Overgave

‘Ga zitten, Ruby, ga zitten.’
‘Ruby, you want to sit down? Go, sit down.’

Met mijn elleboog leun ik op de schouder van Menno. Ik ben wankel en windvlagen krijgen me bijna tegen de grond. Maar ik wil niet zitten, ik wil staan. Mijn bil doet pijn.

Er gebeuren dingen achter me, ik zie een portofoon in en uit beeld verschijnen. De gids vraagt om een helikopter zonder aan mij te vragen of ik een helikopter wil. Mijn helm spreekt duidelijke taal.
Alles wat ik zeg is dat ik misselijk ben, en ik ben nog misselijker dan ik kan verwoorden. Ik sta daar en mijn tijd gaat langzamer dan die van de anderen. Ik trek me terug in mijn eigen tijd. Af en toe voel ik een ontspanning door mijn lichaam trekken en leun ik zwaarder tegen Menno. Het idee om te gaan zitten verafschuwt me, die bil, die bil. Maar dan dwingt mijn lichaam me.

Meteen ben ik weer bij. De misselijkheid verdwijnt zodra mijn blik op de blauwe lucht gericht is. Rechts zie ik de koppen van Dorien en Menno. Links is nog steeds die bedrijvigheid van eerder. Ze rommelen aan mijn lichaam om me recht te leggen en me warm te houden. Ik hoor het geknisper van de reddingsdeken en bedenk me dat ik mijn eigen nog in mijn tas heb zitten. Het is meer een constatering dan dat ik er iets mee wil.
Want ik wil slapen.

Ondanks donsjassen en aandacht krijg ik het kouder en kouder. Ze checken regelmatig of ik achter mijn zonnebril mijn ogen niet definitief sluit, en het wordt bijna een spel om ze te sluiten wanneer ik de kans zie.
Goddomme, denk ik, waar blijft die helikopter. En weer verbaas ik mezelf.

Ik verbaasde me over mijn eerste reactie toen het stuiteren stopte en ik neer was gekomen. ‘Help! Help, help’, riep ik, wel tientallen keren, zonder erover na te denken. Het was niet de situatie die me deed afvragen of ik hulp nodig had, niet de val of de gebroken helm, maar mijn eigen schreeuwen naar hulp.
Ik verbaasde me nogmaals toen ik wild naar de voorbijtrekkende gids en zijn klant zwaaide, nadat Dorien me een touwlengte langs de gletsjer had laten zakken. Weer die hunkering naar hulp die door mijn lichaam geïnitieerd leek. Was er dan toch iets mis?

‘Do you have pain?’
‘No, just my ass. My ass hurts’.  Wat is een betere naam voor ass?

Nu sluit ik mijn ogen en wacht ik op het geluid van de helikopter. Ik vervloek de helikopter die overvliegt en niet voor mij is. Mijn tenen zijn koud en ik vind het bijna grappig dat ik me daarmee bezig houd, terwijl anderen zich ontfermen over zoiets als mijn leven. Ik wil slapen.

‘Do you feel like…’ De gids gebaart.
‘Like throwing up. No, not anymore’, zeg ik, maar hij pikt het niet op.
‘What is it called?’ en hij beeldt het weer uit.
‘Oh’ zegt Dorien, die alleen het laatste woord hoort.
‘Ruby’.

Vereeuwigd als vomit zie ik schouwspellen in de hoeken van mijn ogen. De helikopter, de mijne, dropt rode mannetjes, waarvan ik er uiteindelijk vier tel. Af en toe trek ik me terug, in mijn wens naar slaap, in de vertrouwelijke omgeving die zich in mijn nog steeds langzame tijd heeft gevormd, en af en toe neem ik waar wat voor een heisa er om me heen bestaat. Sinds de gids de keuze maakte voor de helikopter heb ik geen keuze meer kunnen maken. Dit is overgave van mijn lichaam.

‘Do you have pain in your neck?’
‘Yes, but just a little. When I was standing…’

Ik kan mijn zin niet afmaken. Een groot massief ding wordt om mijn nek gesloten en vanaf dat moment is mijn blik beperkt tot de speelruimte van mijn oogbollen. ‘Shit, dat had ik niet moeten zeggen’, zeg ik tegen Menno en Dorien.
Ze doen verslag van wat er gebeurt. Ik hoor een kalmte in Dorien haar stem en ook Menno klinkt ontspannen. We maken grapjes.

De rode mannen doen van alles. Ze leggen me op een brancard en pakken me nog verder in. Af en toe schuift er een hoofd in mijn blikveld en vraagt iemand hoe het gaat. Prima, denk ik. What the fack gebeurt er afgewisseld met berusting. Mijn lichaam is van hun en dus heb ik nog slechts mijn geest, wat al zo voelde sinds mijn tijd zo ontzettend traag ging, trager dan die van de anderen. Nog steeds wil ik slapen.
Ze vragen me of ik wil dat Menno en Dorien meegaan naar het ziekenhuis. Hoewel ik achteraf spijt krijg, stem ik op dat moment toe met hun aftocht over de gletsjer en mijn eenzame vlucht onder de helikopter. Voor ik het weet bungel ik aan een touw en staar ik naar de rode onderkant op voorgrond van de blauwe lucht. Grand Beau. De wind doet me schommelen en maakt me bang dat de hele stellage losschiet. Dorien zei dat ze ook een arts ergens vast hadden geklikt, maar ik zie niemand.

Ik land zachtjes. Op de gletsjer, vertelt de arts me, die toch ergens zal hebben gehangen. Ik moet hem op zijn woord geloven, want nadat de helikopter wegvliegt ben ik weer veroordeeld tot de hemel. De gletsjer is wat scheef waardoor de druk precies op mijn bil komt te liggen. Die bil, die bil.
De arts maakt foto’s van de omgeving en ik maak er zachtjes een grapje over, maar hij hoort me niet volledig. Als hij vraagt me mijn zin te herhalen geef ik aan dat het niet belangrijk is. Het begint vaag tot me door te dringen dat ik mijn eigen conditie serieus moet nemen, eerder om niet naïef naar al die reddende figuren over te komen dan om de conditie zelf.

De helikopter land vlak naast me, voor mijn gevoel zo’n twee meter, en onzichtbare handen tillen me naar binnen. Een gigantisch lawaai sluit me wederom buiten bij mijn eigen redding. De arts prikt een infuus in mijn rechterhand en legt mijn linkerwijsvinger tussen een klein zwart knijpertje. Hij vraagt drie keer hoe het gaat door vragend zijn duim op te steken, wat ik maar beantwoord met een lach, want knikken is onmogelijk en het komt niet in me op mijn eigen duim te gebruiken. Even schiet de angst door me heen dat ik alleen een blauwe plek op mijn bil heb, en al dit van stal is gehaald om iets dat niet eens een pleister behoeft. Ze hebben me met mijn gezicht naar de kant van de piloten gelegd en dus zie ik heel veel knopjes, onmiskenbaar helikopter, een teken van een redding van een meisje met misschien een blauwe bil. Butt, schiet het door me hoofd. Ik had het ook butt kunnen noemen.

Mijn tenen zijn nog steeds koud en de vlucht duurt lang, niet echt lang, maar het voelt lang. Mijn neiging om te slapen is wat minder geworden. De arts verplaatst het knijpertje iets en merkt denk ik dat ook mijn handen koud zijn. Hij legt even zijn handen om mijn vingers en knijpt er zacht in. Even later doet hij het weer, als een soort tweede poging om mijn handen te warmen, en voor het eerst sinds de val voel ik de zorg. De zorg in plaats van de overname van mijn lichaam. En alsof die ene handeling voldoende was om mijn lichaam weer van mij te maken, weet ik dat nu ook mijn geest tot overgave is gekomen.
Opeens voel ik me kwetsbaar en alleen, in een situatie die te groot voor me is.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s