Latest Posts

Dromen is een optie

Soms droom ik overdag. Als de straten en daken onder een laag sneeuw liggen en ik op weg ben naar de bergen, dan heeft het moment weinig nog met de realiteit te maken. Ik raak los van mijn concepten en de tijd alsof ik toch stiekem een pilletje heb genomen. Dan drijf ik langzaam weg naar een wereld waar geen wetten gelden en ik de vrijheid vind die ik zocht toen ik naar Frankrijk emigreerde.

De sneeuw, ik denk dat het is omdat het wit is. Ik heb helemaal geen uitleg meer nodig als ik op mijn ski’s naar beneden glijd. Geen reden om naar boven te klimmen noch om terug te gaan.
De bergen zijn zo ongelofelijk mooi als het ijs aan hun wanden plakt dat ik wel kan huilen als ik naar ze kijk. Het is eng om zo te dromen, want dan zou je zeggen dat je ook weer wakker wordt. Maar dat is nu net wat ik geleerd heb: Voor mij bestaat de luxe nog steeds om hiervoor te kiezen. Dromen is een optie.

Wintercadeautjes

Het is begin winter als er een auto met een Nederlands kentekenplaat het kleine weggetje naar ons chalet op rijdt. Zijn het Nederlanders? Ja, maar toch ook wel Fransen. En wat nemen die twee mee?
Sneeuw.

Om twaalf uur ’s nachts neemt Fieke me mee op een kleine wandeling door Les Bossons. We maken gekke sporen in de zojuist gevallen sneeuw. Wijdbeens, rondjes, grote passen. De volgende morgen plakken we samen met Roel de ijsbijlen op de tas en rijden richting Argentière. Watervallen van Le Cremerie. Vlak onder Glacier de Argentière, waar eens de gletsjer zelf lag, aan het riviertje dat uit haar ontspringt, nu onder sneeuw.
Het is zo koud dat Fiekes tenen er al afliggen voordat ze haar stijgijzers in het ijs heeft gezet. Terwijl ze een rondje door de vallei rent, klimmen Roel en ik naar boven. Wat een lijden en wat een schoonheid.

Overal is sneeuw.
Als we die namiddag onze vingers stevig om een warme chocolademelk klemmen, krijgt Fieke plotseling een ingeving. Après-Ski! Vijf minuten later staan we te springen op de dansvloer die ik normaal gesproken van drankjes voorzie.
‘Ik kan dit alleen met hen’, leg ik uit aan mijn collega’s. Nederlanders die zichzelf niet zo serieus nemen.

We eten een burger in Poco Loco.
De volgende morgen stappen ze in de auto om de Zwitserse Tijger een bezoek te brengen.
We zitten allemaal tussen de bergen, komt het nog eens haarscherp binnen.
Dit is geen vakantie, dit is realiteit.
En wat is die mooi.

_dsc0083

_dsc0044

Wat Rietjes met de Sneeuw Uithalen

Het is toch wel vreemd, zo’n skioord zonder sneeuw. Iedereen probeert er het beste van te maken, maar het lijkt toch op een geflopt feestje. Een discoavond zonder muziek of een diner zonder eten. Op zich zijn mensen er nog best wel goed in, optimistisch en vastberaden, ook zonder sneeuw een wintersport. Met goggles die zeker niet nodig waren tijdens het ontbreken van een sneeuwstorm naar de après-ski. Spuitkanonnen die de wereld redden.
Maar het blijft treurig.
Dat voel je maal dertig als de sneeuw dan eindelijk valt: De reden van bestaan is met vertraging gearriveerd, de saisonniers begrijpen weer hun rol en het straatbeeld van Chamonix kan met fatsoen de wereld in gaan.

Wat is het nu, een winter met pech of opwarming van de aarde?

Laatst had ik een gast aan mijn bar die zich verschrikkelijk druk maakte om de rietjes die ik in alle drankjes stopte. Ik kon daar echt even niet bij, je bent in een tent waar geconsumeerd wordt, ga weg met je rietjesprobleem als je zo nodig wodkacola’s wil drinken.
Nu denk ik, tsjah.
Misschien moeten we maar beginnen met de rietjes.

Van de Markt

Het is best interessant om een vriendje te hebben op afstand. Niet alleen het feit dat hij niet hier is, maar ook de rol van het bezet zijn. De jongens vroeger noemden het van de markt zijn of terug op de markt komen, wat ik zo gek vond omdat ik dan een Amsterdamse markt voor me zag met ons allen in een stalletje. Koopje, onbetaalbaar, breekbaar, niet kapot te krijgen, amusant, rustgevend.

Het is de eerste keer dat ik van de markt ben en ik moet eerlijk zeggen dat het me wel bevalt. Met name in het wereldje waar ik rondloop, waar de handel floreert en veel sociale relaties iets dubbelzinnigs met zich mee brengen. Het geeft rust en zekerheid om zelf geen deel van de handelswaar te zijn.

Het betekent ook dat ik zelf niet kan gaan jagen op de interessante koopjes die soms aan de hoek van de bar plaatsnemen (wat, eerlijk is eerlijk, ik toch al niet deed). Rondlopen op de markt zonder geld. Kijken, niet aanzitten.

En als iemand toch onverwacht aantrekkelijk is, komt het concept van een relatie opeens heel bizar over. Wat is dan eigenlijk die afspraak die je met je vriendje hebt? Een vreemde conventie die als een rationele grens dwars door je gevoelsmatige omgang loopt. Normaal gesproken wordt hetgeen wat je doet en zegt tegenover iemand bepaald door iets natuurlijks, een soort trage verovering van terrein die alleen maar geleid wordt door intuïtie.
Nee, nee, niet daarheen, denk ik nu.

Ik snap nu pas, sinds ik eindelijk eens de perikelen van een relatie zelf mag ondervinden, waarom mensen vreemdgaan. Een moment tussen twee kan heel sterk zijn, met magie die misschien zelfs tijdelijk even de ratio overschaduwt en het vriendje doet vergeten. Aandacht en waardering van een derde laten je niet onberoerd, dat flatteert je toch wel.
Maar de conventie die je met vriendjelief hebt is niet meer zo louter rationeel als je denkt aan wat er gebeurd wanneer je je er niet aan houdt. Dan is het allemaal opeens heel gevoelsmatig en vooral heel simpel (zo niet, dan zal het wel tijd zijn om even na te denken over je relatie. Of aan een open relatie te beginnen).

Dat vriendje op afstand is overigens net als ik van de markt. Ik bedoel, ik zeg het maar even. Die zit keurig achter een glazen vitrine in een Zwitserse opslag, met een alarmsysteem van lazerstralen en geheime codes.
En pas op, op diefstal staat levenslang (en ik weet je te vinden).

Het Einde van de Wereld

Ik kom Chambre Neuf binnen op de ochtend van mijn vrije dag. Alhoewel we gewoon open zijn, zie ik mijn collegaatjes schoonmaken. Onder de tafels, achter de bar, aan de lampen, alles verschoven en slachtoffer van chemicaliën en doekjes. Shit, denk ik, maar de gasten dan, wat als die naar binnen willen voor een rustig kopje koffie?
Er was slecht afgesloten de afgelopen dagen. Ik heb ervoor op mijn donder gekregen en denk nu: Oké, maak dan maar schoon jongens. Maak het dan maar écht schoon.

Dan zie ik door de ramen de baas op het voetpad staan, vlak voor de ingang, met een groep van zes om hem heen. Niet mijn eigen hotelmanager maar de baas van alle hotels, het opperhoofd dat door iedereen gevreesd wordt. Oh God, denk ik, het is totaal niet presentabel nu. Ik ren naar de lichtknoppen en probeer het felle licht van het kersverse schoonmaakteam te dimmen. Omdat alles nieuw is weet ik niet welke knoppen waarbij horen. Eerst maak ik het pikkedonker, dan als het licht van de hemel. Terwijl ik kluns merk ik dat het hele gezelschap van de baas achter me is gaan staan, inclusief mijn eigen hotelmanager, die doet alsof het normaal is dat we nu een grote schoonmaak houden.
Ik voel een vriendelijke stemming, het is oké, en vraag ze hoe dat dan werkt, die lichten.
Ze gaan zoveel op in de nieuwe zaal dat mijn disco hun aandacht niet grijpt.
Ik blijf moeite houden met het vinden van het goede licht. Als ik ze dim wordt het meteen donker, niet geschikt voor een ochtend.

Hoe laat is het eigenlijk? Waarom kan het hierbinnen zo donker worden, met de hele achterwand vol ramen? Waarom is het nog donker buiten?
Ik staar een tijd lang door de ruimte naar buiten, mijn handen nog aan de lichtknoppen.
De bazen praten, de jongens maken schoon en ik realiseer me als enige dat er iets heel vreemds aan de hand is.
Ik loop naar het portier en stap het donker in, en dan hoor ik geruis. Rechtsboven me verschijnt de maan, gigantisch groot, een bol bestaand uit oranje vonken die schuin langs de wereld suist, en nog groter dan eerst weer van het toneel verdwijnt.

Ik weet het. Dit is het einde van de wereld.

Er is geen hond buiten. Ik ga zitten op de stoeprand en denk aan Marcel in Zwitserland, omdat ik hem net nog aan de telefoon had. Mijn armen om mijn knieën, mijn ogen gesloten. Het suizen blijft aanhouden en ik weet dat het een kwestie van tijd is.
Wat ongelofelijk dat het écht gebeurt.
Ik ben diep triest vanbinnen, want ik had uitgekeken naar de rest van mijn leven. Heel concreet zie ik het voor me, het alpinisme, het schrijven, het huis, weer bij mijn familie zijn. Marcel.
Meteen ook realiseer ik me hoe ontzettend zinloos het is om daar verdrietig om te zijn, want ik zal er immers niet meer zijn. Niemand zal er meer zijn.
Komen we elkaar dan ergens weer tegen? Wij allemaal?
Ik begin te bidden en te hopen, nog steeds daar op de stoeprand. Wat ben ik triest, ongelofelijk triest dat het nu moet gebeuren.

Suizen.

Er is geen uitweg, want als de wereld vergaat zijn er geen vluchtmogelijkheden. Als de wereld vergaat neemt ze de vluchtmogelijkheden met zich mee. De acceptatie ervan is net zo al omvattend als het einde van de wereld zelf. Dit is het dan. Ontzettend kalm maar ontzettend verdrietig.

En dan word ik wakker.
Met die vluchtmogelijkheid had ik geen rekening gehouden. ‘Dat het allemaal een droom is’, het blijkt allemaal een droom te zijn. Ik ben opgelucht, mijn god wat ben ik opgelucht, alsof iemand me dan toch van het eind van de wereld heeft gered. Van slag sta ik op, staar uit het raam, loop door het chalet.

Wat een droom.
Hoe is het mogelijk.

Make it happen

Niet alleen de bar is nieuw, maar ook het management is veranderd. Dat alleen is nog wel overkomelijk, maar ze hebben ook (ik heb het idee wat ondoordacht) de managementstructuur aangepast.
We hebben dezelfde hotelmanager behouden, een forse Zweedse kerel die ontzettend cool is als je hem niet opjaagt, tegenwerkt of teleurstelt. Zijn vriendinnetje neemt de positie daaronder in en regeert zodoende over het restaurant en de bar. Dan hebben we nog de Schotste barmanager, een niet te verstaan vrolijk mannetje met een carrière in het duistere discothekenleven en daarna kom ik, zaalleider van de bar, en mijn blonde tegenhanger in het restaurant.

De situatie is als volgt: Alles is nieuw, de conventies zijn verdwenen, iedereen heeft een begrip van hoe het was, niemand weet zeker waar zijn verantwoordelijkheid begint en eindigt, de hotelmanager is boos en de meisjes huilen. Een nieuw koninkrijk dat fysiek en theoretisch vorm kreeg zonder dat iemand er voet in had gezet. Ingewikkelder krijg je het niet.

Het zijn toch wel de conflicten die vastigheid geven aan de uiteindelijke structuur. Telkens als er iemand een grens overschrijdt of zijn taken nalaat, wordt er iemand anders ongemakkelijk. Zo kunnen we langzaamaan de kaart intekenen.
En die kaart moet vormgegeven worden tot op het bakje waar de limoenen ingaan. De kassa is kapot; wie is schuldig en wie gaat hem fiksen? De avonden zijn doodstil, wie zorgt voor nieuwe gasten?

Mijn directe leidinggevende is de Schotse barmanager. Hij zegt: Ik manage mensen, niet de bar. Ik manage jou, Ruby, zodat jij leert hoe je de bar moet managen. Dit is jouw bar, dit zijn jouw werknemers en jouw avonden. Make it happen.
Ik heb me nog nooit in zo’n complex sociaal netwerk bevonden als het deze. Het voelt alsof elk van mijn handelingen, en met name woorden, met draadjes verbonden is aan iemand anders. Alleen weet ik niet aan wie.
De enige zinnige manier om daar mee om te gaan is me (ten alle tijden) ontspannen te verhouden tot elk van de mogelijke gevolgen. Zolang er geen levens op het spel staan is er ook niets aan de hand.

Als het echt waar is wat de barmanager zegt en ik mag regeren over de bar, dan zou dat zomaar best wel leuk kunnen zijn. Creatief zelfs, een uitdaging. De Après-ski loopt als een bezeten trein, maar de avonden zijn stilletjes. Hoe veranderen we dat? Hoe verander ik dat?

Vraag maar aan Ruby

Twee negentienjarigen staren me aan. We hebben een doodstille lunch in de hotelzaal met een totaalaantal van twee tafels van twee. De manager heeft me gevraagd om mijn nieuwe collega’s in te werken en daar staan we dan. Alle kastjes zijn inmiddels schoongemaakt, alle koelkasten en het zout- en peper bijgevuld, de procedures hebben we zes keer doorgenomen en ik heb niets meer om ze bezig te houden.

Het management heet me welkom in hun wereld. Wat dat in mijn geval inhoudt weet geloof ik niemand precies. Ze hebben het vaak over verantwoordelijkheid. Ik zeg tegen de nieuwelingen dat ze alle vorken op dezelfde manier in de bak moeten leggen en dat de kandelaar eigenlijk aan de andere kant van het buffet moet. En ja, het is mijn verantwoordelijkheid als zij de kandelaar toch links zetten, en dan denk ik, tsjah die kandelaar, voor mijn part zetten ze hem op de keukenvloer.

Het is een lastige periode voor de bazen van het hotel. Ik geloof dat ze ergens in oktober aan de renovatie van het café zijn begonnen, en de eerste après-ski datum wordt keer op keer naar voren geschoven. Er gaat per dag een hoop geld verloren. De Italiaanse en Poolse bouwvakkers willen kerstmis thuis vieren en doen hun best, ondertussen moet mijn barmanager een team voorbereiden op een bar die letterlijk nog niet staat. De eerste gastenstroom komt binnen, vanuit Zweden worden jonge werknemers ingevlogen die nog nooit een kassa hebben aangeraakt en ik loop daar ergens tussendoor.

Mijn positie krijgt maar met moeite vorm. Ik sta in een restaurant waarvan ik het wel en wee nauwelijks ken, omdat ik de afgelopen winter slechts de bar heb gedraaid en weet dat ik geen stap meer in de hotelzaal zal zetten zodra de bar opent.
‘Vraag maar aan Ruby’, zeggen ze nu.
Ruby weet het niet.
Gepriegel in een restaurant is niet mijn ding. Doe mij dan toch maar een bar met een bak onbeschofte mannen en een biertank vol Stella.

De eerste après-ski lijkt er nu toch wel aan te komen. Volgende week woensdag en donderdagmiddag zetten we met de managers de bar op en donderdagavond zou het dan zo ver moeten zijn. Ik heb de ruimte al gezien, het lijkt sjiek, de bar is een stuk kleiner dan eerst maar zal (dat zeggen ze) logisch zijn uitgerust. Twee ‘stations’, een bartender aan elke kant, niemand die verder achter de bar komt. Vorig jaar werkten we met drie bartenders en twee barbacks die zich constant langs elkaar heen moesten manoeuvreren.

De winter zal zodoende haar vorm nog aannemen.Volgende week is er misschien sneeuw, een bar waarin ik tachtig procent van mijn avonden zal spenderen en duidelijk plekje voor mij in Chambre.
Maar dat alles kan ook nog een paar weken duren.

Vliegende kids, Adria en de Ijskoningin

Adria en ik hebben beide opstartproblemen op het werk en lopen blatend van vermoeidheid ’s avonds door het appartement.
Niets kan ons redden behalve de reden die ons wederom naar Chamonix gelokt heeft: Skiën.

Vandaag hadden we beiden de ochtend vrij en konden we een aanval maken op Les Grands Montets. De gasten spraken er al huiverend over, Grands Montets, de onvergefelijke ijskoningin. Als je bovenin valt glijdt je zo terug de lift in. Mijn chef-kok heeft zijn ijshockeyschaatsen mee naar de pistes genomen en laat elke dag het filmpje zien waarop hij schaatsend de helling afgaat.

En dus was mijn eerste afdaling als vanouds onbeholpen, terwijl de kinderklasjes van Chamonix langs vlogen (letterlijk, door de lucht) en zich niet lieten beperken door het feit dat je niet kon remmen.
Maar ik had een onverwoestbaar goed humeur en gleed rustig de pistes af (dwars).
Na de tweede piste kon ik weer skiën (dat heb ik vaker geschreven, dat weet ik, maar zo gaat het nou eenmaal in mijn carrière op de piste).

Adria maakte een val en gleed een mooi aantal meters verder.

Halverwege stuitten we op Millan. Mijn oude huisgenootje van Le Tour scheurde vorig jaar op zijn eerste afdeling de kniebanden en nu, een jaar en twee operaties verder, had hij zijn eerste skisessie.
En dat skiedde gewoon, supercool, een beetje zenuwachtig maar gecontroleerd.
Hij leidde mij dusdanig af dat ik bijna uit de bocht vloog.

Na afloop was ik heel erg gelukkig, maar realiseerde me eveneens dat mijn weg naar een afdoend skiniveau nog steeds ellenlang is. Nu dat ik even heel gemotiveerd ben, denk ik dat ik misschien toch maar de grote investering van structurele skilessen moet gaan maken. Als ik over een jaar wil vliegen als die kids, dan zal mijn autodidactische vermogen het moeten afleggen tegen een goede skileraar. En daar ben ik nu ook wel klaar voor.

Adria en ik namen beiden om twaalf het liftje terug, omdat we gewoon weer naar werk moesten. Maar zelfs na het werk waren we nog springlevend. De remedie ligt bij de pistes, en die liggen op hun beurt gewoon hier naast ons. Een beetje ijzig, nog, maar dat zal zich binnenkort wel oplossen.

De maan is ongelofelijk mooi

(en ik ongelofelijk moe)

Driemaal raden wie er woensdagochtend op het rooster stond van mijn favoriete après-ski bar.
Ik.
En ik heb er vrijwillig voor getekend ook, letterlijk, nog geen dagdeel geleden. Ik heb netjes mijn graf gegraven en neem nu de grote aanloop.
Vooruit, ik overdrijf.

Het valt me zwaar, deze eerste dagen, en daarom is ook mijn gemoed wat zwaarder en zijn mijn opmerkingen wat overdreven. De aanslag fysiek is al aanzienlijk, het klimmen dat er nu opeens tussendoor moet, maar vooral mentaal sta ik voor een zware dobber.
(Er zijn zwaardere dobbers, dat weet ik, dat realiseer ik me).

Ik ben terecht gekomen in een hele gevaarlijke dynamiek met ontzettend gehaaide en ronduit venijnige collegaatjes (en werkgevers en gasten) waar ik mijn ontspannen pad in moet vinden. Het is ieders leven, dat bedrijf, ieders raison d’être, en ik… zal mijn best doen.

Hoe deed je dat ook al weer, dat boeddhisme?

Deze winter wil ik me voorbereiden op het toelatingsexamen van de Franse gidsenopleiding. Superleuk, veel skiën en klimmen, maar alleen op voorwaarde dat ik buiten de hysterie van die horecatent blijf.
Het komt wel goed. Ik heb mezelf teveel omringt met hippies het afgelopen jaar; terug zijn bij Chambre is een keihard welkom-in-de-wereld. Ik wen er wel aan. De après-ski is leuk, ze geven me de zaalverantwoordelijkheid, de bar is gloednieuw en de baas heeft net een puppy gekocht, dat met haar overdonderende schattigheid al die menselijke narigheid compenseert.

Nu ga ik slapen, want de wekker gaat doodleuk om 6:00 en ook daar moet ik aan wennen.
En wat dan met die maan? Die is gigantisch groot en toont zich vlak boven de Aiguilles de Chamonix.
Ze hangt daar doodstil, gigantisch en onbeweeglijk.
Ongelofelijk mooi.

Schrijven over vriendjelief

Het is soms gevaarlijk om op mijn blog over Marcel te schrijven. Met een beetje google translate kan hij vrijwel alles volgen, maar ik weet dat hij daar geen zin in heeft. Hij heeft nooit expliciet gezegd dat hij het vervelend vindt als ik over hem blog, noch dat hij de inhoud van mijn teksten vertrouwt.
Maar ik weet dat mijn eigen bereidheid om mezelf online bloot te geven niet voor hem hoeft te gelden. Daarbij ben ik de schrijver. Het is mijn representatie van hem, niet de zijne.

Toch is het lastig om me ervan te weerhouden. Hij was mijn constante metgezel sinds de dag dat ik met hem was, we overleefden op vier vierkante meter, volledig veroordeelt tot elkaars aanwezigheid. Veel van mijn avonturen en levenslessen waren direct aan hem verbonden.
De laatste maand leefde ik zijn leven in Olot, zijn vrienden, natuur, huishouden, ritme. Wanneer ik schreef over Catalonië, schreef ik over hem. En nu, omdat we van radicalen houden, heb ik geen idee wanneer ik hem weer zie. Twee veeleisende seizoenbanen, twee afwijkende fulltime roosters en een aantal grote bergen tussen ons: Dat zal een hoop geen-Marcel opleveren, een nieuw soort relatie, en dus wederom de behoefte om (over hem) te schrijven.

Ik kan hem in elk geval geen kwaad doen door me uit te laten over de hoeveelheid waarin ik van hem houd of hem mis, want als hij zich laat afleiden door de Zwitserse dames, dan ben ik slechts diegene die een flater slaat.
Missen doe ik overigens nog niet, maar de wetenschap dat zijn afwezigheid wat fundamenteler dan gewoon is, doet hem exponentieel stijgen in waarde.
En hij was al veel waard.
Veel meer dan dat ik veilig op mijn blog kan rond blèren.