Latest Posts

Een hele brede lucht

Ik kom aan in Nederland en wat ik vind is een hele brede lucht waarin je heel veel verschillende wolken kunt onderscheiden. Een televisiescherm met dreigende oorlogen. Briefjes met dringende notities die me niets meer zeggen. Ontzettend grijze Amsterdamse straten met een bevolking die me opeens in het oog springt. Facebook met een IceBuckettChallenge.

Ik vind gewoontes en een dwang erop te reflecteren, want ik ben niet meer diegene die hier wegging en ik zou niet weten hoe ik mijn dagelijks leven wil draaien. Terwijl ik voor de glazen deur van het koelvak bij de Albert Heijn sta voel ik de druk om te beslissen of ik biologisch eet of niet. Of ik soyamelk drink of niet. Of ik vlees eet of niet. Of ik suiker eet of niet. Of ik alcohol drink of niet. Of ik rook of niet. 
Hoe, denk ik, heb ik in godsnaam kwaad kunnen zien in melk en suiker? Of eigenlijk: hoe heb ik het ooit interessant genoeg kunnen vinden?

Ik voel de bergen in mijn lichaam en bewegingen. Het zijn niet alleen de fysieke restanten van de val die me constant terugbrengen. Mijn maag knijpt samen als ik me een simpele wandeling voor de geest haal. Herinneringen grijpen me bij mijn strot, ik haal momenten terug waarop ik over een besneeuwde graat ploeg en veeg tranen uit mijn ogen. Mijn fantasie gaat over de bergen. Mijn plannen liggen bij de bergen. Ik verhoud me tot de bergen. Ik sta voor het koelvak en ik sta voor keuzes die ik niet meer en nog niet kan nemen.

Maar het gaat snel. De tweede keer dat ik voor het koelvak sta grijp ik naar de kwark, ik pak wat appels van de groenteafdeling en loop zonder al te veel gedachten de winkel uit. Ik zie geen mens meer op straat, ervaar de dreigende oorlogen en IceBuckettChallenge als korte prikkels binnen de informatiestroom en schrijf dringende notities op briefjes.

Functioneren binnen Nederland is de uitdaging niet.

Het is alleen de vraag of ik het wil.

Overgave

‘Ga zitten, Ruby, ga zitten.’
‘Ruby, you want to sit down? Go, sit down.’

Met mijn elleboog leun ik op de schouder van Menno. Ik ben wankel en windvlagen krijgen me bijna tegen de grond. Maar ik wil niet zitten, ik wil staan. Mijn bil doet pijn.

Er gebeuren dingen achter me, ik zie een portofoon in en uit beeld verschijnen. De gids vraagt om een helikopter zonder aan mij te vragen of ik een helikopter wil. Mijn helm spreekt duidelijke taal.
Alles wat ik zeg is dat ik misselijk ben, en ik ben nog misselijker dan ik kan verwoorden. Ik sta daar en mijn tijd gaat langzamer dan die van de anderen. Ik trek me terug in mijn eigen tijd. Af en toe voel ik een ontspanning door mijn lichaam trekken en leun ik zwaarder tegen Menno. Het idee om te gaan zitten verafschuwt me, die bil, die bil. Maar dan dwingt mijn lichaam me.

Meteen ben ik weer bij. De misselijkheid verdwijnt zodra mijn blik op de blauwe lucht gericht is. Rechts zie ik de koppen van Dorien en Menno. Links is nog steeds die bedrijvigheid van eerder. Ze rommelen aan mijn lichaam om me recht te leggen en me warm te houden. Ik hoor het geknisper van de reddingsdeken en bedenk me dat ik mijn eigen nog in mijn tas heb zitten. Het is meer een constatering dan dat ik er iets mee wil.
Want ik wil slapen.

Ondanks donsjassen en aandacht krijg ik het kouder en kouder. Ze checken regelmatig of ik achter mijn zonnebril mijn ogen niet definitief sluit, en het wordt bijna een spel om ze te sluiten wanneer ik de kans zie.
Goddomme, denk ik, waar blijft die helikopter. En weer verbaas ik mezelf.

Ik verbaasde me over mijn eerste reactie toen het stuiteren stopte en ik neer was gekomen. ‘Help! Help, help’, riep ik, wel tientallen keren, zonder erover na te denken. Het was niet de situatie die me deed afvragen of ik hulp nodig had, niet de val of de gebroken helm, maar mijn eigen schreeuwen naar hulp.
Ik verbaasde me nogmaals toen ik wild naar de voorbijtrekkende gids en zijn klant zwaaide, nadat Dorien me een touwlengte langs de gletsjer had laten zakken. Weer die hunkering naar hulp die door mijn lichaam geïnitieerd leek. Was er dan toch iets mis?

‘Do you have pain?’
‘No, just my ass. My ass hurts’.  Wat is een betere naam voor ass?

Nu sluit ik mijn ogen en wacht ik op het geluid van de helikopter. Ik vervloek de helikopter die overvliegt en niet voor mij is. Mijn tenen zijn koud en ik vind het bijna grappig dat ik me daarmee bezig houd, terwijl anderen zich ontfermen over zoiets als mijn leven. Ik wil slapen.

‘Do you feel like…’ De gids gebaart.
‘Like throwing up. No, not anymore’, zeg ik, maar hij pikt het niet op.
‘What is it called?’ en hij beeldt het weer uit.
‘Oh’ zegt Dorien, die alleen het laatste woord hoort.
‘Ruby’.

Vereeuwigd als vomit zie ik schouwspellen in de hoeken van mijn ogen. De helikopter, de mijne, dropt rode mannetjes, waarvan ik er uiteindelijk vier tel. Af en toe trek ik me terug, in mijn wens naar slaap, in de vertrouwelijke omgeving die zich in mijn nog steeds langzame tijd heeft gevormd, en af en toe neem ik waar wat voor een heisa er om me heen bestaat. Sinds de gids de keuze maakte voor de helikopter heb ik geen keuze meer kunnen maken. Dit is overgave van mijn lichaam.

‘Do you have pain in your neck?’
‘Yes, but just a little. When I was standing…’

Ik kan mijn zin niet afmaken. Een groot massief ding wordt om mijn nek gesloten en vanaf dat moment is mijn blik beperkt tot de speelruimte van mijn oogbollen. ‘Shit, dat had ik niet moeten zeggen’, zeg ik tegen Menno en Dorien.
Ze doen verslag van wat er gebeurt. Ik hoor een kalmte in Dorien haar stem en ook Menno klinkt ontspannen. We maken grapjes.

De rode mannen doen van alles. Ze leggen me op een brancard en pakken me nog verder in. Af en toe schuift er een hoofd in mijn blikveld en vraagt iemand hoe het gaat. Prima, denk ik. What the fack gebeurt er afgewisseld met berusting. Mijn lichaam is van hun en dus heb ik nog slechts mijn geest, wat al zo voelde sinds mijn tijd zo ontzettend traag ging, trager dan die van de anderen. Nog steeds wil ik slapen.
Ze vragen me of ik wil dat Menno en Dorien meegaan naar het ziekenhuis. Hoewel ik achteraf spijt krijg, stem ik op dat moment toe met hun aftocht over de gletsjer en mijn eenzame vlucht onder de helikopter. Voor ik het weet bungel ik aan een touw en staar ik naar de rode onderkant op voorgrond van de blauwe lucht. Grand Beau. De wind doet me schommelen en maakt me bang dat de hele stellage losschiet. Dorien zei dat ze ook een arts ergens vast hadden geklikt, maar ik zie niemand.

Ik land zachtjes. Op de gletsjer, vertelt de arts me, die toch ergens zal hebben gehangen. Ik moet hem op zijn woord geloven, want nadat de helikopter wegvliegt ben ik weer veroordeeld tot de hemel. De gletsjer is wat scheef waardoor de druk precies op mijn bil komt te liggen. Die bil, die bil.
De arts maakt foto’s van de omgeving en ik maak er zachtjes een grapje over, maar hij hoort me niet volledig. Als hij vraagt me mijn zin te herhalen geef ik aan dat het niet belangrijk is. Het begint vaag tot me door te dringen dat ik mijn eigen conditie serieus moet nemen, eerder om niet naïef naar al die reddende figuren over te komen dan om de conditie zelf.

De helikopter land vlak naast me, voor mijn gevoel zo’n twee meter, en onzichtbare handen tillen me naar binnen. Een gigantisch lawaai sluit me wederom buiten bij mijn eigen redding. De arts prikt een infuus in mijn rechterhand en legt mijn linkerwijsvinger tussen een klein zwart knijpertje. Hij vraagt drie keer hoe het gaat door vragend zijn duim op te steken, wat ik maar beantwoord met een lach, want knikken is onmogelijk en het komt niet in me op mijn eigen duim te gebruiken. Even schiet de angst door me heen dat ik alleen een blauwe plek op mijn bil heb, en al dit van stal is gehaald om iets dat niet eens een pleister behoeft. Ze hebben me met mijn gezicht naar de kant van de piloten gelegd en dus zie ik heel veel knopjes, onmiskenbaar helikopter, een teken van een redding van een meisje met misschien een blauwe bil. Butt, schiet het door me hoofd. Ik had het ook butt kunnen noemen.

Mijn tenen zijn nog steeds koud en de vlucht duurt lang, niet echt lang, maar het voelt lang. Mijn neiging om te slapen is wat minder geworden. De arts verplaatst het knijpertje iets en merkt denk ik dat ook mijn handen koud zijn. Hij legt even zijn handen om mijn vingers en knijpt er zacht in. Even later doet hij het weer, als een soort tweede poging om mijn handen te warmen, en voor het eerst sinds de val voel ik de zorg. De zorg in plaats van de overname van mijn lichaam. En alsof die ene handeling voldoende was om mijn lichaam weer van mij te maken, weet ik dat nu ook mijn geest tot overgave is gekomen.
Opeens voel ik me kwetsbaar en alleen, in een situatie die te groot voor me is.

Had ik geld

Bivakkeren in gebergte is een bijzondere ervaring. In slaap vallen tussen je reuzenvrienden en wakker worden met het besef dat je met hen de donkere hemel hebt gedeeld, dat maakt om drie uur opstaan nauwelijks een opgave. De eerste drie keer.
Maar de zooi die in de tas omhoog moet om een bivak mogelijk te maken nestelt zich als een steek in je ruggengraat. De wolken laten je donsslaapzak bibberen van  angst en het voedsel raakt op nog voordat het weer omslaat.

Had ik geld, dan zou ik weken hoog blijven. Gedurende slechte dagen zou ik doorzakken op speciaalbier van de hut en me ’s ochtends het lager uit laten schoppen door  de venijnige huttendame. Nee, nee, ik zou geen vuile blikken meer krijgen van de waard omdat  ik teer op zijn voorzieningen; omdat ik stiekem warm zit in een hoekje van zijn eetzaal, stiekem kook onder zijn afdak, stiekem neem van zijn gletsjerwater of spiek van zijn weerbericht. De waard zou van mij houden zoals hij van zijn omzet houdt.
De gidsen zou ik paaien met Génépi en mijn vrienden met warme chocolademelk. Die giet ik over in thermosflessen en breng ik langs bij de bivakplek, in ruil voor hun vochtige touwen en handschoenen, die ik zorgvuldig uithang in het drooghok. Tenzij ik zó rijk ben dat ik hen allemaal onderdak kan verschaffen.
Als ik dan na al die weken terug ben in het dal, op een zonnige morgen, wanneer het ‘eentonige eten op de hut’ en de ‘slechte koffie’ me de strot uit komt, dan zou ik naar de bakker lopen en geen keuze maken. Ik neem alle soorten croissantjes.

Had ik geld, dan zou ik de lift nemen. Ik zou naar Chamonix rijden en een weekpas kopen en heen en weer naar de Aiguille de Midi gaan. Heen en weer, heen en weer, net zolang tot ik alle Japanners heb uitgespeeld en de laatste mensen terugkomen van hun tocht.
Bij gebrek aan een lift zou ik zulk licht materiaal aanschaffen dat ik alsnog naar boven vlieg, zelfs al vul ik mijn gevleugelde tas met dure Zwitserse chocolade.
Over Zwitserland gesproken, ik zou opeens een hele Alpenstreek bonus hebben, met bergen als de Matterhorn en Monta Rosa en Weisshorn. Omdat ik daar nog zo weinig bekend ben, zou ik meteen een gids betalen om me langs verschillende massieven te loodsen. Natuurlijk in stijl, gekleed als een toverbal van Norrona. Nomics op mijn tas en twee reserve in mijn tas. Een volledig rack bungelend aan mijn gordel, geselecteerd op kleur, al loop ik over de gletsjer.
Ik zou halverwege het couloir dutjes doen in de comfortabele binnenzijde van mijn Mammut Extreme pak. Ik zou halverwege de graat biologisch adventurefood en clifbarren wegwerken in mijn wegwerpdons van Arcteryx. Ik zou abseilen over cams.

Had ik geld, vooruit, dan zou er niet veel anders zijn. Dan had ik al mijn energie in tochten kunnen steken, misschien een aanloop minder. Tochten en tochten en nog meer tochten. Ik zou ‘s ochtends vroeg weggaan en na het middaguur nog over hebben. Tegen de avond zou ik onvermoeibaar langs de gletsjers dwalen, opzoek naar een nieuwe instap, totdat het donker me dwingt om de hemel te delen met mijn reuzenvrienden, ongeacht hoeveel hutten me warmte konden bieden.

Maar dan had ik de volgende dag wel een chocolademelk kunnen drinken.

Moerasnamen

Lac du Goléon ligt aan het einde van het dal schuin achter la Grave. Riviertjes uit de bergen van Goléon splitsen en voegen zich samen, zo eindeloos dat een zompig stuk aarde voorafgaat aan het meer dat ze voeden.

Ik steek eerst door het oude la Grave, door Ventelon en Hières, en volg een breed karrenspoor steeds verder van de dorpen. Dan slinger ik langs lichtgroen gras en donkere toppen, tussen lichtgrijze rotsblokken en donkergrijze echtparen, hoger en hoger tot ik de 600 hoogtemeter overbrug. Slecht weer in de morgen maakt dat het al tegen vieren loopt. Een kleine stoet klimmers trekt voorbij me, met matjes, touwen en helmen op de tas gebonden. Maar Goléon blijkt alleen en dus ik ben alleen.

Ik loop langs de oever van het meer en volg over een kleine grasrug. Ik ontdek het moeras. Een klein dal zo plat en nat als Nederland, begrenst door bergen in plaats van door zee. Op de helling naast het pad zie ik een naam, geschreven met stokachtige stenen, en ik denk aan de schrijver. Omdat ik alleen ben voelt hij of zij ook alleen. Maar ik ontdek dat de naam deel is van een groep namen. Een creatieve wandelgroep. En pas dan zie ik dat het hele moeras, het hele platte dal, tot aan de bergen die haar vormen, vol staat met eindeloos veel namen, grote en kleine, lange en korte, met vraagtekens en uitroeptekens, in groepen en alleen.

Kijk mij hier, denk ik. Vergezeld door honderden anderen die zich hebben vereeuwigd in het moeras achter Lac du Goléon.

Ik loop het gebied rond in een klein uur. Modderpoten, natte broekspijpen. Kort geleden bouwden ze een brug aan het eind van het moeras, zodat mensen een rondje konden maken zonder willekeurig het moeras over te steken. Goléons teruggetrokken gletsjer heeft ruimte gemaakt voor zeldzame bloemen. Maar het pad is jong en onzeker, dus ik volg mijn eigen en probeer niet op de knalroze en knalgele bloemen te staan.
De hele wandeling omhoog heb ik zoveel gedacht, dat precies nu, nu ik zo verlaten ben, zelfs mijn gedachtes wegebben. En de kracht waarmee de omgeving de leegte vult is zo intens dat ik even niet meer weet wat er verder nog op aarde is dan dit moeras en haar bergen. En het poppetje van mij dat er doorheen mag lopen.

Na mijn ronde sprint ik zo snel het dal door dat ik vijf minuten voor sluitingstijd van de buurtwinkel van mijn laatste geld een reep chocola kan kopen. Op de camping, in het washok, ga ik voor de spiegel staan. Ik veeg chocola uit de rand van de mondhoek van de wilde die in de spiegel staart. Onnatuurlijk bruine huid, een die niet bij mijn genen past, witblonde haren en make-uploze ogen, klein, blauw, grijs, kalm.

Ik merk de impact van de omgeving en de overvloed aan tijd. Ik zie het aan mezelf. Beide schoppen alle smerigheid, alle nutteloosheid, al het drama uit mijn lichaam en geest. Wat ik terugkrijg komt in vorm van kracht, vergezichten en boeken, en elk vult de ruimte met heel wat nuttiger gedachtegoed dan ik gewend ben van Amsterdam.

De namen in het moeras achter Lac du Goléon. Zouden hun schrijvers zich ook, al is het even, hebben begeven in de mysterieuze rust die de bergen hen opdringen? Zouden ze verandert zijn door de tijd die ze hebben genomen om naar boven te wandelen? Toen ze terugkwamen van hun tocht door het moeras, en met modderschoenen en wildemansharen voor de spiegel stonden, zouden ze ook iets hebben waargenomen in hun ogen?

La Gravaan

Een jongetje van nog geen acht heeft besloten dat ik interessant ben en fiets me met grote vaart achterna op zijn minimountainbike. Hij schiet langs me en bedenkt dan pas dat hij te verlegen is om iets te zeggen. Zo gaat dat elk bezoek aan het toiletgebouw.

De campingdame vraagt naar mijn plannen en is grootmeester in de bezorgde blik (meisje alleen). Ze probeert me aan de bakker te koppelen.

De bakker is de vrolijkste man die ik ken, althans, zolang hij bakker is, want ik ken hem alleen als bakker. De chocolademuffins van zijn zaak zijn goed, met zo’n zacht hart en stukjes chocola bovenop. Maar ik weet niet meer of ik aanklop voor de muffin of voor de vrolijkheid van zijn bakker.

De dame van de buurtsuper vindt mij niet aardig, of haalt haar vreugde ergens anders dan uit mijn geld, of heeft gewoon nog niet de kans gegrepen om een glimlach op te zetten. Mijn glimlach wordt zoeter met elk bezoek, ik denk dat zij gaat denken dat me iets mankeert, maar alles dat mankeert is een glimlach van haar.

Mijn campingburen vinden mij wel aardig, burgers, allemaal. Waar de vriendelijkheid van de stadsburger zich naar mijn ervaring beperkt tot de partner en het kroost en een select groepje vrienden, komt de burger op de camping waanzinnig uit de verf. Allemaal twee-eenheden die hand in hand de wereld hun open armen tonen. Ik heb inmiddels zes caravans die me zouden adopteren, en dat is niet omdat mijn glimlach in tegenstelling tot bij de dame van de buurtsuper hier wèl vat heeft, maar omdat ik de uitgesproken kans ben om campingburgervriendelijkheid mee aan te tonen, wat schijnbaar deel uitmaakt van het burgerschap.

Door het dorp fietsen gladde mannen in gladde pakken op weg naar L’Alpe d’Huez of Col du Calibier.

Onder het dorp fietsen modderige mannen op megamountainbikes met dikke lagen bescherming, op weg naar parcours die als rivieren door het dal stromen.

Boven het dorp ligt de plek waar alle oude mensen naar opstijgen met stokbroden en groentes, grasland met een reeks dorpen, Chazelet, Ventelon, Terrasses, Hières. Kippen waggelen uit de deuropening, straten zijn te smal en stijl en gevormd naar de groei van de huizen, buren zijn ruïnes, honden zien je aankomen vanaf het andere dorp, kerken, kerken, kerken.

La Grave heeft één hightechstraat, en daar doorheen loopt een hoge dosis mannen wiens gezicht al jarenlang is bewerkt door reflecterend zonlicht van de gletsjer, wiens broeken immer alpien zijn en wiens zelfvertrouwen net zo groot oogt als de bergen die ze dag in dag uit opkaggelen, onmiskenbaar gidsen, of ex-gidsen, of bergrotten, of fenomenen. Mannen die routes op hun naam hebben, geboren in berghutten, opgevoed in het couloir en getrouwd op de bergtop (-pen, hoe loyaal is dat type?).

Daartussendoor loopt een groeiend aantal toeristen, en dus een groeiend aantal Hollanders. Hoe meer Hollanders, hoe meer ik me hier thuis voel. Niet omdat ik me bij hun wil scharen, juist niet. Ik ben geen Gravaan, maar ik ken de straatjes al. Ik ken de stem van het dorp en de openingstijden die de glimlachloze dame hanteert. Ik ken het volk van de camping, ik bèn het volk van de camping. Ik heb al een keuze gemaakt voor ik de bakker inloop, ik weet hoe koud het water van het zwembad is, ik ben niet meer verward als ik wakker word door het gesjees van de rivier en ik weet dat het uitzicht me zal blijven betoveren. Want La Meije is uiteindelijk diegene die de dienst uitmaakt, door haar gigantische en onvermijdelijke aanwezigheid en nog grotere schoonheid, diegene waar uiteindelijk alle blikken op gericht zijn. Een Gravaan weet dat. Ik inmiddels ook.

Compagnon Goethe

Ik droom over Kimberley. Ze wekte me elke morgen met een zangerig moooorning, maar nu loopt ze aan mijn tent te sjorren en voel ik dat het grootst mogelijke onheil buiten de tent wacht. Opdat ik mijn intrede doe. Pas na een trits waarschijnlijk hoorbare verwensingen word ik wakker. Geen Kim.

Ik lig op de camping van la Grave, en het openritsen van mijn tent geeft me zicht op de Tabuchet gletsjer. Ik heb tien dagen voor mijzelf, en ik moet bekennen dat ik nog nooit tien dagen alleen ben geweest. Alleen zonder context van een kamp, stad of ander soort geruststelling.

Ik lig en denk en bedenk als eerst dat ik me nu kan verwaarlozen totdat ik naar mijn eigen mening in het onwenselijke beland, ver nadat ik wegens conventies of bezorgde ondertonen doperwten in mijn mik zou hebben gegooid of zonnebrand zou hebben opgesmeerd. Ik kan elke maaltijd baseren op chocola of te lui zijn om naar de winkel te gaan, zodat ik überhaupt geen maaltijd heb. Ik kan te laat op pad gaan of van de paden lopen, wachtend tot het oncomfortabel wordt. Ik kan buiten een boek blijven lezen tot mijn reet eraf vriest en La Meije me uitlacht voor mijn fysieke zwakte, doorleeft en weerbaar als zìj is.

Ik kruip vanuit mijn tent onder een helderblauwe hemel en fix mijn ontbijt met de onverwachte vondst van een wortel. De dag is nog maar net op gang, maar onmiddellijk merk ik dat er meisje alleen op mijn voorhoofd staat gekalkt: de camping kijkt anders naar me, en de eerste buurman komt al langs om me namens hem en zijn vrouw het warme onderdak van hun caravan aan te bieden. Indien slechtere tijden aanbreken.

Ik bedenk me dat ik maar ga wandelen.

In de dorpswinkel koop ik stokbrood en een worst. Ik ben rasvegetariër en heb het gevoel alsof ik mijn eerste jointje haal. Ik wacht zenuwachtig op het moment dat ze om mijn ID vraagt.

Mijn plan van wandelen loopt via de rivier naar Villar-d’Arêne, naar het meer du Pontet, naar het meer du Goléon en terug naar la Grave. Ik vul de literfles van Kim en voel goedkeuring vanuit het verleden van sociale controle (ik heb een drankprobleem, ik drink niet, dorst heb ik zelden, ik denk er niet aan, Fieke heeft me er bijna om vermoord).

Bij de Téléphériques doe ik een compagnon op. Een dag eerder sleepte Kim me mee naar het gidsenbureau om daar een briefje op de deur te plakken, huppeldepup Franse Taal cherche compagnon F/PD, in elk geval heeft het me een woordje opgeleverd. Compagnon slaat enthousiast mijn richting in. Als hij bij de derde afslag mijn keuzes blijft maken, begin ik te denken dat hij zijn route op mij afpast. Waar is je baasje? Vraag ik hem. Où est ton patron? Waf waf? Ik voel dat de wortel is verteerd en begin met veel moeite aan de worst, het strakke velletje dat er niet af wil, vette vingers, en zie aan de ogen van compagnon dat hij verwacht ook iets te krijgen. Shit, denk ik, van wie is deze hond.

Wanneer we Villar-d’Arêna naderen bedenk ik me dat het misschien gepast is compagnon een naam te geven. Het overgrote deel van de tijd verwijs ik naar hem met dude ( eigenlijk: dudewhat de fack, what de fack doe je hier nog, what the fack wil je, maar om hem zo te noemen…), wat zich al snel vormt naar Doet, en Doet wordt Doetie zodra we het land achter het dorp inslaan.

Doetie is fysiek verreweg mijn meerdere. Ik zie aan hem waar de paden lopen, omdat hij elke mogelijkheid al drie keer is ingeslagen voordat ik erlangs buffel. Hij is ook slimmer dan ik ben, drinkt water als er water is en springt in de schaduw als er schaduw is. Af en toe stoppen we en deel ik de worst. Elke ziel die we tegen komen praat tegen ons (meisje alleen, meisje alleen) en op een gegeven moment laat ik het om uit te leggen dat het niet mìjn hond is, en zijn Doetie en ik wat we zijn, compagnons, maten, hij luistert naar mij, ik volg hem.

Het tweede wat ik me die morgen had bedacht, was dat ik in deze solerende toestand geen correcties meer zou krijgen op mijn gedachtengoed. Eenmaal een vreemde weg inslaan en ik blijf daar: ik kan verdwalen en elke nieuwe plek tot een thuis maken, zonder enig ongemak te voelen. Ik loop het risico totaal gestoord over tien dagen aangetroffen te worden. Gelukkig maar gestoord.

Het mooie aan Doetie is dat ik hem stilzwijgend alles deel en hij niets kan tegenspreken. Voor mij bevestigt hij alleen maar. Doetie draagt bij aan mijn gekte.

Bij het meer van Pontet ontdek ik door een sympathieke toerist dat Doetie ook brood eet, en vanaf dat moment deel ik al mijn eten. Doetie is ondertussen verandert in Goetie, waarschijnlijk door de klank van G (op zijn Engels) die zo fijn spreekt. Tijdens onze gang door de weide boven het meer wordt Goetie Goethe, naar de schrijver/dichter/alles waarvan ik nooit iets heb gelezen en me nu voorneem onmiddellijk iets van op de kop te tikken.

image

Ver boven het meer verlies ik het pad aan een groot en uitgestrekt weidelandschap, met een groep koeien beneden en rosten hoog, Goethe die zich uitput door als een wezenloze heen en weer te rennen. Is hij een herdershond? Maakt mij dat een herder?
Aan de overkant zie ik het massief van La Meije in haar volle glorie, zonder gehinderd te worden door wolken of een te laag perspectief. Ik zie de toppen zoals omschreven op de kaart die ik bijna uit mijn hoofd ken. Ik zie Bec de l’Homme, Pic Occidental en zelfs een deel van Glacier de la Girose. Ik zie hun grote buren, hun context, ik zie hoe ze doorlopen tot de voeten waar ik al over heb gewandeld. Alles is perfect.

Maar het water raakt op en mijn rantsoen, dat plotseling door twee gedeeld moet worden, blijkt te karig om het volgende meer te halen. Daarbij begin ik gewetenswroeging te krijgen met betrekking tot de baasjes van Goethe, en zie ik een gezin vol huilende kinderen in La Grave hun tijd verdoen met zoeken achter containers, bomen en bergtoppen. Dus ik besluit in één lijn naar La Grave terug te lopen, het pad was toch al verloren, en Goethe en ik overwinnen het naarste terrein mogelijk, te stijl en te begroeid, te rotsig. We nemen om de beurt de leiding.

Rondom de laatste top voor de afdaling naar het dal stuiten we op een grote groep oude Franse dames, zo’n dertig stuks, die Goethe en mij koekjes geven (meisje alleen) en ik in mijn bedankje te kennen geef dat Goethe eigenlijk niet mijn hond is. Goethe waant zich in de hemel van aandacht, met dertig paar Franse dameshanden die hem over zijn kop aaien, maar als ik het pad voortzet volgt Goethe me als een trouwe hond.

Aan het eind van de middag bereiken compagnon en ik La Grave. Zoek baasje, Goethe, zoek baasje! We strijken neer in de schaduw, ik wacht op het gezin, maar niets komt, niets huilt, niets verandert, Goethe blijft van mij. Ik probeer Goethe achter te laten, maar hij zet standvastig elke stap die ik zet. Uit wanhoop klop ik aan bij de Téléphériques en test mijn Frans door hen de situatie voor te leggen, met veel wijzen naar de hond en gebaren van onbegrip. Ze vinden de sympathie, ofwel voor mij ofwel voor Goethe, om het probleem over nemen en plegen belletjes, roepen het hele liftstation bijeen, connecties worden gelegd, en uiteindelijk loopt een groep mannen die achter aan het werk was richting Goethe, en bespringt Goethe vrolijk de broer van zijn eigenaresse.

Ik bedank de Téléphériques, kijk nog een keertje naar Goethe en loop weg. Tien stappen en Goethe rent me achterna. Ze moeten hem vasthouden om ons te scheiden.

In de winkel koop ik groentes, daadwerkelijk om voor mijzelf te zorgen, want ik merk dat de tocht zijn weerslag op me heeft. De bezorgde ondertoon weerklinkt vanuit mijn lichaam. Ik daal af naar de camping en land in de zon voor mijn tent. De eerste dag alleen was een mooie dag.

Het laatste wat ik me ‘s ochtend bedacht, was dat ik zeker kan zijn dat er dingen gaan gebeuren die ik vooraf niet incalculeer, deze tien dagen. Ik mis Kim en ik mis compagnons die meer kunnen dat het opeten van mijn worst (zoals tochten maken, wie weet was Goethe daar wel toe in staat geweest), maar ik had niet verwacht dat een hond in dat lijstje zou komen te staan. Er gaan denk ik wel meer onverwachte dingen gebeuren.

Ijzersterk

Ik doe geen concessies aan de kwaliteit van mijn leven
Niet door de zwakte van mijn geest
Niet voor kwantiteit
Niet voor anderen

Zolang ik vrij ben

Ik produceer waarde
Ik heb de wereld en ik heb de mensen
als voorwaarde, als bron, als doel
Maar ik alleen, ben de waardeproducent

Ik ben vrij

Ik ben het meest bijzondere dat ik heb
Ik ben mijn enige belangrijke prestatie
Ik doe geen concessies aan de kwaliteit van mijn leven
Niet door het idee van de maatschappij
Niet door de zwakte van mijn geest
Niet voor jou

Voorbereidingen en voorspellingen

De paklijst. Ik kan een hele vakantie in mijn alpienbroek rondlopen, maar ik wil het niet. Ik wil een spijkerbroek mee. Een normale BH. Sneakers. Ik wil conditioner omdat ik anders mijn haren molesteer, en een grote en een kleine bikini omdat ik krimp in de bergen. Ik wil mascara mee. Een zonnebril die eerder hip dan effectief is. Deodorant. Een fles factor 20 en niet alleen factor 50+, zodat ik nog een beetje kleur krijg. Een retrolegging. Twee Buffs. Verschillende kleuren stiften. Een klein olifantje dat me aan het thuisfront herinnert. Ik ben meer dan bereid om ijdelheid, gewoonte of luxe mee te zeulen. Zo blijkt, ik ben nog niet volledig barbaar geworden.

Het financiële overzicht. Ik heb 100 tot 150 euro om per week uit te geven. Dat is voor verblijf, vervoer, eten en loltrappen. Een slecht getroffen hut met helikopterchocolademelk kan me zo drie dagen eerder naar huis dwingen.
Hoeveel eten heb ik werkelijk nodig? Wat zijn toegestane uitspattingen? Ik moet bivakkeren en mezelf de verleiding van gemakken of groepsprocessen verbieden om binnen budget te blijven. ‘Het moment’ is fataal. Maar aan de andere kant: Wanneer de kwantiteit het van de kwaliteit dreigt te winnen, betaal ik wel het rondje Weizen. Dan maar wat dagen eerder terug.

De planning. Is er een betere planning dan geen planning? Wat doet een mens drie maanden in de Alpen? Ze na de tweede maand uitkotsen? Rot op met die nietigheid? Ik kan me twee scenario’s voorstellen: Het eerste, waarin ik blind word voor het verschil tussen bergen, de eentonigheid vervolgens het verkeerde keelgat binnenschiet, ik mijn biezen pak naar de zee en daar 100 tot 150 euro per week uitbesteed aan massages en Corona’s. En het tweede, waarin ik dermate één word met de omgeving dat ik zal denken zelf een rotsformatie te zijn.
Doodstil maar onvoorspelbaar bij aanraking, omringt door voedsel van weldoeners. Geld zal dan niet meer zo´n issue zijn.
Vooruit, Wellness, mijn ouders, de ASACweek; het avontuur is niet zo groot en ongepland als ik soms neig te denken. Mijn fantasie heeft de afgelopen maanden al veel plannen voor mij gemaakt. Er zijn wat bergen die ik perse wil beklimmen en toch redelijk gebonden zijn aan hun locatie (als ik me niet vergis). Alpineren en sportklimmen. Concrete plansessies maken drie maanden haast te kort. Waar al dat multipitchen, mountainbiken en wandelen tussen past – ik weet het niet.

Onze veiligheid. Mijn EHBO-set is compleet. Ik heb Betadine gekocht, en steristrips, en steriele gaasjes, en veiligheidspelden. Ik zou niet weten wat wanneer te gebruiken, en zeker niet wanneer iemand daar ligt of hangt. Maar ik weet wel raad met Ibuprofen en Paracetamol en Strepsils, dus mocht ik in een nare situatie terechtkomen, dan kan ik in elk geval vragen of iemand even zijn mik opent of zelf wat naar binnen werken.
En ik heb een grote rol sporttape, omdat mijn vader me zijn nare blarengenen heeft gegeven.

Het afscheid. Vriendinnetjes die op reis gingen, voor niet veel langer dan een maand, hebben afscheidsfeestjes gegeven. Ik ga drie maanden. Maar er zit een groot verschil tussen reizen en naar de Alpen gaan: In China loop je geen risico om het gros van je sociale scene tegen het lijf te lopen. Ik maak plannen voor mijn Alpendagen, tegelijkertijd met alle anderen. Het voelt alsof we samen gaan. Ik hoef niets uit te leggen, niets te motiveren, iedereen begrijpt dondersgoed waar ik mee bezig ben. Al zou ik het nooit in zijn volle emotionele waarde, in woorden kunnen vatten.
Er is dus weinig sprake van een afscheid. Ik probeer links en rechts nog wat af te spreken en draai laatste werkdagen alsof ik nog duizenden heb staan. Toch sluipt waardering voor Amsterdam onvermijdelijk mijn wezen binnen, en zoek ik manieren om mensen die ik achterlaat te laten weten hoe apenveel ik om ze geef. Ligt de charme van de bergen dan toch ergens tussen het gedoe van daar en hier zijn?

Het verhaal van de steenman

Ik ga niet terug naar het ontstaan van het gesteente, want daar weet ik niets vanaf. Wat ik wel weet, is dat er eens een best wel grote steen onderscheiden werd van alle andere best wel grote stenen, doordat het zaadje van een roze bloem in een windvlaag precies naast hem op de grond terecht kwam. De roze bloem werd toevallig net iets groter dan de andere bloemen en trok de aandacht van een meisje.

De steenman kreeg voeten

Het meisje droeg een hoedje van katoen en een tuinbroek van spijkerstof. Ze zwenkte heen en weer over het pad, van interessante modder naar interessante kever, van bloem naar mierenhoop naar rots. Haar ouders liepen een paar meter achter haar en soms waren zij ook interessant genoeg. Maar nu zag zij een roze bloem die net wat groter was dan alle andere bloemen en liep ze er in rechte lijn naar toe. Van het pad. Haar ouders volgde haar en besloten precies daar te gaan lunchen waar het meisje was gaan zitten: op een best wel grote steen.
Ze aten stokbrood met brie en staken soms het meisje een stuk brood toe. Zij nam een hap, trok de roze bloem uit de grond, nam weer een hap en stapte van de steen. Ze liep door het gras en vond een tweede steen, best wel groot, maar net iets kleiner dan de andere. De bloem en het brood legde ze in het gras, zodat ze de handen vrij had om de tweede steen op te pakken en terug te zeulen naar haar ouders. Daar schoof ze hem op de best wel grote steen.
‘Waar is je brood?’
Het meisje liep weer weg, vond het brood en de bloem, liep terug naar haar ouders en nam plaats bovenop de twee stenen. De bloem in haar rechterhand, het brood in de linker.

De steenman kreeg benen

Een man liep uren achtereen over hetzelfde smalle pad en stelde het plassen al zeker twintig minuten uit. Hij zag op tegen het afdoen van zijn rugzak, en des temeer tegen het weer opdoen. Zijn rug was bezweet en hij wist dat zijn tas nat en koud zou zijn. Ook besefte hij zich dat zijn planning krap was: Het weer zou omslaan en de kaart gaf hem nog 500 hoogtemeters.
Maar zijn blaas dwong hem van het pad. Hij liep tot twee best wel grote opgestapelde stenen en gooide zijn tas ernaast. Een paar meter verder deed hij zijn plasje.
Het was, nu hij toch van het pad was, verleidelijk om even te gaan zitten. Hij hurkte neer op de stenen en strekte zijn benen. Net niet comfortabel. Een eind verder vond hij een best wel grote steen, maar kleiner dan de andere twee. Hij nam hem onder zijn arm, liep terug, en zette hem bovenop. Een uur later hervatte hij zijn tocht, en behaalde een nieuw persoonlijk record in aantal hoogtemeters stijgen per uur. Net voor de donderbui klopte hij aan bij de hut.

Afbeelding

De steenman kreeg een romp

‘Jo, weet jij waar we zijn?’
‘Lopen we nog goed?’
‘Ja, nee, dat vraag ik, weet ik veel.’
‘Daar dan, daar is een steenman’.
‘Nee, man, daar is geen pad’
‘Ja, maar wel een steenman’.
‘Ga er heen dan’.
….
‘Hé, ik zie het pad!’
‘Waar?’
‘Daar!’
‘Oh…’
….
‘Wacht, we maken hem even wat groter’.

De steenman kreeg een hoofd

We waren vroeg die middag terug gekomen van een hoge top en zaten aan ons derde biertje. Onze koppen waren verbrand en onze sokken stonken. Al ons resterende geld ging op aan eten. Te moe om op te staan, te moe om te blijven zitten. We spraken over steenbokken en apen, en hoe de Alpen zouden zijn wanneer de steenbokken altijd al apen waren geweest. ‘Kijk daar, daar heb je er weer eentje!’, zei vader tegen kind terwijl de aap statig uitkeek over het dal.  De waard hield ons met een schuin oog in de gaten, alsof we snode plannen smeedden. Maar daar waren wij hélemaal niet meer toe in staat. Het werd donker.
Tegen tienen besloot de waard om aan te schuiven, wij dachten om ons het lager in te schoppen.
Maar hij sprak over andere zaken. Hij sprak van een steenman in het dal, op meters van het pad. Naar verluidt mistte deze al zo’n vijf jaar een hoofd. ‘Jullie’, zei hij in het Duits, ‘jullie zijn denk ik geschikt om die arme man op te zoeken, en eindelijk eens een hoofd te geven.’

Dus dat deden wij. We wachtten op de nacht en op de ochtend, pakten onze spullen en daalden af. Eenmaal in het gras zochten we en zochten we. ‘Steenman!?’ Geen gehoor. Geen steenman.
Tot één van ons een roze bloem zag, toevallig net iets groter dan de rest, en er in rechte lijn op af liep. Wat vond hij daar: Drie best wel grote stenen en één normale steen, opgestapeld, de steenman. We plaatsten een laatste steen bovenop, liepen terug naar het pad, het dal in, en naar huis.

Ik weet niets van het ontstaan van het gesteente, maar ik weet wel waaruit de steenman bestaat: Uit een verhaal.

Als het niet klopt

Er staat een meisje te wachten bij een bankje aan de straat. Ze staat er al een tijd, haar haren bruin en ogen nog bruiner. Voor jou. Haar schoenen gekozen. Voor jou.

Je bent vroeg vertrokken van huis maar hebt de afstand onderschat. Nu denk je, zal ze er nog staan? Hoe hard zal je moeten fietsen?
Je hebt muziek op. Muziek die je vader draaide in de studeerkamer en verstoord werd door jou kloppen. Of muziek die je opving in de winkel en krampachtig probeerde te onthouden. Door deze muziek alleen ben jij de hoofdpersoon. Je leven wordt een verhaal. Van hoger zie je jezelf om de hoek rijden, langs de groenteboer, langs de speeltuin, langs de flats en de bossen. Over een brug en onder een brug, de hele tijd op weg.

Ze zal je de fiets laten neerzetten en bij de hand pakken. Ze zal je zachtjes meetrekken over de straten en laten zien wat haar zo boeit. Haar stevige schoenen brengen jullie overal. Ze zal je wijzen op de zon en het gras en alles dat je al kent. Door haar zal je de kleding uittrekken en in het water springen. Door haar zal je midden op de straat liggen, ogen dicht. Door haar zal je slaap vatten als het koud is, en kou vatten als je niet weet waar ze is.

Maar nu, nu trap je zo hard en maak je zoveel vaart, dat je niet weet of je het kunt houden. Dat je weet dat je het niet kunt houden. Dat je niet kunt uitwijken als de auto blijft rijden. Dat je niet kunt bijsturen als de weg door een bocht loopt. Dat je niet kunt remmen als een sloot voor je opdoemt. Dat je valt, dat je bloed of dat je zwemt.

Het meisje zal wachten, maar uiteindelijk lopen. Alleen.

Terwijl je muziek nu nog draait en je jezelf nog ziet fietsen, terwijl je het mis ziet gaan, weet je één ding zeker: Dit verhaal klopt niet. Ik zit in het verkeerde verhaal.

Je zit in het verkeerde verhaal.