Latest Posts

Uh…Trabajo?

‘Tranquile’, zeg ik.
‘Trrrrranquile’.
Nee.
‘Trrrrranquile’.

Onze -r? Met je tong tegen je gehemelte, zeggen de Spanjaarden, en dan blazen. Dat kan je niet!? Oh. En als je nu het grommen van een kat nadoet? Hé, daar heb je hem! Dan moet je alleen die -g loslaten.
Grrrrrr…

Ik heb in feite weinig -r, en als ik hem wel uitspreek klinkt het in de oren van Spanjaarden als een -g. Marcel verbied me om in het Spaans te zingen voordat ik de Spaanse -r beheers. Ze hebben überhaupt geloof ik geen -g zoals wij Noord-Hollanders die zeggen, zodat je dus ongegeneerd hun taal volgooit met een misplaatste, scheurende klank. Ik kan me voorstellen dat ’t stoort in de Rumba.

Daarom loop ik rond door de heuvels achter het huis van Marcel en oefen ik de verhemelte-r. ‘Tranquile’, zeg ik. ‘Trrrrrrranquile’. Dat kun je beter stil tussen de bosjes doen, alleen al om de spot en het ongeloof over je onkunde te ontlopen (je kan het écht niet, hè? – hm, nee).
En ja, je voelt je wel een beetje rijp voor het gesticht, tranquile, precies wat de passerende wandelaar denkt. Ze denken niet ‘oh, dat is er weer zo één die onze -r oefent’.

‘Trrrrranquile’.
Er loopt een oude man voor me. In een beige jas, onder een hoed, aan een stok. Hij laat zijn sigaar op de grond vallen en raapt hem met moeite weer op wanneer ik passeer. ‘Deo’, zeg ik, een soort ‘hallo’ in het Catalaans.
Hij spreekt terug in lange, lachende, snelle zinnen.
‘Uh…No hablo Catalaan.’ Ik spreek geen Catalaans.
Ik loop met hem op.
Zodoende ontwikkeld zich mijn eerste gesprek in het Spaans – ooit. Ik versta niets van wat hij zegt en kan me zelf geen juiste vervoeging meer voor de geest halen. Ik had vanmorgen nog wel geoefend, grammaticales 6 over het verschil tussen estar en ser, nu mompel ik alleen: ‘uh… Vive Olot? Donde? Trabajo?’
Precies wanneer onze wegen scheiden komt er wat kennis bovendrijven. Ik had dit beter gekund, denk ik als ik helemaal blij en gelukkig terug naar huis loop.
Mijn eerste Spaanse gesprek ooit, moet je horen.

Ik zeg ‘gas’ tegen de kat, een verspreking tussen het Catalaanse ‘gos’ en ‘gat’ in. Vervolgens laat ik Marcel mijn nieuwe -r horen, trrrranquile, hij is niet onder de indruk.

Maar ik wel.

(23:33 : Ik ben er zojuist achtergekomen dat ‘deo’ in feite ‘dio’ is, oorspronkelijk ‘adios’ zoals de Spanjaarden groeten. Zo leuk.)

Allen onze gang

Ik ben weer in Spanje.

De geboorteplaats van Marcel ligt net onder de Pyreneeën. Hij is opgegroeid op de flank van een oude vulkaan, in een van de bovenste witte huisjes van de buurt. Zodoende kan ik het altijd terugvinden.

De ouders van Marcel werken. Zijn vader nog even; de bank waar hij al meer dan twintig jaar elke doordeweekse dag naartoe fietst, gooit er eind van de maand 2500 werknemers uit en het kan hem niet te snel gaan. Eindelijk met pensioen. Yoga, boeken en natuur. Zijn eigen gang.

Zijn moeder is altijd aan het koken en anders hetgeen aan het opruimen dat ze voor het koken van stal had gehaald. Ik eet mijn groentetekort van het afgelopen half jaar hier in twee dagen bij elkaar. Ze zorgt zo intensief voor ons dat ik me soms geen houding weet te geven. Dan sta ik met mijn vuile bord voor de afwas te wachten tot ze die ook afwast. Dat kan niet, denk ik, maar ik weet dat ze me het niet laat overnemen.
Laat haar, zegt Marcel vaak tegen me. Het maakt haar gelukkig.

Marcel spendeert veel tijd in de schuur, waar hij met glasvezel, recine, kalk en klei een skischoen in elkaar aan het knutselen is. En dat is geen klein project, vergis je niet: het zit al twee jaar in zijn hoofd en inmiddels twee maanden als fulltimebaan in zijn dagelijks leven. Zijn grote voorbeeld is Pierre Gignoux, een oude ski-mountaineer kampioen die op eigen houtje een carbonschoen in elkaar zette. Voor 1600 euro verkoopt hij ze inmiddels en alle groten der off-piste skiën erop.
Marcel heeft een eigen concept ontwikkeld. Hij is een kunstenaar en een doldwaze ‘skirando’ fanaat, ter consequentie heeft hij me (bijna) ingeruild voor zijn schoen en moet ik afdalen naar de schuur voor wat aandacht.

Maar het is niet erg. Ik heb overdag een huis voor me alleen, waar de gezonde maaltijden uit de koelkast bulken, alle soorten biologische thee in een rijtje achter de kastdeur zijn opgesteld, elke kamer warm en schoon en feng shui is, het lichtje van het internet altijd brandt en ik zolang kan schrijven als ik wil.
Buiten is het mooi. Een wandeling, een bezoek aan Olot en ik schrijf weer.
En eindelijk, eindelijk heb ik het Spaans opgepikt. Wie legt mij het verschil uit tussen Estar en Eres? Marcel van boven zijn schoen en anders het internet.
Mijn Catalaan reikt vooralsnog niet verder dan gos (hond) en gat (kat).

Omdat Marcel zijn knie heeft geblesseerd kunnen we de komende dagen niet klimmen. Over een week hoop ik alsnog door te reizen naar Siurana, waar tientallen routes op me wachten en de zonsondergangen als magneten aan me trekken.
We zien ondertussen dat Chamonix volledig insneeuwt. Poeder tot in het dorp zelf.
Voor nu echter zal ik me niet laten afleiden door sneeuw of rotsen, want ik heb twee boeken om te schrijven, tien blogs om te beginnen en een leven om uit te werken.
Als dat onder deze belachelijk comfortabele condities niet lukt, dan geef ik de hoop op. (Alhoewel, moest je niet een beetje lijden om iets van waarde op papier te krijgen?)

Een Licht Zieltje

Een baan, een appartement met maar een enkele Spanjaard, een dorp dat ik ken als mijn broekzak, een taal die ik spreek, omgeven door vrienden die me al kennen: Dat wordt mijn degelijke winter. Weg huis op wielen en beginnersstatus op de piste.
Nu kan ik net als al de andere seizoenarbeiders met mijn nonchalante skischoenwaggel door het dorp lopen.

Mijn Spaanse maatje Adria uit het huis in Le Tour is sinds een week terug in Chamonix en wonderbaarlijk genoeg hebben we een betaalbaar appartement gevonden in Les Bossons. Vooruit, het is niet centrum Chamonix, maar ik geloof dat we beiden onze oude, gevoelige buren prefereren boven het nachtelijke geronk van een skioord. Theedrinken, een aperitief Ricard aan de antieke tafel van de Italiaanse onderbuurman, op sloffen om de rest niet te hinderen.

Alhoewel het feest pas over een maand hoort te beginnen, komt de sneeuw gewoon al naar beneden. In grote hoeveelheden. De webcambeelden zien wit. Poeder, poeder, klinkt het al.
Zul je zien dat het zonnetje weer ongestoord op de wanhopig groene pistes schijnt zodra de eerste toeristen zich in Chamonix instaleren.
Daarom moet je gewoon tussen de bergen wonen; zodat je kunt anticiperen op de eigenzinnige perikelen van het weer en je je kans grijpt zodra die zich voordoet. Zij het begin november.

Het nadeel is dan weer dat het werk in een skioord seizoensgebonden is en toch wel de grootste lading sneeuw valt wanneer je opgesloten zit bij de werkgever.
Ik wilde eigenlijk voor de start van het seizoen naar Spanje gaan, maar nu twijfel ik. Ga ik vast skiën, nu dat ik nog vrij ben, of ga ik klimmen in het paradijs van Siurana?
Het leven maakt het je soms heel moeilijk.

Over een maand word ik 25. Dan zwerft mijn ziel precies een kwart eeuw over deze aarde. Fantastisch vind ik dat, zo willekeurig en belangrijk tegelijkertijd. Het idee dat mijn ouders 25 jaar geleden een wurmpje verwelkomde dat… Ik nu nog steeds ben. Ongelofelijk.

En na 25 jaar aan complexe aangelegenheid van leven, is het volgende mijn grootste probleem: Ga ik skiën in Chamonix of klimmen in Siurana? De tijd is duidelijk nog niet gekomen om de wereld te redden. Ze hebben me gezegend met een heel licht zieltje.
Wie weet win ik de komende kwart eeuw wat aan gewicht.

Het enige relatief tragische feit is dat de mensen met wie ik mijn kwart eeuw zou willen vieren, verspreid zijn over Zwitserland, Nederland, Frankrijk en zelfs Australië. Op de avond van mijn verjaardag zal ik even opzoek moeten naar iemand om van te houden. Een laatste oneffenheid voor het degelijke leven in Les Bossons begint.

Terug in Tour

Heel even staan we met de bus in Le Tour. Want het is hier toch het allermooist. Alleen al om de herinneringen, die als paradijsvogels tussen Glacier du Tour, La Balme en het dorp vliegen. De eerste alpinetour, de val, het winterchalet met De Tien Spanjaarden, het leren skiën; allemaal hier.
Maar het mooiste aan Le Tour is misschien nog wel dat het een uiteinde is. Na het dorp rest er niets dan bergen. En al weet ik precies wat er achter die bergen schuilt (Zwitserland), toch lijkt het alsof de beschaving precies hier ophoudt. De kleine, stille uitloper van Chamonix’s gekte sterft waar het steil wordt en is vergeten bij de eerste passen omhoog. En met een beetje verbeeldingskracht zijn er geen pistes of liften.
Dan heb je de reden te pakken waarom je uit Amsterdam emigreert en je familie en vrienden op ansichtkaartafstand achterlaat. Dan geld het argument ‘rust’ en kun je jezelf weer serieus nemen. Alhoewel de emigratie zich nooit meer voordoet als een keuze, niet eens meer als de uitkomst van een proces maar alleen als simpel gegeven, heb ik het toch nodig om even met de bus in Le Tour te staan.
Tussen de herinneringen en de bergen.

Als een Koe

Kun je al skiën of nog niet?
De gletsjers geven geen antwoorden weg. De crevasse is netjes afgedekt met een laag sneeuw, maar of je er doorheen zakt blijkt alleen uit de praktijk. En die praktijk boezemt me angst in zelfs al zijn honderd anderen me voorgegaan. Ik zou graag even inkomen op de groene piste, kijken of er na de zomer iets van mijn intuïtie over is. Liever niet op een gletsjer met haar diep duistere geheimen.
Ook voor de ervaren alpinisten is het denk ik nog even de vraag. Ik heb de skietjes nog niet door Chamonix zien lopen. Hoewel, misschien waden de echte bezetenen al dagen zigzaggend door de besneeuwde bergen.

Voor ons is het nog even aanzien.
Letterlijk aanzien: Wandelen in Aiguilles Rouges om te zien wat zich aan de overkant afspeelt, de bus naar Le Tour pakken om een blik op het bassin te werpen.

En wat zien we?
Herfstkleuren en koeien. Een hele kudde koeien die zich gemoedelijk over de pistes flaneren, wat grote wollige kalven die nog dicht bij moeders blijven, een hoop staarten die heen en weer zwiepen en soms ladingen stront langslaten. Grazen en verteren, is mijn conclusie. Wat een leven.
De condities verlenen me nog geen identiteit als verwoed skiër maar wel als herboren vegetariër met de ambitie om zen als een koe te zijn.
Ook met betrekking tot de eerste afdaling in de sneeuw.

_dsc9180_dsc9152

Lees dit verhaal!

Mooiste blog ooit…over allerlei dramatische dingen. Een huurmoord links en rechts.
Super.
Interessant.

Ik heb een keer op Facebook een ‘blendle’ artikel aangeklikt en ontvang sindsdien trouw elke morgen een mail met een tiental uiteenlopende artikelen uit kranten en tijdschriften dat door de blendlecrew interessant gevonden wordt. Ze zetten er kleine samenvattingen bij en maken het gemakkelijk om je in onderwerpen te interesseren. Ik ben erg gevoelig voor hun mening, dus als zij zeggen ‘mooiste artikel deze week’ dan lees ik het.
Het is een goede manier om op hoogte te blijven. En in feite ook om uit te vogelen waar nu mijn interesse ligt, dat direct blijkt uit mijn ‘zin’ om bepaalde artikelen te openen.

Ik blijk erg geïnteresseerd in lugubere moorden. Cultuur doet het ook goed (gelukkig maar, gegeven mijn bachelor antropologie), politiek laat ik systematisch links liggen, wetenschap eveneens, als het heel typisch Nederlands wordt haak ik meestal snel af, vreemde onverwachte onderwerpen open ik trouw, tragische verhalen eveneens, liefde werkt, afkraak-columns niet. En zo nog meer.

Wat wekt echter mijn interesse: is dat iets oorspronkelijks, of de soepele babbel van blende? Zegt het iets over mij of over blendle? Mijn conclusie is vooral dat de manier waarop blende een artikel aankondigt ernstig, ernstig invloed heeft op mijn keuze het te lezen.

Dat moet ik even onthouden. Als dat voor mij zo werkt, dan werkt dat zo voor anderen waarschijnlijk eveneens. En dus ook voor mijn bloglezers. Je ziet immers in mijn lay-out het begin van elk verhaal, en als dat niet pakkend is, dan is het minder waarschijnlijk dat je de blog opent.

(Duuh, denk je nu. Ik wist dat eigenlijk ook wel, maar blendle maakt het nog even wat meer invoelbaar)

Het prullenbakduiken

Ik durf het niet. Daarom sta ik op de uitkijk, als medeplichtige bij een roofoverval. Ziet iemand ons? Zijn we veilig? Mijn partner in crime zet de koplamp op, opent de deksel en springt het donkere, drie meter diepe niemandsland in.
De prullenbak.
Soms komt er iemand vuilnis weggooien. Gelukkig zijn er altijd minstens twee prullenbakken, en kiezen ze – vanwege mijn paraderen langs onze prullenbak – voor de andere.
Wat zeg ik als ze toch voor de mijne kiezen?
‘Excuus, gooi niet daar uw vuilniszak. Er zit iemand in.’

Twintig zakken voorverpakte wafels, eenzelfde aantal pain au chocolat. Bakjes boter en melk, genoeg om een pannenkoekeneetwedstrijd voor heel Chamonix te organiseren. Vlees, vis, pasta, alles frefab, veel luxeproducten, kazen, vreemde yoghurts met karamel, hazelnoot en slagroom.
Uit mijn ervaring blijft het gros nog minstens een week goed. Het zit zo vol conserveringsmiddelen dat het nu en dan een maand na houdbaarheid nog prima eetbaar is.
Soms ligt er een deken van een halve meter dikte aan verpakte, houdbare etenswaren in de prullenbak van minstens twee vierkante meter.
Pijn in mijn hart.

En toch, ik haat het. Ze noemen het dumpsterdiven en ik sta er altijd ongemakkelijk bij. Is dit nu van me geworden? Universitaire studie en ik spring in een prullenbak voor mijn eten?
Ruby, controleer je denken.
Precies daar, voor die prullenbak, word ik keer op keer maximaal geconfronteerd met die kloof die ik nog steeds in me heb. Ik denk als een hippie, maar kom nog steeds uit Heemstede. Ik denk: Deze maatschappij is gek geworden, wie gooit er nou goed eten weg? –  En tegelijkertijd vertik ik het nog steeds om zelf in de prullenbak te duiken.

Eenmaal per week een bezoekje aan het vuilnis van de Supermarché in Argentière, meer is niet nodig een viertal volwassenen in leven te houden. In het donker, in het geheim, als een stel zwervers halen we datgene terug wat nooit afval had mogen worden.
Hopelijk vind ik ooit het fatsoen om zelf in het niemandsland af te dalen.

Relaties

Wat is een relatie? Geen idee, had ik een half jaar geleden gezegd.
Nu ben ik een expert. Een van de twee meest erkende experts op het gebied van de relatie tussen mij en mijn vriendje.

Ik had eens, ver voor het ontmoeten van Marcel, Alain de Botton’s ‘proeven van de liefde’ gelezen. Ik herkende alles. Ik herkende het van de films die ik had gezien, de romans die ik had gelezen en het leven in een wereld waarin dagelijks relaties opbloeiden en verpieterden.
Zonder ooit een relatie te hebben gehad kon ik meepraten over de magie en de problemen.
In principe heb je te maken met twee mensen en als je een beetje liefde en inlevingsvermogen predikt kom je al een eind.
Maar echt weten kon ik het niet.
Voor Marcel was ik ervan overtuigd dat elke relatie de schepping was van de twee geliefden die zich eraan waagden. Zij maakten de wetgeving en vogelden zelf uit hoeveel ze zich aantrokken van de heersende culturele notie van een relatie.
Waar ik me echter op verkeek was de potentiele complexiteit elke partner afzonderlijk, van een mens in feite, en hoe de complexiteit van twee mensen samen een vrij autonome koers kan aannemen.
Dan kun je relatiescheppen wat je wil, maar de dynamiek van dag tot dag doet met je schepping wat het zelf wil.

Wat zou ik dus nu zeggen dat een relatie is?
Oef. Het eigenzinnige en gemeenschappelijke lot van twee mensen. Twee karakters die op een dag aan de haal gaan met elkaars leven. Het meest onbegrijpelijke deel van de ene samen met het meest onbegrijpelijke deel van de ander dat samen een autonome derde vormt waarnaar je je moet verhouden.

En natuurlijk de deal om het avontuur samen aan te gaan, wat het gros van de tijd supercool is, met name ook omdat mijn vriendje supercool is.

En dan, dat kleine beetje wat niet zo supercool is?
Marcel en ik leven op vier vierkante meter sinds de dag van het ontluiken van onze liefde. Dat is een test zelfs voor de grootste romantici, voor zij die voor elkaar gemaakt zijn en naadloos in elkaar overvloeien.

Daarbij betrap ik mezelf nog best vaak op wat vastgeroeste ideeën die mijn geduld tegenover mijn medebusbewoner aantasten. Ik heb de boeken van Jane Austen in mijn tienerjaren stukgelezen en het voor elkaar gekregen om het tegenbeeld van een Darcy (een hele rijke, trotse maar begeerlijke man) aan de haak te slaan. Nu lees ik in Le Deuxième Sexe van de Beauvoir dat wij verliefde vrouwen ons via onze man willen verwezenlijken (hij is het absolute, diegene die alle waarden bezit enzovoort) door ons met complete devotie aan zijn voeten te leggen, maar hij moet op zijn beurt nagenoeg goddelijke capaciteiten bezitten om ons niet teleur te stellen.
Nu wil ik niet van waarde zijn via een vent.
Ook niet als die vent een Darcy is.
Darcy was ook maar een mens.
En toch laat ik me nog steeds afleiden door het feit dat mijn vriendje eveneens een mens is. Hij heeft zoveel onzekerheden en zwakheden als ikzelf. Hij is en kan niet alles.

Ik ben daarbij ook een mens. Geen klein elegant Spaans feilloos meisje. Marcel kan net zo goed door mij teleurgesteld worden.
Alain de Botton schrijft in Religie voor Atheïsten hoe we ons met onze partner terugtrekken in ons tweemans paradijsje en vervolgens van onze partner verwachten dat hij of zij alle kwaliteiten bezit die voorheen werden ingevuld door onze vrienden en kennissen. Terwijl je met de ene vriend diepe gesprekken voerde, met de andere ging hardlopen, met de derde musea bezocht en met de vierde vooral het leven niet zo serieus nam, achten we onze partner om alle aspecten met ons te delen. En ik denk: Verdomme Marcel, interesseer je nou eens in dat boek dat ik aan het lezen ben. Hoezo kook je niet een keertje iets cools voor me? Waarom ben je moe vandaag, wat een onzin.

Ik heb het idee dat het moeilijkste van een relatie misschien wel de relatie zelf is. Als ik mezelf kan bevrijdden van mijn verwachtingen en ideeën, dan blijft er van mijn vriendje slechts een hele leuke jongen over, eentje met wie ik mijn tijd kan spenderen en die me kusjes geeft.
Geeft dat antwoord op wat een relatie is?
Nee. In feite weet ik er nog steeds niets van, al voel ik een hoop wat betreft mijn eigen relatie, die geheel en alleen lijkt te bestaan uit wie ik ben en wie mijn vriendje is (en dus die onbegrijpelijke dagelijkse dynamiek). Misschien heb ik wat meer relaties nodig om iets concreets en algemeens op te rakelen, maar ik vind die jongen die ik nu naast me heb zitten te leuk om op te offeren voor het onderzoek.

Druiven Knippen

‘Sinds het begin van mijn site heb ik nooit zo lang geen blog geschreven’, zeg ik tegen mijn nieuwe Franse vrienden Gwen en Thibaut. Ze hebben net als ons de bus vlak boven de wijngaarden van Martigny geparkeerd, op een klein grasveldje dat in de winter gebruikt wordt als landplaats voor de helikopter. De cave van Gerald Besse ligt in Martigny Combe, het deel van de stad dat opkruipt tegen de helling richting Col de la Forclaz.
Boven de flanken van de vallei hangen de druiven zwaar aan hun takken. Martigny is wijn en het knippen is begonnen.

Elke ochtend om stipt halfacht loop ik met Gwen naar beneden. Thibaut en Marcel volgen ons tien minuten later met de mountainbikes. We verzamelen ons met 36 andere knippers en dragers voor de gloednieuwe wijnfabriek van Besse, in de kou van een nieuwe herfstdag, handschoenen, sjaals, thermosflessen en heel veel sigaretten. Van de 36 zijn er zo’n 30 vrouw, kwebbelend tot het einde van de werkdag.
Met kleren klevend van het druivensap worden we acht tot negen uur lang van wijngaard naar wijngaard gereden. Binnen drie weken tikken we het hele imperium van Meneer Besse af. De mannen dragen de kisten met druiven en rijden de machines. Ze krijgen 16 franc per uur of meer, wij beginnen bij 13,50. Het is ons nooit gevraagd of we willen dragen. Sterker nog; zodra we een kist optillen horen we van meerdere kanten ‘niet laten vallen, hè’. De kostbare druiven zijn in gevaar onder de hoede van vrouwen.

’s Middags is het zonnig, warm, met name de eerste dagen. Martigny klinkt onder ons en lijkt op een speelgoedstad. We zien de zon opkomen en werken nog wanneer ze haar gang uit de vallei maakt. Het bonte kleurenpallet dat ze tussendoor over de bergen werpt zien we alleen in de pauzes; de werkdruk is hoog. We worden geacht razendsnel te knippen en de druiven te controleren. Geen rotte, zure, droge druiven. De gelijkmatige struikenrijen verraden genadeloos onze relatieve snelheid, baas Suliman ziet van boven precies wie er achterblijft. De oudste en logste vrouwen zijn onbegrijpelijk snel, niet bij te houden zonder met de pet naar de selectie te gooien. Hun handelingen zijn kalm, ze bewegen zich rustig en vloeiend voort langs de struiken, hun determinatie en ervaring geeft hen een tros per struik voorsprong. Ik haast me er gejaagd achteraan en weet me bij uitzondering te handhaven.

_dsc9023

De eerste drie dagen ga ik gemoeid onder rugpijn en knip ik drie keer in mijn vingers. Het werk is zo fysiek dat erna maar een paar uur dag overblijft. We eten, lezen en vechten rond achten al tegen de slaap. Ik doe verslag van elke dag met het plan om later een klein boek te schrijven, want het leven als immigrant in Zwitserland is, ondanks de simpele dagelijkse herhaling, verbijsterend interessant. Vraagstukken en mythes worden me ingegeven met de wijn of het druivensap; de kniproutine opent nieuwe gangen in mijn denken. Mijn literatuur bestaat uit Code de la Route (het geld van Besse moet een rijbewijs gaan financieren) en Le Deuxième Sexe van Simone de Beauvoir. ‘C’est juste que je déteste inégalité’ zegt Gwen tijdens een pauze. We proberen ons nog steeds tevergeefs tussen het mannenwerk te voegen.

Thibaut, Marcel, Gwen en ik vormen een relatief Franstalig viertal tussen de werknemers. Onze leidinggevende Suliman komt uit Kosovo en de drager Muzier uit Irritrea, de rest is Portugees. Het gepassioneerde, soms brute Portugeze gekwetter klinkt altijd boven de wijnvelden. Soms zingen ze.
Suliman is een leider zonder overzicht die na twintig jaar tussen de wijngaarden zijn rug dermate heeft verziekt dat hij zelf geen lege kist meer kan en mag tillen. Hij loopt gewichtig tussen de druiven door, controleert met ernst onze kisten en doet het gros van de tijd geen flikker. Zijn autoriteit is op het randje, maar omdat hij sympathiek is luisteren de meeste.
Muzier praat, ondanks dat hij Frans spreekt, liever niet. Hij is diepdonker, nog geen twintig, heeft zijn grote bruine ogen wijd uit elkaar staan, onwerkelijk mooi, een lach die het leven van haar zwaarte ontdoet. Marcel denkt dat hij een boodschapper is, een reïncarnatie op zijn minst.
De familie Portugezen steelt ondertussen consequent één tablet chocolade uit de vier-uur-pauze kist. Ik betrap ze op een dag en creëer onbedoeld een vete tussen de Fransen en de Portugezen die voortduurt totdat we allen met onze enveloppe vol Francen naar huis keren. ‘Pas de chocola, pas de caisse’, zegt Thibaut tegen een van de Portugeze leidersfiguren. Geen chocola, geen nieuwe kist. Hij laat haar achter met de trossen druiven in haar handen.

De middag voor de laatste knipdag trakteert Besse ons op een kastanjelunch. In onze druivensapkleren zitten we aan het witte tafellaken. Met handen vol knipwonden en vuil tussen de huidgroeven en nagelranden drinken we uit hoge wijnglazen. Gamay Bovenier, Fendant Champortay. Marcel zegt dat de goedkoopste Spaanse wijn lekkerder is. Thibaut zegt dat de goedkoopste Franse wijn lekkerder is. Ik heb tijdens het plukken geen wijnkennis opgedaan en drink wat het ook is dat in mijn glas geschonken word. Na de lunch neemt dochter Sarah Besse dertig stuk aangeschoten vrouwen mee op een rondleiding door de wijnfabriek. Ik wil graag opletten, maar ze spreekt Frans met wijntermen en het zweeft in mijn hoofd.
Donderdagochtend 19 oktober knippen we de laatste wijngaard en lig ik voor het laatst achter op de vrouwen. Een tablet chocolade wordt gestolen, de zon warmt onze bevroren vingers pas rond elf uur, sneeuw ligt in de bergen en ik gooi mijn laatste tros druiven ritueel in de bosjes achter de wijngaard. Die middag ontvang ik 1608,95 Franc, dat zich bij het station van Martigny laat vertalen in 1435 euro.

Het gewicht aan druiven dat niet meer aan trossen boven de stad hangt is immens. We nemen een aantal uit het jaar 2015 mee in een fles rosé en een fles rood en rijden weg uit de vallei.

_dsc9016

_dsc9048

De caravan en de burgermeester

Het is koud. Al wekenlang wacht ik erop en pas deze morgen verschijnen mijn ademwolkjes in de bus. Ik grijp naar een paar handschoenen en steek over naar de Caravan. Vijf minuten later kom ik terug voor mijn donsjas en een sjaal. Marcel ligt onder zijn eigen deken en de mijne en vraagt alsnog of ik terug wil komen. Zijn kacheltje laat hem meedogenloost achter.

Ik sluit de deuren van de caravan en kijk om me heen. Het idee was om de zitplek eruit te slopen. En eigenlijk ook de hele wascabine; een hok met een viesgroene plastic gootsteen, kapotte waterpomp, spiegels en een rek met champoo’s die ver over datum zijn.
Winterproof maken.

Het schiet voor geen meter op met het vinden van een kamer in Chamonix. 500 euro is zo het gemiddelde voor een luidruchtig kippenhok in het winterseizoen. Ik zoek in het Britse en Zweedse circuit omdat daar nu eenmaal mijn contacten liggen, maar die delen liever geen kamer. Waar de Spanjaarden het liefst een ziel per m² invoegen, betalen ‘the people from the north’ zonder mokken het hele bedrag. Ze willen het bovenal leuk hebben.
Waar de Fransen uithangen weet ik eigenlijk niet.

Mijn back-up plan is zodoende de caravan geworden. Vlak boven Parking du Grepon huurt de mairie van chamonix een camping af om alle vagabonds van de straat te houden. Je hoort of leest er niets over, tot je in het juiste circuit verzeilt raakt waar de kennis mondeling wordt doorgegeven.
Het is een saisonnairsdeal: Op basis van je werkcontract kun je een plekje krijgen. Plaats voor 30, wie het eerst komt, wie het eerst maalt. 140 euro per maand voor water, elektriciteit en (met name) een legale standplaats.

De caravan heeft nog steeds charme maar verkruimeld onder haar leeftijd. Al haar gadgets zijn kapot. Geen koelkast, verwarming, licht. Het gasfornuis heeft een zijuitgang waar je goed van op de hoogte moet zijn. Chulé had plotseling een pluk haar minder toen ze de brandende lucifer op de verkeerde plek hield.

Het potentieel is desalniettemin gigantisch. Ik kan mijn gedachten niet controleren zodra ze naar de renovatie gaan. Hout op de vloer, het dak geverfd, alles eruit. Een elektrisch kacheltje en nieuwe gordijnen en een dikke stapel dekens.
Het is mijn caravan. Ik kan er mee doen wat ik wil.
Ik begin schroefjes uit de wanden te halen. Binnen een halfuur heb ik het hele washok eruit. Vervolgens begin ik aan de schuifdeuren van de slaapruimte. De zon piept langzaam achter de bergen vandaan, de parkeerplaats van Buet warmt op en Marcel komt zijn bed uit. We zetten de deur open en laten frisse lucht binnen.

Buiten klinken stemmen. Dicht bij de caravan discussiëren twee mannen. We zijn alert. Als bus- en caravan eigenaar moet je altijd oppassen. Niet voor het schorem, nee, je bent het schorem en de buren kijken vanachter hun gordijntjes. Het oordeel ligt overal klaar. Al is je interieur van goud, op wielen behoort men niet te leven.
Caravans zien er daarbij op een of andere manier integraal louche uit.
Er verschijnt een gestalte in de deuropening. ‘Parlez-vous françias?’
‘Oui, on parle françias’. Een man van rond de veertig, ongeschoren, Frans petje boven blauwe ogen, is van een filmset afgeplukt en voor ons neergezet.
‘Jullie kunnen hier niet blijven.’ Hij wil geen kamp met caravans, honden, publieke WC’s in de bosjes. Sinds wij er de caravan hebben neergezet is er inderdaad al een tweede bijgekomen, en twee buren grepen hun kans om hier hun weggeteerde bus en afgedankte laadbak te stallen.
De man stelt zich voor als de burgermeester van Vallorcine.
We hebben dus de burgermeester zelf voor ons.
Ik zeg dat ik geen idee heb waar ik de caravan moet laten voor het winterseizoen aanbreekt en hij weet het ook niet. Hij is nog wel degene die zich meerdere malen verontschuldigd.
Hij vertrekt.

Ik staak mijn werkzaamheden en zet de caravan te koop op Facebook. We hebben niet de middelen om haar te verplaatsen en niet de plek om haar neer te zetten.

Nu moet ik opzoek naar een andere oplossing voor van de winter.