Het Einde van de Wereld

Ik kom Chambre Neuf binnen op de ochtend van mijn vrije dag. Alhoewel we gewoon open zijn, zie ik mijn collegaatjes schoonmaken. Onder de tafels, achter de bar, aan de lampen, alles verschoven en slachtoffer van chemicaliën en doekjes. Shit, denk ik, maar de gasten dan, wat als die naar binnen willen voor een rustig kopje koffie?
Er was slecht afgesloten de afgelopen dagen. Ik heb ervoor op mijn donder gekregen en denk nu: Oké, maak dan maar schoon jongens. Maak het dan maar écht schoon.

Dan zie ik door de ramen de baas op het voetpad staan, vlak voor de ingang, met een groep van zes om hem heen. Niet mijn eigen hotelmanager maar de baas van alle hotels, het opperhoofd dat door iedereen gevreesd wordt. Oh God, denk ik, het is totaal niet presentabel nu. Ik ren naar de lichtknoppen en probeer het felle licht van het kersverse schoonmaakteam te dimmen. Omdat alles nieuw is weet ik niet welke knoppen waarbij horen. Eerst maak ik het pikkedonker, dan als het licht van de hemel. Terwijl ik kluns merk ik dat het hele gezelschap van de baas achter me is gaan staan, inclusief mijn eigen hotelmanager, die doet alsof het normaal is dat we nu een grote schoonmaak houden.
Ik voel een vriendelijke stemming, het is oké, en vraag ze hoe dat dan werkt, die lichten.
Ze gaan zoveel op in de nieuwe zaal dat mijn disco hun aandacht niet grijpt.
Ik blijf moeite houden met het vinden van het goede licht. Als ik ze dim wordt het meteen donker, niet geschikt voor een ochtend.

Hoe laat is het eigenlijk? Waarom kan het hierbinnen zo donker worden, met de hele achterwand vol ramen? Waarom is het nog donker buiten?
Ik staar een tijd lang door de ruimte naar buiten, mijn handen nog aan de lichtknoppen.
De bazen praten, de jongens maken schoon en ik realiseer me als enige dat er iets heel vreemds aan de hand is.
Ik loop naar het portier en stap het donker in, en dan hoor ik geruis. Rechtsboven me verschijnt de maan, gigantisch groot, een bol bestaand uit oranje vonken die schuin langs de wereld suist, en nog groter dan eerst weer van het toneel verdwijnt.

Ik weet het. Dit is het einde van de wereld.

Er is geen hond buiten. Ik ga zitten op de stoeprand en denk aan Marcel in Zwitserland, omdat ik hem net nog aan de telefoon had. Mijn armen om mijn knieën, mijn ogen gesloten. Het suizen blijft aanhouden en ik weet dat het een kwestie van tijd is.
Wat ongelofelijk dat het écht gebeurt.
Ik ben diep triest vanbinnen, want ik had uitgekeken naar de rest van mijn leven. Heel concreet zie ik het voor me, het alpinisme, het schrijven, het huis, weer bij mijn familie zijn. Marcel.
Meteen ook realiseer ik me hoe ontzettend zinloos het is om daar verdrietig om te zijn, want ik zal er immers niet meer zijn. Niemand zal er meer zijn.
Komen we elkaar dan ergens weer tegen? Wij allemaal?
Ik begin te bidden en te hopen, nog steeds daar op de stoeprand. Wat ben ik triest, ongelofelijk triest dat het nu moet gebeuren.

Suizen.

Er is geen uitweg, want als de wereld vergaat zijn er geen vluchtmogelijkheden. Als de wereld vergaat neemt ze de vluchtmogelijkheden met zich mee. De acceptatie ervan is net zo al omvattend als het einde van de wereld zelf. Dit is het dan. Ontzettend kalm maar ontzettend verdrietig.

En dan word ik wakker.
Met die vluchtmogelijkheid had ik geen rekening gehouden. ‘Dat het allemaal een droom is’, het blijkt allemaal een droom te zijn. Ik ben opgelucht, mijn god wat ben ik opgelucht, alsof iemand me dan toch van het eind van de wereld heeft gered. Van slag sta ik op, staar uit het raam, loop door het chalet.

Wat een droom.
Hoe is het mogelijk.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s