Dat is het hele probleem.

Kijk, het idee is in principe simpel: Ik leer van wat ik meemaak en ik zou graag de wijsheid die dat leven hier op mijn pad gooit doormiddel van een overzichtelijke site toegankelijk willen maken voor anderen.
Maar hoe… hoe, hoe, hoe vind je de gemeenschappelijke noemer van wijsheid die zich overal achter verstopt en dan weer pal voor je gaat staan en dan nog drie keer van gedaante verandert, van teksten in boeken tot eindeloze rotswanden, gekke vriendjes en vreemde Chamoniaanse samenlevingen, hoe geef ik dit beestje een naampje?

Ik ga hier heel hard over nadenken.
En als jullie een idee hebben, dan hoor ik het graag.

Wat er nog te leren valt

Als je een nieuwe baan aanneemt, dan weet je niet hoe het uit zal pakken. Als je werkloosheid aanneemt, dan weet je dat net zo min.
Het is een soort van leven. Ik sta in de wereld op een fundamenteel andere manier. Zonder dat ik zoveel belang aan werken zou willen geven, kan ik het op geen andere manier ervaren.

Het voelt als een ernstige zaak als je zonder werk zit. Tenzij je oud bent, met pensioen, want dan heb je je hele leven al gewerkt. Of als je in opleiding bent tot iets dat je op een later moment wel aan het werk zet.
‘Als je deze inschrijvingen accepteert’, zei de vrouw bij Pole Emploi, het Franse instituut voor werkzoekers, ‘dan ben je officieel werkzoekende’.

Als je niet werkt, dan ben je een werkzoekende. Dat is het principe.

Ik ben echter geen normale werkloze.
Ik ben er zo één die bewust even niet werkt, wat ik naar sommige communiceer als de mogelijkheid tot het investeren van tijd in mijn klim- en schrijfcarrière (zie hier: werk in de toekomst) en naar anderen als iets meer ideologisch van tijdelijke aard. Waar het in de praktijk op neerkomst is dat de tijd bijna helemaal van mij is en er helemaal niets meer op mijn bankrekening gestort wordt.

Tijd versus geld.

Ik kom uit een milieu waarin werken niet als een ‘optie’ beschouwd wordt: dat is hetgeen wat je doet, wat je bent. Ik ben terecht gekomen in een milieu waar het wemelt van mensen die zorgvuldig tijd en geld balanceren, met het grootste gewicht aan de kant van tijd.
Want tijd heb je nodig als je in de bergen wilt zijn. Of iets van de wereld wilt zien.
Ik denk niet dat wij (als ik even van een ‘wij’ mag spreken) niet van werken houden.
Wij houden alleen heel veel meer van de tijd.
Een heel specifieke vorm van de tijd.
Tijd die zich openstelt voor mogelijkheden. Tijd met een eigen ritme, soms dat van het opkomen en ondergaan van de zon, soms dat van de condities in alpine routes, soms dat van inspiratie of berusting, van leren of laten gaan, de tijd van het lichaam, de tijd van de geest zonder die druk van buitenaf, de tijd van samenzijn. Je weet het niet. De tijd bepaald.

De tijd van een zelfgekozen werkloze is fundamenteel anders omdat ze zelf bepaald hoe ze eruit gaat zien.

Er zit ergens nog een niet te negeren Calvinistische moraal in mij die schreeuwt ‘werk! werk!’. Tegelijkertijd stribbelt de hippie ernaast ernstig tegen zulk grootschalig en vrijheid berovend ‘moeten’ en met name het feit dat de samenleving in mijn hoofd heeft geplant als ‘dat is wat je doet, bent’.
Ik twijfel vooral aan verhouding tussen het hebben van vrije tijd, het krijgen van geld en ons (mijn) uitgavepatroon.
Volgens mij is daar iets mis.

De waarschuwing was, voor mijn besluit tot werkloosheid (ook de waarschuwing die van mezelf kwam): Ruby, je gaat je vervelen, je hebt structuur nodig en het gevoel dat je nuttig bent en een toekomst.
Een toekomst is lastig te vermijden. Een bepaald soort toekomst gaat ongetwijfeld elke dag een beetje meer verloren, maar in die ratrace zat ik toch al niet meer.
Nuttig ben je zeker niet in elke baan. Ik ben gedurende mijn werkverleden als horecatijger veel meer belastend (consumerend) geweest dan dat ik nuttig was.
Structuur komt inderdaad met een baan, maar ook met discipline en rust. En de structuur van een baan grijpt je naar je keel, terwijl de structuur van discipline en rust je de ruimte geeft om datgene te doen wat je gelukkig maakt.
Vervelen doe je niet in Chamonix.

Ik verdoem niet werk als zodanig, maar alleen werk in de vorm die het neigt aan te nemen. Ik ga graag aan het werk als ik weer moet (geld) of er daadwerkelijk het nut van inzie. Nut in die zin dat het bijdraagt aan mijn geluk, zij het door goed te zijn voor andere mensen of de natuur, zij het door me te ontwikkelen.
Mijn vrije tijd leert me wie ik ben zonder afhankelijk te zijn wat ik doe. Het forceert me om comfort bij mezelf te zoeken, bij het wezen dat ik ben dat bestaat. Het lukt me zelfs om, dankzij de tijd die ik heb voor lezen en nadenken, mezelf los te zien van ‘de alpinist’ of ‘de schrijver’, wat voorheen een gemakkelijke toevlucht voor mijn identiteit was.
Ik heb nu, in de eerste fase van mijn werkloosheid, geleerd dat ik geen ‘vorm’ hoef aan te nemen om een gevoel van behoren tot te verkrijgen of een bepaalde zingeving aan mijn leven te geven.

Op een dergelijke basis wil ik graag weer werken. En onder mijn eigen voorwaarde, als ik die luxe heb. Wat betekend dat ik geen werkcontract meer zou willen dat me in feite dwingt weer te worden wat ik doe aan werk. 40 uur per week is gevaarlijk.

Idealiter zou ik voor een deel aan het werk gaan op mijn land, zodat ik van mijn eigen groenten kan eten en de kaas van de geit op het brood uit de oven kan gooien. Daarmee zou werk simpelweg iets worden dat me in leven houdt en niet die vreemde en complexe status krijgen die de samenleving erop loslaat.

Ik begrijp goed dat zij die heel veel van hun werk houden zich niet kunnen vinden in mijn reflecties.
En ik onderschat niet het belang van werk voor mensen in het algemeen, echt niet, ik zie graag dat iedereen die geld nodig heeft gemakkelijk aan een redelijke baan kan komen.
Ik zie echter nog liever dat het geld allemaal wat beter verdeeld wordt zodat ieders balans van geld en tijd een beetje rechtgetrokken wordt. Ik zie misschien nog het liefst dat mensen vervolgens een zijnswijze en identiteit ontwikkelen die samenvalt met hun wezen en niet (louter of zo vanzelfsprekend) teert op hun werks en consumptiegedrag.
Maar er zijn heel veel dingen die ik liever zie.
Ik kan het gelukkig voor mijn eigen leven bepalen en momenteel kan ik alleen maar concluderen dat de werkloosheid me goed doet.

Ik begon deze blog eigenlijk vanuit een andere invalshoek.
Afdwalen, heet dat.
Dit was namelijk wat me plotseling intrigeerde en aanzette tot schrijven: Toen ik stopte met werken had ik specifieke ideeën over hoe ik mijn tijd zou opvullen, maar de lading aan vrijheid dwingt me om mezelf op een nieuwe manier te ontwikkelen en zodoende verandert ook mijn tijdsbesteding (ik zei al; de tijd bepaald zichzelf). Het is bijna alsof ik buiten mijn eigen levensplan ben gezet en ‘s avonds aanzie wat intuïtie, inspiratie en spontaniteit vandaag weer met mijn dag heeft gedaan.

Het resulteert in bergen, klimmen, boeken, late schrijfuurtjes, gitaarsessies en vooral een hoop gedenk en gemediteer. Het is ongelofelijk hoeveel er nog te leren valt en ik ben eindeloos dankbaar voor het feit dat ik daar nu zo de kans voor heb.

Stomme Chamois

Chamois kunnen klimmen als een dolle. Die kleine fluffige bergdieren klauteren over kleine randjes op verticale muren alsof het balzalen zijn waarin ze hun tango oefenen. Dan glijden ze weg op hun hoefjes en krabbelen ze gewoon weer naar boven, zonder de hoogte in hun gemsenbuikjes te voelen, misschien schieten er parachuutjes uit die hoorntjes van hen zodra ze de vrije val inzetten. Anders zijn ze wel heel stoïcijns.

Vandaag begonnen Marcel en ik aan een eenvoudige route onder de Index in de Aiguilles Rouges en vertoonden de Chamois hun gemsdansen overal om ons heen. Chamois rechts van ons, Chamois links van ons, overal die fluffige dwalers met hun trappelende hoefjes. Nog voor we een eerste cam in een spleet geslagen hadden kwam zo’n beest bijna met rots en al naar beneden geflikkerd. Net niet de Chamois zelf natuurlijk, want anders zou het ’t geheim van de parachutjes aan ons moeten verklappen. De rots kwam echter wel in brokken om de oren van de voorklimmende Marcel gevlogen. Stomme Chamois.
Die beesten kunnen niet uitkijken.

Tien minuten later trapte de Chamois zo nauwkeurig een steen naar beneden dat het precies op mìj terecht kwam. De kleine duivel moet het op me gemunt hebben.

Ik snap dat ze niet heel blij zijn met de aanwezigheid van ons daar, die klimmers en skiërs al hun gruwelijke liften die verderf in het landschap brengen. Ik zeg je, het is een kerkhof daarboven bij Flegère, zonder de sneeuw. Pistes van grijs gruis en dode metalen constucties zover als de horizon reikt. En ik sponsor het voortbestaan met 1000 euro, 500 per seizoen.
De Chamois heeft dat dondersgoed door.
Want die hebben me niet naar boven zien buffelen, nee, die zagen me in dat liftje en daarom zit ik nu met een ei op mijn schouder over de stomme Chamois te schrijven.

Ik kan het ze eigenlijk niet kwalijk nemen.
Ik zou hetzelfde doen.

Blote Boem en het Bakblik

Ik ben op bezoek bij Fieke in Villard Trottier, een dorpje dicht bij Gap.
Eerst ging Kim naar Zwitserland, daarna Sam naar Australië, daarna ikzelf naar Frankrijk en nu is ook die Fieke hier in Frankrijk geland.

Haar ouders hebben vorig jaar een oud huis gekocht in Des Écrins.

Ze hebben in Frankrijk gezocht en gevonden en het lef gehad om ervoor te gaan, en nu zijn ze in het bezit van een idyllisch stukje wereld. Dat gebeurt er dus als je je dromen volgt.
photo 2 (30)
Fieke heeft vervolgens het lef gehad om haar boedel bijeen te pakken en zich in het huis te vestigen. ‘Je suis venu pour m’installer’, zegt ze tegen langsrijdende buurvrouwen. Ze blijft.

Na alle verhalen over ruimte en opknappen en echt-Frans-leven kan ik het huis eindelijk met eigen ogen zien.
Het is inderdaad groot.
Je kan dansen in de keuken en rondjes rennen in de woonkamer, verstoppertje spelen in de slaapkamers en verdwalen in de donkere, nog onbepaalde ruimtes van de bovenverdieping en de naastgelegen hooischuur. De buitenmuren zijn van steen, de luiken van hout, het gras groeit nog wild totdat de moestuin vorm krijgt.
Hier groeit je fantasie bij elke blik die je werpt op een muurtje of hoekje of dingetje dat vraagt om opknappen, al is het huis al heel erg geen bouwval meer. De keuken en woonkamer komen rechtstreeks uit het grote verhalenboek, met brede houten tafels, bloemetjesbehang, een pruttelende kachel en een sfeer die alleen kan ontstaan in een huis dat jarenlang met liefde is bewoond en na verkoop weer met net zoveel liefde opgevangen wordt.
Die kachel pruttelt overigens niet uit zichzelf. Als je het warm wilt hebben moet je het vuur aanhouden en daarvoor moet je vuurmeester worden. Ze is het bijna.

photo 1 (34)Fieke past hier zo goed dat het lijkt of alsof ze bij de verkoop van het huis inbegrepen zat. Ze loopt rond met zagen, boomstammen en boekjes over permacultuur, zit voor het huis in de avondzon met een biertje en twee voeten die herstellen van een wandeling. Ze ratelt met rust over het leven. Zo kan het ook.

Twee dagen geleden liepen we door de omgelegen bergen. Ze kende de paadjes al en wist de toppen links en rechts te benoemen. Zelfs de bloemen gaf ze namen. Als je boterbloem heel vaak achter elkaar uitspreekt, dan krijg je Blote Boem.
Terwijl we even rust namen op een veldje boven een meer (met Franse vissen en Franse vissers die hun hengel vastlegden en met hun dikke billen in de auto hun Sudoku afmaakten) zag ze een autootje rondrijden dat eigenlijk wel bij haar nieuwe bestaan paste. ‘Kijk Ruby, zo’n bakblik moet ik ook hebben’.
Om mee naar het dorp te gaan als je zware boodschappen hebt. Want hier zit de Albert Heijn niet om de hoek, maar wordt je van de supermarkt gescheiden door bomen, weilanden en hoogtemeters.

’s Ochtends ligt ze gestrekt op de yogamat. ’s Middags bakt ze het brood voor de volgende dag of babbelt ze Frans met bejaarde nieuwe maatjes. ’s Avonds belt ze het vriendje dat zich ergens tussen Frankrijk en Nederland beweegt of Whatsapps ze met haar moeder die wil weten hoe dat leven er in Villard Trottier voor staat.

Het verhaal van Fiekes emigratie is begonnen.

photo 3 (23)

Professioneel Wandelaar

Het regent in Chamonix. Het regende al in Spanje en het gaat gewoon door. Het enige verschil is dat de Spaanse regenbuien met veel gedonder en kabaal de blauwe lucht overnamen, terwijl hun Franse buren zich rustig en permanent in de valleien nestelen.
In de valleien.
Ik heb mezelf in een gladde, lange trailrun gestort zonder daarvoor in conditie te zijn en als gevolg mijn knie geblesseerd. Nu zit ik het uit in het café op de Aiguille du Midi. Boven de wolken. Acclimatiseren terwijl ik schrijf en orde schep in mijn leven.

Impulsief heb ik me ingeschreven voor de opleiding tot Accompagnateur de Moyen Montagne. Het toelatingsexamen vindt over drie maanden plaats en binnen ruim een maand moet ik ze een lijst toesturen met veertig wandelingen die ik tot in detail kan beschrijven.
Ik graaf mijn geheugen af.
Waarschijnlijk moet ik komende maand heel hard gaan wandelen.
En over bloemetjes en dieren leren. Gesteenten kennen. Navigeren.
Je wordt niet zomaar professioneel wandelaar. Daar moet je hard voor aan de slag en dan nog maar hopen dat ze je toelaten.

Het is een beetje een noodplan voor als het schrijven en gidsen mislukt. Want met het papiertje van deze opleiding kan ik betaald kinders mee naar boven nemen en dat zou ik zowaar heel leuk vinden. De opleiding vergt een aantal stages per jaar, kost niet bijster veel en kan er in principe gewoon naast. Dus waarom niet.

Nu denk ik verdorie toch aan de toekomst, zie je?

Orde scheppen in je leven op 3842m hoogte is ofwel een heel goed, ofwel een heel slecht idee.

We worden oud

De vrienden van Marcel zijn over het algemeen vier jaar ouder. Het obsessieve onderwerp van gesprek onder de vriendengroep is het kaal worden. Laatst vroegen ze me wat ik prefereerde bij een man: dat hij bij een zekere mate van kaalheid zich volledig kaal scheerde of dat hij zoveel mogelijk haar op zijn schedel liet staan. Ik zei ze dat het nogal afhankelijk was van de man zelf en het soort haar, maar het enige dat ik écht niet mooi vond waren die dunne plukken die zorgvuldig over de kale plekken waren gekamd.

Geen van hen zag er overigens uit alsof hij werkelijk al kaal aan het worden was.

We worden oud. Ik raak al vaak genoeg de loop van mijn leven kwijt. Toen ik achttien was kon ik elk jaar van mijn leven nog uittekenen. Inmiddels moet ik hard nadenken over het jaargetal waarin ik aan Antropologie begon en heb ik geen idee meer wanneer ‘dat ene etentje in die brasserie in Haarlem’ precies was. Ik word niet dement, maar de hoeveelheid leven dat ik geleefd heb wordt gestaag groter en groter.
De mensen waarmee ik omga hebben zowaar iets te vertellen. We hebben inmiddels gefaalde schrijvers, uitvinders met een eigen bedrijfje, arme fotografen, wereldreizigers die zich settelen als yogaleraressen en was ik in Amsterdam gebleven, dan werd ik waarschijnlijk omringt door mensen met een carrière waarin succes en deceptie zich al fanatiek afwisselden.
Er zijn inmiddels een hoop relaties en gebroken harten en zelfs al wat eenzamen.
Maar mijn generatie koopt nog geen huizen en krijgt nog geen kinderen.

Soms ben ik jaloers op de achttienjarige spring-in-het-veldjes die op mijn oude werk rond hobbelen. Want ze kunnen nog jarenlang allerlei onzinnige trajecten uitvoeren zonder dat de samenleving ze met een vragend oog aankijkt. En ze weten dat dondersgoed.
Maar ik zou alleen met ze van leeftijd ruilen als ik de wijsheid kon meenemen die ik de afgelopen zes jaar heb opgedaan. Anders maakt het niet zoveel uit; dan zou ik alles een tweede keer moeten uitvinden en leef ik opnieuw precies wat ik nu geleefd heb.

Misschien geld dat voor alle mogelijke leeftijdsruilen. Alleen de dertigjarige westerse vrouw kan dermate slecht accepteren dat ze haar jeugdige schoonheid verliest, dat ze er graag wat wijsheid voor zou inleveren (geen idee of dat waar is, het enige dat ik weet is dat veel van hen me erg verdrietig maakt).

Ik heb al jaren in mijn hoofd dat ik niet ouder word dan 25. Inmiddels is de 25 zo dichtbij dat ik denk dat ik vijf december gewoon aan tafel zit met wat pepernoten, een stuk taart en hopelijk mijn familie. Ik dacht eveneens dat ik kinderen zou krijgen met 24, maar alleen als ik een schaap (of lichter) was geweest zou ik het nog kunnen redden.
Het bergbeklimmen dwong me voorheen om kwaliteit boven kwantiteit te kiezen, maar dat geeft me (gelukkig) geen garantie dat ik het traject van veroudering misloop. In plaats van een tragisch einde voor mijn 25ste, begin ik waarschijnlijk aan een verouderingstraject dat misschien wel aanhoudt tot een vriendelijk geprogrammeerde robot mijn honderd jaar oude billen afveegt.
Het maakt mij allemaal niet uit, ik begroet de dood en de robot met gelijke sympathie. (Connotatie bij de dood: het doodgaan zal me in realiteit waarschijnlijk heel hard de stuipen op het lijf jagen, het doodzijn interesseert me echter niet zoveel. Ik zie wel of ik neerplof op een wolk of reïncarneer in een miereneter).

We worden oud. Mijn generatie is geen kind meer. Onze ouders worden al bijna de nieuwe kromme of trillende mensen en onze grootouders zijn lang overleden of herkennen ons niet meer. We zijn nog lang geen bankdirecteuren of zenmeesters of van ons optimisme beroofd, maar in ons kwarteeuw leven hebben we dingen gezien en gedacht en gedaan.
We zijn kleine histories op pootjes.
Ik denk dat het niet lang meer zal duren voor mijn gezicht rimpeltjes krijgt van al die bergzon en al dat lachen, maar daarin zie ik alleen de juiste beslissingen weerspiegeld die ik voor relatieve ouderdom heb genomen.
En kaal word ik toch niet.

Een dagje klimmen met Ego

Ik lees weer boeken tegenwoordig, want die luxe kan ik me met al mijn vrije tijd permitteren. La Voie des guerriers du rocher (The Rock Warriors way) lees ik zelfs in Frans, dat vanwege mijn gebrekkige vocabulaire betekent dat ik per pagina zo’n tien woorden onderstreep die ik door de Google Translate moet gooien.

La Voie des guerriers du rocher
Préparation mentale pour grimpeurs
Arno Ilgner

Normaal gesproken laat ik me afschrikken door zelfhulpboeken, want ik kan het allemaal zelf al (want ik ben superRuby) en ik associeer ze stuk voor stuk met midlifecrisissen en Westerse verveling. Dit keer toonde ik me echter zo incapabel dat ook ik mijn toevlucht in het zelfhulpboek heb moeten nemen.
Dit is echter het tofste zelfhulpboek ooit.
Écht.
Ik zou je bijna willen vragen een klim-gerelateerd probleem te kweken zodat je maar aan dit zelfhulpboek kunt beginnen.

Mijn probleem is dit: Ik maak geen progressie in mijn routes terwijl ik sterker en technischer ben dan voorheen en ik poep hem nog steeds heel hard in sommige run-outs, laat me ernstig van mijn stuk brengen door sommige bandjes en heb absoluut nog geen onvoorwaardelijke vriendschap gesloten met het gedeelte rots dat zich boven de haak bevindt.

Ik heb zojuist Hoofdstuk 1 van het boek uitgelezen en al meer geleerd dan in mijn hele klimleven bij elkaar.
Het dwingt je tot een zelfonderzoek dat oneindig veel verder reikt dan wat je brein uitspookt omtrent klimmen. Het maakt je een rotsstrijder, le guerrier du rocher, maar zo eentje wordt je niet in die paar uren per week dat je aan de rosten hangt en met name niet in die paar minuten dat je bibbert in de crux.
Je moet je hele denken aanpassen.
Daarom vind ik het zo leuk.

Ik riskeer nu met mijn omschrijving je aandacht te verliezen, want het zal allemaal ontzettend vaag klinken, en toch hoop ik dat ik iets in je motiveer om dan maar zelf in het boek te duiken, want je zult er waardevols in ontdekken. Echt.

Een rotsstrijder strijdt zoals een strijder in een gevecht van man tot man, waarin elke beweging telt en angst voor de dood bij voorbaat al tot verlies leidt. Een strijder kan zich niet laten afleiden op het moment-supreme, in het heetst van de strijd, de crux van een route. Als je op zulke momenten controle wilt hebben over je bewegingen en geest, dan moet ’t op voorhand al kunnen controleren.

Wat het zo interessant maakt is dat je afgeleid wordt door iets wat je al dondersgoed kent, maar dit boek maakt het (voor mij althans) zo expliciet dat ik er beter dan ooit mee aan de slag kan. Het heet: Ego.
Jaja, het Ego.

Oké, ik zal het proberen uit te leggen aan de hand van het gevalletje Ruby:

Ik heb geleerd om goed te zijn in dingen. Goed, goed, goed. Goed op school, goed op het hockeyveld, goed op de piano, goed in schrijven, goed in tekenen, goed in zingen verdorie goed in alles. Ilgner schrijft dat je van jongs af aan wordt geconditioneerd met ‘goed’ en ‘niet goed’, en dat net zo goedbedoelde systeem van groei en trots en discipline raak je de rest van je leven niet kwijt.
Toen ik begon met klimmen werd het direct een motivatie om daar dan maar goed in te worden, want goed is waar je voor gaat. Beter dan.
Ik kwam een paar dagen terug op het idee om een nieuw instrument op te pikken (Saxofoon, zo cool, zo onmogelijk) en fantaseerde gelijk over hoe ik daar snel goed in zou worden.
Ik herinner me dat ik vroeger pianospeelde en zong met alle deuren gesloten omdat ik oefende en niet aan de anderen wilde laten horen dat het nog niet goed was wat ik speelde. Goed, goed, goed.
Ik zei tegen Marcel dat ik ook houtsculpturen wilde maken (want we maakten een uitstapje naar de heetwaterbronnen waar allemaal naakte hippies gitaar speelden en houtsculpturen maakten) en hij zei dat ik daar waarschijnlijk wel goed in zou zijn. Goed is overal. Goed is alles. Ik ben Ruby en ik ben goed in dingen en zo niet dan weet ik nauwelijks waarom ik iets in de eerste plaats zou ondernemen.

Is dat niet geinig?
Wat levert dat je eigenlijk op, goed in iets zijn?
Ego.
Een Ego dat je afleidt.

Goeroe Ilgner  zegt dat je in wezen gelijk bent aan andere mensen en je persoonlijke waarde niet stijgt met het ‘beter’ zijn in dingen. Dat zou immers betekenen dat als ik slecht ben in pianospelen of Frans spreken, ik een slechter mens zou zijn.

Ego zegt echter andere dingen. Ego laat mijn eigenwaarde afhangen van mijn presteren; mijn idee van ‘beter zijn dan’, mijn succes op schaal van andere mensen, van externe factoren.
Als nu mijn eigenwaarde afhangt van mijn klimmen, dan wordt het opeens een hele intense, beladen zaak, dat klimmen (of dat gitaarspelen of dat Yogaen of dat koken), met de mogelijkheid tot ernstig falen en in waarde te zakken.

Nu, het Ego speelt zich allemaal af in het denken. In het klimmen manifesteert dat zich als een gedachtestroom die me vergezeld tot bovenin het relais en me dusdanig afleidt dat het klimmen soms bijna secundair wordt. Ik ben bezig met vallen en met falen.
Gedachtenstromen.
Denkgewoontes.
Het Ego praat, het Ego is altijd met me, met ons waarschijnlijk want we zijn allemaal mensen die grootgebracht zijn in een soortgelijke cultuur.

Ik kende Ego al. Ik denk zelfs dat ik door de jaren heen een innige band met Ego heb opgebouwd. Het enige wat ik nooit gedaan heb is Ego actief en consequent uit mijn hoofd gejaagd. Ik heb geleerd om met Ego te leven, als gedachten die ik soms bewust verwelkom en half accepteer, soms pas later als motivatie achter mijn handelingen bestempel, soms aanvecht. Het vergt moeite om je gedachten te controleren, om een beetje boven ze uit te stijgen en ze te laten passeren.
Omdat ik me nu dankzij dat boek realiseer dat het Ego zo intiem is verweven met mijn klimmen en het klimmen momenteel een grote rol in mijn leven speelt, wil ik dat samenlevingscontract met Ego beëindigen.
Dat betekend dat ik een grote Boeddha moet worden, zo’n mediterend type met innerlijke rust. Het zat er al jaren aan te komen, maar nu kom ik er niet meer onderuit.

Een paar dagen geleden klom ik een ochtend in Sadernes samen met Marcel, een vriendin van Marcel en Ego. We hadden het zo goed samen. Ego zong hele liederen tegen me, veel meer nog dan ik dacht, ‘Ruby, je bent boven je haak nu, dat is een slechte greep Ruby, de crux moet nog komen, je wordt al moe maar dat zou eigenlijk niet moeten hè, oef, Ruby, hier had Marcel het moeilijk en dat voetje gaat wegglijden… fuck je gaat vallen waarom de fack die haakafstand zo groot, ooh Ruby snotaap die je bent (dat laatste zei ze eigenlijk niet maar dat klinkt zo leuk).
Het lukte me om de gedachten gade te slaan en ze te laten passeren zonder me te beïnvloeden, tot de laatste twee haakafstanden waar ze (concludeerde ik uiteraard achteraf) mijn klimmen overnamen en me bibberend over de 6c plaat lieten bewegen.

Dit is een project. Een traject. Iets met angstaanjagend groot potentieel.
Lees het, klimmertjes. En niet klimmertjes: Ga klimmen en faal en lees het.

Al die tijd in Spanje

Het spijt me dat bijna al mijn verhalen tegenwoordig vergezeld worden door een Marcel maar ik zit nog steeds in Spanje, waar elk aspect van het leven aan hem gerelateerd is, van ontbijt tot het sportklimmen tot de kat die mijn voet kopjes geeft in de keuken van zijn ouders. Al een week houd ik het stopcontact boven de keukentafel bezet vanwege een niet aflatende schrijfrazernij, wat op zich goed is maar ik geloof dat men in Spanje niet zo keukentafelig is (ik van huis uit wel, daar gebeurde alles aan de keukentafel; het studeren, de ruzies, het figuurzagen in de tafel zelf). Hoe dan ook, die ouders van hem vinden het geloof ik wel prima, want ik voer gesprekken met zijn moeder over macrobiotisch eten in het Catelaans – tot grote hilariteit van Marcel want ik spreek geen Catelaans – en gesprekken met zijphoto 4 (18)n vader over yoga en fungeer zodoende als de onverwachte mogelijkheid om weer eens tot die zoon van hen door te dringen, die de wijsheid van zijn ouders sinds zijn puberteit al niet meer aan wil horen.

We hebben een klein probleem. We kwamen klimmen in Spanje, niet vanwege haar rotsen maar om Marcels Spaanse bus de jaarlijkse verplichte controle te laten passeren. De bus had echter het lef om een uur voor de controle definitief niet meer op te starten. De situatie op het moment is dat het hele interieur in de voortuin van zijn ouders staat (want de bus fungeerde als zijn huis en moest leeg naar de controle) en een uitzonderlijk natte periode te voorduren krijgt (want de Spaanse moesson is gearriveerd) en we wachten op een oom die verstand heeft van bedradingen (want de bus is waarschijnlijk minder waard dan de kosten van een monteur).

Ondertussen vermaken we onszelf met de natuur hier die wederom zo mooi is dat ik het alleen maar met sprookjes kan vergelijken. Ik raak nog eens blind voor schoonheid als mijn leven zo door gaat.

We klimmen links en rechts een beetje maar worden vooral gedwongen tot boulderen onder de gigantische overhang naast de rivier, die door alle regenval haast niet meer te bereiken is want de stenen om op over te steken liggen plotseling een halve meter onder water.

Die ene keer dat we wél een fatsoenlijk dagdeel hadden om ons aan de rots uit te leven begon ik aan een 7a die eindigde in tranen omdat de laatste haakafstand zo ver was dat ik panikeerde en vervolgens niets met mezelf meer kon aanvangen omdat het panikeren me zo dwars zat. Marcel was dermate afgeschrokken door mijn verslag van de laatste haakafstand dat de moed ook hem in de schoenen zonk en we uiteindelijk een karabiner achterlieten in de op één na laatste haak, een clipstick (cheatstick) bestelden op internet en ons de daaropvolgende dagen bogen over de Rock Warrior’s Way van Arno Ilgner (een heroïsch boek over het mentale aspect van klimmen dat iedereen moet lezen – als je niet klimt moet je vanwege het bestaan van dat boek maar beginnen met klimmen – sorry Kim, je hebt het me al duizendmaal aangeraden en het spijt me zeer dat ik niet eerder naar je geluisterd heb).

Een andere dag bezochten we Joseph, een vriend van Marcel die de weekenden in het landhuis van zijn ouders doorbrengt, samen met zijn zus en ex-vriendin en alles wat los en vastloopt. Ik heb eigenlijk nog nooit een huis gezien dat overeenkomt met dat van mijn dromen, maar dit was er een. Een echte.
Het paard in de achtertuin was door Joseph als wild veulen in de Pyreneeën aangetroffen en in een historische wandeling van 41 dagen naar huis gebracht omdat zijn vader iets zocht om het gras kort te houden. Zo koppig als een ezel was het – zo gaat het verhaal.
Nu leeft het samen met een jonge ezelin en lopen ze elkaar achterna als twee volledig onopgevoede projectielen, soms vergezeld door het huishondje dat zich lang niet meer realiseert dat het een hond is en elke mogelijkheid aangrijpt om zich languit op de schoot van een bewoner te werpen.
Rechts van het huis kakelt het van de kippen en kuikens en verse eieren, de hanen naast de geïmproviseerde kassen met aardbeien en asperges, en links van het huis beginnen de rijen groenten, die in een bocht achter de bomen verdwijnen met oneindig veel aardappelplanten en tomaten en andere planten die ik niet herkende aan hun uitsteeksels, en kersenbomen en perzikbomen en appelbomen en bomen met Spaans fruit dat ik niet bij naam ken.

Na een toer over het land bracht Joseph ons naar de keuken, waar we een salade aten die ze rechtstreekst uit de tuin hadden geplukt, en brood dat ze zelf in de kelder bakten, en een fruittaart die zijn moeder die morgen had gemaakt, en dat allemaal aan een vier meter lange houten tafel in het midden van het huis. En dan waren er de boekenkasten. De piano. De gitaren. Marcel met de accordeon en Joseph op de fluit en het vriendinnetje van het zusje met het Spaanse ritme in haar vingers en het was allemaal zo normaal.
Later vertelde Marcel me dat ze het huis bij elkaar gewerkt hadden. Het was een bouwval toen de ouders van Joseph het aanschaften. Met twee ‘normale’ banen, de opbrengt van het brood, twee kinderen die de ezel, het paard, de hond, de kippen en de groenten bij afwezigheid in de gaten houden, een oneindige werklust en heel erg veel tijd (en een dosis Spaanse cultuur) hebben ze er dit sprookje van gefabriceerd.
Maar hard werk hè.
Hard werk.

Ik begin Chamonix te missen. Het ruige berglandschap waardoorheen ik kan rennen zo hard en zo lang als ik wil, dat beetje autonomie verlang ik terug, alhoewel ik op een hoop comfort zal moeten inboeten. De ouders van Marcel zien ons rustig komen en gaan, wassen onze kleren, maken eten nog voor we ons beseffen dat we trek hebben, lenen ons de auto uit om her en der de natuur in te trekken en vinden het geloof ik niet erg dat de bus het nog even laat afweten. Thuis wacht een koude caravan zonder water, elektriciteit of internet.
En bergen.
Spanje heeft het ongebreidelde vermogen mijn hart te stelen zodra ik er voet in zet, van Barcelona tot Siurana tot het woonwijkje van Marcels ouders, maar ik ben genoeg in Chamonix geworteld om mijn dromen daar in stand te willen houden – voorlopig.
De romantiek is anders. Hier stijg ik bijna van planeet aarde zo sprookjesachtig zijn de beekjes en heuvels en avonden met instrumenten en ritmes en Spaanse gebabbel. In Chamonix zetten de bergen me rustig op mijn plek en vragen me vervolgens om hen te laten zien waaruit ik opgebouwd ben. Ik houd oneindig veel van beide.
Wanneer Marcels bus gemaakt is (of officieel gestorven) gaan we terug naar huis. Op een dag manoeuvreert Spanje zich ongetwijfeld weer in de planning, in welke hoedanigheid dan ook, en dan voeg ik me graag weer bij haar.

De schrijfcarrière

Ik klaag tegen mijn vriendje dat het altijd hetzelfde liedje is met mijn schrijven. Mensen zijn enthousiast en zeggen van alles, wat leuk en grappige visie en mooi verhaal (Ruby die grammatica kom op) en vervolgens vloeit er niets uit voort.
Het type roeping.
De creatievelingen moeten eerst ronddartelen in afwijzing zodat ze na succes kunnen zeggen dat ze eerst flink zijn afgewezen om zij die nog ronddartelen een hart onder de riem te steken. Of ze blijven afgewezen worden tot ze inzien dat het niet voor hen bestemd is – grootschalig gebrek aan talent – en het geld op is of het leven op is.
Je moet in elk geval groot ongefundeerd zelfvertrouwen hebben om je een weg door al die afwijzing heen te slaan. Zijn jullie gek ofzo, al jullie honderd procent die mij niet publiceren (of aannemen of uitbrengen of verkiezen of tekenen).

Ik ben in het bezit van groot ongefundeerd zelfvertrouwen maar alleen omdat ik een optimist ben. Misschien heb ik geen zelfvertrouwen maar vertrouwen in mijn lot, in de goedgezindheid van het leven, in het principe van het naar je hart luisteren en daardoor vinden wat je zoekt ook al zoek je zoiets zeldzaams als een schrijfcarrière. Ik ben nog meer romanticus dan optimist want bijna vier ik de tegenslag opdat er overwinningen komen die hun grootste charme ontlenen aan die tegenslag.
Toch zit dat vriendje naast me in de bus en klaag ik over de zoveelste afwijzende mail en vervolgens zegt hij: Schrijf een brief aan God.

Hij weet dat ik niet in God geloof en hij ook niet.
Of hij toch wel, in zijn eigen variant die naar zijn zeggen niets te maken heeft met mijn verzameling aan concepties van God.
Het maar een naam, Ruby, zegt hij (we kunnen een andere naam vinden als ik daar zo’n grote moeite mee heb – liefde, moeder aarde, alles, het leven, dat principe van het één zorgt voor het ander) en dus zeg ik oké.
Liefde.
Maar tot de liefde kan ik me niet richten tenzij ik cupido of Valentijn voor me zie, en we hebben het niet (alleen) over die liefde en dus vervangen we God en Liefde door Moeder Aarde.
Maar ook Moeder Aarde gaat niet want alle bomen en bloemen en bergen bij elkaar hebben nog geen gestalte in mijn hoofd, en dus zegt hij dat ik toch maar een brief moet schrijven aan God.

Ik doe het. Thuis zet ik me aan tafel met een pen en papier, want mijn optimisme is nergens op gebaseerd maar als ik het desondanks aanhang als een doldwaze, kan ik er best een brief naar schrijven. Als er iets is om rotsvast vertrouwen in te hebben, dan is er iets om gunstig te stemmen en dus luidt mijn eerste zin:

Geachte God of lot of liefde of goedgezindheid van het leven of Moeder Aarde of Cupido of gestalte van alle bomen en bloemen en bergen bij elkaar,

Daarna schijf ik:

Ik zou zo graag een schrijfster willen worden en ik heb al een heleboel geschreven en links en rechts opgestuurd, in de hoop dat iemand waarde in mijn woorden zou zien en me aan de hand zou nemen en me zou vormen naar zo een schrijfster die er haar geld mee verdiend, maar nooit heb ik er netjes om gevraagd.
Daarom wil ik u bij deze vragen, beste God of lot of liefde of goedgezindheid van het leven of Moeder Aarde of Cupido of gestalte van alle bomen en bloemen en bergen bij elkaar, kunt u mij een schrijfster maken alstublieft?

Direct na het typen van het laatste woord realiseer ik me dat mijn geadresseerde weinig reden heeft om op mijn verzoek in te gaan want in feite zeg ik een boel maar bedel ik slechts om geld, en plotseling zie ik in dat er een waarde tegenover dat geld moet staan, geen amusementswaarde voor het gepeupel maar waarde waar de geadresseerde zelf iets mee kan, want hij of zij is tenslotte diegene die ik om hulp vraag vanwege mijn vermoeden (of eerder mijn ongefundeerde vertrouwen) dat hij of zij de touwtjes in handen heeft.
Ik schrijf de brief niet af maar bedank het vriendje voor de suggestie.

Nu weet ik wat me te doen staat als ik wil dat er iets uit mijn schrijven voortvloeit.
Mijn woorden moeten een dienst bewijzen aan de wereld. Ze moeten haar goed doen. Iets aan haar bijdragen, iets aan haar veranderen.
Ik realiseer me nu pas hoeveel logica daarachter steekt, al is het totaal niet evident hoe mijn woorden tot zoiets in staat zouden kunnen zijn. Ik zal op avontuur moeten gaan in de mogelijke kracht van het schrijven.
Dat klinkt zo slecht nog niet, niet?

En als dat niet werkt kan ik nog altijd mijn toevlucht zoeken bij de andere zijde van het spectrum en experimenteren met succesgevoelige onderwerpen als seks en geweld.
Een laatste redmiddel dat ongetwijfeld net zoveel avontuur brengt.
En mocht zelfs dat niet werken, dan wacht ik geduldig tot het geld op is of het leven op is en ik samen met een oneindig aantal afwijzingen en een totaal gebrek aan talent, karma en juist gebruik van succesgevoelige onderwerpen het graf in duik, want ik ben een vastbesloten doldwaze. Een optimist die niet van haar stuk te brengen is.
Een ongenadig romanticus in het bezit van groot, ongefundeerd zelfvertrouwen.