Latest Posts

Via Wie

De Snel Sports in Chamonix verkoopt een grote, overzichtelijke collectie aan outdoorspullen. Op de schoenenafdeling werkt een klein enthousiast Frans mannetje die zijn taak serieus neemt. Hij wacht rustig op je uiteindelijke keuze, aanschouwt je twijfelingen met ernst en vertelt ondertussen dat hij zelf het liefst bij de Aiguilles Rouges klimt.

Achter de balie schuifelt een jonge Spanjaard van kassa naar gadgetwand. Hij zit verlegen om communicatie; zeg je één woord, dan heb je een half uur conversatie. Hij is ook nieuw in Chamonix.

Als je lift tussen Albertville en Chamonix, dan kan er zomaar een autootje met een bloedmooi meisje stoppen dat als bouwvakker werkt. Ze heeft allemaal linkse ideeën en poneert ze zonder er rekening mee te houden dat jij misschien niet zo goed Frans spreekt. In elk geval, ze kent mensen bij een uitzendbureau in Salanges.

Op de hoek van de rotonde in de buurt bij de Mediatheek ligt het restaurant MBC. Een bar strekt zich uit langs de rand van een grote houten ruimte, waar de stoelen en tafels versleten zijn en de serveersters ongedwongen en flirtend drankjes opnemen. Eén van de serveersters bezit een paar ogen dat haar gehele gezicht beslaat. Ze skiet voor het Italiaanse team, heeft een puppy (doodsbang voor vreemden) en rijdt een oude bus met zakken vol hondenbrokken. Haar vriendje is Fransoos, ze zijn hier net komen wonen en daarom is ze mega ontvankelijk voor nieuwe contacten. Drie verschillende werkgevers wachten op haar reactie, waaronder MBC.
Je mag haar restanten hebben.
Maar hoort daarna niets meer van haar.

Aan de Rue Joseph Vallot werkt een barman die het advies geeft eens te kijken bij het hotel naast het station, terwijl zijn eigen bar fantastisch is en je daar misschien wel het liefst zou willen werken.

Via Chamshare, een sociaal initiatief op internet, leg je contact met een klimmer uit Australië die binnen twee zomermaanden heel Haut Savoie uit wil spelen. Je vindt hotels die zoeken naar viertalige Britten, wasmachines die een ander set wasgoed wensen en een groot segment aan baanzoekers en zwartwerkers.

Mocht je naar Chamonix willen verhuizen en op zoek zijn naar een kamer en een baan, zet dan hierop in.

Jägerbomb

Hi, I’m Ruby, I’m working here tonight?

Een meisje met lang bruin haar en vriendelijke ogen knikt bevestigd. Ze begeleidt me naar een ruimte waar ik mijn jas kwijt kan, een opslag ontoegankelijk voor gasten. Kennismaking met dat soort plekken is tot nu toe immer een voorbode geweest van een eerste werkdag in de horeca. Terwijl ik mijn jas op een krat leg denk ik: Nu is het gedaan. Nu kan ik niet meer terug. Vanavond werk ik bij Monkey.

We lopen terug naar de bar. Ik zie Regien, Fieke en Dorien plaatsnemen op een klein balkonnetje linksboven het café met uitzicht op de bar, en laat ze verdwijnen uit mijn bewustzijn. Op lange borden hoog in de wand staan rijen cocktails en shotjes. Zal ik het meisje meteen maar zeggen dat ik geen idee heb wat er in een Long Island gaat? Dat ik alleen drink als speciaalbiertjes het aanbod vormen? En helemaal niet drink als ik ‘in training’ ben en naar Chamonix ben gekomen om te alpineren?

Ik houd nog even mijn mond en laat het meisje praten. In razend tempo loopt ze langs alles wat zij denkt dat ik moet weten, waarvan we beide weten dat ik de helft direct zal vergeten. Fris ligt in blikjes onder de bar, de ‘frisleidingen’ zijn kapot. Drank staat in koelingen onder de kassa, de handvaten van de deuren zijn kapot. Verdeling van taken is er niet. Over de bar verspreid liggen attributen zonder zichtbaar toegewezen plek. Net als Iphones. Communicatie tussen personeel en gasten verloopt via losse, luide opmerkingen. De koffiehoek is niet zozeer ingericht als wel gevuld met spullen. Er is niet echt een systeem, vertelt ze me. Nee, denk ik, hier heerst totale anarchie. Ze geeft me een rondleiding op een Ipad met een fancy kassasysteem en ik verbaas me om het kleine eilandje van hightech binnen de natuurlijke loop van alle andere bareenheden.

Ze laat me achter met de Ipad en de opmerking ‘you can just play with it a bit and find out how it works’. Zij en een collega, een jongen met een dun gezicht, blonde haren en een pet, werken om me heen terwijl ik geen idee heb (what the fack) ik moet doen en uit armoede maar door het systeem op de Ipad blijf scrollen.

Eerste dagen in de horeca zijn een ramp.

Ik leer de kok kennen: Een Brit met een klein krullerig blond staartje die zijn naam zo Brits uitspreekt dat ik geen idee heb hoe hij heet. Aan de bar zitten een aantal (stam) gasten of collega’s. Ik begin een gesprek met ze en vraag of ze hier werken, en eerst zeggen ze allemaal van wel, maar later blijkt van niet. En dus heb ik geen idee wie ze zijn, behalve misschien dat het Britten zijn en ik weinig méér oppik dan facking en fucking. Ik maak kennis met de Manager als een grote Franse brombeer in het midden van de bar met bruine ogen, een sympathieke uitstraling en een luidruchtig gedragspatroon.
In en uit lopen jongens met petjes, sommige komen achter de bar en gaan weg met drank in hun hand. Ik forceer opnieuw conversaties, met (de enige twee) Fransen in de hoek, de (enige) alpinist, de kok, het collegameisje. Ik vind uit dat de laatste het zusje is van de baas en noem haar Zusje. Ze heeft iets liefs. Zolang ze niet mans doet naar haar gasten of vrienden of wat het ook moge wezen.

Iedereen kent elkaar en ik heb geen idee meer waar ik kan inspringen. Dus keer ik terug naar de Ipad.

Zusje is klaar met werken en gaat een rondje hardlopen. Godzijdank, iemand doet iets waaraan ik me kan relateren. In haar plaats komt een stelletje: Een blond tomboymeisje met (welja) een petje en een neuspiercing, en een wat langere jongen met blauwe ogen (ik hou op met ‘met een petje’ zeggen, dat lijkt me een gegeven) en de uitstraling van een schooljongen. De vijand, zo blijkt later. Vriendje en Vriendinnetje de Vijand.
Ik begin ondertussen mijn eerste bestellingen aan te nemen. Het kost me drie gasten om door te krijgen wat een Paint, Pwaint, Peent is (een pint). De glazen doen me denken aan aquariums.
No Foam, they’re gonna scream at you if give it like that. They pay for beer.
Daar sta ik met mijn Heineken tapcursus. Het is niet druk, en tussen de bestellingen door vormt zich eindeloze tijd. Schoonmaken is niet echt iets wat je doet hier. Vanaf het moment dat ik met iedereen aan de bar een willekeurig gesprek heb gevoerd, zijn al mijn handelingsopties op.
Gelukkig is daar de Ipad. En de Manager.

De Manager vraagt om drie shotjes Jäger en één waarvan ik steeds de naam vergeet. Ik kluns met het shotjesgieten, maar krijg uiteindelijk vier kleine glaasjes met bruine substantie in een rijtje op de bar. Hij geeft elk van zijn vrienden één en schuift de vierde richting mij. Ik kijk ernaar.
You want me to drink it?
Het is zes uur. Misschien half zeven. De laatste keer dat ik een shotje heb genomen kan ik me niet meer herinneren. Misschien een avond op het corps, vier jaar terug. Bij Monk (laatste werkgever) dronken we na elven een glaasje rode wijn. 33 cl La Chouffe maakt me licht als een veertje.
Ik zet het glaasje aan mijn lippen en gooi het achterover.

Het Vriendje schreeuwt: ‘Who want’s beer?’ Drie handen schieten omhoog.

Later staat hij naast me en zegt:
Ruby, my head hurts so much it’s not good.
Ik glimlach en blijk zo ver van mijn natuurlijke reactievermogen afgedreven dat ik geen idee heb hoe ik moet antwoorden. Even later komt hij weer:
Ruby, I got so wasted last night.
De muur is wit, een vrouw heeft borsten, de muis piept, het interesseert me niet. Ik verbaas me wel over het feit dat hij mijn naam noemt. Hij richt zich in al zijn hoedanigheid tot mij en het voelt alsof hij een stelling poneert waarop ik juist acht te reageren. Hij test me.
Ohh, Ruby, my head it’s like, it hurts so much.
Nu, achteraf, weet ik dat ik had moeten zeggen ‘I don’t give a fucking damn’. Dat kwam net even niet in me op.

Ze spreken Engels in zulk jargon dat ik twijfel of ik ooit dezelfde taal heb geleerd.

Ik besluit even adem te halen bij mijn Nederlandse maatjes op het balkon. Ze blijken iets te willen eten, dus loop ik terug naar beneden om te vragen naar Monkeys eetprocedure.
The menus are there. You take the plate with the specials with you and show it to them.
Vriendje wijst naar een log bord van één bij één midden in het café. Ik denk dat hij een grapje maakt, maar twijfel. Ik loop erheen, pak het bord en voel me gigantisch in de zeik genomen. Maar nog steeds, ik twijfel. Dus ik zeul het de trap op en presenteer het aan een lege tafel. Ze staan buiten, zie ik door het raam. Ik zeul het weer naar beneden, zet het terug tegen de wand en loop naar buiten.
– Ok, ik weet niet of ik verneukt word of niet, maar er is een heel zwaar bord met de specials die ik mee zou moeten nemen naar de tafels wanneer ze bestellen en dat ga ik bij jullie dus niet doen. Als jullie specials willen, moeten jullie maar even binnen kijken.
Even later komen de drie naar binnen en zie ik ze gebukt voor het bord staan. Vriendje komt naar me toe.
So that’s the reason why you take the plate to them.
Anders loopt iedereen zich op drukke dagen voor dat bord te scharen.
Shit.
Later vraag ik me af of ze te lui of te dom zijn om de specials uit hun hoofd te leren. Nu voel ik me achterlijk.

Even later bots ik tegen Vriendje op waardoor zijn koffie over zijn broek vliegt.

Ik sterf af en toe een beetje, maar tegelijkertijd begeef ik me in de meest amusante omgeving sinds tijden. Ik geloof niet wat ik zie. Dit is een nieuwe wereld en ik ben op avontuur. De collega’s zijn knettergek, luidruchtig, bot en lachwekkend. Sympathie tussen gasten en collega’s is voelbaar. De plek heeft iets warms.
De Manager begint een baken te worden, daar zo midden aan de bar. Hij vind het wel grappig dat ik niets weet en brengt me stillaan thuis in de wereld van Monkey en de alcohol, terwijl hij op zijn beurt keer op keer mijn redding betekend als er niets te doen is. Hij blijft praten en om shotjes vragen, en ik blijf ze inschenken en meedrinken. Als ik vraag naar de betekenis van B52 wordt ‘ie gemaakt en gedronken. Jägerbomb na Jägerbomb. Ik merk dat het Engels nog moeilijker te volgen wordt en mijn concentratie en wil om vat te krijgen op Monker wegebt.
I cannot drink anymore. I wont function. I really wont, I need to stop.
Ik begin shotjes af te slaan en keer weer terug naar de Ipad.
Stop being obsessed with the facking thing!! No, no, noo, stop that!! Come on, stop looking at it the whole fucking time.
Lieve Manager, wat moet ik dan?

Vriendje heeft nog een laatste vraag voor me: Ruby, do you like to party?
Ik voel me betrapt. Wat moet ik zeggen?

Mijn maatjes besluiten ergens anders te gaan eten. Een half uurtje later kruipt Vriendinnetje naar het balkon en bekijkt de gang van zaken vanuit haar hoge toren. Ik heb net weer even niets te doen en loop als een pinguïn achter de bar heen en weer. Dat ik bij Monk geleerd heb scherp te zijn op mijn omgeving leidt ertoe Vriendinnetje te spotten. We kijken elkaar aan, twee seconde lang, zij lacht niet, ik ook niet. Ik kan de situatie niet duiden, dan niet en later niet.

De baas loopt binnen. Hij doet me denken aan een ijskoningin; een statige vrouw met bleke huid en lichte ogen, golvend zilver haar langs haar lange hals, een perfecte jurk van glimmend wit en ijskristallen, een ambigu hart en een immense, stille, onoverbrugbare afstand tussen haar en haar onderdanen. Dat is de baas, alleen dan de mannelijke skate-doerak variant met petje (nooit gedacht dat zo iemand bestond, maar zo is mijn impressie).
Ik heb teveel alcohol binnen om me druk te maken om mijn eventuele presteren in zijn aanwezigheid. Om negen uur mag ik stoppen van Vriendje en Vriendinnetje, godzijdank, omdat het te rustig is of ik uitzonderlijk nutteloos blijk, en schuif aan de bar naast Manager en zijn vrienden. De betere kant van de bar. Opeens blijk ik net zo goed in het praten over bullshit, het zeggen van facking en het maken van losse opmerkingen als de rest. Een uur lang weet ik me te handhaven, ik heb het zelfs naar mijn zin. Dan begint de alcohol me kleine kopjes te geven en raak ik bewust van het feit dat ik bezopen ben in het vizier van mijn potentiele baan. Ik mompel dat tegen Manager en hij zegt:
– You should get drunk. We all get drunk. What we do here. What you’d think!?
Nee. Ik sms Fieke of ze me op wil komen halen. Als ik bericht van haar krijg loop ik heldhaftig naar de baas toe om te vragen naar het eventuele vervolg. Ik vergeet wat hij zegt, behalve dat ik maar moet laten weten of ik wil komen werken. Dan kijken zij wel of ze me willen.

Ik zwaai vluchtig naar Manager, Vriendje, Vriendinnetje, Zusje, de kok, dertig petten, loop in een rechte lijn de deur uit en voel de zegening van frisse lucht.

No facking way, denk ik. No facking way.

Dit is Chamonix

-met Fieke

Maandag 18 mei. Vanaf camping Le Grand Champ is het centrum van Chamonix een kwartiertje fietsen. Bergafwaarts. We rollen vanaf de grote weg door tot in de winkelstraat, waar alle bergsportmerken naast elkaar hun nieuwe collecties tonen en het voelt alsof je het internet binnenstapt. Oh ja, denk ik. Dit is Chamonix.

Het is negen uur ’s ochtends en de brede straat is nagenoeg verlaten. De zon schijnt fel.
Chamonix.
Ik verdenk het dorp ervan dingen voor me achter te houden en kijk bedachtzaam om me heen. Tegelijkertijd voel ik me getest vanaf het eerste gesprekje dat ik voer (dus jij komt hier wonen?).
Ik ken Chamonix al een tijdje, maar niet als een plek waar ik vanuit het Westen binnen kom fietsen om er vervolgens mijn heil te zoeken. Een plek waarvoor je ‘gekozen hebt’ doet zich anders voor bij weerzien.

Ik kan je veel vertellen over het dorp, zoals het piepkleine inwoneraantal en het smogprobleem, maar het liefst zou ik je er middenin willen plaatsen en even laten dwalen. En dan horen wat je ervan vindt.

Ik heb besloten dat het een gek oord is.

Fieke en ik binden onze fietsen om de lantaarnpaal voor een café en drinken koffie met onze neus naar de straat gekeerd. Een groeiend aantal winkeliers en mannen in outdoor kleding snelt langs, druk met zaken. Mannen vooral. Een stel hele hoge bergen schiet boven de huizen uit. Als de winkels een uur later openen, nemen rijke, slenterende Europeanen en drukke Aziaten het straatbeeld over.

‘Jo Fiek, wat vinden we hiervan?’
Typisch, concluderen we. Het toeristenstadje gedraagt zich naar behoren.
We halen onze fietsen los en gaan vrij willekeurig achter het café omhoog. Ik heb die middag een gesprek bij een bar, Monkey, en draag in mijn tas een spijkerbroek, make-up en armbandjes, tussen kaarten en een waterfles weg gepropt. Ik ben geen voorbijganger, niet slechts een wandelaar, en het bewijs zit in mijn tas.

Na wat gestuntel op te steile wegen binden we de fietsen aan een routebord en gaan te voet verder. Het feit dat mijn enkel in de testfase verkeert maakt de wandeling aangenaam. We vergeten de neiging om uit te vinden hoe slecht onze conditie is geworden en stijgen met een keurige hartslag boven Chamonix uit. Halverwege stop ik en trekt Fieke verder. Ik lees een boek, laat mijn benen verbranden en speel een spelletje staren met de Mont Blanc. Beneden zonnen de huizen van Chamonix.

Twee uur later zitten we weer op een terras, dit maal met bier. In die paar honderd hoogtemeter heeft de berg ons weten te verslaan. Fieke lijkt door haar rug te zijn gegaan. Ik snoes weg. Onderuitgezakt staren we naar dezelfde stroom mensen die voorbij trekt, te moe om te oordelen.

Hé zeg, wie zijn jullie allemaal?

In spijkerbroek en mascara loop ik vervolgens met Fieke en een avondzon naar mijn sollicitatie. De bar ligt op de hoek van een plein in het wijkje tegenover het liftstation van Aiguille de Midi. Het doet me goed om een dergelijke routebeschrijving te hebben, eentje waarin Aiguille voorkomt en die me doet denken aan Kirkpatrick. Buiten staan picknicktafels, een stel alpinisten en een absurd aantal jongens met petjes en lage broeken. Het is een burgerbar met een Taco Tuesday en constante aanwas van skateboards. Lijsten met cocktails en shotjes sieren de muren. Ik stap de bar binnen en vraag een medewerker (met petje) naar de baas. Hij wijst naar een lange man, of jongen, in de hoek van het café. Ik laat mijn gedachten zich niet vormen, onderdruk een kleine ‘help, dit is eng’ en kom met een glimlach en uitgestoken hand aanzetten.

Ik verbaas me. Tegenover me zit een gast van hoogstens dertig, met een petje op een gestroomlijnd hoofd, twee hele blauwe ogen en een timide, bijna ongeïnteresseerd humeur. Is dit een baas? Ik moet met mijn kop bij het gesprek blijven. Een glas bier is mijn houdinggever. Zijn engels is snel. We spreken vooral over het proces van aannemen en plannen een proefdag. Het is een groot probleem dat ik geen vloeiend Frans spreek (later leer ik dat je vooral niet in Chamonix moet wezen als je Frans wilt leren en met name, dat die bar een bijna uitstluitend Britse kolonie met bijpassend drinkgedrag onderbrengt). Daarom maak ik alleen kans als het personeel me dermate leuk vind dat ‘t mijn Franse gestuntel compenseert. Tot zover mijn ongedwongen gedrag.

Chamonix?

Ik drink mijn biertje buiten op het terras en herpak mezelf in aanwezigheid van Fieke, Regien en Dorien. De laatste twee komen terug van een tocht en vormen in verhaal en houding een welkom contrast met de omgeving. Chamonix verdwijnt even naar de achtergrond. Een tweede ‘biertje’ blijkt een pint en een pint is veel meer dan ik kan verteren.

Licht beschonken stappen Fiek en ik op de fiets. Chamonix is eenvoudig navigeren; of de ene kant op, of de andere. Kleine wolken drijven voor de bergen langs. De rakkers waar ik het allemaal voor doe, realiseer ik me.
Wat zijn ze ver weg.

Ik Meen Het

Alles waar ik vandaag aan kan denken, zijn mijn misdaden.

Misschien kan ik een beter mens worden in Frankrijk. Of hoort een beetje sociaal falen bij mij en al die andere mensen. Of blijkt in de praktijk dat ik geen zin heb om mijn gedrag aan te passen.

Het maakt ook niet uit, ik zal zijn wie ik ben met misschien wat meer consideratie, maar voor nu voel ik vooral de behoefte om te zeggen: Sorry.

Sorry, voor wie ik soms ben geweest. Voor de keren dat ik afdwaalde in gesprekken, niet reageerde op contactberichten, teveel met mezelf bezig was en anderen dupeerde vanwege mijn slordigheid of laksheid. Sorry voor mijn wantrouwen als vertrouwen meer op zijn plek was, mijn arrogantie en verlegenheid, mijn pretenties en onzekerheid, mijn vooroordelen en de geringe kans die ik sommigen heb gegeven. Sorry voor mijn lompe opmerkingen, recalcitrante houding, eigenwijsheid, naïviteit, het roddelen en het schreeuwen en het aandacht trekken. Sorry voor mijn desinteresse. Sorry voor de schijn die ik heb opgehouden, het ontwijken, de leugentjes en stiekeme vuile manoeuvres. Sorry voor mijn absentie of aanwezigheid als die ongewenst was en voor alles dat ik had moeten doen wat ik niet heb gedaan. Voor alle signalen die ik niet heb opgepikt of verkeerd heb geïnterpreteerd. Sorry voor het niet serieus nemen.

Sorry voor alles dat nu niet in mij opkomt maar wel een excuus verdient.

De kans is groot dat alleen ik me deze misdaden herinner en alleen ik er het nadeel van ervaar. Sorry, Ruby, dat het je niet lukt om wat beter naar anderen te zijn. Dan hadden ze je leuker gevonden.

Maar dat is niet wat ik wil zeggen. Het gaat niet in eerste instantie om mij, maar om de anderen naar wie ik al een dag lang vage spijt voel. Het uiten doet verzachten.

Dus nog een laatste keer.
Sorry voor wie ik soms ben geweest.

Even op vakantie voor altijd

Het wordt langzaamaan werkelijkheid. Ik heb gewacht op alle typische emoties, en nu komen ze zachtjes een voor een naar boven. Héél zachtjes, vermomd, bijna niet te onderscheiden van dagelijkse emoties en dus bijna irrelevant. Maar ik spoor ze op en wakker ze aan.
Anders blijft het voelen alsof ik alleen even op vakantie ga. Een maand of wat naar de bergen. Ik zeg ‘daag ouders’, zwaai naar mijn vrienden en steek mijn duim op naar de eerstvolgende auto op de oprit van de snelweg. Een vriendinnetje van me zei: Je moet rituelen maken, dat is nodig bij dit soort zaken. Organiseer iets. Anders beseft niemand dat je gaat, laat staan jijzelf.

Soms vraag ik me af of het wel zo anders is, die truc die ik nu uitvoer. Dat gaan. De maanden die ik in Frankrijk doorbracht – had ik niet altijd kunnen besluiten om in Frankrijk te blijven? Kan ik nu niet altijd besluiten om terug naar Nederland te gaan? Het verschil ligt slechts in de afspraak met mijzelf om in Frankrijk een leven op te bouwen. Het verschil ligt in mijn vastberadenheid. Dat is eigenlijk niet zo wezelijk.

Ik volg mijn droom, wist je dat? Het klinkt stupide als wat, maar ik geloof dat ‘t is wat ik aan het doen ben. Mijn droom volgen. Maar ik moet het wel actief als zodanig bestempelen want van zichzelf is het weinig dromerig. Het is meer…organisatorisch. Vreemd. Willekeurig. Iets dat ik aanpas in mijn toekomst zonder nu de verandering te kunnen voelen. Ouders die het niet beseffen, vrienden die afscheid nemen terwijl afscheid alleen betekenis krijgt bij gemis, en zo ver zijn we nog niet.

Het dromerige ligt in de uitwerking. Het dromerige is het potentieel. Maar dat is onzeker, is het niet? Ik heb veel geschreven over het ‘hier’ en ‘daar’ zijn, en soms ben ik bang dat de charme van het ‘daar zijn’ afhankelijk is van het ‘hier zijn’. Het gaan en het terugkomen. Nederland is een klimland maar dan stiekem, want hier heb je kleine kolonies bergverslaafden verdwaald tussen molens en koeien. En als de seizoenen eraan komen gaan ze in één grote trek naar de bergen. Ik hou daarvan. Van de voorbereidingen, het gelul in de hallen, gemekker over standaarden en gebieden en ons kent ons, de identificatie met misplaatste hoogteliefhebbers in hun typische outfits. Straks verdwijn ik tussen de gelijksoortigen en kan ik niet meer schelden op de grijze straten van Amsterdam. Het spanningsveld tussen de rust van de bergen en de hectiek van de stinkstad is me dierbaar, ik hoop minder dierbaar dan het wakker worden, de gordijnen opentrekken en al die bergen zien.

Nu komen de dagen van het daadwerkelijk verlaten. Ik ben benieuwd hoe dat me afgaat.

Dorpsgek

Er zat me iets dwars, de afgelopen tijd. Iets waar ik maar niet de vinger op kon leggen. Maar nu weet ik het.

Ik was de dorpsgek.

Je hoorde me van mijlenver aankomen. Tik, tik, tik, als een tapdanser op krukken. En iedereen keek.
Naar mijn krukken en mijn been.
Het ontging me niet, dat ik interessant was. Ik wist ook dat ik niet werkelijk doordrong tot de breinen achter de blikken. Ze dachten misschien ‘een been’, en zelfs dat niet, want in een stad als Amsterdam moet je een boel gekker doen wil je ze bezig houden.

Het had wel iets. Tik, tik, tik is een geluid dat zich onderscheid van druk verkeer en gebabbel. Mijn aandoening was chronisch noch absurd, niets aan de hand, weinig meer dan tik, tik, tik. Een bushok vol mensen die mijn bewegingen volgden, dan pas wilde ik werkelijk vreemd doen. Alsof de hint van aandacht in die lege blikken een zucht naar méér opwekt. Wegrennen, op mijn gipsen poot. Shit, denken ze dan.
Die loopt er zomaar vandoor.

Ik zat veel op mijn balkon. In Amsterdam Oost ben je dan voltijd in een publieke ruimte. Ik maakte kennis met de gezichten en ritmes van al mijn overburen. Zag ze gaan en terugkomen. En zij, ik weet niet of ze mij zagen zitten, maar ik zag mijn gefixeerde positie wel vanuit hun bewegelijkheid. Dan voel je je wel een beetje opgesloten in je toren, wegens wat, wangedrag?

Positie in de maatschappij: Dorpsgek.

Dat is het punt; ik deed niets. Ik kon niets. Ik droeg niet bij aan het hele gebeuren dat buitenwereld heette. Ik was buiten de rivier gezet en zat daar op de oever een beetje te luieren in het zonnetje, terwijl de rest op snelle boten door het leven spetterde. Ik was buiten functie, of eigenlijk in functie: de Dorpsgek. Laat haar daar maar, want zij kan niets.

Even later kon ik mijn toren verlaten en liep ik mank door Amsterdam. Als een schildpad zwalkend met een fles jenever tussen schild en lichaam. Om de zoveel tijd moest ik zitten, zoals mijn oma vroeger op de zeldzame tripjes naar het winkelcentrum van Schalkwijk. Ik wandelde langs de Celebestraat, naar Oostpoort of Javaplein of Science Park, en mensen die ook aan de zijde van de rivier zaten, herkennen me inmiddels.
Die mankepoot.

Ik probeerde zen te worden: Als ik gelukkig kan zijn met niets doen, dan kan ik altijd gelukkig zijn. Op wat energetische uitbarstingen na ging dat me redelijk goed af, ik en mijn boeken, mijn verhalen, fantasie. De buitenwereld deed zich op mijn wandelingen voor als belachelijk gehaast, bijna lachwekkend. Wat vinden jullie allemaal zo belangrijk? – dacht ik vaak. Strompel, strompel.
Maar mijn toestand kwam wel met een aanzienlijk nadeel: Ik kon niet wegrennen als iets of iemand me zou aanvallen. Panisch ben ik niet, verre van, en toch; mijn overlevingsinstinct was niet blij met mijn gehinkel. ‘Je bent een prooidier, Ruby’, zei het me. ‘Ze kunnen je pakken, alle eenogige monsters uit de donkere diepten van Oost, de sissende slangen die het munten op manke meisjes. Daar ga je’.

Inmiddels kan ik korte stukken doen alsof er niets aan de hand is. Gewoon lopen, zoals andere mensen. Het voelt goed. Ik doe weer een beetje mee, zij het met zwembandjes. En ik ben bijna veilig voor de monsters van Oost.

Prinses

Ik ga naar Frankrijk. Ik ga echt. Ik pak mijn spullen en ik ga naar Frankrijk.

Ik vind het wel stoer van mezelf. In mijn beschouwingen.
Maar in het echte leven is er niet veel aan de hand. Ik sijpel langzaam uit Amsterdam.

Als prinsen het bos in trekken om een draak te verslaan en hun bevrijdde prinses meenemen naar het wonderland, dan hoeven zij niet eerst hun mobiele abonnement aan een trol te slijten. Nooit lees je over een prins die zich tijdens het beklimmen van een toren voor zijn kop slaat omdat hij zijn NRC of bibliotheeklidmaatschap vergeten is op te zeggen. Kastelen worden tijdens prinselijke absentie bewaakt door boze stiefmoeders, die intrekken zonder de inspectie van de woningbouwcorporatie af te wachten. De zorgverzekering ligt gevat in het sprookje, daar prinsen toch niets onromantisch overkomt, en afscheid nemen ze niet, want alles komt goed, iedereen verliefd,  betoverend en voor eeuwig gelukkig.

Avontuur in het echt is best wel burgerlijk. Het hangt aan mekaar van datumprikkers, callcentremedewerkers en het doorspitten van oude fotoboeken. Ik moet mijn spullen uitsorteren, wat me dieper en dieper het verleden in zuigt, en zorgen dat ik geen geld besteed aan Amsterdamse concepten die ik niet meer kan gebruiken. ‘Achterlaten’ is op zichzelf gaan staan, heeft weinig meer met Frankrijk temaken, voelt als modder van mijn huid afkrabben (niet negatief, ik houd van modder omdat het meestal indiceert dat ik me vermaakt heb).

De spanning zou dan moeten liggen in de periode die volgt, maar ik heb het grote onbestemde redelijk ingeperkt. Aanvankelijk liet ik mijn toekomst open, tot ik de vertrekdatum rook en de bibbers kreeg. Nu ga ik WWOOFen, werken op een boerderij tegen kost en inwoning (onwijs gaaf initiatief, kijk op de site). In Notre Dame de Bellecombe woont een ietwat gekke mevrouw (maak ik op uit de e-mails) met een krokusveld. Ze gaat me leren welke wilde bloemen je kan eten, neemt me mee naar lokale festivals en stuurt me de bergen in met een bevriende alpinist.
In principe vergezel ik haar een maand lang en vertrek daarna, met een versoepelde Franse ratel, naar een stad in de buurt. Misschien Grenoble, misschien Chamonix, misschien een plek die nu nog niet mijn aandacht heeft gevat. Stapje voor stapje. Ik sijpel naar Frankrijk.

Soms baal ik. Dan denk ik ‘klotebergen’, en niet veel meer.

‘Wat doet die gek’. Dat denk ik ook wel eens.

En toch, de concrete stappen die ik momenteel maak zijn zó klein, zó kaliber ‘muur verven’, dat het avontuur nog steeds niet gelijkt aan dat van een prins. Ik realiseer me dat het achterlaten van mijn familie en vrienden nog een helse impact gaat maken, alleen weet ik niet waar in dit proces ’t zich zal manifesteren.

Meestal heb ik er gewoon zin in. Ik ben nieuwsgierig. Mijn verhuizing naar Frankrijk is een eenmansonderneming zonder werkelijke richting, en ik zit eerste rij.
Misschien mis ik een beetje dat massale ‘wat overkomt ons nu toch’ zoals dat de laatste maanden van de middelbare school door de gangen woei. Die sfeer van verandering in de ogen van anderen. De energie die ontstaat zelfs in de weken voor de zomervakantie, als we stijgijzers bestellen en tochtenmaatjes claimen.

Maar als ik me laat gaan in mijn fantasie en even later wakker word, dan ben ik zo opgefokt blij dat het geen zier uitmaakt dat ik de enige ben. Ik voel langzaamaan een ballast verdwijnen. De keuze voor Frankrijk is in de loop der jaren veranderd in een verplicht onderdeel, iets dat ik moet afvinken voor ik verder kan, een basisvoorwaarde voor de grote rest (wat dat ook moge wezen). Hierna hoef ik niet meer over de bergen te fantaseren, want dan kan ik ze zien. Dan kan ik die obsessie loslaten en een nieuwe starten. Misschien ontwikkel ik wel een gigantische passie voor de zee. Je weet het nooit.

Vreemde Beweging

Ik heb mijn eerste stapjes gezet vanmorgen. En ik ben niet meer opgehouden. Van de poli over de betonnen parkeerplaats tot het perron van Holendrecht, door de gangen van de trein, Muiderpoort en Albert Heijn. Met hervonden souplesse klom ik mijn zes trappen op, de grootste horror van de afgelopen weken. Ik heb zelfs al gedanst, al was het een wat scheve dans waarbij mijn linkerbeen grotendeels buitenspel stond.
De piratenhechtingen zijn eruit gehaald. Nu heb ik een piratenlitteken op een dikkig en gekleurd enkeltje. Steunzolen en de fysiotherapeut en nog meer blije dansen wachten me, want ik voel me vrij. Ontslagen van de loden bol aan mijn been en grijze tentakels aan mijn armen.

Het was een sensatie om weer stappen te zetten. Mijn huid prikkelde alsof er nieuw leven vanuit de bodem via mijn voet door mijn lichaam werd geblazen. Ik kreeg de grijns nauwelijks van mijn gezicht.

Ik kan je met vreugde vertellen, al het kwaad van de val heb ik gehad. Er rest me niets dan revalidatie. Ik krijg mijn eigen lichaam terug, ze hebben me er eindelijk toestemming voor gegeven, wie dan ook. Vanaf vandaag word ik beter. Ik durf weer met Frankrijk bezig te zijn, weg te zinken in fantasieën over tochten en huizen. Het voelde belachelijk om mijn huur op te zeggen terwijl ik mijn eigen theekopjes niet kon dragen. De plannen zijn met die eerste stapjes van vanmorgen legaal geworden, ondertekend, gezegend. De bergen verklaren me eindelijk nederig genoeg. Ik mag terugkomen. Onder voorbehoud, moet ik erbij zeggen. Mits ik mijn revalidatie serieus neem.

Het was alsof de arts rook dat ik er vandaag nog vandoor wilde sprinten, zodra hij zijn rug naar me keerde. Rechtstreeks de Thalys in en een berg op. Soms gaat mijn fantasie er met me vandoor, dat is het enige. Mijn enkel spreekt in geen andere tijden dan het nu, oude zenmonnik die het is. De revalidatie valt niet te plannen en dat maakt mijn toekomstbeeld vatbaar voor een optimistische wending. Maar ik neem de arts serieus, ik zou niet anders durven. Als hij zegt dat ik me rustig moet houden dan is dat wat ik doe. Ik ga dit niet verpesten. Dat ben ik aan hem, laat staan mezelf verplicht.

Het is überhaupt een vreemde beweging die ik maak. De bergen brachten me groot onheil. Een paar doorgeleerde superhelden uit de stad dreven het kwaad uit met een scherp mesje en groteske magie. Ik kan ze nooit bedanken zoals zou moeten en steek gevoelsmatig mijn middelvinger naar hun op door weer naar de bergen te trekken. Alsof ik lomp met mijn leven omga en het anderen laat oplossen. Ik weet dat  het hun baan is, dat is wat mijn houding mogelijk maakt, en toch voel ik een diep soort dankbaarheid vermengt met schaamte als ik aan hen terugdenk. Ik mag mezelf nooit overschatten. Ik moet de risico’s inperken. Stap voor stap ga ik revalideren, en stap voor stap ga ik alpineren, en stap voor stap ga ik elke stomme fout die ik maak uitbannen zodat ik me nooit meer hoef te verantwoorden voor een opname. De bergen gaan een taaie aan me hebben.

Dus, Frankrijk. Ik verschuif van de realiteit van het bankzitten in de realiteit van het revalideren en verhuizen. Ik houd emailsessies met Franse boeren om een soort zekerheid te vinden op een wijngaard of fruitkwekerij, voor de eerste maand. De tijd daarna is onbepaald. Met alleen een tas of twee zal ik vertrekken, dus wat ik met mijn grote knuffelvarken doe, waar ik mijn boeken stal en hoeveel dat leuke prullenbakje van vroeger me waard is moet ik nu bedenken. En hoe neem ik afscheid?

Het vertrekken van de bus

Ik ga naar Zwitserland.

De bus vertrekt om zeven uur. Mijn hele dag draait om dat tijdstip. De tijd ervoor heeft geen waarde, wat ik er ook mee doe. Ik pak mijn tassen in en leg mijn paspoort klaar. Drie keer verzeker ik mezelf ervan dat ik de boel bij elkaar heb. En dan wacht me een dag.

Ik rommel en lees wat, scharrel over het internet, het maakt allemaal niet uit. Het idee van de naderende operatie schopt me het huis uit, langs het Flevopark en het water, als een laatste hardloopsessie voor de executie van mijn mobiliteit. Het gaat niet goed en niet slecht, alles verdwijnt in een groot doelloos niets en ik ben kampioen in het nu-leven.
Thuis spring ik onder de douche en in mijn buskleding. Ik voel me een onderdeel van mijn bagage, een blond mensenhoofd dat erbovenuit steekt, wachtend op klokslag zeven uur. De tijd lijkt te groeien, alsof ze zich volvreet met elk miniem stukje dag.  Een onzekere impuls brengt me ertoe mijn busticket vast uit te printen, mocht dat op onvoorspelbare wijze uitgroeien tot een probleem. Ik ontfutsel mijn pinpas uit de bagage, pak mijn sleutelbos en sluit de deur achter me.

Twintig minuten later sta ik voor mijn huis. In mijn linkerhand houd ik de bustickets en met mijn rechterhand ga ik door mijn sleutelbos. Een kort moment stel ik vast dat mijn huissleutels er niet aan zitten, en bevestig ik de logica daarvan, want die sleutels zitten nog in het kleine vakje van mijn hardlooplegging. In de verte zie ik een grote racket van gevolgen en paniek op me af stevenen, en ik kijk er rustig naar, tot het rode gevaarte zich in mijn realiteit boort en ik door het lint ga.
Paniek. Paniek is achteraf interessant, omdat er altijd een klein rationeel breindeel actief blijft terwijl het wezen allemaal gekke dingen doet en ervaart. Een onsympathiek breindeel dat eerder geneigd is te denken ‘doe normaal, idioot’ dan ‘jij arm, verloren emotievat’.
Ik loop heen en weer en roep meerdere malen “dit meen je niet”. Een reeks oplossingen presenteert zich en stuk voor stuk doe ik ze af als onmogelijk. Mijn kamer is drie hoog. Ik bel de woningbouwcorporatie en vraag hen om de sleutel, maar die hebben ze niet. Ze kunnen echter wel de deur forceren. Ik vraag hen hoeveel dat kost en het bedrag is belachelijk. Ik loop naar een buurjongen en zeg hem dat ik mijn huis niet inkom en mijn deur wil forceren. Hij neemt mijn geval serieus en belt kennissen, monsters, het maakt me niet uit. Ik google ondertussen op ‘openbreken deur, bel het eerste servicenummer van de lijst en laat iemand hierheen sturen. De buurjongen en ik komen via mijn flatgenoten de hal binnen, lopen omhoog en onderzoeken mijn deur. Het is de wereld van inbraakpreventie, deurstrips en sloten, het leven in Oost, de hele boel potdicht. Het is inmiddels half zes, mijn buurjongen heeft weer eigen zaken te regelen.
Een half uur later stapt een man traag uit een groen autootje. Hij beweegt zich naar zijn achterbak – ik tel de stappen – en haalt er een koffer uit met, naar wat ik hoop, brute apparatuur. Ik vertel hem over mijn bus en de tijd, half om mezelf de reden van zijn komst begrijpelijk te maken en half om tempo in zijn lopen te krijgen. Maar ik geloof niet dat hij de tijdsdimensie eigen is, want zijn stappen versnellen niet. De tijd draait me een loer vandaag.

Ik neem plaats op de trap voor mijn deur en kijk hoe hij mijn slot analyseert. Potdicht, is zijn conclusie. Ik weet het. Hij maakt even een sommetje, 30 euro voorrijkosten, 80 euro openbreken, 100 euro slot, 80 euro nog iets. Ik zeg hem dat mijn busticket me 23 euro heeft gekost en dat het misschien geen goed idee is om het plan door te zetten. En dan ga ik huilen.
Ik huil geen tranen maar grote horten en stoten. Ik kan geen zin meer formuleren, mijn strot leidt een eigen leven en laat geen woord meer door. De buurvrouw heeft hoogte gekregen van het tafereel en is erbij gekomen. Ze probeert verzachtende woorden te spreken, maar ik huil zolang als dat het huilen duurt.
Ik verdenk de man ervan vaker huilende mensen te treffen, want het doet hem niets. Hij reageert er niet op, niet in het minste, ook de emotionele dimensie lijkt hij te missen. We lopen naar beneden en ik kalmeer. Hij biedt nog aan om via de onderburen op het balkon te klimmen. Net als ik mijn oordeel over hem bijdraai noemt hij de kosten van het potentiële avontuur: 80 euro. Ik ben verbijsterd.
Buiten staar ik naar mijn verdieping. Daar liggen mijn tassen, al sinds elf uur vanmorgen. Mijn paspoort. Ik voel hun nabijheid.

De man wil zijn voorrijkosten, maar ik haat hem. Hij biedt me aan om mee te rijden naar de pinautomaat en ik weiger. Ik zeg hem dat ik wel loop. Naast elkaar bewegen we voort, straat na straat, hij in zijn groene autootje, ik te voet. Het blijkt een speurtocht die per bocht belachelijker wordt. Een kwartier later vinden we een automaat, precies op het moment dat mijn bus vertrekt. Ik geef hem het geld zonder hem aan te kijken en vervloek hem in alle oprechtheid. Wil je het bonnetje? Nee. Verdwijn.

Terwijl ik het groene autootje kleiner zie worden besef ik me dat ik niet alleen mijn spullen niet uit mijn huis kan halen, maar ook zelf mijn huis niet in kan. Ik sta op straat.

Ik ga op een bankje zitten. En daar is weer de tijd. De tijd in context van een weggevallen busreis. De tijd die duurt tot het thuiskomen van mijn huisgenootje. De tijd die ik heb waarin ik niets heb, behalve de buitenwereld. Het is koud en ik ben niet gekleed op het vallen van de avond. Het is mijn buskleding. Ik staar naar de auto’s, de mensen voor wie het etenstijd is, het reguliere van alles dat zich voor me afspeelt. Daar zit ze dan, denk ik. Daar zit ze dan.
Ik bel een vriend en breng de rest van de avond met hem door. De volgende morgen sta ik vroeg op en lift naar mijn bestemming. Vierentwintig uur na het vertrekken van mijn bus kom ik aan. Om precies zeven uur in de avond.

Onhandig

Ik heb rood gips om mijn been. Een vriendinnetje heeft er hondenpootjes op getekend. Eronder zitten piratenhechtingen, twee kleine en een lange die mijn enkel volgt. Ik zag ze afgelopen maandag, toen ik met ontbloot onderbeen op een gipstafel van het AMC lag. Ze zijn stoer, constateerde ik, maar ook een beetje freaky. Ze herinneren aan het mes van de dokter en geven het idee dat mijn lichaam gemakkelijk opengesneden kan worden – als een broodje, een avocado – wat in deze context de bedoeling was, maar in mijn hoofd nog steeds gelieerd is aan kwade professoren en potjes oogballen op sap.

Het is een eigenaardig leven dat ik leid, of wij leiden. Mijn been en ik. Het been moet de hele dag hoog. Als ik dat niet doe, dan is de pijn voor eigen rekening, zei de gipsman me op serieuze toon. Het zittende bestaan, twee weken lang met immer in mijn blikveld het rode gips met de hondenpootjes.
Of het onhandige bestaan. Krukken houden me overeind, maar vallen zodra ik ze loslaat, met een kabaal dat mensen verleidt me te redden van de badkamervloer. Ze maken het gros van het transport via mijn handen onmogelijk. Veel vervoer ik tussen mijn tanden en kwijl ik onder als de afstand lang is. Het probleem van vloeibaar transport heb ik opgelost met thermosflessen en truien met buidels.
Vooraf calculeerde ik het lopen met krukken in als volwaardige vervanging van het lopen op twee benen. Misschien iets trager. Nu, het lukt me om een straat door te komen, een kleine. Het trappenhuis is een uitputtingsslag en de winkel te ver weg. Onhandig.

Ik heb nagedacht over onhandigheid. Om twee redenen: Elke handeling gaat momenteel met onhandigheid gepaard (ik blijf het maar constateren) en ik heb teveel tijd om na te denken. Wat ik heb bedacht is het volgende: Mijn wetten zijn anders, en dat is alles. Handelingen kosten meer tijd en energie in vergelijking met normaal, maar normaal is nu niet en zal voorlopig ook niet zijn, dus kan ik beter de huidige tijd- en energievraag als standaard nemen. Dat is best een geinig idee, want het leidt me onvermijdelijk tot het besef dat mijn normale standaard ook slechts gewenning is. Dus als ik momenteel ongeduldig raak van mijn theezettempo, dan bedenk ik me meteen hoe onhandig het normaal eigenlijk is dat ik geen drie armen heb. Een onderstel met wielen en twee vleugels die me vliegen naar de zon. Verdomd onhandig.

Het meest eigenaardige aan dit leven is dat het zich grotendeels in mijn hoofd afspeelt. Door de afgenomen mobiliteit is elk eigen avontuur gedirigeerd naar de fantasie en leef ik, klim ik, dans ik in gedachten. Mijn moeder heeft me leren breien. Elke steek brengt me verder weg van het breiwerk, dieper in de verhalen die in me huizen. De boeken die ik lees en films die ik kijk maken me thuis in nieuwe werelden. Ik ben een ontdekkingsreiziger zonder van mijn bank af te komen. Een avonturier met een gipsen been van rood en hondenpootjes.