Latest Posts

Oberwalderhütte

Gedurende juli en augustus plunder ik vakkundig mijn rekening. Het hele jaar spaar ik grote bedragen (een soort van) en vervolgens verkwist ik ‘t in absurd korte tijd aan milkataarten, treintickets en campingplaatsen. Spontane BBQ’s, mountainbikehuur en warme chocolademelk.

Nu heb ik het voor elkaar gekregen juni vakkenvrij te houden en moet ik mijn spaarrekening over drie maanden verdelen. Ik kan bivakkeren wat ik wil, maar als ik enigszins ruimte voor spontaniteit wil inbouwen ga ik het van de zomer simpelweg  niet redden.
Dus ben ik opzoek gegaan naar werkgelegenheid in de Alpen: De berghut. Het Vielen Danke en Gutte Morgen Liebe Leute van de Wiesbadenerhütte klinkt nog vers in mijn geheugen en toont me dat je schijnbaar heel vrolijk op hoogte geld kunt verdienen. Maar dan wel, liever, mooier, in het Frans.
Ik vertoefde me op het internet en kwam er weinig optimistisch vandaan: de combinatie van mijn Frans en Google Translate was slechts toereikend om  de populariteit van de hutten en de eis van volledige taalbeheersing aan me duidelijk te maken; de rest van de informatie ontging me.

Dus gaf ik het op. Ik voorzag een milkataartvrije zomer, een huilend belletje naar mijn ouders dat ik geen trein meer kon betalen (het ik-ga-liften dreigement is uiterst effectief) en gevilde marmotten op een stokje. Tot ik van de winter mijn oorspronkelijke berghutplannen uitte en men met de Oberwalderhütte kwam aandragen. Duits?

Ik won wat extra informatie in (Willem, tnx) en begon aan het schrijven van een uiterst lachwekkende Duitse mail. Bellen was sowieso geen optie. Omdat ik mijn tekst te gênant vond om door een Duitser te laten controleren vroeg ik Fieke om er het een en ander in te schrappen.
Ze schreef de gehele mail over. Alhoewel zij net zulk groot lak aan naamvallen heeft als ik durfde ik deze mail zowaar te verzenden. Een paar dagen later kreeg ik terug dat ik welkom was in juni. (Ik zag zo voor me dat de mail alle collega’s was rondgegaan en ik het vermaak van de dag had gevormd.)

Nu besef ik me terdege dat ik heb gebluft over mijn Duits – Fieke’s Duits is absoluut het mijne niet – en sta ik voor de opgave om binnen een paar maanden Duits te begrijpen en te spreken. Ik heb een oefenboek grammatica aangeschaft en leer, alsof ik nooit op de middelbare school heb gezeten, dat naamvallen temaken hebben met dingen als ‘lijdend voorwerp’ en ‘bezittelijk voornaamwoord’, en dat mijn vaardigheid van Nederlandse zinsontleding zwaar ondermaats is. Maar ik zet door.

Dus als jullie in juni in de buurt zijn van de GrossGlockner, trek hebben in een biertje en een staaltje ijzersterk Duits (-achtig ) willen horen: Kom naar de Oberwalderhütte!

Mooi Plaatje

Laten we even stilstaan bij de wereld.
Niet bij de lelijke wereld, want we beseffen ons allen dat onze confrontatie daarmee geen stilstand benodigd. We kunnen bewegen en dan botsen we er vanzelf tegenaan.

Laten we stilstaan bij de mooie wereld. Die van de zon die over grijze daken piept en kleine Chiwawa’s die over straat hobbelen alsof ze nooit misplaatst zijn. Die van denkende mensen die plotseling moeten lachen en lelijke stelletjes die de allermooiste plaatjes maken.

En nu kunnen we weer verder.

De mode van outdoor

Voor  mijn eerste C1 kreeg ik spullen toegeworpen. Van belang was alleen de zonnebril, rood en snel. En een oranje notitieboekje, dat ik vlak voor de cursus met aandacht uitzocht. Een week lang reisde het mee in de flap van mijn kleine rugzak en richtte ik eindeloos woorden aan mijn moeder. ‘Vandaag was heel leuk en morgen gaan we naar de volgende hut. Papa en Suus vinden het ook heel leuk. Vandaag hebben we soep met een bal gegeten.’

DSC00847

                  Eerste Alpine Outfit

Op mijn eerste Asacweekend werd ‘materiaal’ voor het eerst relevant, maar wist het zich nog niet als concept te onderscheiden van alle andere dingen in de wereld. Ik had mijn oude Uggs, een grijze joggingsbroek en een groot vest van mijn broer aangetrokken. In mijn tas zaten Haribo, Redbull, muziekboxen en een slaapzak van de Decathlon.
Het was koud in Ith. Anna had een expeditievader en zweette zich dood in haar geleende slaapzak, terwijl ik met wijd open ogen de nacht ervoer. Overdag kroop water door de gaten van mijn schoenen. Kou nestelde zich in elke centimeter van mijn ruggengraat. Mijn broek zakte af en moest na elke pas in de toprope opgetrokken worden. Rondom de instructeurs wemelde het van jassen en broeken van dure en mooie stoffen, maar ik had er geen oog voor. Materiaal rinkelde aan hun gordels.

Tegen de tijd dat ik de materiaallijst van de C1 kreeg toegestuurd had ik aardig kennis gemaakt met de mogelijkheden. De mode van outdoor. Felle kleuren en fijne stoffen met lange verhalen over kwaliteit, producten met een praktisch doeleinde, een hang naar al dat licht en onverwoestbaar is, en zo mogelijk een extra drukknop verscholen onder het dekseltje van de Perco om bij nood je leven te redden.

Het verlangen naar kwaliteitskleding diende zich steeds vaker aan. Ik dronk koffie bij Bever en Zwerfkei en liet een knaagdier los in mijn bankaccount, onder het motto ‘in één keer goed’. Goretex en Softshell en G1000 en Windstopper. Ik had geen idee, dus ik liet het goede bepalen door de wijzen van de Asac en de ‘slimme’ van de winkel. Ademend, isolerend, zwetend, wandelend, vliegend, magisch, mythisch.

Duur.

Alpine Outfit nummer 2

Alpine Outfit nummer 2 – (de helft geleend) Met als topstuk vader’s zonnebril

Na het eerste jaar wist ik dondersgoed dat ik nog niet rond was. Spaar ze alle…(?), ik mankeerde tenten, thermosflessen, gasflessen, ijsboren, pikels, tarps, bivakzakken, thermobroeken, handschoenen, camelbags, donsjassen, bijlen, katrollen, grigri’s, lawinepieps en lakenzakken. Laat staan eigen protectie. Mijn rack bestond uit drie nutjes: Een rode, groene en donkerblauwe.

Nu ik halverwege mijn derde klimjaar zit luister ik nog steeds met verbazing naar conversaties over materiaal en voel ik me wederom de idioot met de Uggs en joggingsbroek die nog nooit van Primaloft heeft gehoord. Ongelovig tuurde ik van de winter naar een paar drytoolschoentjes en poogde ik verwoed om treffend te formuleren wat een absurde eenheden die dingen vormden. De gedachte om het aan een klimleek uit te leggen wekte alleen maar hilariteit.
Maar ik heb ook aan wijsheid gewonnen: Alleen een tocht, een beklimming, een eigen avontuur kan me vertellen of ik het juiste aan materiaal heb aangeschaft. Daarbij, waar ik eerst geneigd was iemand met leipe Goretexcapriolen en gordels vol ijzerwaar als topalpinist te classificeren herken ik nu het soort klimmer met teveel geld.
En er bestaat ook zoiets als ‘luxe’, waar een simpel extra laagje volstaat, en iets als ‘lenen’,  waar het geld beter aan warme choco op hoogte besteed kan worden.

Sinds outdoormateriaal twee jaar geleden stilletjes mijn bewustzijn binnen is getreden, heeft een deel zich ook weer naar het onbewuste begeven. Ik betrap mezelf regelmatig op verbazingwekkende keuzes van een kleur boven kwaliteit, een voorliefde voor een bepaald merk en een ongegrond idee van hipheid van het een of ander. Voor ik weer het knaagdier loslaat moet ik bij mezelf te rade gaan waarom ik werkelijk iets wil; voor ik 300 euro in een imago steek.
Soms waan ik me weer terug in Heemstede en lijkt Maison Scotch vervangen door Arcteryx, de Ipad door GPS-achtigen en Maison de Bonnetrie door de Bever. Waarom een pikkel van Grivel: omdat dat hij goed is, of omdat hij geel is? Waarom een dons: omdat ik er één nodig heb, of omdat ik er nog geen heb?

Expeditie ‘hip de berg over’. Mijn boodschappenlijst bestaat voor nu uit een brander, een alpienbroek, een pickel (tsjah, ga ik nou voor geel?) en eventueel een tent.
Misschien een oranje notitieboekje, zodat ik mijn moeder kan vragen om geld voor een broek bij de H&M. Dan kan ik ook het dagelijks leven fatsoenlijk door.

Voorklimcursus

USC. De twaalf deelnemers van de voorklimcursus vallen bij bosjes uit de wand en ik ben hun instructeur (in opleiding). Ik zet alles op alles om me als zodanig op te stellen, maar ik moet mijn houding bewust blijven corrigeren. Wanneer een cursist naar me toekomt en vraagt waar setjes liggen, denk ik in eerste instantie: ‘Weet ik veel, vraag een instructeur.’

Zelf in opleiding @USC

          Zelf in opleiding @USC

USC gaf gelegenheid aan mijn eerste sportklim in ASAC-context, wat zich manifesteerde als esthetisch onverantwoord omhoog trekken en de vraag wat de lol hier dan weer van was. Gedurende mijn opleiding tot zelfstandige klimmer kon ik grenzeloos ontspannen als de recalcitrante consumerende weet-niets en ziet-wel. Veiligheid werd bepaald en in de gaten gehouden. Touwen en setjes kwamen op pootjes aangelopen. Grepen groeiden uit de wand in hun van nature logische sequentie.

Nu de groep cursisten zich leergierig voor me opstelt voel ik het conflict als een duiveltje op mijn schouder. USC als gebouw neemt gevoelsmatig elke grote verantwoordelijkheid weg, omdat ik er op significante momenten altijd onder anderen functioneerde. Een Jesper of Bas in de ruimte doet het duiveltje gieren, want dan helemaal schippert mijn positie tussen leidinggevende en consument.

Wanneer ik iemand corrigeer twijfel ik een kort moment aan mijn recht van spreken. Maar wanneer deze zich weer naar wand trekt  en het esthetisch onverantwoorde zeulen voortzet, weliswaar veilig, word ik me bewust van mijn eigen ontwikkeling en voel ik mijn positie een greintje stabieler worden.

Ik heb een nieuwe droom

Ik sluit mijn ogen en ik waan me ergens, op een plek, op het juiste moment en het liefst voor eeuwig.

Mijn dromen zijn meestal niet vluchtig van karakter. Zolang ik veilig studeer kan ik mijn dromen tot de essentie van mijn wezen uitroepen (studeren ontneemt me namelijk elke mogelijkheid tot het realiseren van dromen en dat is gunstig, want dan kan ik ze aanhouden), en dus moeten mijn dromen, in het kader van mijn eigen gemoedsrust, vrij solide zijn.

Alhoewel mijn nieuwe droom niet indiceert dat ik al mijn oude laat varen, ben ik toch verontrust. Stel, je wordt op een ochtend wakker in kamp 2 van K2, gevangen in een felgekleurde slaapzak, en het eerste dat je constateert (ondanks storm en verdwenen expeditiegenoten) is de aanwezigheid van de droom om barista te worden: vindt dan maar eens een koffiemolen.

Misschien moet ik dromen onderscheiden van fantasieën, op basis van hun duur, intensiteit en zelfs realisatiepotentieel. Maar dat ontdoet een droom van zijn charme, immers een droom is een droom omdat het een droom is! Omdat hij zich nog voor je vijfde levensjaar met idiote willekeur aan je opdrong en per dag het kroontje van Miss World dieper in je gedachten is gegroefd. Omdat, telkens wanneer iemand zegt ‘Dude, waar denk je aan’ of ‘ze zit weer eens te staren’, hetzelfde riedeltje over schapenweides en palmbomen door je hoofd schiet. Omdat er altijd iets in de weg staat tussen jouw en George Clooney, maar als je een miljoen kreeg…

Een droom valt niet rationeel te onderscheiden van wat dan ook.

Ik heb een idee: Wanneer ook maar de kleinste toegang mogelijk is tot je droom, zou je hem koste wat kost moeten willen realiseren – anders verdient het de droomstatus niet. Hoeveel dromen houd ik dan over? Ben ik wel tot grote offers bereid? Heb ik niet, stiekem, al duizend toegangswegen?

Ik ben geneigd te concluderen dat ieder zelf bepaald of een droom werkelijk een droom is (in zover er ‘droom’ bestaat), of hij of zij zichzelf voor gek houdt en hoe erg dat laatste in wezen zou zijn. Toch verandert dit niets aan mijn zorgen: Ik kan nog steeds op ochtend wakker worden met een totaal nieuwe droom waarvan ik met zekerheid moet vaststellen dat het een droom is. Gij groot dromenwezen, gij zult een huis bouwen!

Ik wacht het nog even af.

DSC02285

(Zo’n huis moet haalbaar zijn, toch, Fiek?)

Oninteressant

Ik kan niets meer posten, omdat ik alleen nog over de bergen schrijf. Voor niemand is dat interessant, zelfs ik verlies interesse. Acht keer op poëtische wijze de vreemde magie van bergen formuleren maakt het ene woord nog krachtelozer dan het andere. Het hele ‘waarom’ of ‘hoezo dan’ is zo uitgemolken dat ik bereid ben de bergen en hun consequente impact als een feit aan te nemen. Vriendschap, liefde, vrijheid… bergen.

Toch blijft schrijven een aantrekkelijke aangelegenheid: het herhaaldelijk uitspreken en opschrijven van verlangens geeft een beetje bestaansrecht aan dat willekeurige feit dat de bergen nu eenmaal vormen.
Kon ik maar mijn studie uitwissen. De schuld, de verplichtingen: het hele traject als van de aardbodem verdwenen, met alleen een grote stapel boeken die achterblijft. Hoe sneller het einde nadert, hoe ongeduldiger ik word. De verleiding van de Alpen, andere landen en avontuur stijgt exponentieel, en zelfs al kan ik vaak de hort gaan: geen enkele trip die een einde in zich draagt is bevredigend.
Nu lijkt het alsof ik mijn leven radicaal zou willen veranderen om maar de honger naar de bergen te stillen en lijkt ook hun air van feitelijkheid gerechtvaardigd, al is het maar door mijn opgeschreven verlangen en bereidheid er veel voor op te geven.
Maar dan: ik ken geen leven zonder studie. Misschien ervaar ik het alsof ik mijn reden van bestaan in Nederland achterlaat en kom ik met hangende pootjes terug. Misschien dringt de vrijheid geleidelijk nieuwe verplichtingen aan me op, misschien zijn de bergen me geen flikker waard wanneer ze binnen de mogelijkheden vallen, misschien kick ik wel eindeloos op eindeloos verlangen en is het vooral zaak dat in stand te houden. Misschien ben ik een incapabele avonturier.

De oneindige herhaling van twijfel en bevestiging, nee, het is niet meer interessant. De studie valt niet uit te wissen en ik zal mijn bakkes over haar buigen zodat ik in elk geval over een jaar, alles in één klap, kan uitproberen. De posts die in 2015 verschijnen zullen wezenlijk interessanter zijn, omdat er in elk geval een ‘ware’ realiteit aan te pas komt, één die verder gaat dan ‘kon ik maar’ en ‘als ik nou’. Maar vergeef me als ik toch nog acht keer de vreemde magie van de bergen probeer te omschrijven, ik kan niet anders. Ik vrees dat ze precies daarom magisch zijn.

IMG_1357wm

Studeren na de Watervallen

Iedereen heeft een laptop of collegeblok voor zich liggen. De professor spreekt en pennen krassen, toetsen tikken. Ik denk aan het gerammel van biners.

Het belang van de stof kan ik niet inschatten. Zelfs niet in het kader van de punten die het me oplevert wanneer ik haar beheers. Ik schrijf rijen zinnen als een geautomatiseerde notulist en bekijk het eelt op mijn linkerhand. De aderen. Kleine wondjes die dwars door dikke wanten heen zijn veroorzaakt door vallend ijs.

Het is druk voor het Spinhuis. Ik rijd door massa’s studenten heen, op de fiets, zonder uit te wijken of een spoortje ergernis. In mijn hoofd loop ik in andermans passen naar de waterval. Sneeuw torent boven mijn hoofd uit, niet alleen op de takken van bomen maar ook naast me, als twee metershoge dammen langs het spoor. We houden afstand van elkaar om niet tegelijkertijd door lawines geschept te worden. Dicht tegen mijn buik voel ik de piep zitten. Had ik niet op de fiets gezeten.

Thuis leg ik mijn collegeblok op mijn bureau. Ik maak boullion van blokjes die overbleven van het chalet, open mijn studieboeken en zet mijn laptop aan. In mijn ooghoeken zie ik de bijlen op het kleed. Hielden die drie dagen geleden mijn gewicht, toen de punten van mijn stijgijzer over het ijs schraapten en ik paniekerig aan beide armen hing? Ze zaten diep in het ijs, die bijlen, dat wel. Ik moest ze lostrekken toen ik doorklom.
Al snel verschijnen youtubefilmpjes met avonturiers op bevroren watervallen van Noorwegen, Schotland, Canada en Oostenrijk. Drie uur later zijn ze daar nog steeds.

En voor me ligt de stof. Onaangeroerd. Net als de bijlen.

IMG_4092(1)-wm

(Dorien klimmend met dezelfde bijlen)

De zomer ter sprake

Het is na de zomer. Ik kijk regelmatig naar mijn armen en buik om hun kleur te bepalen. Telkens zijn ze bruin en wacht ik het moment af dat ik rouw om hun verlies van tint. Maar wanneer ik constateer dat mijn armen zich als sneeuwwitte tentakels voor het toetsenbord bewegen, spreek ik van rouw noch diepere gedachtegang. Het zijn gewoon mijn armen, en mijn armen zijn wit. Alsof ze altijd zo geweest zijn.

De droomwereld van het alpenleven overleeft een tijd lang in Amsterdam. Bang loop ik door de collegezalen, door de winkels, door het café; bang voor de greep van routine. Maar op een dag constateer ik dat er allerlei tijden en zinnen in mijn agenda staan, en is er wederom sprake van rouw noch diepere gedachtegang. Ik knip de lichten uit en sluit de deur, trek mijn rits tot boven dicht voor ik mijn gezicht naar de winter keer, en ga waar ik moet gaan.

Op een onverwacht moment, ben ik het zelf of is het een ander, brengt iemand de zomer ter sprake. De nieuwe zomer, diegene die voor ons ligt. Handen tintelend en de ogen glinsterend, daar is plotseling een perspectief dat haast vergeten was. Al mijn handelingen en gedachten worden nu een klein beetje gekleurd door juli en augustus 2014. Mijn armen en buik zijn wit, alleen om bruin te worden.

IMG_3706(1)wm

Rome en Nepal

We liepen over een smal weggetje in Rome, kaarsrecht, ingeklemd tussen huizen zoals alleen een smal weggetje dat kan. Aan het eind passeerden we een Nepalese winkel. Een rij foto’s van de Himalaya hing dwars over de wand. ‘I’m going to climb those’. De Nepalezen lachten me uit. Sam ging geïnteresseerd het gesprek aan terwijl ik een souvenir voor Fieke uitzocht.

(Ik begrijp opeens mijn ergernis aan mijn studie en elke opdracht die ik ervoor heb moeten maken: De interesse in mensen is niet oorspronkelijk, maar heeft een doeleinde – ‘Antropologie’. Sam was werkelijk geïnteresseerd, zoals overeen komt met haar aard.)

We hoorden over het dorp, familie, bergen en het verblijf in Rome. Ik dacht aan de verhalen van Fieke over de periode, jaren terug, dat zij in Nepal was. Ik dacht aan het Italiaanse lesboek dat in mijn tas zat. Ik dacht aan de colleges over Latijns Amerika. Ik keek in de ogen van twee mannen die op een houten kruk overvallen werden door Sams interesse en werd geconfronteerd met een wereld die mij onbekend was, wezenlijk anders. Fieke kende er een klein deel van, Sam was nu op ontdekking.

Destijds was Fieke in Malawi. Wij waren in Rome. Sam zou snel naar Nicaragua gaan, ik naar Oostenrijk om watervallen te beklimmen.

Sindsdien weet ik dat de wereld oneindig interessant is en dat haar ontdekken binnen de mogelijkheden ligt. Ik wist al dat ze oneindig avontuurlijk was. Nu weet ik nog beter hoe ik mijn leven in zal vullen.

Plastic Kerstboom

Jep is een klimmer. Hij stevent op een verticaal stuk bank af, loopt omhoog en zoekt grip met alle vier zijn pootjes. Halverwege mindert hij vaart en glijdt hij ongecontroleerd naar beneden. Het doet me denken aan de laatste remoefeningen langs de rand van een windkolf, op het eind van de dag, wanneer de serieuze toon verloren is en we in hilariteit overtreffen.

Ik red Jep van zijn eigen capriolen en stop hem terug in zijn kooi. Mails van Fieke forceren me van de bank in Oost naar Malawi, en Jep is te jong om uit zicht te laten.

Ze zit op rotsen langs het water, met haar blonde haar in een band, en een glimlach wanneer ze denkt aan haar eigen gedachtes. Ze flirt met jongens zoals ze dat hier zou doen, ze is lief zoals ze dat hier zou zijn en vlamt van passie voor betere wereld, meer dan ze hier ooit zou kunnen.
Uit haar woorden blijkt zoveel conflict dat ik haar onmogelijk verlichting kan terugsturen. De onverenigbare verlangens en twijfels over goed en kwaad misstaan in Gmail, misstaan op een laptop naast een hamsterkooi. Gmail stuurt ze gewoon terug in de gekopieerde mail onder de reply, als koele blijk van desinteresse, bijna als heiligschennis van haar gedachten. Het spijt me, Fiek, maar we hebben bergen en drank nodig om tot conclusies te komen.

Op het hok van Jep staat een knalroze plastic kerstboom met een gouden slinger en zilveren ballen. Als ik zijn idee niet corrigeer zal dit zijn kerstfeest blijven. Ik zal immens veel houden van mijn vader, moeder, broer en zus, en hij zal kijken naar de voet van een knalroze plastic kerstboom.

Kim schenkt haar wijsheden aan Zurich. Suus zoekt ze in Marokko. Doo laat ze achter in Lissabon. Ik leg ze ten ruste op het raakvlak tussen Jep, een plastic kerstboom en de Alpen en trek even, voor een moment, geen willekeurige conclusie.