Latest Posts

Stroopwafelmaskers van de HEMA

 


Vlak voordat ze op bezoek kwam, stond Suus in de HEMA om handige inkopen te doen. Ze belde me op met de vraag of ik glitternagelak wilde en ik zei ‘ja, natuurlijk’. Ze kocht ook roze elastiekjes en drie zelf-verhittende stroopwafelmaskers.

Nu leest ze een boek op de schommeltuinstoel die we een paar dagen eerder van het balkon hebben gehaald. Mama zit op de bank en leest ook een boek. De skischoenen van gister staan nog onder de verwarming. We hebben kopjes koffie op de bijzettafel en zitten zelf onder de dekens. Buiten is het weer ‘verschrikkelijk’, zegt mama, want het sneeuwt, waait en is mistig. De sneeuwleverancier heeft niet altijd serene bedoelingen.

Ik dacht dat ik mijn moeder niet dag in, dag uit de ijzige Route du Coupeau op kon jagen, maar was duidelijk vergeten dat ze een onverwoestbare vrouw is die zo’n onverbiddelijke, terugkerende klim naar het chalet zonder klagen ondergaat.

En over liften (auto-stop) doet ze ook niet moeilijk.

IMG_3046

Suus en mama kwamen met zo’n tien boeken voor vijf dagen. Omdat het skiën voor beiden een passie is gebleken, zijn ze nog steeds bezig in het eerste boek dat ze hier in de vallei opensloegen. Ik grijp mijn kans om ook weer eens boven de Nederlandse literatuur te hangen en zodoende zitten we stil bij elkaar, ieder met zijn eigen vermoeide benen opgekruld in een verhaal.

Onze nagels glitteren al sinds de eerste avond dat ik mama en suus hier in Coupeau heb. Het duurt echter even voor we het lef vinden om een dagje welzijn met stroopwafelmaskers te organiseren, niet alleen vanwege de eventuele thuiskomst van Adria, maar vooral vanwege het spul zelf. We leggen nu eindelijk onze boeken met de rug naar boven op tafel, scheuren alle drie een stroopwafelvormig zakje open en smeren het goedje uit over onze gezichten, die meteen beginnen te geuren en gloeien als warme stroopwafels.

Het is lang, vijftien minuten met warme stroopwafel. ‘Mijn huid is zacht’, zegt mama als ze met een afgedroogd gezicht de badkamer uit komt, terwijl de stoopwafel via de gootsteen het chalet uitgestroomd. Suus weet het nog zo net niet. Mijn huid voelt nog droogjes.

Ik vrees dat de vrouwelijke kant van Familie de Witte hier vaker met stroopwafelmaskers op bezoek moet komen om een gegrond oordeel over ze te geven.

 

 

 

Het blonde gezelschap en Jumpy

IMG_3089

IMG_3042
Mijn kluizenaarsbestaan hier op de berg ligt ergens tussen nagenoeg perfect en volstrekt onwerkelijk. Ik word wakker met het besneeuwde Mont Blanc massief aan de overkant, twee ongeduldige ski’s en een pruttelende koffiemachine. Het enige dat ontbreekt is het gezelschap waarmee ik mijn geluk deel. Als Adria niet thuis is, praat ik tegen mijn onzichtbare huisdier en de sympathieke muren van het chalet. Mijn vriendje zit in Spanje, mijn vrienden God mag weten waar en mijn familie in Nederland.

IMG_3084
Echter, net als de dagen eentonig dreigen te worden, kloppen Fieke en haar broer aan. Sam is een fotograaf en komt met camera’s, twee stuks, zo’n oude vierkante en een geavanceerde met een lens die pontificaal mooi en duur op de camera is geschroefd. Fieke komt met Jumpy, het rode busje dat moeite heeft met de besneeuwde helling richting Coupeau maar zich heel stoer naar boven ploegt. Ik ben blij met de schuur onder het huis, waar Jumpy even afgeschermd van de sneeuw haar motor kan rusten en koplampen kan sluiten. Voel ik me ook weer een goede gastvrouw.

_DSC3750Egzon

IMG_3087

Sam en Fieke willen skiën. Ik breng ze naar Les Houches – Jumpy brengt ze naar Les Houches – waar we bijna het eerste skiliftje hebben en ongetwijfeld het laatste. Ik volg in hun carfcirkels, spring, lach, duik, val, geniet. De zon zakt achter de bergen en Sam maakt foto’s.

Goedkope kerstmuziek kraakt uit een laptop, kaarsjes branden. De champagne van de avond schiet gelijk naar mijn hoofd, waardoor ik met gloeiende wangen luister naar de gesprekken tussen Adria, Sam en Fieke. Mijn plastic discosneeuwpop kleurt roze, groen en blauw in een hoek van de kamer. Het Mont Blanc massief ligt onverstoorbaar achter de ramen. De muren zwijgen.

IMG_3100IMG_3023
De volgende morgen rijdt Jumpy ons Col de Montets op, waar de weg vakkundig uit de sneeuw is gehakt en de wereld nog witter is dan thuis. Ze zet ons af bij Le Buet en wacht geduldig op de parkeerplaats tot we terugkomen van een skitour. We binden de skins onder en volgen een nauw paadje door de vallei richting Col de Berarde. Soms stoppen we om op adem te komen of de bergen en elkaar op de foto te zetten. De dennenbomen druppen van de dooi, maar bovenin de Aiguilles Rouges ligt genoeg poeder voor een zwevende afdaling. Sam carft zijn stilistische halvemanen en Fiek giebelt erachteraan. Ik kan het weer! – schreeuwt ze.

Tot mijn grote teleurstelling serveren ze geen kaasfondue in Hotel Buet. We nemen genoegen met een croute, een prijzige toast met een gesmolten kaas. En een biertje.

IMG_3050

IMG_3009

Als ik de volgende dag op de piste van Les Houches sta, zoek ik verwildert naar het blonde gezelschap van de de Goedes. Ik kijk onder de sneeuw, in de bomen, achter de liftjes. Maar ze zijn er niet. Verslagen en verdrietig plof ik neer in de sneeuw. Jumpy. Die heeft ze meegenomen naar Villard Trottier. Dat vervloekte rode busje. Ik mijmer over de afgelopen dagen en staar naar de bergen, tot er plotseling een dikke sneeuwbal op mijn hoofd uiteen spat. Wat was dat? Ik kijk op en zie de staart van mijn onzichtbare huisdier op een meter of vier uit de sneeuw steken.

Hé jij! Kom hier jij!

(Sam’s foto’s komen in het portfolio, credits voor de blogfoto’s aan de Fiekert)

IMG_3068IMG_3013

Busrides from Hell

Fieke en ik reisden van Olot naar Barcelona in een touringcar. We zaten achterin en giechelden als meisjes op schoolreis. Na een stilte zei ze op serieuze toon: Geniet er maar van, deze bus. In Nepal is het anders.

Busverhalen. Marcel had er nog wel een paar liggen. Oude, volgestampte, hete bussen die rijden over onvoorstelbaar slechte wegen in trajecten van tien, twintig uur.

In een lounge in Kathmandu bladerde ik door de Lonely Planet, het boek dat mijn bijbel zou worden in absentie van andere literatuur. Ze schreven over Busrides from Hell naar mijn volgende bestemming in Nepal.

Oké, dacht ik, kom maar op.

De dag van de reis tussen Kathmandu en Besisahar werd ik misselijk wakker. Angel, Marcel en ik namen de taxi richting het busstation en werden bij aankomst direct aangesproken door drie mannen die ons met volharding en ongeduld in hun bussen wilde krijgen. Marcel wimpelde ze af en vond het ticketoffice, aan de rand van een stoffig, grijs terrein waar de contouren van de bussen opdoemden in het vroege ochtendlicht. We betaalden en werden begeleid naar een bus.

Daar zaten we dan. We wachtten, ieder op zijn eigen tweemans bank, die voor de brede botten van de westerling gold als eenman bank. Ik keek naar het dak, versierd met gouden lijnen en bordeauxrode krullen, lichtblauwe vlakken onder de bagageruimte, krullen zelfs in het hout van de constructie zelf. Voorin hingen kralenkettingen en feloranje slingers. Plastic bloemen bungelden boven de voorruit. Een beeldje met gevallen bloemblaadjes stond naast de pook, of, realiseerde ik me later, moest daar zijn vastgetimmerd. De stoelen waren bedekt met patronen van glimmend draad, onzichtbaar op de verweerde plekken. Aan hun achterkant zat een plastic handgreep voor de passagier in de volgende stoel.

Ik wist tegen die tijd dat ik zou gaan overgeven, wat in principe niet zoveel met de busreis te maken had, maar wel een soort tactiek impliceerde. Ik zocht naar een plastic tas en vond er een in het vuilnis op straat. Ongeveer een uur later reed de bus van het terrein en begon onze helse busreis.

De deur van de bus bleef open. De busjongen klom in en uit om overal waar potentiele passagiers rondliepen, in elke drukke straat, elk dorp, elke eetgelegenheid, mensen op te pikken. De bus werd voller en voller, precies zoals ik het verwacht had; zolang er nog een ziel in het gangpad geperst kon worden, bleef de busjongen schreeuwen om passagiers. Ondertussen wurmde hij zich een weg tussen de mensen om hun geld te innen, dat hij als georganiseerde stapel telkens terug in zijn vest stak.

Het wegdek was absent. We werden heen en weer geslingerd en verloren regelmatig het contact met het zitvlak. Het is onvoorstelbaar hoe die logge bus zich voort kon bewegen. Ik dacht aan rodeorijders en middeleeuwse koetsen en mijn maaginhoud. Ondertussen klonk populaire Nepalese muziek met luide beat door de reusachtige speaker die in het bagagerek lag. Dit was het dus. Acht uur lang.

In die eerste etappe leed ik het meest vanwege de pauze die maar niet kwam, omdat mijn vergiftigde maaginhoud een uitweg zocht en het plastic zakje dun en klein was. Ik overwoog het raam maar overzag de scène niet.

Toen ik eenmaal boven een wc had gehangen viel het eigenlijk best mee. We reden dwars door Nepal, konden koekeloeren naar de natuur, kregen inkijkjes in het dorpsleven en deelden de bus met de Nepali zelf. Van dichtbij zag ik ze, hun kleding, kinderen, gezichtsuitdrukkingen, en ik kon zelfs de illusie ophouden dat ik eventjes, zoals zij, meedraaide in het Nepalese dagelijkse leven, zonder er als ongemakkelijke toerist een busride from hell uit te zitten.

Voor een doorgewinterde reiziger als Marcel was de reis slechts een episode. Ik zag de vent zelfs slapen tegen het raam. Angel hield zich groot, maar zou nog een dag of twee kampen met de fysieke gevolgen.

Tegen vieren zag ik in dat de horror zich vooral manifesteerde in de lengte van de rit. De hobbels en de muziek maakte elke vorm van ontspanning, behalve dus voor Marcel, onmogelijk. Toen we eindelijk op bestemming aankwamen, waren Angel en ik doodop, zo moe dat we de vieze straten van Nepal vervloekten, samen met het gefrituurde eten, de harde bedden en de donkere wc’s.

En dat was busrit nummer één. Nummer twee liep van Muktinath naar Pokhara, was langer en wist zelfs Marcel eronder te krijgen, door over dermate diepe kuilen en hoge hobbels te rijden dat we moesten oppassen om niet door de het interieur van de bus knock-out geslagen te worden. Marcel zat daarbij aan het raam aan de valleikant en zag de bus keer op keer overhellen, balanceren op het randje van de dood, zo’n veertig levens betrokken. Busangst lijkt me een stuk reëler dan vliegangst, al heb ik geen idee van de cijfers.

In Beni stopte de bus vanwege een piepend wiel. Een deel van de passagiers viel in slaap, een ander deel stond buiten gebogen over dat wiel, dat eraf was geschroefd en triest op zijn kant lag. ‘Ga maar iets eten’, werd ons aangeraden. We aten Chowmein, wachtten en vielen in slaap.

Diep in de nacht arriveerden we in Pokhara, waar twintig opdringerige taxichauffeurs door elkaar schreeuwden en een straalbezopen receptionist, met waanzinnig slechte timing, een uitgeputte Marcel en een woedende Angel giebelend naar de kamer begeleidde.

De derde busrit bracht ons terug naar Kathmandu. We hadden Angel op het vliegveld afgezet en zelf iets meer betaald voor een ‘touristbus’ met beenruimte en adempauzes. Tegen het middaguur kwamen we in een file terecht die na zo’n uur de eerste geruchten doorliet. Schijnbaar was er een voertuig de vallei in gekukeld. Ik keek door het raam en zag een rivier, ruim tweehonderd meter onder ons. Het voertuig bleek uiteindelijk een passagiersbus, zeiden ze, van de weg gereden door een auto. Hoe dichterbij we kwamen, hoe meer mensen in onze bus opstonden om te zien wat er zich afspeelde. Uiteindelijk zagen we een grote groep mensen aan de oever van de rivier, te ver weg om bewegingen, gezichten of emoties te onderscheiden. Geen wrak, geen drama. Alleen het rood van de kleding van Nepalese vrouwen in de menigte was zichtbaar.

Onze bus bewoog zich voort met de file, die zo’n drie keer uiteen week om een ambulance door te laten. Ik keek naar de slapende Marcel naast me. Hij had niets van het ongeluk meegekregen. Ik voelde de intense behoefte om hem in een grote doos te stoppen, vol met zachte plastic schuimbolletjes, er een flinke afstand tape omheen te winkelen en aan alle kanten grote stickers met Pas op, Fragiel, op te plakken.

In de loop van de avond werden de pakketjes van onze zielen veilig in Kathmandu bezorgt, waar het vliegtuig Angel eveneens in goede staat had afgeleverd.

Sindsdien heb ik mijn eigen busverhalen om te vertellen.

_DSC9237

Patrick

Vanaf vandaag heb ik precies drie maanden om me voor te bereiden op het ski-examen van de gidsenopleiding. Op zoek naar advies voor een skileraar die me hierbij kan helpen, klopte ik twee dagen geleden aan bij de ENSA. Marcel had me aangemoedigd om specifiek bij hen langs te gaan, zodat ik maar vast aan ze kon wennen. De enge mensen van de ENSA.

Ze konden me niet helpen, omdat examenkandidaten geen advies van de examinatoren zelf behoren te krijgen. Maar, zeiden ze, er zijn genoeg skileraren die het examen kennen en je prima kunnen voorbereiden.

Niemand zei overigens tegen me: ‘Hé, klein meisje, wat doe jij hier? Het is veel te gevaarlijk voor jou hier!’ Dat was toch geruststellend.

De dag erna bracht ik een bezoek aan École du Ski Français, de ESF in Les Houches, het nest van de rode skipakken. De secretaresse achter de balie wist niet wat een berggids was, maar na een telefoontje met een leidinggevende kwam ze met een naam op de proppen: Meneer Patrick, zowel berggids als Moniteur de Ski, dit is zijn telefoonnummer.

Ik belde hem. Een raspende stem klonk. Ik had moeite hem te verstaan en schaamde me voor het aantal keren dat ik pardon zei of verkeerd reageerde. Uiteindelijk wist ik te ontcijferen dat we de volgende dag zouden skiën, mits het weer ons toeliet.

Tegenover de piste lag een café waar ik hem zou ontmoeten. Tegen een uur of negen in de ochtend zag ik een witte Jeep parkeren in de moddersneeuw langs de weg. Een oude, oude man in een rood skipak stapte uit. Dit was Patrick. Mijn skileraar.

Hij begroette me met zijn raspende, moeilijke stemgeluid. Daarna begroette hij de dames achter de toonbank van het café, de andere skileraren met hun klanten en wat pisteurs die snel voor een koffie kwamen. Hij begroette ook een Engelse vrouw en haar dochter, een Olympisch kampioen Telemarken en een tweetal joviale, eveneens bejaarde mannen. Als er een kat was binnengelopen, dan had hij die ook begroet. Deze man kende iedereen binnen het café en, zo bleek later, ook iedereen buiten het café.

Dus, jij wilt gids worden? – vroeg hij me van boven zijn espresso, toen hij de rust had gevonden om aan tafel aan te schuiven. Ik legde uit dat ik nog niet heel lang skiede, binnenkort aan de CRET zou beginnen (wat hij niet kende – ver na zijn tijd) en waarschijnlijk nog een hoop basistechniek miste, terwijl de examens in Maart zouden plaatsvinden. Hij reageerde niet sceptisch. Dat was een zegen waar hij zich niet bewust van was.

Het regende, wat volgens hem skiweer was voor de Engelsen, maar niet voor hem. Ik zei dat ik uit Nederland kwam en gewend was aan de regen, wat overigens totaal niet correspondeert met mijn herinnering. Maar voor ik kon voorstellen om het skiën uit te stellen, liep hij al met ferme passen richting de skilift.

Hij kroop vlug in het ei bij een oude vriend van hem, ik kon me er net op tijd bij wurmen. Ze praatten bij en ik staarde naar de ramen van ons ei, die beplakt waren met een laag hobbelige sneeuw, bang dat ik mijn eerste piste faliekant zou falen en Patrick alsnog reden tot scepsis zou geven. De Youtube tutorials die ik afgelopen week gekeken had speelde ik af in gedachten.

Iedereen die daarboven aan het liftje met zijn ski’s stond te klungelen, begroette mijn skileraar. Hij was een beroemdheid. Ik had een klassieker te pakken.

We daalden af door de sneeuwvlokken van het slechte weer, met onze jassen hoog dichtgeritst en de capuch ver over onze hoofden getrokken. Patrick analyseerde me op de pistes, in de poedersneeuw, op snelheid, per bocht, van een afstand of dichtbij, en bracht me uiteindelijk de basis van het skiën bij. En dat was waanzinnig interessant.

Begrijp je wat je doet? – vroeg hij. Snap je waarom je een bocht maakt? Weet je waar je gewicht zich bevindt? Waar denk je aan? Wat probeer je? Wat gebeurt er in je hoofd en in je lichaam voor, tijdens en na een bocht?

Geen idee, Patrick! Werkelijk geen idee.

Hij liet me kleine stukjes skiën en herhaalde telkens dezelfde vragen, in de hoop dat ik op een gegeven moment een antwoord zou vinden. Het was alsof hij me uitnodigde op een reis door het museum van mijn skigewoontes, door mijn denkgewoontes, door mijn intuïtie. Er ging een wereld voor me open in vreemd letterlijke zin, of laat ik zeggen, hij knipte een lampje aan en plotseling was die onvoorspelbare, gevoelsmatige aangelegenheid van het skiën zichtbaar en analyseerbaar.

Want, zei hij, je moet eerst begrijpen wat je doet. Dan kunnen we beginnen met aanpassen.

De les was, naast leerzaam zo niet cruciaal, ontzettend amusant. Als we bij een lift kwamen, koos hij de kant van het liftgebouw zodat hij snel een praatje met de liftjongens kon maken. Hij vertelde me over ‘toen’ in zijn moeilijke, raspende Frans, de jaren waarin hij als gids actief was, over de opleiding, het materiaal, Chamonix. Hij werd al snel een sprookjesfiguur aan wiens lippen ik hing. De felblauwe ogen die ik pas weer zag na de skiles waren mijn nieuwe vrienden.

Il faut que tu bosses! – zei hij als afscheid. Ik moet aan de slag.

Alhoewel Patrick weinig losliet over mijn huidige skiniveau, had ik na zijn les meer zelfvertrouwen dan ik ooit op ski’s heb gehad. Nu weet ik hoe ik beweeg, zal moeten bewegen, hoe ik leer en hoeveel tijd het gaat kosten. Slagen voor het examen ligt sinds vandaag in mijn eigen handen, niet meer in die van de geheimzinnige koers des levens. Gewoon hard werken en goed opletten. En echt hoor, fuck-it als ik niet passeer, want mijn dagen zijn momenteel zo mooi dat het eindresultaat erbij in het niet valt. Ik neem de uitdaging aan en ski ondertussen dwars door mijn dromen.

 

Een paar laarzen

Achter de ruiten van het vliegveld van Geneve zag ik sneeuwvlokken vallen. Ik vroeg aan mijn transferchauffeur of hij me in Le Coupeau kon afzetten, mijn dorp, dat hoog op de helling ligt. ‘Maybe, but maybe not’, antwoordde hij.

Hij wist me nog vrij ver omhoog te rijden. Toen ik uitstapte begreep ik waarom hij was gestopt: Mijn roze gymp zakte diep weg in de poedersneeuw.

Gillend vloog ik Adria om de hals. Sneeuw, Adria, sneeuw!

De volgende morgen gleed ik over een bospaadje naar beneden, op weg naar een winkel waar ze gepaste schoenen verkochten. Op twee ordinaire, bonten, futuristische laarzen met ingebouwde uitklap stijgijzers liep ik weer omhoog. Het was zo… wit. Er waren zoveel bergen. En die bergen waren ook zo wit. Alleen de beste dagen van de vorige seizoenen zagen er zo uit, en die waren pijnlijk schaars geweest.

De sneeuw dwarrelde op mijn wimpers en wangen en bleef kleven in mijn haren. Ik liet me vallen op de grond en had een zachte landing.  Graag had ik Marcel gebeld om mijn verwondering te delen, maar mijn telefoon werd bedekt met vlokken voor ik zijn nummer kon draaien.

Een dag later liep ik hetzelfde bospad naar beneden en was de sneeuw nog onaangeraakt. Ik schopte en danste me een weg naar beneden, in een wolk van poeder die niemand zag, alleen de bomen vanonder hun eigen laag kristal. Het sneeuwde zo hard dat de rails van de trein verborgen lag, terwijl de treinen om het halfuur reden. Alle huizen hadden hoedjes van een halve meter hoogte. Ik liep door Les Houches, midden op straat, waar het drukke verkeer bestond uit kinderen op sleetjes. Onze route lag vol met gestrande auto’s. Alleen het logge wezen van de bus reed soms traag voorbij, met verzopen skiërs tegen de beslagen ramen.

Toen ik weer bij het bospad kwam, zag ik dat mijn stappen verdwenen waren.

Thuis zette ik mijn futuristische laarzen tegen de verwarming. Vanuit een dekentje keek ik naar ze, terwijl in mijn ooghoek, achter het raam, de sneeuw nog steeds in dikke vlokken naar beneden dwarrelde.

Le Plaisir

Ik kreeg vanmiddag een email van de CRET met dit zinnetje: ‘…nous avons le plaisir de vous informer que vous bénéficierez d’un financement de la Région PACA et du Fonds Social Européen pour suivre, au sein de notre centre, la formation « préparation au Probatoire d’Aspirant Guide de Haute Montagne »’. Ze gaan mijn CRET financieren. Dat is heel, heel, heel erg goed nieuws, want uit eigen zak had ik ’t nooit kunnen betalen.

Gisternacht heb ik een ticket naar Chamonix geboekt, waardoor ik morgenavond arriveer in Le Coupeau, een dorpje boven Les Houches. Daar woon ik namelijk deze winter, samen met Adria. En dat laatste schrijf ik er even nonchalant achter, maar Adria is voor het derde jaar mijn Chamoniaanse huisgenoot en dat is net zo fantastisch als die hele opleiding. Ik had hem zojuist aan de telefoon en hij zei me dat er al sneeuw lag. In het dorp. De liften gaan dit weekend open en wij gaan skiën alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Als ik nu mijn been maar niet breek.

(Met dank aan Kimberley & handlanger, die mijn Franse motivatiebrief corrigeerden en me daarmee hebben gered)

De kinderen van Nepal

_DSC8988

Ik heb in Nepal bijna evenveel baby’s als jonge vrouwen gezien. Baby’s maken deel uit van het straatbeeld. Van de samenleving. Je ziet ze en ze zien jou, omdat ze vastgeplakt aan hun moeder gaan waar zij gaat en zien wat zij ziet. Ze kijken niet naar het dak van een kinderwagen maar rechtstreeks de wereld in.

Hun oudere broertjes en zusjes zijn eveneens in grote getalen aanwezig. Waarom? Misschien zijn er meer kinderen in Nepal dan in, laat ik zeggen, Nederland. Misschien vindt een groot deel van het Nepalese leven buitenshuis plaats, op straat, waar de temperatuur aangenaam is. Misschien concentreren Nepalese ouders hun kinderen niet in een crèche.

Het lijkt echter alsof ze alle vervelende, luide, lelijke kinderen in achterkamers verstoppen, ver buiten het oog van toeristen. Want diegene die we wel zien, zijn onwaarachtig schattig, rustig en op hun plek. Natuurlijk is het makkelijk om – als Hollander met een kinderwens –  de exotische koppies met die prachtige bruine ogen en zwarte piekharen te adoreren, maar geloof me, ze hebben bijna iets spiritueels.

Omdat ik gedurende mijn reis versuft gevangen zat in de rol van toerist, heb ik geen idee hoe moeders en vaders achter de schermen met hun kinderen omgaan. Maar dit is wat ik wel gezien heb: De kleintjes zitten in de doek, op schoot, kruipen rond of worden doorgegeven. Diegene die lopen, lopen los. Vrij. Ik heb ze wel zien huilen, maar geen grote mond zien opzetten. Ik heb ze zien vallen en zien opstaan, zonder te kijken of er een mammie was die hen kon troosten. En weet je wat? Kinderen lopen niet zomaar onder een bus. Ze vinden hun weg terug naar huis. Ze kunnen zichzelf en elkaar prima vermaken.

_DSC9068

Ik ben geen moeder en durf mijn bek niet open te trekken over de juiste wijze van opvoeden tot ik zelf met zo’n monster moet dealen. Noch ben ik Nepalexpert (vergeef me als de jeugd van Nepal bewezen en integraal diepongelukkig is). Maar ik heb het vermoeden dat ze in Nepal iets beter begrijpen hoe je een nieuw zieltje aan de wereld voorstelt. Ze worden niet aanbeden van boven hun koninklijke, smetteloze bed op wielen, dat overigens volslagen nutteloos zou zijn gegeven de slechte wegen. Ze zijn meer… zichzelf. Van zichzelf. Op avontuur. Mee op reis met hun papa’s en mama’s – zegt Marcel altijd.

Goed, de samenleving is er ongetwijfeld op ingericht. Een Westerse advocate kan moeilijk met haar kind op de rug een pleidooi in de rechtbank houden of de baby even aan haar zus geven. Een vierjarige kan niet alleen op tocht gaan door Amsterdam, want de buurtbewoners draaien hun leven achter gesloten deuren, waar ze moeilijk kunnen zien welk wondertje de straat oversteekt. Die zou er daadwerlijk alleen voor staan.

En eerlijk gezegd waren het voornamelijk vrouwenhanden die de kinderen doorgaven. Vrouwenogen die ze in de gaten hielden. Moeders, die misschien een heel ander leven in gedachten hadden.

Maar die kinderen hadden iets bijzonders. Hun aanwezigheid op aarde leek al duizend jaar in de planning te liggen, en de ouders leken daar op de een of andere manier naar te handelen. Mijn beeld is ongetwijfeld vertekend, maar mocht ik zelf zo gelukkig zijn om op een dag een prijskonijn op te voeden, dan houd ik de mama’s van Nepal in gedachten.

_DSC9416

_DSC9047

_DSC9073

De Wilde Waterval

Mijn vriendje en ik waren toevallig in de buurt bij de Himalaya en daarom op zoek naar een berg om te beklimmen. Onze klimspullen lagen in het hotel in Pokhara, Marcel liep de trekkingagency’s plat om informatie in te winnen en ik bestudeerde de cocktailkaart van mijn favoriete bar in Lakeside. Ondanks de nabijheid van de Annapurna Conservational Area was het praktisch onmogelijk om vorm te geven aan een mooi alpine plan. In Nepal zijn de bergen heilig, duur en moeilijk te bereiken. Nog voor de hoogte een probleem is, worden de pieken financieel ontoegankelijk voor diegene met een bescheiden spaarrekening. Wij hadden geen geld voor permits, porters en gidsen. Maar Marcel was vastberaden en vond na ruim een week zowel een gratis berg als een Nepalees die zijn plan kon bevestigen.

_DSC0001

So, this one, can we climb this one for free? Without problems?’ Marcel wees naar een plek op het glazen blad van het bureau waaronder de kaart van de Annapurna’s lag uitgestreken en keek hoopvol naar de enige Nepalees die onze intentie – niet betalen – leek te begrijpen. De trekkingsagent boog zich voorover en volgde de vinger van mijn vriendje. ‘Ok. Yes. You can… So listen, when you’re there…’ Hij keek glimlachend op. ‘When you’re there, don’t point to any of the big mountains. Don’t talk about them. Then you can climb your mountain.’

Zolang we de indruk wekten dat we vooral niet op pad waren naar de grote bergen, konden we onze gang gaan. Dit reliëf had noch de interesse van de Goden, noch die van de mens, en lag aan het einde van de Annapurna Sanctuary trek: Een trekking naar het Annapurna Base Camp die toegankelijk was voor iedereen met een beetje wilskracht en een goed paar schoenen. We hadden eindelijk onze berg. Onze stip op de kaart. 5714 meter hoog.

Het plan leek ideaal, maar het ontbrak ons aan tijd om het uit te voeren. Onze vlucht vertrok in tien dagen uit Kathmandu en de trekking kostte de snelle toerist op zijn minst een week. Exclusief reisdagen hadden we drie dagen voor de heenweg, drie voor de terugweg, en twee voor de beklimming. En vooralsnog lagen we met een kokosnoot in een rieten stoel aan het meer van Pokhara, turend naar houten bootjes.

_DSC9780

Doen we het wel of doen we het niet? We overlegden. Marcel werd getrokken door de romantiek van het onbeklommen terrein, de rol van de ontdekkingsreiziger, de eer van het veroveren. Ik had een zwak voor avonturen met een tikkeltje absurde karakters. Maar wilden we onszelf dit aandoen? Het alternatief van een yoga- en meditatiecursus spookte al een tijdje door mijn hoofd.

Heenweg

Waanzin! – realiseerde ik me de volgende dag. Waanzin, waanzin, waanzin! We waren nog geen uur geleden uit de bus gegooid, maar het gewicht van de tas was ons al teveel. Stijgijzers, ijsboren, ijsbijlen, tent, slaapzak, kleding, onzin, teveel, het was te veel. Het pad liep steil omhoog en kwam ons niet tegemoet door te zigzaggen. Hoge treden volgden elkaar op met een genadeloze herhaling. Nadat we onverwacht een hoogtepunt hadden bereikt, gingen we net zo steil weer naar beneden.
Ik had nauwelijks oog voor de dorpen, bomen of Nepalezen onderweg. Al mijn energie verkwistte ik aan het hooghouden van het moreel. Ik zou dit hele avontuur blind ondergaan, geobsedeerd door mijn eigen lijden. Had het dan wil zin? Had het überhaupt zin om een onbekende berg te klimmen?

_DSC9936

Rond vijven werd het donker, maar het krappe tijdsschema dwong ons om door te lopen. Met koplampen joegen we onszelf voort door de jungle van de Himalaya. Pas toen we beiden het gewicht niet meer konden verdragen, streken we neer naast het pad. We zette de tent op en zuchtte van verlichting bij het ontspannen van onze spieren.

De volgende dag hoopte ik sterker te zijn, maar de kracht van het frisse gemoed hield maar een halfuur aan. ‘Kom op, Ruby’, dacht ik, toen al. Het pad liep weer even hard omhoog en de hitte voegde zich bij het middaguur. We ontmoetten toeristen uit alle streken van de wereld, zwerfhonden, vrouwen in Sari’s, waterbuffels, boeren. Meestal liepen we gelijk op met de porters, die rieten manden droegen met daarin het drievoud van onze eigen last. We leerden van hen dat korte pauzes wonderbaarlijk goed hielpen en gooiden vaak de tassen af.
Maar het was zwaar. Het was te zwaar. Het deed gewoonweg pijn. We verplaatsen het gewicht door onze vingers tussen de schouderbanden te steken, of de borstbanden aan te trekken, of de tas vanachter beet te pakken, maar alle spieren waren al aangedaan. Er viel nergens meer verlichting te behalen.

_DSC9944

I need to stop, now’, zei Marcel in Chomrong, het laatste dorp voordat de vallei nauwer en wilder werd. Hij zag het pad weer de diepte in duiken en daarna een zoveelste berg beklimmen. Het aanzicht was de druppel. We lieten ons in de stoelen van een willekeurig terras vallen, sprakeloos, hongerig, en bestelden Dhal Bat en cola.

Het was gewoon niet mogelijk. We bespraken andere opties, zoals de Tent Peak, een reeds beklommen, lagere berg die nauwelijks materiaal vroeg, of misschien alleen de trekking naar het Basecamp, of zelfs een retour naar Pokhara. Maar nadat Marcel zijn rijst, curry en linzen ophad, herrees hij uit zijn plastic stoel en betoogde om nog eventjes door te lopen. Gewoon, om te kijken hoe ver we konden komen. En, zei hij, het lijden zouden we later vergeten, want zo werkte de herinnering. Ik zwichtte en hees de tas weer op mijn rug.

De yoga- en meditatiecursus in Pokhara trok zich weer terug uit de mogelijkheden.

Dag drie werden we wakker met uitzicht op de Machhapuchchhre, een beroemde berg in de vorm van een vissenstaart, hartstikke heilig en verboden. Het pad zakte tot aan de rivier en klom toen, eindelijk, gestaag mee met de oever. We passeerden dorpen als ‘Bamboo’ of ‘Himalaya’, met kleurrijke logementen en assortimenten met Snickers en wc-papier. Hot shower, 24-hour wifi, stond steevast geschreven op de uithangborden. Het ontbijt sloegen we over, maar s’ middags aten we Dal Bhat, Pizza en twee keer Spaghetti met kaas.

_DSC9954

Ik vervloekte nog steeds het gewicht op mijn rug en zag mezelf regelmatig als een gevangene van mijn eigen, ridicule onderneming. En toch werd ik sterker. Fysiek zeker niet, maar ik begon beter te worden in het afwijzen van de gedachtes die doordrenkt waren met zelfmedelijden. Geduld! – vermaande ik mezelf keer op keer. De pijn van het gewicht was tijdelijk. Ik spoorde mijn fantasie aan en slaagde er nu en dan in om de stroom van negatieve impulsen te overspoelen met gedachten aan Chamonix, het interieur van mijn restaurant of de start van een zangcarrière.

Marcel kwam op het idee om zijn gordel aan te trekken en daaraan het klimmateriaal en zijn stijgijzers te hangen, zodat het gewicht deels van zijn schouders naar zijn heupen verplaatst werd. ‘Which mountain?’ – vroegen ze ons onderweg keer op keer. ‘We don’t know yet!’

Welke naam zouden we onze berg geven, mochten we de trekking overleven en de top bereiken?

_DSC9969

Ondertussen doemden de Annapurna’s met veel drama op in de verte en herinnerden ons, enigszins verongelijkt, aan de diepe schoonheid van het pad dat we zo gebogen afliepen. Het werd koud. De bomen bleven achter in de vallei. Dikke wolken achtervolgden ons en dreigden ons in te halen. We naderden het Basecamp, de voet van de reuzen, en bevonden ons inmiddels op 3700 meter.

Tot mijn verbazing bereikten we het einde van de trekking precies op schema. Nog voor het vallen van de avond van de derde dag, zetten we onze tent op naast een van de gasthuizen in het kamp. Omdat het vroor in het restaurant, at ik chowmein vanuit mijn slaapzak. We vroegen om een extra deken die Marcel in zijn slaap over zich heen bleef trekken, zodat ik telkens gewekt werd door de rillingen over mijn rug. Maar we waren er. Nu kon het leuke gedeelte beginnen.

_DSC0014

Beklimming

Of toch niet. De wolken in de vroege ochtend voorspelden slecht weer. Marcel verdween terwijl ik kopjes chocolademelk uit een thermos in bleef schenken. Hij kwam terug met de boodschap dat onze berg achter een diepe kloof verscholen lag. We zouden de tijd niet hebben. We zouden de berg niet beklimmen. Nu was het echt voorbij.

_DSC0024

Ik was niet teleurgesteld. De onbekende berg had mijn hart nooit gestolen. Maar als we hier toch waren, wilde ik graag de Tent Peak op, die er niet waanzinnig spannend uit zag maar ons wel van een soort climax kon voorzien. En een uitzicht.

We herpakten onze tassen en lieten veel gewicht bij het gasthuis achter. Vrolijk van onze vederlichte uitrusting begonnen we aan onze trek richting het eerste basiskamp van de Tent Peak. De zon scheen. We namen de omgeving in ons op alsof we er zojuist in achtergelaten waren, zonder de herinnering aan de trekking of gedachten aan de terugweg. Annapurna I blokkeerde ons uitzicht met een griezelige, duizenden metershoge wand van steen en ijs. Links en rechts schoten andere joekels uit de grond. Ik begreep wel dat er wat heiligen tussen zaten. En ik begreep niet hoe Ueli Steck eens die zuidwand over was gestoken.

De vallei oogde weidt en legendarisch, een feilloos decor voor de alpine held op weg naar zijn angstaanjagende buit of de neuriënde Nepali, slechts aanwezig, nonchalant vergezeld door zijn grenzeloze kracht.

Het was een eer om daar te mogen lopen.

_DSC0051

Tegenover ons, tussen de bergen, die geel aan de voet waren vanwege het hoge gras en wit in het midden vanwege de sneeuw, liep een lange, helderblauwe bevroren waterval.

Wacht even.

Een waterval. Ijs. Ik zag Marcel kijken en wist dat de plannen gewijzigd waren.

We renden terug naar het gasthuis en haalden op wat we plotseling weer nodig hadden: Ijsboren, ijsbijlen, de andere helft van het dubbeltouw. Vluchtig zetten we de tent op, alsof het ijs zou smelten of de waterval toch een illusie zou blijken. Marcel liep vervolgens naar de waterval, waarvan het begin zich verschool in een donkere kloof die zelf inmiddels verborgen lag in een dikke, koude mist. Ik zette voorzichtig een stap op het ijs en gleed meteen uit, voorover, baam, plat. Op stijgijzers voegde ik me bij mijn vriendje, die bezorgd staarde naar de eerste lengte van ons avontuur. Een waterval. Rechts in de kloof liep een dunne reep ijs, maar pal voor ons viel het water, dwars door de vrieskou, in grote hoeveelheden naar beneden. We draaiden een boor in het ijs.  Halverwege raakten we de rots. We twijfelden. Zou het ding kunnen instorten? Bevroren watervallen die reeds omschreven stonden in boekjes, beroofd van hun willekeurigheid en in dienst gesteld van de klimmer, gaven in elk geval de illusie van stabiliteit. Dit was een ongetemde waterval. Een wilde waterval. Misschien moesten we eerst een ritueel uitvoeren om de geest van het kristal gunstig te stemmen. Maar het was inmiddels koud geworden en ik kon niet creatief meer nadenken. De wind joeg ons uit de kloof terug de tent in, waar we de bodem van onze slaapzakken vonden en opgerold op het donker wachtten.

_DSC0062

Die nacht sliepen we niet. Het was te koud. Ik fantaseerde over de strijd tussen onze lichamen en de grond, de grond die ongehinderd opliep tot 8000 meter hoogte, die de Annapurna’s bedekte met gletsjers, hoe die grond zou lachen om de poging van een Catalaanse jongen en een Nederlands meisje om haar kou tegen te houden met de zwakke, verwaarloosbare vuurtjes binnen hun mensenlichamen.

Om negen uur ’s ochtends schoot de zon ons te hulp en vielen we beiden in slaap. Tegen elven schudde Marcel me wakker en vroeg om een tweede poging. Wat? We kropen uit de slaapzakken, schoten terug in onze uitrusting en maakte onze weg naar de waterval. ‘Ik probeer het links’, zei hij. Er was nauwelijks ijs links, maar misschien vond hij een weg over de rotsen. Ik sloeg zijn poging gade, hoorde het geschraap van zijn stijgijzers, zag hem hulpeloze zekeringen leggen, bad dat hij niet weggleed en concludeerde verbaasd dat hij inmiddels vijf meter hoger stond. Hij had het helderblauwe ijs bereikt. Even later manoeuvreerde ik me zelf over de rotsen en arriveerde ook in het ijs. Dik, solide, fantastisch, prachtig, eindeloos, gezegend ijs. We klommen om de beurt een lengte, soms praktisch vlak, soms serieus, en kropen langzaam tegen de waterval op. De Himalaya keek zwijgend toe.

Dit was het zó, verschrikkelijk waard geweest.

_DSC0054

De wolken schoven weer voor de zon en de wind woei door de kloof, waar wij inmiddels zeiknat aan de laatste lengte waren begonnen. Plotseling hadden we haast. Álles was nat; de touwen, handschoenen, onze broeken, slings. We moesten ons een weg uit de kloof banen voordat we het wederom grandioos zouden verliezen van de kou. Het gevoel in mijn vingers en tenen was al weg. We begonnen met abseilen en vonden halverwege een escape naar het besneeuwde, gele gras. Met de ijsbijlen in de bevroren grond baanden we ons een weg over de flank naar beneden, kleine, voorzichtige stapjes om het niet nu, op het laatste moment, nog te verpesten.

En dat was het dan. We bereikten de tent, doorweekt en moe, maar uit één stuk, en beduusd vanwege de beklimming.

We hadden beiden slechts één wens: Afdalen naar een fatsoenlijke temperatuur.

Terugweg

De tassen waren zo mogelijk nog zwaarder vanwege het water in onze spullen en ik had een hekel aan het lopen in het donker, omdat mijn koplamp niet fel genoeg was om op tijd te anticiperen en ik bang was voor de dieren van de Himalaya; alsof die koest bleven wanneer Nepali het pad overzagen, maar toeristen aanvielen wanneer hun menselijke landgenoten sliepen.

_DSC9990

Ik moest denken aan een ingelijste quote die ik op een wc in een hipstercafé in Pokhara had gelezen: ‘…Make your life an aesthetic experience. And not much is needed to make it an aesthetic experience; just an aesthetic conscience is needed, a sensitive soul. Become more sensitive, more sensuous, and you will become more spiritual.’ Nepal was er tot dan toe niet in geslaagd om mijn spirituele kant te voeden, maar deze trekking dwong me ertoe om een mate van esthetisch bewustzijn aan te nemen. Het afzien moest ergens nodig voor zijn, en niet voor iets in het verleden of de toekomst, maar NU, op het moment van afzien zelf. Ik had de esthetische ervaring nodig om het vol te houden. En ik moet zeggen dat het hielp, die quote. Het pad werd er mooier van, en de sterren zichtbaar, en Marcel, mijn liefde, was mijn held in de nacht.

_DSC9992

Na het beklimmen van de waterval hadden we als gekken de afdaling ingezet, gedreven door het idee van een nachtrust zonder rillingen. Die avond liepen we door tot diep in de jungle, waar het groen van tropische planten toegang gaf tot een lange, diepe slaap. De dagen die volgden verschilden nauwelijks van de andere trekkingsdagen, behalve dat Marcel een warmwaterbron vond en zich zielsgelukkig onderdompelde in het warme water. Afzien bleef het thema van ons avontuur. Het pad ging weer onverantwoord steil omhoog en daarna doodleuk naar beneden. Onze knieën konden geen weerstand meer bieden aan de treitering van de hoge treden en huilden. De laatste nacht trakteerden we onszelf op een verblijf in een gasthuis, enigszins gedwongen door het slechte weer dat zich eindelijk aandiende. Een groep Japanse toeristen voorzag ons onbedoeld van entertainment door te veel te drinken en ongepast gedrag te vertonen. De mantra’s van hun porters wekten ons om vijf uur in de morgen, dwars door de zwakke muren van het geïmproviseerde gebouw. We aten pap en kokoskoekjes en begonnen rustig aan de laatste, steile meters naar de bushalte.

_DSC9892

Hoe noemen we hem? – vroeg ik Marcel. We wachtten op een omelet met kaas of de bus, hetgeen het eerste zou komen. Onze tassen stonden te drogen in het zonnetje. Hij haalde zijn schouders op. Ik kon zelf evenmin een toepasselijke naam bedenken en gaf de waterval in gedachten terug de natuur, onbepaald en wild, zoals we haar aantroffen.

Marcel het inderdaad gelijk gehad, bedacht ik me een paar dagen later. Ik had inmiddels een keuze gemaakt uit de cocktaillijst en zat met een Piña Colada aan de rand van het meer, te filosoferen over het vreemde karakter van de herinnering. Die ging namelijk totaal voorbij aan al het afzien gedurende de gehele trekking. Alsof de tas eigenlijk niet zwaar was geweest. En de treden niet hoog. En de hitte niet heet en de kou niet koud. De herinnering had van de trekking een parel gemaakt, een magisch feest, een grote, waterdichte bubbel aan esthetisch bewustzijn.

_DSC9789

Alhoewel ik mezelf tijdens de trekking zo’n honderd keer had voorgenomen nooit, nooit, nooit meer zoiets te ondernemen, zou ik beter georganiseerd, met een stel porters, behoed tegen de kou (zelfs die van de grond), en zonder haast, best een tweede bezoek willen brengen aan die monsters van de Himalaya. Zodat ik minder afhankelijk ben van de herinnering om hun schoonheid te waarderen en ter plekke receptief kan zijn voor de waanzin van hun gestalte. Zodat ik daar ook, ter plekke, dankbaar voor kan zijn.

Maar goed, ik heb veel geleerd over mezelf. Marcel en ik hebben een wilde waterval gepionierd, dat is ook wat waard. Mijn liefde voor hem is weer eens exponentieel gestegen. De verleiding van avonturen met een tikkeltje absurde karakters laat zich altijd naderhand uitleggen en als ik weer een keer toevallig in de buurt ben van de Himalaya, dan vrees ik voor wat komen gaat.

_DSC0088

Een bus naar het centrum

‘You act like a princess’, verweet Marcel me. Onze spullen lagen nog opgeslagen in het hotel waar we met zijn vader verbleven voor ons vertrek naar de onbekende berg. Uitgeput waren we de eerste avond van onze terugkeer neergestreken op het zachte witte bed van een ruime kamer, die zonder sponsering van de pensioenpapa ver boven ons budget zou liggen. Maar vader zelf was inmiddels op yogaretreat en had zijn rupies mee de heuvels ingenomen. Daar gingen we dus, de volgende morgen, op naar een guesthouse in een achterbuurt waar het soort reiziger met dreads en tattoo’s verbleef; diegene die fietsen hadden en wijde broeken droegen die jaren terug in India, Peru of Zuid-Afrika waren gekocht.

Konden we dan ter compensatie eten in het Spaanse tapasrestaurant? Of cake halen bij de German Bakery? Of cappuccino’s drinken bij die gelikte hoektent of cocktails aan het meer, happy hour happy hour? Nee, want chowmein (noodles) kostte 80 cent in het donkere zijstraatje, en momo’s had je al voor vijftig cent vlak buiten Lakeside. Toen liet ik een zucht ontsnappen en werd ik voor prinses uitgemaakt.

In Chamonix kan ik het me niet veroorloven om de prinses te spelen. Daar begint het feest bij dertien euro tachtig voor twee biertjes. In Lakeside kun je daarentegen decadent gedrag vertonen voor een euro of twee. Grijp die kans, dacht mijn consumerend hart.
Maar je komt niet naar Nepal voor de espresso of het softijs, burrito’s of paella, boerenkool of brätwurst.

Na een goede nachtrust tussen de hippies en Nepali van het alternatieve broeinest waarin ons nieuwe onderkomen stond, kon ik de verleiding van het Westerse goed plotseling beter weerstaan. Marcel nam me daarom mee in de bus richting het centrum van Pokhara. Vanwege de spits kwam de bus vast te zitten op het onverharde kruispunt van de kilometre zero. Zijn chauffeur manoeuvreerde zich uit het knooppunt, reed even spook op de driebaansweg en koos toen voor een omleiding door een steeg waar zijn bus te breed voor was. Vervolgens reed hij achteruit terug de snelweg op, blokkeerde verkeer van beide kanten, koos een tweede zijstraat waar hij net aan doorheen paste en zette ons af in het Nepal van de Nepalezen: geen toerist, geen toeristische winkeltjes en vooral geen cappuccino’s.

Hier kwam het vandaan. Dit was het achter de schermen van Pokhara, op nog geen vijf minuten van de filmset zelf. Kachels, lampen, verf, tegels, smartphones, gouden sieraden, golfplaten, manden, stoffen; alles dat we als de bouwstenen van het hedendaagse Nepal hadden leren herkennen, werd hier verkocht of ter plekke, op de stoep, in elkaar gezet. Alles. Dit was de voorraadkast van al die lui die in de hoofdstraat van Lakeside hun prijzen vertienvoudigden.
We snuffelden rond tussen de elektronica, op zoek naar een set zonnepanelen dat Marcel op zijn bus wilde monteren. Ik liet me lokken door een winkel met elke wand vol stoffen, rijen en rijen met prachtige patronen en kleuren, en gaf per ongeluk ruim veertig dollar uit aan een hobby die me niet eigen is (mijn moeder heeft me geleerd hoe ik een naaimachine moet temmen, maar ik nooit echt kleding gemaakt, alhoewel het idee me wel aanstaat). Ondertussen deden de Nepalezen hun ding, kochten en verkochten, ontmoetten elkaar in de buurt van de frituurpan, zaten op hun plastic stoelen voor hun zaak, het gezicht gericht op het drukke verkeer of op de kinderen die losliepen.

Ik voelde me even, voor het eerst, buiten het klassieke rolpatroon van de toerist vallen. Alhoewel we hier als Westerlingen meer afstaken van de Nepali dan in Lakeside, waar iedereen, Nepali of niet, meedraaide in dezelfde machine, werkte ons uitstapje bevrijdend. Alsof we even van het script mochten afwijken. We waren heus niet zo uitzonderlijk in onze dwaling richting het centrum, maar de samenleving was hier in elk geval niet hoofdzakelijk op ons gericht.

Die avond aten we wederom chowmein in het donkere steegje, waar de eigenaar onze naam nog wist en regelmatig bij ons tafeltje bleef treuzelen. Ik ontwierp ondertussen jurken en broekpakken in mijn schrift en fantaseerde over het resultaat, terwijl Marcel ongetwijfeld in gedachten zijn zonnepanelen op het dak van de bus installeerde. Als dessert namen we een masalathee die qua smaak elke cappuccino van Lakeside overtrof. Ik voelde me dankbaar. Dat gekke, gierige vriendje van me had weer eens een wereld voor me geopend.

En toen, de volgende morgen, kneep ik er stiekem tussenuit voor een groot stuk brownie van de German Bakery, dat ik met even groot genoegen naar binnen werkte. De prinses gaat vanaf nu undercover.

 

 

Vliegangst

Als ik door de gate loop, neem ik de gezichten van alle mensen in me op die in het volgende tijdbestek hun leven zullen verliezen. In het vliegtuig word ik even afgeleid doordat we gezamenlijk door een enkel nauw pad geleid worden en we allemaal onze handbagage het liefst boven onze hoofden willen stallen, maar daarna, als ik zit, werp ik een blik door een raampje om te zien welk deel van de vleugel zal afbreken.

Omdat ik niet vaak genoeg vlieg, is elk geluid verdacht. En de absentie van veel geluid is ook verdacht. Elk lampje, aan of uit, is een indicatie van aansnellend noodlot. Ik analyseer het gedrag van mijn reisgenoten en weet zeker dat ze pretenderen rustig te zijn. Het begin van een omroep begint neutraal om af te leiden, the temperature in Barcelona is ladieda, maar daarna zal het zich subtiel ombuigen tot de ware boodschap: We will crash. Please pray.

‘Het is als de bus’, denk ik geforceerd. Gewoon, de bus, die tussen Heemstede en Hoofddorp. De bus maakt ook weleens een bocht. Of rijdt over een hobbel.

Of ik denk ‘dood is dood’. Een dode Ruby kan nergens om rouwen.

Als ik een alpine tocht maak, dan waan ik me pas veilig na de afdaling van de berg, wanneer het grootste risico ligt bij het verstuiken van een enkel. Op een vliegvakantie waan ik me pas veilig als het laatste vliegtuig me afzet bij de arrival van het juiste vliegveld.
Godzijdank hebben ze op lange vluchten een beeldscherm voor elke passagier met Hollywood en Bollywood films. Ik heb Avatar gekeken, en The Holiday, Grease, A Beautifull Mind en een stel films die ik hier niet durf te herhalen. Ondertussen brengen de fabelachtige stewardessen van Quatar Airlines maaltijden en drankjes rond en kan ik me ervan overtuigen dat het noodlot nooit aan de haal zou gaan met zulke perfecte schepsels, het witte satijn van hun blouse of het dieprood van hun lippenstift.

Mijn vliegangst komt deels voort uit mijn ongeloof dat vliegen werkelijk mogelijk is. Het kan niet écht waar zijn dat je in een paar uur tijd op een ander continent afgezet kan worden, en je kan ook geen uitstapjes maken naar het wolkendek, en niemand kan zo snel gaan als een vliegtuig en vliegen zelf is alleen voor vogels en heliumballonnen.

En toen was er een piep. Een piep zo intens en luidt dat het mijn gedachten een moment stopzette. Direct daarna schoot mijn hartslag omhoog. Ik keek verschrikt om me heen en vond de ogen van Marcel. Zo ging dat dus. Dit was het dus. Dus toch. Ik had gelijk, vliegtuigen konden niet vliegen, al mijn medepassagiers kwamen inderdaad te overlijden. Gedachten samengeperst in paniek. De piep bleef aan maar niemand reageerde. De stewardessen bleven het gangpad traversen en passagiers vervolgden hun anekdotes. Wat? Wat ìs dit, een gesprongen kabel in mijn brein? En in dat van Marcel? Pas toen ik de koptelefoon afzette, realiseerde ik waar de piep vandaan kwam. Die kwam voort uit onze elektronica en hield er vervolgens achteloos mee op. Terwijl mijn hart bonkte en het zweet op mijn voorhoofd stond, zakte Marcel weer weg in zijn film. Ik had de rest van de vlucht nodig om te herstellen, nee, ik had de veilige landing nodig om te herstellen.

Ik kom uit een gezin van vliegbangeriken. Maar het is te overzien; ik hoef geen boot te pakken of mijn affectie voor Europa te overdrijven. Ergens is het ook wel amusant. De doodsangst blijkt oppervlakkig genoeg om te vergeten wanneer Jude Law Cameron Diaz kust of een felblauw wezen op een draak langs vliegende bergen vliegt. En elke keer als ik ‘dood is dood’ denk, realiseer ik me eveneens dat ik maar beter een heel leuk leven kan leiden. En als er iets kan helpen bij dat leuke leven, dan zijn het wel de vliegtuigen die – vliegensvlug –  toegang geven tot de rest van de wereld.