Latest Posts

Zwemmen

Mijn badpak dateert uit de vijfde klas, gekocht omdat ik met een vriendinnetje op zomerkamp ging aan de oever van het Comomeer. Sindsdien heb ik niet meer echt een reden gehad om een nieuwe aan te schaffen, zelfs toen ik eruit kromp. Wanneer ik met mijn ex in de blauwe rivieren van de Catalaanse Pyreneeën dook was dat naakt of in ondergoed en bergmeren vind ik gewoon best wel koud.   

Maar sinds Thibault op één of andere manier zijn energie moet kanaliseren en natuurlijk niet kan wachten op het herstelproces van zijn gebroken enkel, hebben we een abonnement op het zwembad genomen. Toen ik het toegangspasje in mijn handen hield, gehuld in mijn te grote badpak, met mondkapje, Crocs en spierwitte billen (een absoluut meesterwerk), bedacht ik me dat ik eigenlijk helemaal niet kon zwemmen. Ik kon misschien mijn kop bovenwater houden, maar de manier waarop ik van de ene naar de andere oever van het bad zou bewegen was ongetwijfeld verschrikkelijk.

Het eerste wat ik leerde was hoeveel verschillende borsten, billen en buiken eigenlijk bestaan en hoe die allemaal anders voortbewegen. Ik had al tien jaar geen lichamen meer op grote, bijna naakte schaal om me heen gehad. Het tweede wat ik leerde was dat ik inderdaad niet kon zwemmen en ook niets wist van de baantjes etiquette (zeg je hallo tegen je baangenote?) en het derde was dat leren zwemmen best wel moeilijk is. Want tijdens de borstcrawl kwam er water in mijn neus en luchtwegen en kon ik maar zo’n zes keer met mijn armen in het water slaan voordat ik bang was om te verdrinken.

Daarom was ik er die eerste keer na een half uur wel klaar mee en keek ik hangend aan de zwembadrand naar de gespierde schouders en grappige brilletjes van baantjeszwemmers, het plonzende kattenkwaad van een bende jongens en de flanerende tienermeisjes met hun telefoons aan de oever van het zwembad.  

De tweede keer leerde ik dat je ook onderwater kunt verbranden. Thibault had drie kilometer gezwommen en zag er plotseling uit als een roodwatermonster, ikzelf had rode billen.

De derde keer ontdekte ik waarom al die baantjeszwemmers brilletjes ophadden, want nadat ik eindelijk wat langer met mijn kop in het water kon blijven zag ik de hele dag zo wazig dat ik de auto niet meer durfde te pakken.

Voorafgaand aan de vierde keer ging ik daarom langs de winkel om zowel brilletjes als een bikini aan te schaffen. Daardoor zwom ik niet persé beter, maar ik hoefde in elk geval niet meer te waken voor het spontane vertrek van mijn badpak en kon eindeloos onder water kijken naar het voortbewegen van de echte zwemmers. Dat is best wel cool, hoe ze dat doen. Ze lijken ervoor gemaakt.

Zoals veel sporten leuker worden naar mate je ze beter beheerst, heeft het zwemmen me uiteindelijk toch te pakken kunnen krijgen. De sensatie van het glijden door het water begin ik te missen nadat we een tijdje niet zijn geweest. Ik heb zelfs aan Thibault geopperd dat we (ik vooral) misschien eens een lesje moet(-en) nemen. Hij kan inmiddels zachtjes op zijn enkel steunen maar zit voorlopig nog aan het zwembad gebonden om zijn cardio omhoog te krijgen (hij zou tevens kunnen fietsen op een hometrainer maar dat is een stuk minder grappig).

En ik moet zeggen dat er zelfs iets prettigs is aan dat leven in bikini. Ik voel me weer het meisje op vakantie in het zwembad van de camping dat alle verzuipende vliegen uit het water schepte, tegelijkertijd de onzekere ongetwijfeld verliefde tiener op het strand en ook gewoon een volwassen vrouw, een lichaam tussen de lichamen onder de zon, die op de een of andere manier aan de rand van een zwembad in Frankrijk terecht is gekomen en met plezier (en onjuiste techniek) het water in duikt.

Xanax

Voor me zat een dokter die jonger was dan ik zelf. Die leeftijd heb ik inmiddels bereikt; de leeftijd waarop ik de deur niet meer uitga zonder zonnebrandcrème op mijn gezicht en mijn vrienden in staat blijken om huizen met tuinen te kopen (voor eventuele baby’s en een setje kippen). Ik zei tegen de dokter dat ik graag een verwijzing naar een psycholoog wilde en toen vroeg hij me om mijn symptomen te omschrijven.

Dat hele omschrijven was misschien wel deel van het probleem, vooral als je opeens aan een onbekende jonge knaap moet uitleggen wat er precies aan de hand is. Ik vertelde hem dat ik graag berggids wilde worden en eindelijk redelijk dicht bij toelating tot de opleiding stond, maar dat ik in de praktijk soms dwars werd gezeten door een ongeluk van ruim een jaar terug. En dat ik over het algemeen nog steeds niet zo goed wist wat ik met dat ongeluk aan moest, het risico en de dood en zo, en dan nog die droom van het berggidsenbestaan.

Ik moet zeggen dat hij me de verwijzing naar de psycholoog direct heeft gegeven. Wat hij me echter ook gaf, was een voorschrift voor Xanax.

Het probleem is dat ik soms, in de bergen, wanneer de omstandigheden erg lijken op die van het ongeluk (een steen die valt, een steile sneeuwhelling zonder einde) moet vechten tegen de paniek. Mijn gedachten zijn dan plotseling oncontroleerbaar en geconcentreerd louter op wat mis kan gaan, en mijn lichaam lijkt niet helemaal meer vooruit te willen, noch achteruit. Dat is misschien niet heel raar, maar ook weer niet heel praktisch, vooral omdat ik niet weet of het zichzelf oplost voordat ik straks eventueel met mijn eerste klanten op pad ga.  

Vandaar die Xanax.

Ik wilde echter geen symptoombestrijding. Want ik zie mezelf geen pillen uit mijn zijvakje halen wanneer ik met één hand aan een steile wand hang en de paniek voel opkomen, met name omdat ik daarna nog van de berg af moet en het idee heb dat je er nogal slaperig van wordt (en als je er geen auto mee mag rijden dan lijkt het me ook geen ideaal middel voor de bergen).

De dokter was misschien jong maar wel erg geduldig en vriendelijk, wat prettig is als je plotseling binnenstebuiten voor iemand zit. De afspraak met de psycholoog heb ik echter pas in September kunnen maken.

Voorlopig staan er daarom geen beklimmingen op het programma die me eventueel zouden kunnen triggeren. Zin om de bergen in te trekken heb ik echter wél. Veel zelfs. Mijn liefde voor hen heb ik nooit in twijfel getrokken, noch mijn capaciteit om er de kracht en vrijheid op te doen die me in eerste plaats naar ze toe heeft gebracht. Ik ga dus wandelen en een hoop makkelijke tochten maken, en voorlopig maar eventjes zelf op ontdekking in mijn psyche.

En die Xanax bewaar ik eventueel voor de toekomst.

Zonnebloem

 

De zonnebloemen in de tuin zijn gek gemotiveerd om te groeien. Onze grootste torent inmiddels tien centimeter boven mijn hoofd uit. Het is haast een ervaring om zo naast een grote zonnebloem te staan. Ik hoop dat de stengel ook Bertrand ontgroeit, mijn buurman van twee meter die zich samen met ons over de groenten ontfermd en rondrijdt in een piepklein autootje waaruit zijn benen en hoofd steken (bijna).

Thuis is het beste stekje.

Want Fieke is mooi en ’s zomers, met haar bruine snoet in bloemenjurken, een klein Hollands sprookje in Frankrijk. Tigrou heeft tegen zijn wil een hond op bezoek gehad en circuleert sinds twee dagen alleen nog maar op hoogte, van de bank naar de kast naar de tafel naar het aanrecht en trekt daarbij een verongelijkt gezicht. Ik heb hem nog niet gezegd dat de hond vanavond weer op visite komt. Thibault heeft een soort plastic vervangbeen gekocht en wandelt daarmee over de zandpaden als een marsmannetje met uitsteeksels, alle wandelaars kijken hem na. Ikzelf loop af en toe door de kleine binnenstad op een stel onpraktische hakken om me weer even vrouwelijk en aangekleed te voelen, maar uiteindelijk toch liever door de bergen op mijn gympen.

Wat zijn ze mooi, die bergen.

De hittegolf, de grote gevaarlijke hittegolf die afgelopen zomer nogal langdurig door het land trok, ligt voorlopig nog in de haven (welke haven weet ik niet, die van klimaatopwarming en dikke auto’s en een stomme burgermeester die fietspaden niet serieus neemt), met als gevolg dat ik deze zomer niet persé verafschuw en het vrolijke gebloem- en fluit eigenlijk wel aangenaam vindt. Het scheelt een hoop deprimerende gedachten (wat niet wegneemt dat we iets met die burgermeester moeten aanvangen).

Kortom, het landschap van mijn thuiskomst is nagenoeg perfect. Ik heb zelfs nog de ouders op bezoek gehad, mijn favoriete echtpaar dat door de bergen buffelt alsof ze er alleen maar jonger op worden en langzaamaan mijn Franse vriendje begint te verstaan, mits hij articuleert. Hoe overtuig ik deze twee van het feit dat ze hierheen moeten verhuizen? Ik wilde ze aanvankelijk opschepen met een Border Collie die alleen maar gelukkig zou worden wanneer hij achter een setje schapen over de Franse bergflanken zou kunnen rennen, maar ze doorzagen mijn plan. Voor Tigrou heb ik geen oppas nodig want die plundert de voorraadkast geheel autonoom en voor Thibault geld hetzelfde.

Wees echter op jullie hoede, lieve ouders, ik vind wel een plan of noodzaak.

(Moeten er niet twee boeken geschreven worden in de rust van een klein Frans bergdorp?)

 

_DSC0282

Zoek de marmot. Er zijn er drie.

 

_DSC0287

Wandeling Col de Chardonnet – Col de Beraudes (=achtertuin)


20200711_141933

De investering moet meetellen

Als een grote, Italiaanse dinosaurussenfamilie Chamonix tijdens de examens als nest had gebruikt, dan was me dat niet persé opgevallen. De fysieke testen vormden het begin en einde van mijn wereld, de bergen waren eventueel ergens op de achtergrond aanwezig en ik was zelf slechts een lichaam dat moest presteren.

Het lichaam heeft min of meer de prestatie geleverd, maar de euforie komt slechts af en toe bovendrijven, onverwacht wanneer ik bijvoorbeeld voor de toonbank bij de bakker sta en het roomtaartje met frambozen wel denk te verdienen. Misschien omdat er nog een groot examen te wachten staat en ik niet te vroeg wil juichen, misschien omdat het leven geenszins verandert blijkt nadat ik thuis ben gekomen (ik had eventueel andere kleuren en dimensies verwacht, Tigrou als giraffe en een droombaan in een strikje op de deurmat).

Wat mijn blijdschap echter vooral de kop indrukt zijn de herinneringen aan het verschijnen van de beruchte lijst in de aula waarna we ons realiseerden wiens naam erop ontbrak. Natuurlijk was het geen lijst van leven of dood, maar wel een lijst van dromen. Elke avond klonk het gespatter van dromen door de ENSA en ver daarbuiten. Het ongeloof en de tranen van zij die plotseling naar huis werden gestuurd raakte mij ook, even, maar vijf minuten daarna zoog het volgende examen me weer terug in mijn obsessie en de onzekerheden over mijn eigen kans op slagen.

Ik had liever gehad dat gewoon iedereen was geslaagd. We hebben samen getraind en het allemaal verdiend. Het voelt debiel dat het einddoel zo individueel blijkt na zo’n lang, intensief gedeeld traject.

Tegelijkertijd weet ik hoeveel jaren iedereen zelf al geïnvesteerd heeft, mooie jaren ongetwijfeld, maar gefocust op louter die examens, vol van training, blessures, kleine baantjes en duur materiaal, hoop en stress en dan teleurstelling, vier jaar, vijf jaar, er zijn er van negen jaar. En ja, ze hebben ruim het niveau om berggids te worden, maar de examens zijn met regelmaat hopeloos willekeurig en de ENSA heeft daarbij een één of ander silhouet in gedachte, alsof het gaat om modellen voor een tijdschrift, en als je een manier van voortbewegen hebt die helemaal niets zegt over je kwaliteit in het ijs, op de rots, als gids, maar die net niet helemaal correspondeert met hun voorkeur dan kun je je twintig jaar lang aan gort trainen maar nooit aangenomen worden tot de opleiding.

Ik ken er gewoon te veel. Sterke, gepassioneerde, sociaal capabele jongens en meisjes die fantastische gidsen zouden kunnen worden maar die op de een of andere manier niet geselecteerd worden.

Het onnodige gespatter van dromen heeft me pijn gedaan. Dus eet ik dat taartje en ben trots op mezelf dat ik de zomerexamens heb kunnen valideren, maar echt vieren kan ik het pas wanneer we allemaal de opleiding in mogen.

(Wat betreft mijn eigen traject en het ongeluk moet ik overigens zeggen dat ik me honderd procent gesteund voelde door de ENSA. Ze waren begripvol en geduldig, wat me veel heeft geholpen op mijn eigen slingerende bergweggetje richting een eventuele toekomst als berggids.)

(En Victor en Antoine, duizend dikke klapzoenen, jullie worden ijzersterke en zulke leuke berggidsen)

Een klein feestje voor nummer 47

Maandagochtend zaten we met 106 bloednerveuze kandidaten in het amfitheater van de ENSA. Ze gaven ons hesjes met een rugnummer en uitleg over het eerste examen van de week: Oriëntatie.

Die avond zaten we er nog maar met 71. De balises die we moesten vinden hadden in nestjes dicht bij elkaar gelegen en veel kandidaten hadden zich vergist.

De volgende dag reisden alle 71 af naar Ablon, een prachtig klimgebied richting Annecy waar onze harten een voor een explodeerden van zenuwen. Met trillende armen en benen klommen we onze examenroutes, soms klonk er een schreeuw van een vallende ziel. De gevallen zielen stonden die avond niet op de lijst.

Woensdagochtend renden 49 kandidaten door de granieten blokken van Plein Joux. Op bergschoenen klommen we gemene plaatroutes en eventjes dacht ik zelf weg te glijden, maar nee, ’s avonds hing mijn naam nog steeds in de hal van de ENSA.

En toen was ik moe. Met de overgebleven horde liepen we donderdag naar Glacier du Tour om de juryleden onze kunsten in het ijs te tonen. Bang waren we allen dat een pickel los zou schieten, een stijgijzer weg zou glijden. Er waren drie technische parcours en één steile beklimming met ijsbijlen, zo steil, zo lang, en zo moe was ik dat ik halverwege losliet en met een boog naar beneden vloog.

Toch stond nummer 47 die avond op de lijst. Mijn gemiddelde cijfer was hoog genoeg geweest.

Nu resteerde alleen nog dat vreemde ski-examen dat eigenlijk afgelopen winter plaats had moeten vinden.

41 kandidaten skieden vrijdagochtend omhoog over een verrot sneeuwveld bij Grand Montet. Het was zo mistig dat we allemaal bang waren om de weg kwijt te raken of op volle snelheid over de jury heen te skiën. En ik, ik was te moe. Na de CRET, na alle examens en de ongezonde hoeveelheid stress waren mijn ogen rood en mijn benen lam. Dat ik bochten kon maken met datzelfde paar benen, met een zware tas op mijn rug zonder een hand voor ogen te zien en in één stuk beneden kon komen was voor mijzelf een wonder.

Maar het was niet genoeg om die avond op de lijst te staan. Slechts 22 kandidaten overleefden.

En toen was iedereen boos.

Want het sloeg nergens op, dat examen, vonden ze. Skiërs die voorgaande jaren hoge cijfers hadden gehaald waren dit jaar beoordeeld alsof ze in pizzapunt naar beneden waren geduikeld. Onenigheid was overal, zelfs binnen de jury zelf. Ik heb nog nooit zoveel volwassen mannen zien huilen en ikzelf was ook niet blij.

Want skiën was niet het onderdeel waarop ik af had moeten vallen. Skiën was mìjn onderdeel geworden. Ik had er jaren voor getraind en ik voelde me goed. Die ochtend had ik misschien geskied als een idioot, maar ik was geen idiote skiër meer. De omstandigheden waren simpelweg te slecht geweest.

En toen deed de ENSA iets verbazingwekkend. Ze zeiden: Tsjah, het was misschien toch niet zo’n representatief examen geweest.

Om het goed te maken hebben ze ons gezegd dat we het zomerdeel van de examens mogen behouden en alleen komende winter nog het ski-examen hoeven te doen.

Voor mij is dat OK. Ik was niet van plan dit jaar de opleiding in te gaan en als ik ervan overtuigd ben dat ik inmiddels goed kan skiën, dat moet ik dat komende winter maar laten zien.

En dus is het tijd voor een klein feestje voor nummer 47. Want ik heb de zomerexamens gehaald en kan met een ijsje op een plastic krokodil in een zwembad gaan liggen, tot de eerste sneeuwvlokken vallen, want dan moet ik nog eventjes aan de bak.

img-20200629-wa00018942094661780763322.jpeg

Week 7: De wonderlijke wereld van een zomerse wintersport

Het is 26 juni, zeven uur ’s ochtends. Met de ramen open rijden we langs het Lac du Chambon. De bergen zijn groen, de lucht is warm. Nieuwsgierig tuur ik in de verte, op zoek naar onze bestemming van deze ochtend. Ze hadden me gezegd ‘kijk goed om je heen, Ruby, het is nog eens wat’. We rollen langzaam Les Deux Alpes binnen en ik geef ze gelijk.

Het is bijzonder lelijk.

Het dorp, als het zo te noemen valt, bestaat uit een enorme verzameling appartementencomplexen met brede asfaltwegen, parkeerplaatsen en betonnen liftstations. Rechts gapen beige gaten in de flank van de berg, recent opgevuld met nog meer appartementencomplexen, links zie ik slechts opgedroogde skipistes. De hele berg piste, alsof ze er een gestreepte deken overheen hebben gelegd.

We halen onze ski’s uit de kofferbak en stappen in een lift, die ons takelt over eindeloze lappen gras, over puinhellingen waar bulldozers de bergen zonder concessies op skiërs hebben aangepast, over het begin van een gletsjers die inmiddels de naam draagt van het skistation. Daar treden we een wereld binnen waarvan ik nooit had bedacht dat íe bestond.

Een zomerse wintersport. Hierboven, op 3000 meter hoogte, traint het Frans nationaal team, de Franse nationale skischool en de ENSA als een verborgen diersoort in strakke pakken op geslepen latten. Hier overzomeren de snelheidsduivels wanneer de valleien groen zien en er nergens meer te glijden valt. Ik staar verbijsterd om me heen.

Hoogst ongemakkelijk sluit ik me daarna aan in de rij bij de nationale kampioenen voor de sleeplift. Wij allen, de stagiaires van de CRET, vallen volledig uit de toon: We hebben brede skitourski’s, wijde broeken, grote tassen en klimgordels met reddingmateriaal. Zij hebben glimmende onesies onder gestroomlijnde helmen en messen onder hun voeten. Nooit waren we hier beland zonder het coronavirus en het uitstel van het ski-examen. Ik ben bang om naast hen de pistes af te gaan en vooral om per ongeluk op hun ski’s te gaan staan. Ze zien er duur uit. Gelukkig vinden onze opleiders afgelegen hellingen waar we met een gerust hart naar beneden kunnen zigzaggen, buiten het zicht van de rest.

Skiën, ’s zomers, is overigens niet minder leuk dan skiën ’s winters. Het voelt licht gestoord en absoluut niet de bedoeling, maar toch ook prettig om weer in de stijve schoenen, met de helm op de kop en de stokken in de handen bovenaan een witte helling te staan. Naar beneden glijden is een sensatie, zelfs nog ietsje meer wanneer het eind juni zomaar uit de lucht komt vallen. Wanneer we echter terug naar Les Deux Alpes worden getrokken voel ik toch teleurstelling. Ik heb geprofiteerd van een destructieve institutie. Het is zo lelijk, het dorp. De natuur is zo ver weg.

Om twaalf uur ’s middags is het bloedheet in het dal. We trekken een short over onze heupen en zoeken de schaduw op van een terras, waar de huid van onze gebruinde, in mijn geval rode kaken even tot rust kan komen. De ski’s liggen weer in de auto. Nog één keer deze zomer zullen ze van stal worden gehaald.

Wanneer ze de ENSA moeten tonen wat we allemaal wel niet geleerd hebben.

Week 6: Chamonix II (Samen)

Thibault deed een parcours in het ijs en stond plotseling voor een gigantisch gat in een sneeuwbrug. Hij besloot naar de overkant te springen en landde op een steen die enigszins verstopt onder de sneeuw lag. Zijn enkel klapte dubbel en zwol op, een helikopter vloog hem naar het dal. In het ziekenhuis zagen ze aanvankelijk niets, maar twee dagen later toonde de scanner een breuk in het sprongbeen. Een operatie, twee maanden met de poot omhoog en nog eens drie maanden revalidatie.

Nu ligt hij op bed met een lichaam dat tot in de puntjes afgetraind is.

Ook mijn lichaam is tot in de puntjes afgetraind. Klaargestoomd voor de blokken en het ijs, de wanden en het oerwoud van de oriëntatietest, hier presenteert de Hollandse zich aan de ENSA met een blonde staart, een stadsvoet en een Frans vriendje dat schittert in absentie.

Week zes deed me aanvankelijk goed. Het gekip-zonder-kop in het bergterrein beheerste ik eindelijk genoeg om er een dosis plezier uit te halen die me deed vergeten dat ik eigenlijk geen idee had of ik nog wel berggids wilde worden. Sterker nog, juist omdat ik alles zo leuk vond keek ik bijna weer met liefde naar de bergen.

Maar nu die arme Thibault volledig ontwapend door de woonkamer hinkelt kan ik er minder van genieten. Het was iets dat we samendeden, uiteindelijk, de voortzetting van een hysterisch avontuur na een verschrikkelijk ongeluk, aftasten hoever we nog konden en wilden gaan, in elkaars aanwezigheid en met elkaars steun, die zo belangrijk was omdat alleen wij werkelijk konden invoelen wat de ander voelde. Onze aangetaste dromen leken op elkaar. Onze vragen waren hetzelfde. En nu heeft het gemene lot zijn enkel gebroken op nog geen anderhalve week voor het examen, en stap ik dadelijk alleen in de auto naar de ENSA.

Natuurlijk geef ik niet op. Maar zijn triestheid heeft impact op me en zijn absentie eveneens.

Week 5: Chamonix I (Essay de Thibault)

Omdat ik zelf een klein beetje moe ben dit weekend, heb ik mijn (Franse) vriendje gevraagd om het verslag van de eerste week in Chamonix te schrijven. Die is geschreven in het… Frans. Voor mijn Franstalige lezers zal het dit keer makkelijker zijn om mijn blog te ontcijferen (onze Donald Duck taal valt niet mee), mijn Nederlandse lezers verwijs ik voorlopig naar Google Translate – tot ik zelf de energie vind om de tekst van Thibault te vertalen.

Nog een extra kijkje in de gekte van de CRET kunnen jullie vinden op de blog van Theo, mijn cursusgenootje. Klik vooral even op de video, die geeft de uitdaging van afgelopen week goed weer: Ijs.


Semaine 5: Chamonix I

Treize jours, douze heures et 127 minutes. Il pourrait s’agir d’un nouveau titre de ces livres français rouges, ceux de la littérature alpine. Rangé à côtés de celui de Desmaison, de la trace de l’ange, et du bouquin alpino-romantique d’Isabelle Bonnet. Les héros sont ici une GoreTex trouée, une paire de chaussette et de moi-même, c’est l’histoire de leur rencontre avec le climat Chamoniard. De leur retour à une humidité relative normal, de leur temps pour être précis puisque jamais ici, pendant toute la période du stage elles n’ont quitté le statut social de la moiteur froide, malgré l’hospitalité de nos amis, le thermostat étant bloqué sur une pluie constante et fine, le sec n’ayant qu’un caractère relativement temporaire.

Voilà, j’ai planté le décor. Humide. Il s’agit d’en finir au plus vite avec ce cadrage pessimiste et s’habituer. Puisque ce climat ne va pas nous quitter. L’homme se fait à tout, l’alpiniste ne fait pas exception à sa condition humaine et puisqu’il recherche l’AMBIANCE comme il le dit souvent, c’est bien avant tout bien fait pour lui. Au milieu des nuages, quelque part sur la mer de glace des petits groupes apprennent à jouer avec l’élément.

Il me parait important de faire un détour par l’Histoire avec un grand H -s’il vous plait-. Comme son nom l’indique, l’élément, est glissant. Les hommes ayant depuis longtemps perdu leurs attributs naturels pour ce genre de milieu, ils se doivent de porter des griffes artificielles en acier au bout de leurs membres inférieurs. Concernant les membres supérieurs, les griffes aux mains qui équipaient initialement nos ancêtres se sont rapidement révélées inadaptées aux comportements humains. Bien que le grattage de nez et autres parties ont bien sûr fait la fortune des Ophtalmologistes et Proctologues des vallées alpines, ils ont malheureusement aussi conduit à une baisse de la natalité. C’est donc contraint par l’instinct d’espèce que les alpinistes ont finis par choisir de n’en équiper qu’un seul sur les deux. La difficulté de changer la griffe de main pour adapter le côté de l’appui au terrain (main droite ou main gauche) en faisait cependant un outil laborieux. Un changement sociologique et un hasard historique a permis l’émergence du piolet moderne tel qu’on le connait aujourd’hui. C’est un mouvement (qui espérons le cyclique) de refus de la consommation au profit des potagers, qui a conduit tout une génération à redécouvrir la pioche des grands parents. Celle-ci a rapidement eu l’idée de s’en servir sur les terres gelées et c’est la facilité de ce fameux changement d’appuis qui a permis le réel développement de l’activité, perdant ainsi son cotes fastidieuse.

Saluant l’évolution du génie humain en terme du matériel, en échange d’argent (qualité souvent oubliée de l’alpiniste, qui est souvent bon consommateur de produits en tout genre) nous pouvons nous équiper des derniers outils à la mode. Fin prêt pour aller au milieu de cette mer de glace, qui ne ressemble plus qu’à un gros éboulis, s’adonner au plaisir de tordre sa cheville sur les pentes glacées afin d’arriver à se mouvoir avec élégance, en respectant les sacro-saint commandements de l’activité : Garder le bassin dans la pente, les pieds ouverts à 10h10 et ne pas tomber (ruisseaux, cailloux et crevaces etant prêt a nous accueillir). La tâche est rude il s’agit de transformer quelques grimpeurs de glaçons suspendus en danseur sur un support un peu moins vertical.

Les détails techniques, ou pratiques de l’activités, se résument plus facilement à l’aide de vidéo que d’un long texte. Je vous invite à taper Probatoire Glace guide sur YouTube pour avoir une vision des différentes absurdités réalisées (appelées dans le jargon répertoire gestuel), si cela vous intéresse.

Nous précisons à nos amis Hollandais, grand spécialiste, que tout don de matériel étanche est le bienvenu.


(Voor de Hollanders: De technieken die we moeten beheersen)


Week 4: Verdon

Een paar schapen zou ik wel in mijn tuin willen hebben. Een atelier in huis, een houten tafel en rozen op het terras. Meer hoeft eigenlijk niet. Tigrou die zich uitstrekt op een witstenen muur misschien, een gitaar en een piano zonder publiek.

Waarom ik me terug zou moeten vinden middenin het onweer op 300 meter hoogte bungelend aan een touw, weet ik niet. Ze zeggen dat je soms dingen moet doen die je niet leuk vindt om een groter doel te bereiken, maar daarboven aan de muur geplakt met die afschuwelijke diepte onder me en het flitsen en donderen boven me vervloek ik mezelf en elke beslissing die ik eens heb genomen.

De week in Verdon zou niet gemakkelijk zijn. Als ik er had mogen rondlopen en filosoferen, dan was ik er misschien nooit meer weggegaan, want de witte, 400 meter hoge wanden die aan beide kanten boven een felblauwe rivier uittorenen zijn niet helemaal van deze orde; de Verdon heeft ongetwijfeld hulp gehad van een klein gezelschap goden om zulke kliffen uit te houwen. Rondlopen en filosoferen was echter voor de anderen, de toeristen, diegene die klimmers voor gek verklaren.

Ik, helaas, lijk zo’n klimmer te zijn.

Afgelopen jaar heb ik de diepte nauwelijks opgezocht. In Oktober waagden Thibault en ik een poging op de Sialouze maar het was te vroeg. Ik durfde niet, was alleen maar bang om dood te gaan. Wennen aan de diepte werd daarom nog maar uitgesteld tot na de winter. Maar toen heerste er een virus en mochten we het huis niet uit en toen begon de CRET.

Natuurlijk heb ik getwijfeld of het wel zo’n goed idee is om met de voorbereiding voor de examens van de ENSA door te gaan terwijl ik rondloop met een trauma dat nog steeds een significant deel van de avontuurlijke kant van mijn brein inneemt, maar ik dacht dat ik ertoe in staat zou zijn om ter plekke mijn grenzen te trekken en zodoende langzaamaan te wennen aan de blootstelling en het avontuur. De realiteit is anders. De dynamiek van de groep is anders, het idee van de opleiders is anders, allemaal zo anders dat ik niet eens heb durven uiten dat er iets in mij nog niet helemaal goed zit.

Dinsdagavond. Het weerbericht voorspelde onweer in de vroege namiddag van de dag erna. De opleiders kwamen naar ons tentenkamp om routes te bespreken en mijn klimpartner en ik hadden een plan, een goed plan naar mijn idee, met een korte aanloop en ontsnappingsmogelijkheden voor het geval dat. De opleiders hadden echter een ander idee en mijn klimpartner werd er al snel door verleid. Ik niet, ik zei nee, aanvankelijk.

Ik weet niet hoe ze het doen. Ze verplichten ons nergens toe maar de druk die ze op ons uitoefenen is subtiel maar gigantisch. En dus zei ik ja, uiteindelijk, waarom ook niet, op een lange route met een complexe aanloop zonder ontsnappingsmogelijkheden, geopend lang geleden met de haken ver uit elkaar.

Woensdagavond bij terugkomst in het tentenkamp had ik daarom een huilbui zo groot als alle donderswolken boven de Verdon bij elkaar. Donderdagochtend wederom. Ik voelde me een ingestorte trein op weg naar de verkeerde eindbestemming. De dood van Céline en Elise explodeerde weer eens mijn hart. Het was te moeilijk, te groot, te diep. Zelfs Thibault was niet bij machte me te troosten. Om me heen liepen klimmers waarvan ik plotseling was vervreemd, niets lieerde me nog aan hen, zo één was ik eigenlijk al niet meer was sinds februari 2019. Het enige wat ik wilde was heel hard wegrennen om de hele episode van de afgelopen vijf jaar te vergeten.

Ze zeiden me dat het soort rampspoed je sterker maakt. Ik wacht nu al ruim een jaar op het moment waarop ik me sterker voel. Ik blijk niet eens in staat om nee zeggen.

Het ongeluk heeft mijn droom om een berggids te worden misschien wel voorgoed bedorven. Ik ben sceptisch wat betreft mijn vermogen om over mijn angst voor de diepte heen te komen, de gevolgen van een eventuele verkeerde wending zijn in mijn lichaam gegrift.

Maar ik ben moe en wil nog even geen beslissingen maken.

Toch denk ik sterk aan een setje schapen en een atelier in huis.

Week 3: Spleet

Tijdens zijn loopbaan als gids heeft hij alles gebroken behalve zijn hoofd, zegt mijn opleider. Vier jaar geleden nog bracht hij zijn hele onderstel aan puin, als klap op de vuurpijl, niemand had gedacht dat hij het zou overleven. Aan het andere uiteinde van het touw bindt hij zich in. Een knappe zestigjarige met een paar felblauwe ogen in een bruin, gerimpeld gezicht, een klein gespierd lichaam in een wijde klimbroek. We zijn in Annot, tussen rotsen van draken of reuzen of pinguïns, en staan aan de voet van een veertig meter lange spleet.
‘Hebben al die ongelukken mentaal niet het een en ander aangericht?’ vraag ik hem voordat hij zijn vuisten en voeten in de spleet wurmt.
‘Nee. Eigenlijk niet.’
Met de souplesse van een twaalfjarige, of een zestigjarige die zich regelmatig thuis voelt in 8b’s, klimt hij de spleet omhoog en land vijf minuten later onaangedaan terug op de grond.

‘En jij?’ vraagt hij. ‘Hoe gaat het met jou en het ongeluk van vorig jaar?’

Ik kijk verbaasd op, want hij is de eerste opleider die erover begint. En hij is geen zacht ei. Twee dagen eerder viel een cursusgenoot uit een spleet, gezekerd uiteraard, maar door een samenloop van omstandigheden duikelde hij een vijftal meters over de rots naar beneden. Lijkbleek zat hij daarna voor ons, met grote schaafwonden en barstende pijn aan zijn ribbenkast, we speculeerden allemaal over gekneusde of gebroken ribben. ‘Ach nee’, zei de opleider in kwestie, ‘wees niet zo hypochondrisch. En al is het een gebroken rib, ik heb er zelf elf gebroken. Drie weken. Niet meer.’ Mijn cursusgenoot liep uiteindelijk onbegeleid de berg af naar zijn bus. Zelf zo taai als een oude alpinist, reed hij naar zijn woonplaats Briançon om daar drie uur later bij de eerste hulp aan te kloppen, waar ze vaststelden dat hij geen interne bloedingen had, maar eventueel wel een gebroken rib.

Ik zeg tegen mijn opleider dat het ongeluk grote impact op me heeft gehad en ik zeker nog niet de methode heb gevonden om er op duurbare wijze mee om te gaan, noch de zekerheid om mijn carrière in de bergen voort te zetten. Hij lijkt te luisteren. Ik wijd niet verder uit omdat ik niet te veel van zijn onverwachte zachte kant wil vragen en weet ondertussen zeker dat hij een van de jongens nooit had gevraagd naar het soort emotionele moeilijkheden. ‘Ga met iemand praten. Dat kan veel goed doen’, zegt hij uiteindelijk.

Annot geeft een fabelachtige omgeving vol bomen met gekke stammen en Gnijs dat boven het dorp uittorent, het dorpsplein waar jongens jeu des boules spelen en meisjes toekijken vanaf de bankjes. De spleten in het gesteente bovenin de bergen blijken een perfecte leerschool voor het klimmen op protectie. Ik ben onder de indruk van mijn cursusgenootjes, die zich links en rechts naar boven wurmen en grote aanspraak maken op hun mentale kracht. Ik zie ze elke dag een stukje groter groeien.

Omdat ik nog steeds kamp met een schouderblessure kan ik zelf niet veel meer dan het aaien van de rots en het absorberen van de omgeving. Ik zoek de draken of reuzen of pinguïns, nieuwe wegen tussen de bomen door en fantaseer over de dag waarop ik terugkom met twee schouders in correcte staat om mijn eigen mentaal te vormen. Alhoewel ik geen toekomst vol gebroken botten voor me zie, nooit hard zal worden als een oude alpinist, heb ik het gevoel dat Annot een schat voor me verborgen houdt. Ook ik kan er groot groeien.