Author: Ruby Elizabeth

Bruno de Magiër

Het is maandagavond, half zeven, donker als in winter. Fieke heeft een afspraak in het oude centrum van Saint Chaffrey en ik ga met haar mee. Er is niemand in het dorp. Alleen wat vastgeplakte herfstbladeren op de natte vlakte van het plein lijken te wachten op, misschien, een wind om ze los te trekken en mee te nemen Maar in een winkeltje op de hoek branden de lichten en de kachel. Daar loopt Bruno heen en weer, verstopt achter rijen skischoenen, tussen, onder en boven rijen skischoenen, een oude, gezette man met een frons en het krullende grijze haar van een vriendelijke maar vermoeide winkelier. Nu moet je eerst iets weten over skischoenen. Die zijn hard en zeker niet gemaakt voor warme, zachte mensenvoeten. Een skischoen maakt een ‘tok tok’ geluid als je erop klopt met je knokkels of een ‘tik-tik tik-tik’ geluid als je erin loopt over het trottoir. Ze buigen niet en willen vooral niet met je mee, behalve als de sneeuw toevallig valt en de helling steil naar beneden loopt. Maar …

Stemmen en Plingels en Tokkels

De parkeerplaats voor het conservatorium staat vol, want er is een pianoconcert gaande op de begaande grond. Ik zie ze door het raam, de pianist en zijn publiek. Ik hoor ze door de muren. De noten klinken pling pling na elkaar, door de stilte van het luisterende publiek. Maar de gangen zijn leeg en het trappenhuis ook. Buiten is het donker, binnen knippert het licht aan met een paar seconden vertraging. Ik hoor mijn stappen op de trap en de lage stem van een volwassen leerling op de eerste verdieping, gegrepen in een toonladder, van hoog naar laag en steeds lager. La-la-la-la-laaa. De stem van zijn lerares klinkt een octaaf hoger, luid, foutloos en zelfverzekerd. Als ik de deur van de eerste verdieping open, hoor ik ook de piano die hen begeleid, en ik hoor het zachte getokkel op een gitaar door een leerling zoals ik, achter de deur van mijn leslokaal, naast de warme stem van mijn leraar. Omdat ik te vroeg ben, kan ik alleen maar luisteren. Ik zit stil op de koude …

Cyclus

De kleur wit is terug in mijn verhalen. Zelfs nu de Mélèze nog oranje is, schrijf ik al over wit. Wit op de bomen, wit op de grond en de kleine storm in mijn hart, die alles begraaft in het wit. Het is November en ik kom thuis. Ik kan niet goed omschrijven wat het met me doet, die komst van de winter. Te veel om niet onzinnig te klinken, het is maar sneeuw, zou je zeggen. Maar het haalt me overhoop en zet me terug op mijn plek, de wereld waar ik alleszins vandaan lijk te komen, wat geenszins waar is. Hoe is het mogelijk. De fanfare van het skiseizoen staat voor de deur. Felgekleurde ski’s en schoenen, bekende namen van gevaarlijke afdalingen, koude, huilende kinderen, lawaai van aanbiedingen en geld dat in vier maanden verdiend moet worden, auto’s, files, bochten die op een bepaalde manier gedraaid worden, ski ik goed of ski ik slecht, waarom ben ik moe, waarom ben ik niet moe, was ik niet snel genoeg gisteren, niet snel genoeg, nee, …

Gastblog door de logerende mama

Mama gaat naar Briançon! Eerst een standbeeld voor de medewerker van de Treinreiswinkel. Want nee mevrouw wilde absoluut in één dag met de trein naar haar dochter in Briançon en mevrouw wilde net zo absoluut, niet over Parijs’. Werkelijk alle dienstregelingen, van de snelste TGV tot het meest amechtige boemeltje, passeerden aan het bureau de revue, maar Parijs bleef als een grote spin in het web. ‘Nou ja, dan toch maar over Parijs, maar vooral niet te duur én met voldoende overstaptijd én aan het raam én op een redelijke tijd aankomen…..’ De man gaf geen krimp en uiteindelijk stond ik weer buiten met echt álle kaartjes (zelfs voor de Parijse metro), wat een held. Dus nu was het verder gewoon een kwestie van op de goede volgorde in de bijbehorende treinen klimmen, als daar tenminste dat Parijs niet was geweest. Nou heb ik een ander kind, dat heel goed is met Parijs. Hij kan zijn moeder vanuit zijn stoel precies vertellen welke borden ze moet volgen om van gare du Nord naar het gare …

Marktkoopvrouw

Florice is de flirt in de kraam schuin tegenover ons. Ik schat hem zo’n jaar of vijftig, met grijze lokken en een linker knipoog. Hij is niet te vertrouwen, die Florice. Noch zijn groenten. Op de markt staan producenten en doorverkopers. Doorverkopers herken je aan een te groot assortiment, ‘verschilt niet van de supermarkt’ zegt Thomas. Producenten staan er met hun eigen broccoli, aardappelen en pompoenen. Onze overbuurman ontbreekt het soms aan groenten, koopt ze dan in bij de Italianen op de hoek en zet ze voor een hogere prijs te koop in zijn eigen kraam. Het is zondag negen uur in Briançon. Ik sta achter een kraam gemaakt van bamboe, in de frituurdampen van ‘Les Saveurs des Îles’ (de smaken van de eilanden), van Samossa’s en Nems met garnalen, kip of groenten. Mijn klanten zijn met pensioen, want de romantici en uitslapers liggen nog op bed en komen twee uur later, en de gezinnen hebben eveneens tijd nodig om op te starten. Thomas frituurt ons koopwaar en legt het dan in bakken voor me. …

Kortjakje

Het is vrijdagavond en het donker is net gevallen. Ik slinger mijn gitaar aan de hals mee naar de Citroën AX, die geparkeerd staat op een stuk gras naast de Clarée in La Vachette. De achterbak gaat open wanneer ik voorzichtig aan het kleine touwtje trek dat uit het slot kruipt. Ik zet mezelf achter het stuur en trek ook aan de starter, en dan maak ik veel lawaai met mijn gaspedaal, want de AX start anders niet. Met name nu het kouder is. Voorzichtig draai ik haar een halve slag in de rondte, en dan rijd ik rustig mijn verlaten dorp door. Want het is stil op de Dodekippenkattenweg. En het is stil op De Verschrikkelijke Weg, tot aan Briançon, waar het eveneens stil is, van het oude centrum tot de dalende Chaussée tot mijn muziekschool. Niet uitgestorven, maar stil. Zoals in de bibliotheek. Mijn gitaarleraar komt uit Gap. Hij is een jaar of vijftig en heeft een klein brilletje en een kale kruin. Ik zit tegenover hem en laat ‘altijd is kortjakje ziek’ …

Als ze lacht

Mijn bazin loopt erg langzaam. Zo’n zes seconden per stap. Het lukt haar niet om haar volgende voet snel genoeg te laten landen, daardoor is ze uit evenwicht wanneer er geen steun beschikbaar is. Gelukkig is het restaurant klein: ze kan via het keukenblad langs de bar en eerste twee tafels naar de uitgang. Die twee tafels staan voor de gelegenheid tegen elkaar aangeschoven. Ik zit naast de ‘comis de cuisine’, de keukenhulp die tegen het einde van het seizoen onofficieel chef is geworden. De weinige klanten die we hadden dachten dat wij samen het restaurant runden. Wat we vooral deden was de tijd doden, vaak door te praten over wat we stiekem op onze telefoons aan nieuws zagen, of over Briançon, of zijn vader, die eens opgepakt was door de politie omdat hij een bevallende vluchteling had geholpen bij de oversteek naar het ziekenhuis. Midden aan tafel zit de echtgenoot van mijn bazin. Hij is stil, vanavond. Hij lijkt nergens op aan te kunnen haken, niet op de conversaties aan tafel en niet, in …

Dat kleine beetje ruimte

Het is moeilijk, mijn gedachten beheersen. Moeilijk op het matje, gedurende twee minuten, of tien, of dertig. Moeilijk misschien niet af en toe in het dagelijks leven, voor even, voor het moment, maar wanneer een ander moment volgt is het alweer verdwenen. Moeilijk is het wanneer de gedachten negatief zijn, of emotioneel geladen, wanneer beheersing nodig is, en ook wanneer ik moe ben. Of wanneer mijn hart eventjes niet geloofd, of erger, wanneer het mijn gedachten geloofd. Moeilijk, moeilijk, moeilijk, en toch heb ik hoop. Want sinds mijn begin als afgeleide zen beoefenaar ben ik rustiger. Er is een kleine afstand ontstaan tussen mij en mijn gedachten, en zodoende mijn oordelen, impulsen, automatismen, emoties, alsof ik ze zie aankomen en zie vestigen in mijn hoofd en lichaam. Zelfs al komen ze met commotie of dwang, repeterend, zelfverzekerd, er is steeds vaker dat kleine beetje ruimte om ze belachelijk te maken, om het simpelweg niet met ze eens te zijn, om ze aan te vechten of, idealiter, te laten gaan. Niet altijd met succes, maar de …

De Clarée maakt vreemde slingeringen

Soms laat ik dingen gaan, in het Frans. Dan snap ik een verhaal of conversatie niet, een woord of een idee, en let ik maar half op. Een soort ‘laat maar’ luiheid die volgt uit het leren van een taal en de duizenden momenten van onbegrip die daar onvermijdelijk bijhoren. Het verhaal van coulée de boue kwam meerdere malen terug. Eerst een keer op de radio, daarna in gesprekken, en begin Juli pikte ik zo ongeveer op dat er iets in de vallei was gebeurd wat de weg naar Nèvache blokkeerde. Ik dacht aan een ingestorte rotswand, misschien, of een verzakking; iets dat met wat graafmachines en menselijk huishouden wel opgelost kon worden. Hier in de bergen ligt er constant iets op de weg, moet het wegdek hernieuwt, zijn valleien afgesloten. Ik had geen idee. Ik had geen idee dat, na een reeks stormen, een zes meter hoge modderstroom een deel van de vallei had weggevaagd. De dag waarop ik ging kijken, leerde ik dat het aanzicht van een verwoest natuurgebied haast fysiek pijn doet. …

Dodekattenkippenweg

Mijn overbuurman heet Christian, ‘Kri Kri’, en heeft twee katten van achttien jaar oud die niet alleen gelaten kunnen worden. Wanneer hij en zijn vrouw boodschappen doen, moeten ze dus mee. Op de achterbank. Ik heb die achterbank een keer met de katten gedeeld toen het echtpaar me oppikte in Briançon, waar ik aan het liften was. Tijdens het rijden keken beiden uit het raam. Ik vertelde Kri Kri dat ik van plan was om Tigrou uit het asiel te halen, en hij antwoordde met: Pas op. De katten van La Vachette worden overreden. Mensen rijden als gekken. De kat van mijn hoogsteigen huisbaas was blijkbaar twee jaar geleden overreden. Ze hadden de burgermeester van Val de Près (onze commune) gevraagd om verkeersdrempels en wachten er al jaren op. In de tussentijd hebben ze maar gigantische bloembakken neergezet, maar daar slingeren de duivels als gekken omheen. De katten van Kri Kri en zijn vrouw mogen dus niet naar buiten. Tigrou mag eigenlijk ook nog niet naar buiten, maar is gisteren toch ontsnapt. Ik was niet …