Latest Posts

Dropjes, Spanje en Japan

Ik eet dropjes. Voor ik ga slapen en gelijk als ik wakker word.
Mijn lichaam heeft de nare gewoonte om mijn keel naar voren te schuiven als het eerste en meest hardnekkige slachtoffer van een lage weerstand. Mijn weerstand ligt sinds twee dagen op een kerkhof begraven, ergens diep in de grond, en daarom eet ik dropjes.
Voor mijn vertrek naar Frankrijk afgelopen mei reden we nog even langs het ouderlijk huis om wat vergeten spul op te halen. Ik knuffelde mijn moeder een laatste keer en zij gaf ons een grote zak drop mee voor op de lange autoreis. Twee kilo.
Ik heb een derde ervan opgegeten in juni, toen ik ziek werd tijdens de aller heetste en aller drukste werkdagen van het seizoen. Nu eet ik weer een derde.

Ik ben bijna benieuwd wanneer ik het laatste deel opeet.

Het zijn twee haast gemoedelijke dagen. Ik heb het kippenhok al een week voor me alleen en kan gedurende de strijd met de ziektekiemen ongestoord in mijn bed blijven liggen. Het andere bed ligt afgeladen vol met spullen die ik mee naar Spanje ga nemen.
Ik weet eigenlijk niet of ik daarover al geschreven heb, maar ik ga voor een maand naar Spanje. Mijn maatje Freja en ik beginnen in Margalef, vlak onder Barcelona, en dalen steeds verder af, van klimgebied naar klimgebied, tot onze handen afgesleten zijn en we beide met twee stompjes op een grote boot naar Marokko varen. En als ik het niet verkeerd heb begrepen gaan we ook in Marokko nog even klimmen. Voor het volledige plan, kijk hier.

Maar alhoewel de vrouw van blablacar.fr al bijna toeterend op de stoep staat, voelt het avontuur ernstig ver weg. Het kost me best veel moeite om op te staan. Slapen lijkt altijd een betere optie. Soms kun je voor het slapengaan uren liggen woelen tot je eindelijk, of helemaal nooit, een houding hebt gevonden waarin je lichaam wilt blijven. Misschien is de definitie van ziek zijn dat elke bedhouding als gegoten zit.
Ik doe dat vaak, als ik ziek ben. Bedenken wanneer ik kan zeggen dat ik ziek ben. Ik zou gewoon mijn temperatuur kunnen meten, maar zo’n slim apparaatje heb ik nooit bij de hand. Misschien is het aantal dropjes een indicatie. Of simpelweg hoe slecht ik me voel.

Maar ik voel me niet heel slecht. De linkerhelft van mijn keel is in oorlog met de rechterhelft, ik weet zeker dat mijn hoofd drie keer in omvang is toegenomen, en mijn lichaam voelt erg mysterieus heel licht en zwaar tegelijkertijd, maar zolang ik honing drink en me alleen kleine uitstapjes uit het kippenhok permiteer zit ik eigenlijk wel goed. Ik lees een boek. De Aiguilles Rouges staan nog steeds onverstoorbaar op hun plek, precies daar waar ik ze vanuit bed door het raam kan zien.
Gisteren kon ik nog langs Chambre banjeren om daar in een roes naar een gigantische kop thee te staren, en een film kijken in het nabijgelegen appartement van een vriendin. Vandaag kluister ik me wat meer vast aan de verwarming thuis, maar aan vermaak ontbreekt het me niet; ik kan nog eenvoudig teren op mijn laatste affaire in de bergen, en omdat mijn kop vol met watten zit kan mijn denken onvermoeibaar in rondjes gaan zonder dat het me verveeld. Ik besef me nu dat zo’n volgelopen hoofd je de perfecte zenboeddhist maakt, want gedachten komen en gaan direct weer omdat je de energie niet hebt om één ervan vast te houden.

Ik lees Flipperen in 1973 van Haruki Murakami, dus eigenlijk zit ik ook meer in Japan dan dat ik in mijn bed lig.

Het is grappig dat ook in Chamonix iedereen ziek wordt wanneer het kouder wordt. Dat is niet aan Nederland gebonden.
Maar niemand vindt mijn dropjes lekker. Vandaar dat ik ze allemaal zelf eet.
En wanneer ik ze over het Sinterklaasfeest vertel, begrijpen ze er helemaal niets van.

Het is tijd dat ik ga slapen.

Het Hutje van Sprookjes en Dansende Spookjes

Bergje is wel mooi
Vier jaar geleden liepen Fieke en ik voor het eerst over de lange morenen van Glacier du Tour naar de Albert Premier, een hut in het noorden van het Mont Blanc massief. We hadden net op cursus geleerd hoe we over sneeuw moesten lopen. Onze maatjes konden we uit gletsjerspleten takelen en het kompas wees ons de weg.
Een paar ervaren klimmers namen ons vervolgens mee op tocht in de wilde bergen die zich rondom de Albert Premier bevonden. Om twee uur ’s nachts werden we gewekt en een uur later joegen ze ons over de gletsjer. Op de top van de Petite Fourche benoemden ze alle bergen om ons heen. Het was een sprookje. 

Herfst 2015.
Zoek de AapFieke en ik banjeren door de sneeuw. In de verte zien we de Albert Premier, en daarnaast het bivakhutje. Eind september sluiten de meeste grote hutten en zijn klimmers aangewezen op hun kleine bivak broertjes en zusjes. Hutten zonder waard en zonder biertjes. De aanwezige voorzieningen kun je op voorhand opzoeken, en dat hebben we gedaan, maar ik ben er niet gerust op. De laatste meters van de aanloop zijn volledig verijst. Een bevroren waterval loopt in golven over het pad en glimt in het zonlicht. We moeten ons over kleine droge rotspuntjes bewegen om bij de bivak te komen.

Het is voor ons beide de eerste keer dat we buiten het seizoen alpineren. We hebben geen idee wat we in de bergen zullen aantreffen. Sneeuw, kou, eenzaamheid. Overbezette bivakken. Het was een gok om naast ons alpine spul alleen wat kookgerei mee te nemen. In mijn achterhoofd houd ik rekening met de mogelijk dat het hele ding gesloten is en we rechtsommekeer moeten maken.  Maar dan ruiken we de geur van verband hout.

Er is leven.
Meer dan dat zelfs.  De hut

Zodra we de deur van het kleine hutje openen horen we popmuziek. Twee jongemannen zitten grijnzend achter een tafel die volgeladen is met kaas, worsten en aardappelen, twee flessen witte wijn en een box aangesloten op een smartphone. Om hun heen aan de muur hangen donsjassen, helmen en ijsbijlen. De rest van de ruimte is groot en netjes.

We gooien onze tassen af en gaan verbaasd aan onze eigen tafel zitten.
Dus dit is een bivak?

Ik trek mijn schoenen uit en ga in twee legergroenen hutklompen op ontdekking. In een hoek staat een kachel en achter een deur ligt een grote opslag met blokken hout. De wc stinkt, maar lijkt te werken, en in de slaapruimte liggen wel honderd dekens. Het is warm binnen. Op de kachel staat een grote pan waarin de Fransen liters sneeuw hebben gesmolten.
Mijn aandacht wordt getrokken door twee brede oranje strepen zonlicht die schuin vanaf de ramen de hut in lopen. Het gefonkel van de gletsjer. We raken in gesprek met de Fransen, maar als we ons op het balkonnetje begeven is het dood en doodstil. Het dal is gevuld met wolken. De hoekige lijnen van de gletsjerspleten gaan over in de pluizige oceaan boven Chamonix. Daarachter is niets, niets dan blauwe lucht.
Ik zeg tegen Fieke dat het me niet meer uitmaakt wat er gebeurt. Dat dit al voldoende is.

VerstoppertjeWe zetten ons gastankje binnen op tafel en warmen twee pakjes prefab pasta op. Light and Fast, of in elk geval niet al teveel rommel op onze rug; dat was het idee. Achter mijn pannetjes zie ik de schimmen van de twee jongens en de contouren van hun bourgondische feestje. Verschillende kazen. Verschillende worsten. Ze maken kaasfondue, laten ze ons weten.
Kaasfondue.

Onze pasta is na vijf happen op. Fieke begint aan een bak havermout en ik verzink in de topo van het gebied. Het lijkt een rustige avond te worden.

Terwijl ik van route naar route blader luister ik stilletjes naar het gebabbel tussen haar en de jongens. Ik probeer me afzijdig te houden, maar dat lukt niet. Natuurlijk niet. Voor ik het werkelijk door heb zit ik naast een plastic beker witte wijn en eet ik het ene na het andere stuk huisgemaakte worst. Grote aardappelen met gesmolten kaas worden voor onze neus op geïmproviseerde borden geschoven. Muziek klinkt door het houten hutje. Gelach. Frans.
De jongens rollen sigaretjes en we volgen ze naar buiten. De zon zakt langzaam onder, feloranje op het donkerblauw, en elke hint naar de bewoonde wereld vervaagd. Rook nestelt zich in mijn hoofd en versluierd het contact met de realiteit. Fieke praat en lacht, ik voel het geluk bijna tastbaar in de lucht.

Even later dansen we.
Allemaal.

Vier figuren in leggingen en thermoshirts op 2800 meter hoogte laten hun armen, benen en billen los op het ritme van muziek en een flacon sterke drank. We proberen spagaten en pirouetten en zelf fatsoenlijk in paren te dansen, wat geen van ons lukt. De hoogte put ons uit en laat ons zwaar ademend op de grond zakken. Met het oog op de tochten van de volgende morgen stoppen we de muziek, ruimen wat op en gaan naar de slaapzalen boven. Fiek en ik sluiten ons hok en kruipen beide onder drie wollen dekens, doorgeslagen om alles wat ons overkomt.
Als we net een beetje bedaren, horen we gerommel op de gang. De deur kraakt. Kerkmuziek klinkt. Een zwak schijnsel verlicht de ruimte. Met grote ogen kijk ik naar Fieke, die zich concentreert op wat zich langzaam op ons af beweegt.

Franse SpokenTwee Franse spoken.

Het duurt tien minuten voordat we bekomen zijn van de hilariteit en ruim een uur voordat de adrenaline uit onze lichamen stroomt. Pas dan kan de slaap ons meevoeren.

De volgende morgen vroeg klinkt onze wekker. We lopen zachtjes naar beneden, rommelen aan onze tassen en maken een grote bak havermout. Uit de pan op de kachel vissen we gletsjerwater. We koken het, eventjes – geen idee hoelang water moet koken om het drinkbaar te maken. We hebben beide een camelbag als waterdepot en moeten wachten tot het water voldoende afkoelt om ze te kunnen vullen. De ochtend verloopt traag, maar het doet er niet zozeer toe.
Een van de jongens komt naar beneden en deelt ons mee dat zij niet meer op tocht gaan. De ander heeft namelijk zijn beenspier verrekt met het proberen van de spagaat en komt zijn bed niet meer uit. Het is tragisch. En hilarisch.
Anderhalf uur na het ontwaken maken we ons debuut in het herfstalpinisme.

Eind van de middag.
Onverwacht en uitgeput komen we terug bij de hut. Het plan was aanvankelijk om ons naar een andere bivak te bewegen, maar door mijn navigatiekunde verliezen we de route en moeten we terugkeren. Het kompas wees niet de weg.
Op het balkon wachten de twee jongens ons op. Onsamenhangend van vermoeidheid doen we ons verhaal.

Op 't balkonDie avond stroomt de hut vol. Twee andere Fransen voegen zich bij de bourgondische eetclub en halen grote bieren uit hun alpine tassen. Een aspirant gids sleept zijn vriendinnetje mee omhoog en twee Sloveense dames bereiden zich voor op de Arrête de la Table.
Fiek en ik zijn uitgeput. We openen twee nieuwe pakjes prefab pasta en zonderen ons af in een hoek van de hut. Ik ben te moe om Frans te spreken, maar accepteer dankbaar de stukjes worst en kaas die ons weer worden toegeschoven. Fieke leest haar boek en ik probeer wat te schrijven. Op de achtergrond klinken de stemmen van alpinisten die hun tochten voorbereiden. Af en toe verkassen ze zich naar het balkon om hun sigaretjes te roken. Iedereen praat met elkaar. De zon gaat onder. Ik probeer in woorden vast te leggen hoe ik me voel, maar eindig met het doorstrepen van al mijn zinnen.Fieks op valkon

Die nacht realiseer ik me dat ik me nog nooit zo dicht bij de verwezenlijking van mijn fantasie heb bevonden. Dansen in een hut hoog in de bergen. Iemand die ik liefheb en onbekenden met zoveel warmte in hun wezen dat ik begrijp waarom ik de deuren van mijn toekomstige houten huisje voor altijd wagenwijd open wil hebben staan. Avontuur in het verleden en avontuur in de toekomst. Een hutje van sprookjes en dansende spookjes. Het enige wat nog miste zijn al die anderen die ik dicht bij me wil hebben. Een gitaar en een schaap.

Hap slikDe volgende morgen is de bivak verlaten en weet ik dat de wilde bergen van het Mont Blanc massief aan alle kanten worden verovert. Fiek en ik doen een klein zelfverzonnen toertje aan de rand van de gletsjer en keren een laatste keer terug naar de hut. Het krioelt er opeens van de mensen. Ze legen de prullenbakken, timmeren aan raamkozijnen en bewegen zich druk heen en weer tussen de grote hut en het bivakhutje. Een helikopter levert een lading nieuw brandhout af. De mystiek van het bivak verdampt voor onze ogen, maar onze herinneringen zijn voldoende gevoed om met onaangetast geluk over de morenen af te dalen.

Dag Spookjes. Dag sprookjes. Fieke op weg

Tot de volgende keer.

Alpenvlinders

423485_2339644826712_820293281_n
Wat gebeurt er met me.

Ik kom niet in slaap ondanks dat ik nog steeds uitgeput ben. Ik ben overal in Chamonix maar mijn gedachten zijn ergens anders. Mijn hart schiet omhoog en omlaag en mijn glimlach probeert de hele dag de breedte van mijn hoofd te beslaan. Ik leef in een roes.

Ik ben weer hoog, hoog in de bergen geweest.

Zons..gangFiek kwam een week op bezoek om te alpineren. Elke morgen keken we aan tegen bizarre zonopgangen en elke avond tegen bizarre zonsondergangen. Overal gebroken gletsjers en verre toppen.
Stilte.
Of wind.
Onze adem.

Het was een bevalling. Ik was vergeten dat tochten zo zwaar waren. We bewogen ons in een dikke laag sneeuw en namen elke stap met grote moeite. Mijn tenen waren bevroren of kwamen heel erg pijnlijk weer tot leven. Ik zakte tot op mijn kin in een gletsjerspleet en zag mijn voeten bungelen boven een duisternis die ik sindsdien probeer te vergeten. Fiek liep over een sneeuwbrug waarvan we beide niet wisten of die zou houden. Ze gleed weg tijdens de afdaling door een ijzig sneeuwcouloir en hing slechts nog met het puntje van haar pickel aan een rotsblok. Het werd mistig in een wereld waarin het al moeilijk navigeren was. Spoookyy

Voor de moeders: Er waren back-ups.

Wat kan alpine ongelofelijk shit zijn. Loodzwaar. Ik voelde me vaak genoeg oncomfortabel vanwege mijn erfenis van vorig jaar. ‘Wat als’ achtervolgde me als de duivel.
Maar tegelijkertijd viel alles op zijn plek.

Klik.
Dit is het.
Een visje in het water.

CIMG2737 (2)Ik ben in leven. Mijn hart klopt, mijn zintuigen worden geprikkeld en geen enkele ervaring wordt nog gefilterd door mijn denken. Dit is grenzeloos.

Het afgelopen half jaar heb ik constant naar woorden moeten zoeken die samen een reden zouden formuleren voor mijn beweging naar Chamonix. Deze drie dagen liep ik door de verwezenlijking van die reden.
Selfiestickfiekk

Het is de overdonderende schoonheid die me van binnen verandert na
er dagen door omringt te zijn. Het is de kracht van de natuur, van de dag en nacht en de beweging van de gletsjer, van de wind en de hoogte, van de bergen die me inprenten dat zij de absolute alleenheersers zijn. Het is de hoge inzet, de keuze voor die inzet, het gevolg van die inzet, want wat je dreigt te verliezen is je dierbaarder dan ooit. Het is de pijn en de uitputting,
waardoor ik me bewust word van elke ledenmaat, elk fysieke systeem dat me gaande houdt, het hele lichaam dat op magische wijze van mij is, en waardoor ik met een voldoening bij de hut aankom die geen enkele andere prestatie me kan geven. Het is de kameraadschap tussen mij en mijn tochtmaatjes. Het vertrouwen. Het is het verhaal dat ontstaat bij een idee, een blik op een berg, een verhaal dat geleefd wordt door duizend alpinisten en waarin ik me verbonden voel met hen allemaal.

Ik ben afgeleid. Ik ben al twee dagen in het dal, maar mijn kop is alleen maar op hoogte. Het ene na het andere beeld flitst langs en voert me mee in mijn herinneringen. Ik wil alleen maar dáár zijn. Het leven is opeens heel eenvoudig.
Er vliegen vlinders in mijn buik, ik ben verliefd en ik weet waar ik heen moet.

CIMG2885 (2)

Met dank aan Fieke voor de foto’s en inspiratie.

Piratenboot

Ik ga. Fack it, ik ga gewoon. Ik stap in de auto en ik emigreer naar Frankrijk. En de rest zoek ik daar wel uit.

Je hebt van die punctuele mensen die zelfs iets wilds als een emigratie tot in detail regelen. Een stel dat op een gefixeerd tijdstip in de toekomst uit hun zes maanden geleden opgevraagde taxi stapt, met een passende sleutel het nieuw ingerichte appartement betreedt en struikelt over de zes ansichtkaarten op de vloer, gestuurd door al de mensen die het nieuwe adres al hebben opgeschreven.
Dat zijn twee hele verstandige mensen.

Ik was niet zo verstandig, want ik was een avonturier. Ik was de kapitein op mijn piratenboot en ik zeilde, zong en zigzagde me een weg door het ruige terrein van mijn nieuwe land.

Maar mijn zorgeloze vaart kwam abrupt ten einde toen mijn Nederlandse zorgverzekeraar mijn verzekering stopzette vanwege mijn werkcontract in Frankrijk.
Ok, dacht ik. Dat is hun goedrecht. Dan maar op zoek naar een Franse verzekering.

Niemandsland

Nu, Frankrijk is…interessant. Het is niet gemakkelijk om hier een zorgverzekering aan te vragen. Ik wil best toegeven dat ik het in het begin een beetje op zijn beloop heb gelaten, maar later, toen ik uit zenuwen als een agressieve terriër door sites en documenten spitte, en grommend en blaffend bij talloze instanties aanklopte, lukte het me niet. Het lukte me gewoon niet. Men waarschuwde me op voorhand voor de Franse papierhandel en ik dacht ‘dat loopt wel los’.
Nee, het loopt niet los.
Je moet hier minstens drie maanden officieel wonen en daarvan bewijs kunnen leveren. Ik heb mijn laatste huurgeld cash in een enveloppe gestopt, ‘Peter’ op de achterkant geschreven en door een brievenbus geduwd. En zelfs al had ik ooit een keurig huurcontract ondertekend, dan nog was ik de komende maanden onverzekerd geweest. Het duurde mijn georganiseerde Zweedse werkgever een half jaar voor ze de juiste pasjes van haar en haar kinderen binnen had en zelfs de instanties zelf waarschuwde me dat het wel een half jaar kon duren.

En de grap was dat ik in Nederland niet meer verzekerd kon worden omdat ik al in Frankrijk woonde. Zelfs de smekende telefoontjes van mijn moeder naar zorginstanties leverden niets op.

Ik kwam er via internetfora achter dat ik een klassiek geval was. Een idioot die haar emigratie naar Frankrijk op voorhand niet doordacht had. De zoveelste in de val van het verzekeringsniemandsland.

Vergeef me, ik was de kapitein op mijn piratenboot.

Dus ik had twee opties: Of terug naar Nederland gaan, of een half jaar niet vallen. Niet onder een auto terecht komen, niet ziek worden en niet dronken in de rivier springen. Thuis zitten, thee drinken en uit het raam staren.

De onverzekerde

Ik sprak met verschillende mensen en de reacties op mijn onverzekerde status waren erg uiteenlopend. Sommige keken me aan alsof ik elk moment aan een ernstig virus kon bezwijken, anderen startten risicoanalyses of raadde me aan het alpinisme tijdelijk stop te zetten. Je kunt je de reactie van mijn moeder wel voorstellen.
Mijn Franse klimvriend en bewoner van een bus zei me dat hij zelf geen zorgverzekering meer had, maar wel recent een had afgesloten voor zijn hond.
Een oud-collega had überhaupt nooit een zorgverzekering gehad. Haar ouders waren arme hippies in Engeland, die hun eigen groenten en ethische codes verbouwden en tegen hun kroost zeiden dat het wel overging, die hoofdpijn. Ik kan me niet voorstellen dat er werkelijk geen zorgverzekering voor die guppen bestond- ik betwijfel of je dat binnen de Europese Unie voor elkaar krijgt – maar het idee vond ik interessant. Ik had de zorgverzekering nooit vanuit ideologisch licht bekeken.

Ik voelde me niet prettig bij het idee onverzekerd te zijn, met name als ik dacht aan wat er kon gebeuren, maar er waren ook momenten dat ik dacht ‘rot op met die kloteverzekering, smeer hem iemand anders aan’. Ik had de behoefte om de keuze voor een verzekering bewust te maken, en me niet gedwongen te voelen om er één te nemen simpelweg omdat het de conventie was. Hoe meer ik erover nadacht, hoe vreemder de instantie van de zorgverzekering werd. Het was niets wezenlijks, het had betrekking op het eventuele, het ging om risico en het concept van risico duizelde me al voordat ik er werkelijk over nadacht.

Maar een week na die gedachten manifesteerde het zich juist als iets heel wezenlijks. Ik maakte een val met klimmen en voelde direct dat mijn enkel aan gort was. Ik wilde niet meteen aan een dokter, maar na een keten van stroeve morgens en weinig verbetering dacht ik, ‘shit, nu wil ik verdorie dat er iemand naar kijkt.’ Maar nee, ik was niet verzekerd.

De verzekerde

Als ik optel hoeveel geld er inmiddels aan het onderhouden van mijn lichaam is besteed, dan word ik bijna verdrietig. Mijn historie van hockeyblessures is ellenlang. Een knieschijf die op avontuur is geweest, tig gescheurde enkelbanden, rijen fysio’s en zwembadtherapieën. Ik heb mijn pols gebroken omdat ik van de trap viel en Pfeiffer gehad in een variant die mijn hoofd deed opzwellen tot buitengewone proporties. En ik ben recent nog van een berg gevallen. Hoe kun je van zo’n rennend, roekeloos wezen verwachten dat het in één stuk blijft?

De zorgverzekering blijft een concept waar ik niet helemaal met mijn verstand bij kan. Ik betaal maandelijks een bedrag en áls er iets misgaat, betalen anderen het duizendvoud van dat bedrag. Het heeft te maken met hele dure machines, heftig gekwalificeerde dokters, medicijnen en technologie. Ik leef in een tijd en samenleving waarin ik gefikst kan worden en het gaat gegarandeerd nog een keer mis. Daar hoef ik geen expert op het gebied van risicoanalyse voor te zijn.

En ik heb goed nieuws: Er is een Nederlandse verzekeringsinstantie die mij onder haar vleugels heeft genomen. Uw aanvraag 1577268 accepteren wij onder voorwaarden…
Wat een opluchting. Niet alleen voor mijn moeder, maar ook voor mij. Want ik ben de kapitein van een piratenboot en ga elke dag op avontuur. Mocht ik overboord slaan, dan zijn er mensen die mij op de kade hijsen en een deken om me heen slaan.
Dat is best heel erg bijzonder.

Wit

Het sneeuwt hier.

Dikke vlokken sneeuw in oktober. Het blijft niet liggen op de straten, maar wel op de daken van de auto’s en de bladeren van de bomen. Het sneeuwt hier en facebook explodeert. De overgebleven seizoenarbeiders plaatsen foto’s van zichzelf omringt door dwarrelende vlokken en schrijven die ene wens eronder die ik al de zomer lang hoor: Skiën. We kunnen bijna skiën.
Dit is Chamonix. Dit is het dorp in haar beste outfit, haar grootste belofte. Het was leuk, van de zomer, de zon was bloedheet en de ijsjes ijskoud, maar op een grashelling maak je geen vaart.
De klimtouwen en wandelstokken verdwijnen uit de etalages, weg van de begaande grond naar de kelder. De paspoppen worden warm aangekleed. De huurprijzen schieten omhoog en de après-ski bars rekruteren. Straks gaat er pas écht geld verdiend worden. Straks stromen de straten weer vol met toeristen, en de nachten met bezopen feestgangers. Straks is het wederom een gekkenhuis.

Maar nu is de serene schoonheid van de witte berghellingen voor de achterblijvers. Het is stil en het is magisch. Het sneeuwt.

Cacao Girls – Châtelard

KimstersFantastische route, niet waar Wous?
Geen idee waar die begon. Ergens onderaan het massief, tussen bossen en mossige rotsblokken, het plukje gras hier of het paadje daar. Ergens… rechts van de ene route en links van de andere, die routes die ook ergens begonnen. Geen idee waar.

De route begon in elk geval niet waar wij zijn begonnen.

Er stond Cacao Girls op de rots geschreven; het bewijs dat we in elk geval in de juiste verticale lijn zaten. De zon scheen en het leven was goed, wat maakte het ons nog uit waar we ons op papier begaven? Eerste, tweede, derde lengte…Vierde? Geen idee.

Het was wel vreemd dat opeens de hele wand vol met haken geboord was. Had jij het gezien, Wous, dat ergens halverwege onze route was vermenigvuldigd? In drievoud! Het boekje had er in elk geval geen oog voor. Wat was onze route…die linker? Of toch die rechter? Of…de middelste?

Kregen we nu de verrassings-zevenB?

Klimwous!Ik weet niet meer hoeveel lengtes we geklommen hebben, Wous, maar het waren niet de voorgeschreven twaalf lengtes.

Herinner je die boom nog. Daar waar jij stand gemaakt hebt. En de boswandeling die daarop volgde? Wat een feest was dat! Jij met het touw in je handen, op mijn aanraden onopgebost en dus erop uit om sliert voor sliert uit je handen te glijden. En ik met mijn nieuwe klimschoentjes en grote tenen die vurig van lijden tegen de neuzen drukten. Feest! Feest!

Nee, dat was eigenlijk het feest nog niet. Het feest was de 6a+ waar we allebei keer op keer uit donderden. Want die ene plek waar iedereen zijn linkervoet zette glom als onze bezweette voorhoofden, en al die andere potentiele voettreedjes deden maar alsof. Ik weet niet hoe we ons uiteindelijk naar boven hebben gewerkt, maar het was niet… Elegant.

En wij zijn zo elegant…!

GrasveldHet is wel gek dat ik hele mooie herinneringen aan deze route heb.
Dat zal dan toch aan jou hebben gelegen.

Of misschien aan de gesprekken tijdens de afloop, en de pauze die we hielden op het meest willekeurige perfect onderhouden grasveldje op hoogte ooit. Welkom in Zwitserland.

Ik heb genoten, Wous.
En je bent nog steeds mijn profeet.

Twee Puddinkjes

Voorklimangst.

Één keer goed naar beneden donderen en je bent erover heen. Of, zo leer ik nu, één keer fout naar beneden donderen en je hebt een gloednieuw mentaal traject te pakken. Bonus, zou ik bijna zeggen, bonus want nu heb ik weer een drijfveer om me de kunst van het mediteren toe te eigenen.

In Mont Blanc Escalade, de klimhal van Les Houches, hangen vijf touwen boven routes tot een graad of vier. De rest van de touwen moet je er zelf inhangen. Logisch, misschien, binnen een gebied waar aan alle kanten touwloze rotswanden uit de grond schieten.
En dus loop je de hele dag door voor te klimmen. Binnen of buiten, enkele of meerdere lengtes, het is allemaal met het risico meters naar beneden te vallen. En dat doe je ook, nu en dan. Een voetje glijdt weg of een hand grijpt mis of de verzuring treedt in en zoeff, opeens staar je naar een heel ander stuk wand.

Ik was een heerser. Behalve op de écht sketchie passages waar uitstekende rotspunten me als een marshmallow dreigden vast te rijgen vergat ik dat ik aan het voorklimmen was. Topropen voelde als het equivalent van setje-trekken. Ik had het allemaal onder controle.

Maar toen, in een donkere episode van mijn recente klimmersbestaan, viel ik op mijn goede enkel en sindsdien voelen beide enkels alsof ik chronisch op van die fysiobalansballen loop. Het zijn de twee zwakke schakels van mijn lichaam, de puddinkjes aan het uiteinde van mijn benen, niet echt de weerbarstige doch absorberende kussens waarmee je ramhard op een muur kan klappen.

En precies dat spookt tegenwoordig door mijn lichaam als ik boven mijn haak klim en me als een idioot begin voort te bewegen. Ergens is de angst wel reëel, ik denk dat ik voorlopig écht even geen vallen meer kan opvangen, maar waarom dan ben ik angstig in routes waarin ik weet dat ik niet val? Of in de overhang?

Ik klim als een gepanikeerde kip. Mijn kop is door het dolle en mijn lichaam wordt bezeten door onrust. Ik adem niet meer in mijn routes en obsedeer over elke volgende klip. Dat is mijn huidige status.

Gelukkig weet ik na vier jaar klimmen op zijn minst hoe ik mijn mentaal moet aanpakken en zal ik in de klimhal blijven cruisen tot ik me weer fatsoenlijk met het klimmen zelf bezig houd. Maar mijn god, wat een sport is dit. Ik heb me nog niet eens verzoend met de bergen na het ongeval van vorig jaar, en nu komt daar de verzoening met de klimwand nog eens bij. Het is één groot vallen en een gigantisch mentaal opstaan.

En ik ben bang dat ik het nog leuk vind ook. Of nee, laat ik zo zeggen: ik mag weer op zoek naar Boeddha, en dat is immer een bijzondere aangelegenheid.

Moeilijk Koekje

Allemaal gele kentekenplaten. In Chamonix ben ik alert op Nederlandse auto’s en lach ik als er typische Nederlanders in zitten.
In Nederland is iedereen typisch Nederlands.

En het landschap is plat.

Volgens mij is dit gewoon een volgend element van het emigreren: de terugkomst, de confrontatie met alles waar je niet voor gekozen hebt.

Harig monsterDe confrontatie met je eindeloos lieve en grappige moeder en je slimme vader die een kerstmanbaard heeft laten staan en nu nog drie keer slimmer lijkt. En je zus, die tegenover je zit met een kunstzinnige knot midden op haar hoofd, stuiterend op het ritme van haar hak-op-de-tak levensanalyses, en je broer die nog altijd floreert als het stabiele gezinslid. En de kat, natuurlijk, natuurlijk de kat. De zwarte miauwregent, het scharminkel Josephine, de sterk gekrompen pluizenbol die haar leeftijd miskend.

Ik sleur mezelf van diner naar koffie, van biertje naar taartje en merk dat mijn stembanden rauw dreigen te worden. Ik zie een deel van mijn vriendjes maar zie ook een deel van mijn vriendjes niet, en moet mijn best doen om me niet schuldig te voelen als ik bij mijn moeder op de bank zit.
Het is zo verschrikkelijk fijn om bij mijn moeder op de bank te zitten dat ik toch vaak kies om nog even thuis te blijven.

Thuis.

Amsterdam voelt surreëel in Chamonix en voorspelbaar genoeg voelt Chamonix surreëel in Amsterdam. Ik hou van dit stadje. Het loopt allemaal door elkaar, de straten en de mensen, en ergens daartussen loop ik. Smerig water in de grachten, glinsterend water in het Ij. De straten waar al mijn Franse vriendjes aan denken wanneer ik spreek over Amsterdam stinken. De fietsen zijn gewoon nog daar. De hipstercafeetjes ook. De parken, de duiven, de meisjes en de jongens, het is allemaal daar.

Nederland is geen moer verandert en overtuigd me van mijn eigen onveranderlijkheid. Mijn benen kennen de afstanden tussen elke straathoek en mijn hoofd de tijden van elke tram of trein. Ik voel precies wat ik voelde, zo exact en overtuigend dat er geen tijd tussen maart en oktober lijkt te hebben gezeten.
Oude gewoontes en denkpatronen nemen moeiteloos bezit van me en het intrigeert me, want ik had gedacht dat de ervaring van Chamonix me tot in mijn wortels aangetast had, maar nu lijkt mijn uitstap naar de bergen meer op onkruid. Vier maanden Chamonix vervalt bij 23 jaar Nederland.
Het gaat zelfs zó ver dat ik op een gegeven moment vloek omdat ik ‘hier’ goddomme vastzit. Meteen daarna realiseer ik me dat ik de stap naar Chamonix al genomen heb.

Het is vervreemdend, heftig en amusant.

Ik zit thuis, wederom bij mijn moeder op de bank, en we kijken naar Heel Holland Bakt. De deelnemers moeten een Franse soesjesspecialiteit maken en mama en ik leveren commentaar. Mijn zus kijkt mee vanuit haar eigen huis en becommentarieert via Whatsapp.
Na de soesjes krijgen de deelnemers een technische opdracht (legt mijn moeder aan me uit) en moeten een koekje maken.
Een koekje.
En dus kijken we allemaal naar hoe ze het koekje maken. Het is een ‘moeilijk koekje’, zeggen de chefs bij het beoordelen. ‘Een moeilijk koekje’ stuurt mijn zus op de Whatsapp.
Ja, denk ik. Een moeilijk koekje.

photo 1 (11)Het is niet het gemakkelijkste om terug te zijn. Want de gezichten van mijn familie en vrienden zijn mooi en hun kennis van me is zo diepgaand dat het me beangstigd. Wat als het niet beter wordt dan dit?

Het doet me pijn om afscheid te nemen. Echt pijn.

En toch twijfel ik niet aan de juistheid van mijn keuze. Ik ging weg om duizend redenen en kon het niet beter samenvatten dan door te zeggen dat het aanvoelde alsof ik niet kon ademen in Nederland. En een verblijf van vijf dagen in mijn oude omgeving is ruim voldoende om opnieuw naar adem te moeten happen. Ik heb de bergen nodig, ik heb ze nodig als een basisvoorwaarde en daar kan ik geen enkele analyse aan verbinden. Zo is het nu eenmaal.
Maar ik heb mijn vrienden en familie ook nodig.
Mijn moeder brengt me naar Schiphol. Het is vijf uur ’s ochtends en we drinken een kopje koffie voor mijn gate sluit. Ze vraagt me: ‘Waarom blijf je niet?’. Het is veel te vroeg om daar fatsoenlijk op te antwoorden en daarom mompel ik iets onsamenhangends. Bergen. Vrijheid.
Ik wou dat ik ijzersterk in woorden kon vatten wat het in vredesnaam waard maakt om zo ver van haar te wonen.

Wat kan ik zeggen. Nederland is een moeilijk koekje.

De avonturen van Haas

Voor mijn vertrek naar Frankrijk moest ik mijn spullen kwijt. Ik gooide veel bij het grofvuil en schoof de rest tussen boeken en spinnen op zolders door heel Nederland. Haas werd in een doos gestopt en op een plank gezet.

Een week na mijn aankomst in Notre Dame de Bellecombe krijg ik bericht op mijn telefoon. Het is een foto van Haas met een La Chouffe in de zon. Een brede zonnebril hangt om zijn snoet en een goed stuk worst ligt in plakjes naast hem. Haas was een knuffelhaas, een zacht maatje naast me op het kussen. Hoe kan hij nu opeens zo keihard chillen?

Ik leer in korte tijd meer over Haas dan in al die jaren daarvoor. Want in het volgende bericht, nog geen week later, zie ik Haas aan de speculaas, een afstandsbediening in zijn poot, zomaar even aan een vrijdagavondfilm.

Haas lag voorheen niet slechts passief onder mijn hoofd wanneer ik Pride and Pejudice keek, maar spiekte vanachter mijn paardenstaart naar de grote bruine ogen van Lizzie en voelde mee met Darcy toen hij bruut werd afgewezen om zijn arrogantie.

Dát wist ik niet.

Zeg Haas, waarom zei je het me niet, als je mee wilde lezen met Stoner of een slokje wilde uit mijn koffie? Ik had het graag met je gedeeld! Misschien dat ik de ChocoladeOreokoekjes zelf had opgegeten, zo eerlijk wil ik best zijn, maar had ik je niet op zijn minst op schoot genomen en de bladzijdes voor je omgeslagen! Of, nu ik je zo wijs en zelfstandig achter dat boek zie zitten, ontdaan van al je fluffigheid en pluizig brein, misschien had ik je me laten voorlezen, met de lage en warme stem van een wijs Haas… Oh Haas, had het me gezegd!

In een zoveelste bericht zie ik Haas met een gitaar op een bureaustoel. Het gaat me inmiddels vrij ver, dat avontuur van Haas. Ik denk terug aan de dagen dat Haas geen adem kreeg onder de dekens of gedurende de nacht naar het voeteneind werd geschopt. Ik voelde weinig bij het geluid van Haas, vallend van het bed op de houten kamervloer, en als ik niet in twee keer raak greep naar zijn oren om hem terug het bed in te tillen, nam ik nooit de moeite om even het licht aan te knippen en Haas van de grond te halen. Haas had een hard bestaan, maar alleen omdat ik dacht dat Haas een knuffelhaas was.
Knuffelhazen kunnen niet uit een doos kruipen, van een plank afspringen en het avontuur aan gaan.

Wat zal ik zeggen.

Ik verdenk Haas ervan al die tijd een tweede leven te hebben gehad.
(Mag ik je erop attenderen, Haas, dat je gitaar maar drie snaren heeft. Zo cool ben je niet.)

  


  
  

Met heel erg veel dank aan het fantastische brein van Menno Visser, dat een gewone knuffelhaas omtovert in Haas en me laat lachen telkens wanneer Nederland even héél ver weg is.